CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

RV Gewijzigde vaststelling Bp Fietspad Eindhoven-Nuenen-Helmond - Bijlage 4 Bijlagen bij de toelichting

Gemeenteraad 12 oktober 2023, gemeente NuenenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Fietspad Eindhoven-Nuenen-Helmond28.279 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Fietspad Eindhoven - Nuenen Helmond Nuenen, Gerwen En Nederwetten

DATUM IMRO IDN

05-12-2022 NL.IMRO.0820.BPfietspadEhvNuHel-D001

PROJECT PROJECTLEIDER

Fietspad Eindhoven - Helmond Rutger Kerstens

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Gemeente Eindhoven 13007

AUTEUR STATUS

Rutger Kerstens vastgesteld

Inhoudsopgave

Bijlagen bij de toelichting

5

Bijlage 1

Bodemonderzoek

7

Bijlage 2

Natuurtoets

311

Bijlage 3

Nader ecologisch onderzoek kleine marters

363

Bijlage 4

Notitie ecologisch nader onderzoek Grote Weerschijnvlinder

385

Bijlage 5

Watertoets

391

Bijlage 6

RISICOBESCHOUWING BUITENGEBIED

439

Bijlage 7

Nota van Zienswijzen

485

3/493

4/493

Bijlagen bij de toelichting

5/493

6/493

Bijlage 1

7/493

Bodemonderzoek

ASFALT-, FUNDATIE- EN BODEMONDERZOEK (INCL. ASBEST EN PFAS) SNELFIETSPAD TE EINDHOVEN

Rapportage asfalt-, fundatie- en bodemonderzoek (incl. asbest en PFAS) snelfietspad te Eindhoven Opdrachtgever

gemeente Eindhoven Postbus 90150 5600 RB Eindhoven

Rapportnummer Versienummer

17330.001 D2

Status

Definitief

Datum

14 februari 2022

Vestiging

Swalmen Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

Mevrouw F.M.W.G. Kiggen

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer drs. E. Hartingsveld

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadvies- en -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een infrastructureel onderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van materialen/bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een infrastructureel onderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit van de materialen/(water)bodem. Daarnaast betreft het onderzoek een momentopname.

Econsultancy accepteert derhalve op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ............................................................................................................................. 1

2.

AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE ................................................................................ 2

3.

VOORONDERZOEK .............................................................................................................. 3 3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 3.6. 3.7. 3.8. 3.9.

4.

UITVOERING ONDERZOEKEN ............................................................................................. 8 4.1. 4.2. 4.3. 4.4.

5.

Geraadpleegde bronnen ............................................................................................... 3 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie ............................................................. 3 Toekomstige situatie ..................................................................................................... 5 Calamiteiten.................................................................................................................. 5 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie ....................................... 5 Aangrenzende terreindelen/percelen ............................................................................. 6 Terreininspectie ............................................................................................................ 7 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten ....................................................... 7 Bodemopbouw en geohydrologie .................................................................................. 8

Voorbereiding ............................................................................................................... 8 Kwaliteitsborging veldwerk en laboratoriumonderzoek ................................................... 8 Uitvoering veldwerk ....................................................................................................... 9 Resultaten .................................................................................................................. 10

ASFALTONDERZOEK .......................................................................................................... 10 5.1. Resultaten vooronderzoek en onderzoeksstrategie ..................................................... 10 5.2. Onderzoeksopzet en -uitvoering .................................................................................. 10 5.3. Toetsingskader ........................................................................................................... 11 5.4. Laboratoriumonderzoek .............................................................................................. 11 5.4.1. PAK-markertesten ...................................................................................................... 11 5.4.2. Indeling wegvakken .................................................................................................... 11 5.4.3. Verificatie .................................................................................................................... 12 5.5. Classificatie vrijkomend asfalt ..................................................................................... 12

6.

FUNDATIEONDERZOEK ..................................................................................................... 13 6.1. 6.2. 6.3. 6.4. 6.5. 6.6.

7.

MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK ................................................................................ 16 7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5.

8.

Resultaten vooronderzoek en onderzoeksstrategie ..................................................... 13 Onderzoeksopzet en -uitvoering .................................................................................. 14 Aard en opbouw aanwezige fundatie ........................................................................... 14 Analyseprogramma fundatie ....................................................................................... 15 Toetsingskader ........................................................................................................... 15 Onderzoeksresultaten fundatie.................................................................................... 16

Resultaten vooronderzoek en onderzoeksstrategie ..................................................... 16 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen .............................................................. 18 Analyseprogramma grond ........................................................................................... 20 Toetsingskader ........................................................................................................... 22 Resultaten grond- en grondwatermonsters .................................................................. 24

NADER BODEMONDERZOEK AANGETROFFEN ZINK VERONTREINIGING TRAJECT 4 . 27

17330.001

8.1 8.2 8.3

8.4 8.5 9.

Aanleiding nader bodemonderzoek ............................................................................. 27 Veldwerk ..................................................................................................................... 28 8.2.1 Zintuiglijke waarnemingen ............................................................................. 28 Resultaten nader bodemonderzoek ............................................................................. 28 8.3.1 Resultaten HXRF-metingen ........................................................................... 28 8.3.2 Laboratoriumonderzoek................................................................................. 29 Interpretatie analyseresultaten .................................................................................... 30 Gevalsdefinitie ............................................................................................................ 30

SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES ..................................................................... 31 9.1. 9.2. 9.3. 9.4. 9.5. 9.6. 9.7.

Traject 1a (Loostraat) .................................................................................................. 31 Traject 1b (groenstrook ten westen van de Loostraat) ................................................. 31 Traject 2 (groenstrook ten westen van de Loostraat) ................................................... 32 Traject 3 (groenstrook in het verlengde van Parallelweg) ............................................. 32 Traject 4 (Parallelweg) ................................................................................................ 32 Traject Berenkuil ......................................................................................................... 33 Resumé ...................................................................................................................... 34

BIJLAGEN: 1. 2a. 2b. 3a. 3b. 4a. 4b. 4c. 4d. 4e. 5a. 5b. 5c. 6.

- Topografische ligging van de locatie - Locatieschets - Foto's onderzoekslocatie - Boorprofielen - Foto’s asbestinspectiegaten en opgegraven en gezeefd materiaal - Analysecertificaten - Toetsingstabellen grond en grondwater (Circulaire bodemsanering) - Toetsingstabellen grond (Regeling bodemkwaliteit) - Toetsingstabellen grond (Tijdelijk handelingskader PFAS) - Toetsingstabellen fundatiemateriaal (Regeling bodemkwaliteit) - Toetsingskader Circulaire bodemsanering - Toetsingskader Besluit bodemkwaliteit (grond en baggerspecie) - Toetsingskader Besluit bodemkwaliteit (bouwstoffen) - Bepaling veiligheidsklasse (CROW 400) 17330.001

1. INLEIDING Econsultancy heeft van gemeente Eindhoven opdracht gekregen voor het uitvoeren van een asfalt-, fundatie- en bodemonderzoek (incl. asbest en PFAS) voor diverse trajecten alwaar de gemeente Eindhoven voornemens is een snelfietspad te realiseren. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een voorgenomen reconstructie, waarbij de openbare ruimte binnen het plangebied opnieuw wordt ingericht. Bij deze werkzaamheden zullen (verhardings)materialen en grond vrijkomen. Het onderzoek richt zich op de (asfalt)verhardingslagen, eventueel aanwezige fundatielagen, de (onderliggende) bodem en/of het grondwater. Het doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de opbouw van de wegconstructie/bodem en de milieuhygiënische kwaliteit/hergebruiksmogelijkheden van de tijdens de reconstructie vrijkomende materiaalstromen alsmede de mogelijk te nemen veiligheidsklasse (CROW 400) voor het werken in verontreinigde grond. Daarnaast wordt ook onderzoek uitgevoerd naar de aard en omvang van de aangetoonde sterke verontreiniging. In relatie tot de doelstelling van het onderzoek zijn de in onderstaande tabel 1 weergegeven onderzoeken te onderscheiden. Tabel 1.

