CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

RV Erfgoedbeleid - Bijlage 7 Nota Erfgoed - Bijlage 6 Regionale Onderzoeksagenda erfgoed

Gemeenteraad 12 oktober 2023, gemeente NuenenBij agendapunt: Erfgoedbeleid25.435 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

12.1. Algemene vragen • • • • • • •

26

Wat zegt het fysisch-antropologische onderzoek over de biologie van de mens, meer in het bijzonder leeftijd, geslacht en lichaamslengte? Wat leren de fysisch-antropologische data over de paleodemografie? In hoeverre zijn er verschillen per archeologische cultuur, periode en regio en waarmee hangen deze verschillen samen? Wat kan worden gezegd worden over gezondheid en ziekten? Wat onthult het menselijke skeletmateriaal over migratie en mobiliteit? Wat leert het menselijke skeletmateriaal over de eetgewoonten (dieet, ondervoeding etc.)? In hoeverre zijn traumata aanwezig en waardoor zijn die veroorzaakt? Wat zegt dit over de aard van geweld (inclusief oorlogsvoering)? Tot op welke hoogte weerspiegelen de fysisch-antropologische data sociale differentiatie? Biedt het fysisch-antropologische materiaal aanwijzingen voor sociale en/of economische verschillen tussen sites?

Theunissen 1999.

Juli 2022

pagina 29 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

12.2. Specifieke vragen • • • • • • • • • •

13.

Aten paleolithische en mesolithische jagers-verzamelaars meer vis dan neolithische landbouwers? Waren er voedseltaboes voor vrouwen of kinderen? Bestonden er verschillen tussen stad en platteland, rijk en arm, etc. Hoe homogeen waren de populaties? Kwamen mannen of vrouwen van elders (bijv. door introuwen)? In hoeverre vertegenwoordigen grafvelden de gehele