Benodigde onderzoeken

Onderzoeksdiscipline Vooronderzoek en terreininspectie

Protocol

Doelstelling per discipline

NEN 5725 CROW 210

-

-

nagaan of ter plaatse (of in de omgeving van) de onderzoekslocatie een geregistreerd geval van bodemverontreiniging aanwezig is; nagaan of (bedrijfs-)activiteiten en/of verontreinigingen in de omgeving de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie negatief beïnvloed kunnen hebben; beoordelen homogeniteit van de verhardingen.

-

Asfaltonderzoek

CROW 210

-

inzicht verkrijgen in de asfaltconstructie; het bepalen van de dikte, de gelaagdheid en de teerhoudendheid van de asfaltverharding.

Fundatieonderzoek

NEN 5740 NEN 5897

-

het bepalen van de dikte en de fysische samenstelling van de wegfundatie (mits aanwezig); het verkrijgen van een indicatie omtrent de milieuhygiënische hergebruiksmogelijkheden (incl. asbest) van het fundatiemateriaal (mits aanwezig).

Milieukundig bodemonderzoek

NEN 5740

-

inzicht verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit en hergebruiksmogelijkheden van de grond; inzicht verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater.

-

Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging.

Nader bodemonderzoek

NTA 5755

Econsultancy is gecertificeerd voor onder meer de protocollen 2001, 2002 en 2018 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". In dat kader verklaart Econsultancy geen eigenaar van de onderzoekslocatie te zijn of te worden. Het onderzoek is onafhankelijk van de opdrachtgever uitgevoerd.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 1 van 35

2. AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE De onderzoekslocatie betreft het projectgebied alwaar de gemeente Eindhoven voornemens is een snelfietspad te realiseren (zie figuur 1).

Figuur 1

globale ligging onderzoekslocatie

Het Eindhovense deel (onderhavige onderzoekslocatie) omvat enkel de trajecten 1a, 1b, 2, 3 en 4. De deellocaties 5 tot en met 8c maken geen deel uit van onderhavig onderzoek. Tabel 2 geeft een overzicht van de te onderzoeken terreindelen met daarin ook de verschillende type maaivelden. Tabel 2.

Gegevens te onderzoeken terreindelen

Traject

Adres

Verharding

Globale oppervlakte [m2]

Benodigde onderzoek(en)

1a

Loostraat

asfalt onverhard

1.120 545

aanvullend onderzoek PFAS

1b

groenstrook ten westen van de Loostraat (naast het spoor)

onverhard

5.840

aanvullend onderzoek PFAS

2

groenstrook ten westen van de Loostraat (naast het spoor)

onverhard

200

aanvullend onderzoek diepe(re) ondergrond (incl. PFAS)

3

groenstrook in het verlengde van Parallelweg te Nuenen

onverhard

325

aanvullend onderzoek PFAS (ter plaatse van Eeneind 32 en 34)

4

Parallelweg te Nuenen

asfalt klinkers | tegels onverhard

580 995 1.270

asfalt-, fundatie-, bodemonderzoek (incl. asbest en PFAS) en nader bodemonderzoek

Berenkuil

Berenkuil

asfalt tegels onverhard

125 3.185 695

asfalt-, fundatie- en bodemonderzoek (incl. asbest en PFAS)

Trajecten 1a, 1b en 2 staan kadastraal bekend als gemeente Tongelre, sectie C, nummers 1684, 1649 3614 en sectie A, nummers 1446, 1685 en gemeente Nuenen, sectie D, nummers 3067, 4023 en 3976. Trajecten 3 en 4 staan kadastraal bekend als gemeente Nuenen, sectie C, nummers 3751en 3159. Traject berenkuil staat kadastraal bekend gemeente Tongelre, sectie D, nummer 742. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland bevindt de gemiddelde maaiveldhoogte op circa 17,8 m +NAP.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 2 van 35

3. VOORONDERZOEK Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem omvat de onderzoekslocatie en direct hieraan grenzende terreindelen/percelen binnen een afstand van 25 meter. 3.1.

Geraadpleegde bronnen

Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden is een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd op basis van de NEN 5725:2017 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek"", en is tevens een historisch administratief onderzoek en veldinspectie conform CROW publicatie 210 "Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt" (juni 2015), protocol 1 uitgevoerd. In tabel 3 zijn de in het kader van het milieuhygiënisch vooronderzoek geraadpleegde bronnen weergegeven. Van de locatie en de directe omgeving zijn uit verschillende informatiebronnen gegevens verzameld over het historische, huidige en toekomstige gebruik, aanleg- en onderhoudsgegevens van de wegconstructie, eventuele calamiteiten, eventueel eerder uitgevoerde bodemonderzoeken, de bodemopbouw en geohydrologie en kabels en leidingen. Tabel 3.

Geraadpleegde bronnen

Onderdeel

Bron

Historisch, huidig en toekomstig gebruik

Opdrachtgever (contactpersoon mevrouw H. Wiegers), d.d. 5 oktober 2021

Aanleggegevens wegconstructie, bouw-/milieudossier, ondergrondse tanks, calamiteiten, eerder uitgevoerd bodemonderzoek

Gemeente Eindhoven (contactpersoon mevrouw H. Wiegers), d.d. 22 november 2021

Locatiegegevens van internet: - historisch topografisch kaartmateriaal - basisregistratie grootschalige topografie - hoogtekaart - luchtfoto's - Google Streetview - provinciale bodeminformatie - bodemopbouw - geo(hydro)logie - kabels en leidingen

www.topotijdreis.nl www.pdok.nl www.kadaster.nl www.ahn.nl webservices.gbo-provincies.nl/lufo/services/wms maps.google.nl www.bodemloket.nl maps.bodemdata.nl www.dinoloket.nl www.kadaster.nl/klic-wion

Terreininspectie

Uitgevoerd door medewerker Econsultancy, d.d. 8 november 2021

3.2.

Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie

Uit historisch kaartmateriaal ter plaatse van de Berenkuil blijkt dat de locatie tot omstreeks 1953 in gebruik was als natuurgebied met o.a. een heide en een ven. Vanaf 1953 is ter plaatse een rotonde gerealiseerd en de bijbehorende infrastructuur. Vanaf 1973 is de rotonde vergroot (tot de huidige omvang) en omstreeks 1985 zijn ook de huidige fietspaden afgebeeld. Na 1985 is de rotonde bij de Berenkuil nauwelijks veranderd, zie onderstaande figuur 1.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 3 van 35

Figuur 1. Historische kaarten van de Berenkuil in Eindhoven.

Volgens historisch kaartmateriaal ter plaatse van de Loostraat en groenstroken (trajecten 1A, 1B en 2) blijkt dat de Loostraat al vanaf 1900 is afgebeeld. Ook het treinspoor is al sinds 1900 afgebeeld. Volgens historisch kaartmateriaal ter plaatse van de Parallelweg (trajecten 3 en 4) blijkt dat zowel de Parallelweg alsook de Eeneind al vanaf 1900 is afgebeeld. De Eeneind werd hoogstwaarschijnlijk tot omstreeks 1983 gebruikt als hoofdweg vanaf Geldrop naar Nuenen. Vanaf 1984 is de Collse Hoefdijk afgebeeld die in de huidige situatie dienst doet als hoofdweg.

Figuur 2. Historische kaarten van de Loostraat, Eenheid en Parallelweg in Eindhoven en Nuenen.

Voor zover bij de opdrachtgever en de gemeente Eindhoven bekend, heeft er op de onderzoekslocatie zelf nimmer opslag van oliehoudende producten in ondergrondse of bovengrondse tanks plaatsgevonden. Uit de geraadpleegde bronnen blijkt geen aanwezigheid van ophogingen, dempingen of stortingen. Op basis van historisch kaartmateriaal is af te leiden dat het huidige wegenpatroon ter plaatse van de Parallelweg en Eeneind al een vanaf 1900 aanwezig was. De fietspaden bij de Berenkuil zijn vanaf 1985 aanwezig. Aannemelijk is derhalve dat de asfaltverhardingen (grotendeels) vóór 1995 zijn aangebracht. De exacte aanlegperiode is bij de gemeente Eindhoven voor zowel de wegen als de fietspaden echter niet bekend. Het is bij de opdrachtgever niet bekend of c.q. welke fundatiematerialen zijn toegepast. In bijlage 2a is de huidige situatie op een locatieschets weergegeven. Bijlage 2b bevat enkele foto's van de onderzoekslocatie.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 4 van 35

3.3.

Toekomstige situatie

De gemeente Eindhoven is voornemens een snelfietspad te realiseren ter plaatse van de verschillende trajecten. Verder is de gemeente voornemens aanpassing door te voeren ter plaatse van de fietspaden onder de Berenkuil. 3.4.

Calamiteiten

Voor zover bij de gemeente Eindhoven bekend hebben zich op de onderzoekslocatie in het verleden geen calamiteiten met een bodembedreigend karakter voorgedaan en zijn geen gegevens bekend dat op deze locatie, als ook in de directe nabijheid, met schuim is geblust. 3.5.

Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie

Ter plaatse van de onderzoekstrajecten zijn diverse bodemonderzoeken bekend. Hieronder is per traject het bijbehorende onderzoek samengevat: Traject 1a: Milieukundig onderzoek, Loostraat te Eindhoven, Anteagroup, projectnummer 0437267.100, datum 24 april 2019 Zintuiglijk zijn in de grond bijmengingen met slakken, sintels, kooldeeltjes en puin aangetroffen. De grond bleek licht tot sterk verontreinigd met nikkel, zink en koper. De sterke verontreiniging (IGC-7) bevindt zich in de berm. Verder was destijds sprake van hooguit een lichte verontreiniging met asbest. De verontreiniging in de grond laat een heterogeen beeld zien. Destijds is geen onderzoek gedaan naar PFAS.

Trajecten 1b en 2: Milieutechnisch (water)bodemonderzoek toekomstig fietspad Eindhoven – Nuenen, Tritium Advies, documentnummer 1810/199/HL-01, datum 13 juni 2019 Zintuiglijk zijn destijds bijmengingen met puin, asfalt, kolen, plastic, slakken en slib waargenomen. De bovengrondgrond bleek hooguit licht verontreinigd met zware metalen, PAK en/of PCB. Verder is destijds in de bovengrond een (sterke) verontreiniging met asbest aangetoond. Het oppervlakte is circa 100 m2 en de omvang is circa 30 m3.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 5 van 35

Traject 3 Milieutechnisch (water)bodemonderzoek toekomstig fietspad Eindhoven – Nuenen, Tritium Advies, documentnummer 1810/199/HL-01, datum 13 juni 2019 Zintuiglijk zijn destijds sporen baksteen aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat destijds enkel de bovengrond licht Verontreinigd was met koper. Er zijn geen verhoogde gehalten aan asbest aangetoond. Destijds is het traject bij Eenheid 32 en 34 niet onderzocht op PFAS.

Verkennend bodemonderzoek Percelen C3754, C3773 en D4023 te Nuenen, BK Ingenieurs B.V. projectnummer 212591, datum 5 augustus 2021. In bovenstaand onderzoek is traject 3 (de achtertuinen van Eeneind 32 en 34) niet onderzocht. Echter de omliggende trajecten zijn wel onderzocht, daaruit blijkt dat er geen verhoogde PFAS gehalten zijn gemeten boven de landelijk vastgestelde achtergrondgehalten. Ter plaatse van traject 4 en Berenkuil zijn bij de gemeente Eindhoven geen bodemgegevens bekend. 3.6.

Aangrenzende terreindelen/percelen

In paragraaf 3.1 zijn de geraadpleegde informatiebronnen voor de omliggende terreindelen en aangrenzende percelen binnen 25 meter van de onderzoekslocatie opgenomen. Het bodemgebruik van omliggende terreindelen bij de diverse trajecten is als volgt: Traject 1a: De omgeving van de Loostraat bestaat voornamelijk uit agrarische percelen. In het noordelijk deel bevinden zich woningen met siertuinen. In het zuidelijkdeel bevindt zich een treinspoor Traject 1b: Aan de noordzijde van dit traject bevindt zich een agrarisch perceel (grasland) en een bosschage. Aan de zuidzijde grens dit traject aan een treinspoor. Traject 2: Dit traject wordt omsloten door agrarische percelen, een bosschage en de beek “Kleine Dommel”. Aan de zuidzijde grens dit traject aan een treinspoor. Traject 3: Aan de noordzijde van dit traject bevinden zich woningen met bijbehorende siertuinen. Aan de zuidzijde wordt dit traject omsloten door een treinspoor Traject 4: Aan de noordzijde van de Parallelweg bevinden zich woningen met bijbehorende siertuinen. Aan de oostzijde bevindt zich de doorgaande weg Collse Hoefdijk. Aan de zuidzijde wordt de Parallelweg omsloten door een treinspoor en aan de westzijde door de Eeneind. Traject Berenkuil: De directe omgeving van de berenkuil bestaat voornamelijk uit infrastructuren en openbaar groen

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 6 van 35

Van de aangrenzende percelen zijn geen relevante bodemonderzoeksgegevens bekend. Uit de verzamelde informatie blijkt, dat er vanuit de omliggende percelen geen grensoverschrijdende verontreinigingen zijn te verwachten. 3.7.

Terreininspectie

Op 8 november 2021 is door Econsultancy een terreininspectie uitgevoerd. Tijdens deze inspectie is beoordeeld hoe de werkzaamheden veilig uitgevoerd kunnen worden en of in het werk bijzondere kenmerken (bijvoorbeeld spoorvormig, overgangen in het wegdek) aanwezig zijn en of er sprake is van bijzondere weggedeelten. De inspectie is tevens gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een bodemverontreiniging. Het fietspad ter plaatse van de Berenkuil is voor een klein gedeelte geasfalteerd. Op basis van de terreininspectie wordt één (weg)onderzoeksvak aangemerkt. Ook het asfalt ter plaatse van de Parallelweg wordt aangemerkt als één (weg)onderzoeksvak. Het asfalt is als homogeen beoordeeld en er zijn geen reparatievakken en scheurvormingen waargenomen. Verder zijn bij de verschillende trajecten geen mogelijke bronnen voor een grond- en/of grondwaterverontreiniging aangetroffen. Uit de terreininspectie blijkt dat er, ten opzichte van het voorgaand verkennend bodemonderzoek, geen wezenlijke veranderingen hebben plaatsgevonden die mogelijk geleid kunnen hebben tot verslechtering van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem De tijdens de terreininspectie aangetroffen situatie komt grotendeels overeen met de locatiegegevens, zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.2. 3.8.

Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten

Volgens de Bodemkwaliteitskaart is de Berenkuil gelegen binnen deelgebied “Uitgezonderd gebied”. Voor de uitgezonderde en/of niet-gezoneerde gebieden geldt het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit zonder dat een bodemkwaliteitskaart is opgesteld. Dit betekent dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie enerzijds moet voldoen aan de maximale waarden van de functie die voor de ontvangende bodem is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart. Traject 1a en 1b zijn gelegen binnen deelgebied “Buitengebied”. Zowel de ontgravingskwaliteitklasse als toepassingseis binnen dit deelgebied is landbouw/natuur. Binnen dit deelgebied komen de parameters zware metalen, PAK, minerale olie in verhoogd gehalten voor. Volgens de bodemkwaliteitskaart (BKK) opgesteld door Gemeente Nuenen voldoen trajecten 3 en 4 volgens de ontgravingen en toepassingskaarten aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’. Op de bodemkwaliteitskaart PFAS opgesteld door Antea Group voor gemeenten in Noord-Brabant is de locatie gelegen in zone ‘zuidoost-Brabant’. In de bovengrond en de ondergrond worden geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden voor PFAS verwacht.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 7 van 35

3.9.

Bodemopbouw en geohydrologie

De originele bodem bestaat ter plaatse van traject 1a bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit een hoge zwarte enkeerdgrond en de originele bodem van trajecten, 1b en 2 bestaat uit een lage enkeerdgrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk zijn opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Boxtel. Trajecten Berenkuil, 3 en 4 liggen volgens de bodemkaart van Nederland in een niet-gekarteerd gebied. De dichtstbijzijnde kaarteenheid van de Berkenkuil betreft een veldpodzolgrond. De dichtstbijzijnde kaarteenheid van trajecten 3 en 4 betreft een hoge zwarte enkeerdgrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk zijn opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Boxtel. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 16,0 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 1,8 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in noordwestelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van de betreffende trajecten die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van de trajecten.

De betrefefnde trajecten liggen niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.

4. UITVOERING ONDERZOEKEN 4.1.

Voorbereiding

Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, die geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de gegevens voortvloeiend uit het vooronderzoek en de ligging van kabels en leidingen. Bijlage 2a bevat een locatieschets met daarop aangegeven de situering van de boorpunten. In bijlage 3a zijn de boorprofielen opgenomen. Bijlage 3b bevat enkele foto’s van de (asbest)inspectiegaten en het opgegraven en gezeefde materiaal. Alle veldwerkzaamheden zijn, waar mogelijk, gecombineerd uitgevoerd. De uitvoering en resultaten ten behoeve van het nader onderzoek zijn beschreven in hoofdstuk 8. 4.2.

Kwaliteitsborging veldwerk en laboratoriumonderzoek

Tenzij anders vermeld is het veldwerk en de bemonstering uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001, 2002 en/of 2018. De visuele inspectie is uitgevoerd door medewerkers die gekwalificeerd zijn voor het protocol 2018 van de BRL SIKB 2000. Tevens is rekening gehouden met het veldwerkprotocol (Expertisecentrum PFAS, juni 2020) voor de bemonstering van PFAS-verbindingen in grond. Alle te analyseren (meng)monsters zijn, tenzij anders vermeld, ter analyse aangeboden aan een laboratorium, dat erkend is door de Raad voor Accreditatie en AS3000-geaccrediteerd is voor milieuhygienisch bodemonderzoek en voor asfaltonderzoek.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 8 van 35

4.3.

Uitvoering veldwerk

Het veldwerk is tussen 22 en 26 november van 2021 uitgevoerd onder kwaliteitsverantwoordelijkheid van de heer heren J.T. Bouwman, A.G.C. Rondeel, A. Bruil en D.J.G. Salden. Deze medewerkers van Econsultancy zijn geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2001 en 2018 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". Het opgeboorde materiaal is onderzocht in het kader van de diverse onderzoeksdisciplines. De grondwaterbemonstering is op 3 december 2021 uitgevoerd door de heer J.T. Bouwman. Deze medewerker van Econsultancy is geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". Tabel 4 geeft een overzicht van de (fasering van de) uitgevoerde veldwerkzaamheden. Tabel 4.

Uitgevoerde veldwerkzaamheden Datum

Traject

Globale oppervlakte [m2]

Onderdeel

Uitgevoerde werkzaamheden

Protocol

24 en 25 november 2021

1a

1.665

aanvullend onderzoek PFAS

2 x boringen tot 0,5 m-mv 5 x boringen tot 1,0 m-mv 4 x boringen tot 1,0 m-mv

2001

24 november 2021

1b

5.840

aanvullend onderzoek PFAS

1 x boring tot 0,5 m-mv 8 x boringen tot 1,0 m-mv 2 x boringen tot 1,5 m-mv 1 x boringen tot 2,0 m-mv

2001

25 november 2021

2

200

aanvullend onderzoek diepe(re) ondergrond (incl. PFAS)

1 x boring tot 2,0 m-mv 1 x boring tot 5,0 m-mv

2001

26 november 2021

3

325

aanvullend onderzoek PFAS (ter plaatse van Eeneind 32 en 34)

4 x boringen tot 1,0 m-mv 2 x boringen tot 2,0 m-mv

2001

25 en 26 november 2021

4

2.845

asfalt-, fundatie- en bodemonderzoek (incl. asbest en PFAS)

3 x kernboringen in asfalt 19 x boringen tot 1,0 m-mv 1 x boring tot 1,2 m-mv 2 x boringen tot 2,0 m-mv 1 x boring tot 3,2 m-mv (waarvan 13 asbestinspectiegaten)

2001 2002 2018

23 en 24 november 2021

Berenkuil

4.005

asfalt-, fundatie- en bodemonderzoek (incl. asbest en PFAS)

2 x kernboringen in asfalt 1 x boring tot 0,5 m-mv 14 x boringen tot 1,0 m-mv 4 x boringen tot 1,5 m-mv 2 x boringen tot 2,0 m-mv 1 x boring tot 2,2 m-mv (waarvan 15 asbest inspectiegaten)

2001 2002 2018

De boringen zijn geplaatst met behulp van een edelmanboor. Ten behoeve van het verkennend onderzoek asbest zijn met behulp van een schep gaten gegraven met een afmeting van 30x30 cm (Ø35 cm) tot een diepte van 0,5 m -mv. De boorpunten en gaten zijn gecombineerd. De asfaltkernen zijn geboord door de firma GoBouw betonboringen.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 9 van 35

4.4.

Resultaten

In de navolgende hoofdstukken worden per onderzoeksdiscipline onder meer de volgende onderdelen besproken:      

resultaten vooronderzoek en onderzoeksstrategie; uitgevoerde veldwerkzaamheden; zintuiglijke waarnemingen; analyseprogramma; toetsingskader; onderzoeksresultaten.

5. ASFALTONDERZOEK Het asfaltonderzoek is uitgevoerd conform de CROW publicatie 210 "Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt" (juni 2015), protocollen 2 t/m 4. De uitvoering van de PAK-markertesten, de laagdiktebepalingen (conform RAW 2015, proef 77.1 en 77.2) en de PAK-analyses zijn uitgevoerd door een laboratorium, dat erkend is door de Raad voor Accreditatie. 5.1.

Resultaten vooronderzoek en onderzoeksstrategie

Uit het vooronderzoek blijkt dat de asfaltverharding ter plaatse van de Parallelweg (traject 4) en de Berenkuil vóór 1995 is aangebracht en derhalve teerhoudende lagen kan bevatten. Indien blijkt dat selectief frezen van teervrije asfaltlagen kosteneffectief is, is onderzoek naar de homogeniteit en de teerhoudendheid van het asfalt benodigd. In tabel 5 zijn de onderzoeksstrategieën die van toepassing zijn op de wegen weergegeven. Tabel 5.

Onderzoeksstrategie asfaltonderzoek

Traject

Globale oppervlakte [m2]

Onderzoeksstrategie

4

580

asfalt aangelegd vóór 1995

Berenkuil

125

asfalt aangelegd vóór 1995

Onderzoeksstrategieën conform CROW 210: Asfalt aangelegd vóór 1995: teerverdacht

5.2.

Onderzoeksopzet en -uitvoering

Tabel 6geeft de uitgevoerde (veld)werkzaamheden weer. Tabel 6.

Uitgevoerde velwerkzaamheden asfaltonderzoek

Traject

Globale oppervlakte [m2]

Aantal boringen

Boornummers

4

580

3

4-13, 4-15 en 4-17

Berenkuil

125

2

b11 en b12

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 10 van 35

5.3.

Toetsingskader

De analyseresultaten van het asfalt zijn getoetst aan de eisen volgens het “Formulier Acceptatie Asfaltgranulaat ten aanzien van Milieuhygiënische eigenschappen” (NCOB versie 5.1, mei 2016) en aan de maximale samenstellingswaarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage A, tabel 2 | zie bijlage 5c). Indien het PAK-gehalte groter is dan de maximale samenstellingswaarde voor bouwstoffen (75 mg/kg d.s.) dient het asfalt als teerhoudend te worden beschouwd. 5.4.

Laboratoriumonderzoek

5.4.1. PAK-markertesten De asfaltkernen zijn in eerste instantie door middel van een PAK-markertest in het laboratorium beoordeeld op de aanwezigheid van teerhoudende asfaltlagen. Op basis van een positief resultaat van deze (zintuiglijke) test kan een uitspraak worden gedaan of de laag als teerhoudend is aan te merken (PAKgehalte >75 mg/kg d.s.). Een negatief resultaat dient, indien de asfaltlagen voor 1995 zijn aangebracht, middels analytisch onderzoek geverifieerd te worden om de laag daadwerkelijk te mogen aanmerken als teervrij. Tabel 7 geeft een overzicht van de resultaten van de PAK-markertesten. Voor de laagopbouw en soort asfalt wordt verwezen naar de betreffende analysecertificaten in bijlage 4a. Deze bijlage bevat tevens foto’s van de asfaltkernen. Tabel 7.

Opbouw wegconstructie en resultaat PAK-markertest

Traject

4

Berenkuil

Globale oppervlakte [m2]

Boring

Dikte [mm]

Soort

Resultaat PAK-markertest (positief (teerhoudend)) [mm]

582

4-13

79

opp. | GAB | GAB

0-10 oppervlaktebehandeling

4-15

72

opp. | GAB | GAB

0-10 oppervlaktebehandeling

4-17

78

opp. | DAB | GAB

-

b11

104

DAB | STAB

-

b12

86

DAB | STAB

-

125

opp. DAB GAB STAB

oppervlaktebehandeling DichtAsfaltBeton GrindAsfaltBeton SteenslagAsfaltBeton

Uit tabel 7 blijkt dat de toplaag van traject 4 (Parallelweg) overwegend teerhoudend is. Enkel ter plaatse van kern 4-17 is de toplaag niet aangemerkt als teerhoudend. De oppervlakte vanaf boring 4-15 tot einde asfalt is relatief beperkt. Hierdoor, alsmede het voorkomen van teerhoudende asfaltlagen, wordt selectief frezen niet kosteneffectief geacht en dient ook de toplaag van boring 4-17 als teerhoudend aangemerkt te worden. De teerhoudende toplaag heeft een gemiddelde dikte van 9,3 mm. De overige asfaltlagen zijn middels de PAK-markertest als teervrij beoordeeld. Uit de resultaten blijkt dat het asfalt ter plaatse van traject Berenkuil bestaat uit 1 homogeen vak met een gemiddelde dikte van circa 9,5 cm. Ter plaatse zijn de asfaltlagen middels de PAK-markertest als teervrij beoordeeld. 5.4.2.

Indeling wegvakken

Tabel 8 geeft een overzicht van de herziene indeling in wegvakken en de omvang van de (gehele) asfaltverharding, op basis van vaste kubieke meters. Er is gerekend met een gemiddelde dikte op basis van de onderzoeksgegevens. Er is uitgegaan van een soortelijk gewicht van 2,5 ton/m3.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 11 van 35

Tabel 8.

Overzicht omvang asfaltverharding

Homogeen asfaltvak

Kernboringen

Oppervlakte [m2]

Gemiddelde asfaltdikte [cm]

Globaal volume [m3]

Globale massa [ton]

Traject 4, vak 1

4-13 en 4-15,

450

7,6

34,2

85,5

4-17

132

7,8

10,3

25,7

b11 en b12

125

9,5

11.9

29,7

Traject 4, vak 2 Berenkuil

5.4.3.

Verificatie

Het analyseprogramma is erop gericht om het PAK-gehalte van de asfaltlagen (aangebracht vóór 1995), die met behulp van de PAK-markertest als negatief zijn aangemerkt, te verifiëren. Voor de lagen die met behulp van de PAK-markertest als positief zijn aangemerkt geldt dat reeds afdoende is vastgesteld dat het PAK-gehalte in deze lagen zich boven de norm bevindt. Verificatie van het PAK-gehalte is derhalve niet nodig. In het laboratorium zijn de te onderzoeken lagen gemalen en geanalyseerd op de parameter polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Het PAK-gehalte is bepaald middels de kwantitatief GC-MSmethode. Bij de samenstelling van de mengmonsters is rekening gehouden met de resultaten van de PAK-markertesten en de laagdiktebepalingen en de asfaltsoorten. Tabel 9 geeft een overzicht van de asfalt(meng)monsters en een beoordeling van de analyseresultaten ten aanzien van de teerhoudendheid. Tabel 9.

Overzicht van de samenstelling van de asfalt(meng)monsters en de teerhoudendheid

Homogeen asfaltvak

Monster

Monsters [cm-mv]

Asfaltsoort(en)

Teerhoudend (PAK-gehalte > 75 mg/kg d.s.)

Traject 4, vak 1

kern mm1

4-13 (3-7,9) 4-15 (3-7,2)

GAB GAB

nee

Traject 4, vak 2

kern mm1

4-17 (3-7,8)

DAB GAB

nee

Berenkuil

Kern mm1b

b11 (0-11) b12 (0-8)

DAB STAP

nee

Bijlage 4a bevat de door het laboratorium aangeleverde analysecertificaten. 5.5.

Classificatie vrijkomend asfalt

In tabel 10 is aangegeven of het vrijkomende asfalt als teervrij of teerhoudend wordt geclassificeerd. Tabel 10.

Classificatie teerhoudendheid vrijkomend asfalt

Homogeen asfaltvak

Boringen

Globale oppervlakte [m2]

Gemiddelde asfaltdikte * [mm]

Globale omvang [ton]

Classificatie vrijkomend asfalt

Traject 4, vak 1

4-13 en 4-15

450

30 (toplaag) 46 (onderlaag)

33,8 51,8

teerhoudend teervrij

Traject 4, vak 2

4-17

132

30 (toplaag) 48 (onderlaag)

9.4 15.8

teerhoudend teervrij

b11 en b12

125

95

29,7

teervrij

Berenkuil

* Bij de vermeldde diktes is reeds rekening met de veiligheidsmarge conform CROW 210 van 20 mm

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 12 van 35

Toelichting kleeflagen versus asfaltonderzoek In een asfaltconstructie kunnen teerhoudende kleeflagen tussen de asfaltlagen voorkomen. Kleeflagen in de asfaltconstructie zijn vaak zo dun, dat in de dwarsdoorsnede van een asfaltkern de dikte daarvan bij benadering 0,1 mm bedraagt. Dit kan ertoe leiden dat, ondanks de aanwezigheid van een teerhoudend laagje ter plaatse, geen fluorescentie middels een PAKdetector (PAK-markertest) wordt waargenomen (laag wordt niet als verdachte laag opgemerkt). Alleen als het hechtvlak enigszins poreus is, zal de PAK-detector in de naad kunnen binnendringen en zal fluorescentie wel optreden. Bij het analytisch onderzoek ter verificatie van vermoedelijk teervrije asfaltlagen, zal het PAK-gehalte mogelijk verhoogd zijn, maar zich veelal onder de norm (75 mg/kg d.s.) bevinden. De partij asfalt zal derhalve aangemerkt worden als teervrij. Waarnemingen tijdens freeswerkzaamheden versus acceptatie asfaltcentrale Indien gefreesd wordt op een diepte op of net onder een kleeflaag, kunnen door de ontstane hitte teergeuren vrijkomen, waardoor tijdens de uitvoering vermoed kan worden dat de partij asfalt teerhoudend is, terwijl dit niet het geval is volgens het asfaltonderzoek. Daarnaast kan de betreffende kleeflaag door de impact van de frees onthechten. Daardoor ontstaat er een voorkeurbreukvlak.

Als dit een teerhoudende kleeflaag blijkt te zijn, kan dat tot afkeur door de asfaltcentrale leiden. Bij inname door een asfaltcentrale zullen bij een PAK-detectortest sterk verkleurende stukjes kunnen worden waargenomen. Ondanks dat het voorafgaand aan de werkzaamheden uitgevoerde asfaltonderzoek (conform CROW 210) heeft aangetoond dat het PAK-gehalte van de gehele partij vrijkomend asfalt zich beneden de norm bevindt, kan een asfaltcentrale zich het recht voorbehouden om de partij te weigeren of enkel als teerhoudend asfalt in te nemen.

6. FUNDATIEONDERZOEK Het fundatieonderzoek is uitgevoerd op basis van de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond" en de NEN 5897+C2:2017 "Inspectie en monsterneming van asbest in bouwen sloopafval en recyclinggranulaat". De visuele inspectie is uitgevoerd door medewerkers die gekwalificeerd zijn voor het protocol 2018 van de BRL SIKB 2000. 6.1.

Resultaten vooronderzoek en onderzoeksstrategie

Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is niet bekend of er onder de asfalt- of klinkerverhardingen een fundatielaag aanwezig is en indien aanwezig waar de fundatielaag zich bevindt en van welke aard. Het fundatieonderzoek is uitgevoerd volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VEDHE-NL). Ten aanzien van de parameter asbest is geconcludeerd dat de fundatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor “afgedekte funderingslagen”. De doelstelling van het onderzoek is om na te gaan of de verdenking van verontreiniging met asbest terecht is. Tabel 11geeft de onderzoeksstrategieën die van toepassing zijn op de wegen/weg weer. Tabel 11.

Onderzoeksstrategie fundatieonderzoek

Traject

Verharding

Globale oppervlakte [m2]

NEN 5740

NEN 5897

Berenkuil

asfalt

1.575

VED-HE-NL

afgedekte funderingslagen

asfalt, klinkers en tegels

3.310

VED-HE-NL

afgedekte funderingslagen

Traject 4 (Parallelweg)

Onderzoeksstrategie

Onderzoeksstrategieën volgens NEN 5740 : VED-HE-NL : Verdacht, diffuse bodembelasting, heterogene verontreiniging, niet lijnvormig

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 13 van 35

6.2.

Onderzoeksopzet en -uitvoering

Tabel 12 geeft de uitgevoerde (veld)werkzaamheden weer. Tabel 12.

Uitgevoerde veldwerkzaamheden fundatieonderzoek

traject

Verharding

Globale oppervlakte [m2]

Veldwerk

Berenkuil

asfalt

1.575

15 (asbest)inspectiegaten (*A)

b01, b02, b03, b04, b06, b08, b10, b11, b12, b13, b16, b18, b19, b21 en b22

asfalt, klinkers en tegels

3.310

13 (asbest)inspectiegaten (*A)

4-01, 4-02, 4-04, 4-05, 4-06, 408, 4-10, 4-11, 4-13, 4-15, 4-17, 4-20, 4-22

Traject 4 (Parallelweg)

Nummers (*B)

(*A)

De (asbest)inspectiegaten hebben een afmeting van Ø35 cm of 30 x 30 cm, zijn doorgezet tot 0,5 m -mv en zijn gecombineerd met de boringen van het milieukundig bodemonderzoek.

(*B)

De boringen zijn reeds verricht tijdens het asfalt- en milieukundig bodemonderzoek

Het opgeboorde en/of opgegraven fundatiemateriaal is zintuiglijk beoordeeld en van het opgeboorde en opgegraven materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt. Het fundatiemateriaal is per boorpunt bemonsterd. Tevens is de laagdikte en de samenstelling vastgesteld en gefotografeerd. Ten behoeve van asbestonderzoek is het opgegraven materiaal gezeefd over een 20 mm zeef en zintuiglijk beoordeeld. Indien er asbestverdacht materiaal is aangetroffen, is dit verzameld. Opgemerkt moet worden dat een groot deel van het opgegraven materiaal in de inspectiegaten ter plaatse van het traject Berenkuil, bodem betreft en derhalve geen fundatie. Het materiaal dat is vrijgekomen in deze inspectiegaten is verder toegelicht en onderzocht in hoofdstuk 7. 6.3.

Aard en opbouw aanwezige fundatie

TRAJECT BERENKUIL: Enkel ter plaatse van het asfalt bevindt zicht een volledige puinlaag met baksteen, beton, slakken en kiezels. Onder de trottoirtegels bevindt zich voornamelijk een zandlaag welke is opgebouwd uit zeer fijn, matig siltig zand. Plaatselijk is de bodem zwak tot matig grindig en zwak humeus. Zeer plaatselijk is de zandlaag zwak metaalhoudend, zwak baksteenhoudend en/of zwakbetonhoudend. Verder zijn in de bodem plaatselijk in de boven- als ook in de ondergrond sterk zandige leemlagen aangetroffen. Deze leemlagen zijn plaatselijk zwak kiezelhoudend. TRAJECT 4 (PARALLELWEG): Direct onder de klinker- en asfaltverhardingen bevindt zich overwegend een volledige puinlaag met baksteen, beton plastic, aardewerk en/ of kiezels. Zeer plaatselijk (onder het asfalt) is deze puinlaag zintuiglijk ook matig kolengruishoudend. Ter plaatse van de bermen zijn geen fundatiematerialen aangetroffen. Tabel 13.

Overzicht aanwezige fundatiematerialen

Straat

Boornummers

Fundatiemateriaal

Berenkuil

4-01, 4-04, 4-05, 4- volledig puin, gebroken puin met onder andere baksteen, beton, aardewerk, kiezels, bassalt 06, 4-08, 4-10, 4-11, resten, matig kolengruishoudend en/of plastic 4-13, 4-15, 4-17

Traject 4 (Parallelweg)

b11, b12

volledig puin met onder andere slakken, natuursteen, baksteen, beton en aardewerk

In bijlage 3b zijn foto's van het fundatiemateriaal opgenomen. In het opgeboorde materiaal is zintuiglijk géén asbestverdacht (plaat)materiaal (>20 mm) aangetroffen.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 14 van 35

6.4.

Analyseprogramma fundatie

Enkel de boringen/inspectiegaten waar (puin)fundatie is aangetroffen worden in deze paragraaf omschreven. De boringen/inspectiegaten waar een zandlaag is aangetroffen zijn in hoofdstuk 7 beschreven. Het fundatiemateriaal is (per boorpunt) aangeleverd, waarna in het laboratorium (indien van toepassing) een mengmonster is samengesteld. Het fundatiemateriaal is in het laboratorium gemalen. Tabel 14 geeft een overzicht van de samenstelling van de fundatie(meng)monsters en de analysepakketten. Tabel 14.

Overzicht van de samenstelling van de fundatie(meng)monsters en de analysepakketten

Monster

Monster/traject [in cm -mv]

Materiaal

Analysepakket

Traject 4 (Parallelweg) locatie 4, ASBMM1

4-01 (20 - 50), 4-04 (15 - 50) 4-05 (20 - 50), 4-06 (15 - 50) 4-08 (20 - 50), 4-10 (15 - 50)

(puin)fundatie

asbest in puin

locatie 4, ASBMM2

4-11 (15 - 50), 4-13 (9 - 40) 4-15 (9 - 45), 4-17 (8 - 70)

(puin)fundatie

asbest in puin

locatie 4, samMM1

4-13 (20 - 40), 4-15 (20 - 45) 4-17 (8 - 40)

(puin)fundatie

standaardpakket (t.b.v. indicatieve samenstellingswaarde)

Asb-MM2B

b11 (11 - 50) b12 (8 - 50)

(puin)fundatie

asbest in puin

sam-MM1B

b11 (11 - 33), b11 (33 - 60)

(puin)fundatie

standaardpakket (t.b.v. indicatieve samenstellingswaarde)

Traject Berenkuil

De in tabel 14 genoemde analysepakketten bevat de volgende componenten: 

asbest in puin (fractie < 20 mm): droge stof, serpentijn asbest (chrysotiel) en amfibool asbest (amosiet, crocidoliet, anthophylliet, tremoliet en actinoliet);

standaardpakket: droge stof, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie.

6.5.

Toetsingskader

De analyseresultaten van het fundatiemateriaal (niet zijnde grond) zijn indicatief getoetst aan de maximale samenstellingswaarde voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage A, tabel 1 en 2 | zie bijlage 5c). Econsultancy merkt op dat de beoordeling van de analyseresultaten in het kader van het Besluit bodemkwaliteit indicatief is.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 15 van 35

6.6.

Onderzoeksresultaten fundatie

Tabel 15 geeft een overzicht van de samenstelling van de mengmonsters, de parameters die de samenstellingswaarden voor bouwstoffen overschrijden, alsmede het resultaat van de indicatieve toetsing. Tabel 15.

Overschrijdingen toetsingskader fundatie (chemisch analytisch) Traject

Monster

Berenkuil

Traject 4 (Parallelweg)

(*A)

Materiaal

Klassenbepalende parameters(s) t.b.v. maximale samenstellingswaarde

Resultaat indicatieve toetsing BBK (*A)

sam-MM1B

(puin)fundatie

-

toepasbaar (< SW)

locatie 4, samMM1

(puin)fundatie

-

toepasbaar (< SW)

De weergegeven indicatieve beoordeling voor de fundaties (niet zijnde grond) geldt voor niet-vormgegeven bouwstoffen SW = maximale samenstellingswaarde voor bouwstoffen

Tabel 16 geeft een overzicht van de samenstelling van de mengmonsters, het (berekende) asbestgehalte, alsmede het resultaat van de indicatieve toetsing. Tabel 16.

Overschrijdingen toetsingskader fundatie (asbest) Traject

Monster

Monster/traject [in cm -mv

Materiaal

Asbestgehalte

Berenkuil

ASB-MM2B

b11 (11-50), b12 (8-50)

(puin)fundatie

<0,6 mg/kg ds

Traject 4 (Parallelweg)

locatie 4, ASBMM1

4-01 (20-50), 4-04 (15-50) 4-05 (20-50), 4-06 (15-50) 4-08 (20-50), 4-10 (15-50)

(puin)fundatie

<1,1 mg/kg ds

locatie 4, ASBMM2

4-11 (15-50), 4-13 (9-40) 4-15 (9-45), 4-17 (8-70)

(puin)fundatie

<0,4 mg/kg ds

Bijlage 4a bevat de door het laboratorium aangeleverde analysecertificaten. Bijlage 4c en 4e bevat de getoetste analyseresultaten aan de Regeling bodemkwaliteit (indicatief).

7. MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK Het milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond" en de NEN 5707+C2:2017 "Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond". 7.1.

Resultaten vooronderzoek en onderzoeksstrategie

Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem (zie hoofdstuk 3) blijkt, dat er (plaatselijk) mogelijk sprake is van voormalige en/of huidige bodembelasting op de locatie, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Dit in verband met de te verwachten bijmenging van verhardingsmateriaal en/of het (historisch) gebruik als weg(berm). De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn metalen, PAK en minerale olie en/of asbest.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 16 van 35

Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de trajecten 4 en Berenkuil onderzocht dienen te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VEDHE-NL). Ter plaatse van traject 2 worden geen verontreinigende stoffen verwacht in gehalten boven de landelijk of regionaal geldende achtergrondwaarde voor grond en/of de streefwaarde voor grondwater. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat dit deel van de onderzoekslocatie onderzocht kan worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Op basis van het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” blijkt dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” gebied wordt gekenmerkt. PFAS komt diffuus in Nederland voor, echter dit betekent niet, dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS boven de toetsnorm. Derhalve wordt voor wat betreft onderzoek naar PFAS aangesloten bij de strategie ‘onverdacht’ (ONV-NL). Ten behoeve van het milieukundig bodemonderzoek is, op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem (zie hoofdstuk 3), een aantal deellocaties geïdentificeerd.

In tabel 17 zijn de onderzoeksstrategieën, die van toepassing zijn op de betreffende deellocaties, weergegeven. Tabel 17.

Onderzoeksstrategie milieukundig bodemonderzoek

Terreindeel

Maaiveldtype

Globale opper- Verwachte stoffen vlakte [m2]

Onderzoeksstrategie Standaardpakket grond

PFAS

NEN 5707

-

ONV-NL

-

1a

asfalt | onverhard

1.665

-

1b

onverhard

5.840

-

-

ONV-NL

-

2

onverhard

200

-

ONV-NL

ONV-NL

-

3

onverhard

325

-

-

ONV-NL

-

4

asfalt | klinkers | tegels | onverhard

2.845

metalen | PAK | minerale olie

VED-HE-NL

ONV-NL

-

asfalt | tegels | onverhard

4.005

metalen | PAK | minerale olie

VED-HE-NL

ONV-NL

VED-HE

Berenkuil

Onderzoeksstrategieën volgens NEN 5740 / NEN 5707: ONV-NL : Onverdacht (niet lijnvormig) VED-HE-NL : Verdacht, diffuse bodembelasting, heterogene verontreiniging (niet lijnvormig)

In tabel 4 (hoofdstuk 4 “Uitvoering onderzoeken”) staat een omschrijving van de uitgevoerde veldwerkzaamheden. De boringen zijn geplaatst met behulp van een edelmanboor. Ten behoeve van het verkennend onderzoek asbest zijn met behulp van een schep gaten gegraven met een afmeting van 30x30 cm (Ø35 cm) tot een diepte van 0,5 m -mv. De boorpunten en gaten zijn gecombineerd. De asfaltkernen zijn geboord door de firma GoBouw betonboringen. Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. Voor de geplaatste peilbuizen geldt dat het onderste gedeelte van de peilbuis (het peilfilter) is geperforeerd en de ruimte tussen de wand van het boorgat en het peilfilter is opgevuld met filtergrind. Boven het filtergrind is een laag zwelklei aangebracht, zodat er géén verontreinigingen van bovenaf in de peilbuis kunnen migreren. De filterstelling is bepaald op basis van de grondwaterstand, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden in week 47 zijn ingeschat. De peilbuizen zijn direct na plaatsing afgepompt en na een wachttijd van minimaal een week is het grondwater bemonsterd.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 17 van 35

7.2.

Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen

Traject 1a: Het asfalt is gefundeerd op een volledig puin, beton, baksteen of op klinkers. De bodem ter plaatse van de bermen bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus en zwak grindig. In de bovengrond zijn overwegend in zwakke tot sterke gradaties slakken- en baksteenhoudend bijmengingen aangetroffen. In de ondergrond zijn zeer plaatselijk zwakke baksteenhoudende bijmengingen waargenomen. Traject 1b: De bodem ter plaatse van dit traject is volledig onverhard en bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bodem is bovendien zwak tot matig humeus. Plaatselijk is de bodem zwak tot matig plantenhoudend. In de ondergrond bevinden zich zeer plaatslijk sterk zandige veenlagen. In de bodem zijn zintuiglijk geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Het maaiveld van dit traject was tijdens het veldwerk erg drassig en begroeid, daardoor zijn de laatste 4 boringen die gepland stonden, niet gezet (zie onderstaand figuur, boring 1B-13 t/m 1B-16). De locaties van de geplande boringen waren onbegaanbaar.

Traject 2: De bodem ter plaatse van dit traject is volledig onverhard en bestaat voornamelijk uit matig tot uiterst siltig, matig fijn zand. De bodem is bovendien zwak tot matig humeus. In de ondergrond zijn diverse bodemlagen is matig gleyhoudend en matig plantenhoudend. In de bodem zijn zintuiglijk geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen. Het maaiveld van dit traject was erg drassig, daardoor zijn 2 boringen aan westzijde van de beek “Kleine Dommel” die gepland stonden, niet gezet (zie bovenstaand figuur, boring 2-01 en 2-02). De locaties van de geplande boringen waren onbegaanbaar. Traject 3: De bodem ter plaatse van dit traject is volledig onverhard en bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bodem is overwegend matig grindig en zwak kiezelhoudend. In de bodem zijn zintuiglijk geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen. Traject 4 (Parallelweg): Direct onder de klinker- en asfaltverhardingen bevindt zich overwegend een volledige puinlaag met baksteen, beton plastic, aardewerk en/ of kiezels. Zeer plaatselijk (onder het asfalt) is deze puinlaag zintuiglijk ook matig kolengruishoudend en matig tot sterk baksteenhoudend. Onder deze puinlaag bevindt zich een zintuilgijk schone zandlaag die matig fijn en zwak tot matig siltig is en plaatselijk zwak humeus.

Ter plaatse van de bermen zijn geen (puinhoudende) fundatiematerialen aangetroffen. De bodem ter plaatse van de bermen bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bodem is verder zwak grindig. In de bovengrond zijn overwegend in zwakke tot matige gradaties baksteen- kolengruis- en/of puinhoudend bijmengingen aangetroffen. In de ondergrond zijn zeer plaatselijk in matige mate baksteen- en asfalthoudende bijmengingen waargenomen.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 18 van 35

Traject Berenkuil: Enkel ter plaatse van het asfalt bevindt zicht een volledige puinlaag met baksteen, beton, slakken en kiezels. Onder de trottoirtegels bevindt zich voornamelijk een zandlaag welke is opgebouwd uit zeer fijn, matig siltig zand. Plaatselijk is de bodem zwak tot matig grindig en zwak humeus. Zeer plaatselijk is de zandlaag zwak metaalhoudend, zwak baksteenhoudend en/of zwak betonhoudend. Verder zijn in de bodem plaatselijk in de boven- als ook in de ondergrond sterk zandige leemlagen aangetroffen. Deze leemlagen zijn plaatselijk zwak kiezelhoudend. Tabel 18 geeft een overzicht van de zintuiglijk waargenomen verontreinigingen, die in het opgeboorde materiaal zijn aangetroffen. Tabel 18.

Zintuiglijk waargenomen verontreinigingen

Boornummer

Einddiepte boring [m -mv]

Traject [m -mv]

Waargenomen verontreinigingen

1A-01

2,00

0,00 - 0,50

zwak slakhoudend

1A-03

0,40

0,30 - 0,40

matig baksteenhoudend

1A-04

2,00

0,00 - 0,50

zwak baksteenhoudend

0,50 - 1,00

zwak baksteenhoudend

1A-05

1,00

0,00 - 0,50

sterk slakhoudend

1A-07

2,00

0,00 - 0,50

sterk slakhoudend

1A-09

1,00

0,17 - 0,30

matig baksteenhoudend, sterk slakhoudend

1A-10

1,00

0,00 - 0,50

zwak slakhoudend

1A-11

2,00

0,00 - 0,50

matig baksteenhoudend, zwak slakhoudend

4-03B

1,00

0,00 - 0,50

zwak baksteenhoudend

4-07B

1,00

0,00 - 0,50

zwak baksteenhoudend

4-09B

1,00

0,00 - 0,50

zwak baksteenhoudend

4-12

3,20

0,00 - 0,50

matig puinhoudend, matig grindhoudend

Traject 1a (Loostraat)

Traject 4 (Parallelweg)

4-13

1,00

0,20 - 0,40

matig baksteenhoudend, matig kolengruishoudend

4-14B

1,00

0,00 - 0,50

zwak baksteenhoudend

4-15

2,00

0,20 - 0,45

matig baksteenhoudend, matig kolengruishoudend

4-18B

1,20

0,00 - 0,50

zwak baksteenhoudend

0,50 - 0,70

matig baksteenhoudend, matig asfalthoudend, asfaltgranulaat

4-19B

1,00

0,00 - 0,50

zwak baksteenhoudend

b06

1,00

0,05 - 0,20

zwak metaalhoudend, zwak betonhoudend

b16

1,00

0,14 - 0,25

zwak baksteenhoudend

b19

1,20

0,20 - 0,35

zwak betonhoudend

b22

2,00

0,20 - 0,50

zwak baksteenhoudend, zwak betonhoudend

0,70 - 1,20

zwak baksteenhoudend

Traject Berenkuil

Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie en in de bodem visueel geen asbestverdachte materialen (fractie >20 mm) aangetroffen. De grondwaterbemonstering is uitgevoerd conform de eisen uit het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 en de NEN 5744:2011. Tabel 19 geeft een overzicht van de peilbuisgegevens en de resultaten van de veldmetingen.

Rapport 17330.001 versie D2

Pagina 19 van 35

Tabel 19.

Overzicht gegevens peilbuizen en veldmetingen grondwater

Traject

Peilbuisnummer

Filterstelling [m -mv]

Grondwaterstand [m -mv]

Elektrisch Geleidingsvermogen [µS/cm]

Troebelheid (NTU)

Zuurgraad (pH)

Traject 4

4-12

2,20 - 3,20

1,85

6,1

6,1

6,1

Berenkuil

b14

1,20 - 2,20

0,40

6,3

6,3

6,3

7.3.

Analyseprogramma grond

Er zijn grond(meng)monsters samengesteld van bodemlagen direct onder de verhardingen (bovengrond), vanaf maaiveld en van de grond nabij de riolering (ondergrond). De zintuiglijk meest verontreinigde grondmonsters zijn gebruikt bij de samenstelling van de grondmengmonsters. Om een representatief beeld van de algehele hergebruikskwaliteit van de ondergrond te verkrijgen is ervoor gekozen om, in afwijking van de strategie VED-HE uit de NEN 5740, van zintuiglijk schone ondergrond mengmonsters samen te stellen van ten hoogste 10 deelmonsters. Van zintuiglijk verontreinigde grond zijn conform strategie VED-HE uit de NEN 5740 mengmonsters van ten hoogste 4 deelmonsters samengesteld. Tabel 20 geeft een overzicht van de samenstelling van de grond(meng)monsters en de analysepakketten. Tabel 20.

Overzicht van de samenstelling van de grond(meng)monsters en de analysepakketten Monster

Monster/traject [in m -mv]

Analysepakket (*A)

Traject 1a (Loostraat) locatie 1A, MM1

1A-01 (0,00 - 0,50), 1A-02 (0,00 - 0,50) 1A-03 (0,30 - 0,40), 1A-04 (0,00 - 0,50) 1A-05 (0,00 - 0,50)

PFAS in grond

locatie 1A, MM2

1A-07 (0,00 - 0,50), 1A-08 (0,00 - 0,50) 1A-09 (0,17 - 0,30), 1A-10 (0,00 - 0,50) 1A-11 (0,00 - 0,50)

PFAS in grond

locatie 1A, MM3

1A-01 (0,50 - 1,00), 1A-01 (1,00 - 1,50) 1A-04 (1,30 - 1,50), 1A-04 (1,50 - 2,00) 1A-07 (0,50 - 1,00), 1A-07 (1,00 - 1,50) 1A-11 (0,50 - 1,00), 1A-11 (1,50 - 2,00)

PFAS in grond

Traject 1b (groenstrook ten westen van de Loostraat) locatie 1B, MM1

1B-01 (0,00 - 0,50), 1B-02 (0,00 - 0,30) 1B-03 (0,00 - 0,50), 1B-04 (0,00 - 0,50) 1B-05 (0,00 - 0,30), 1B-06 (0,00 - 0,50)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13240114/1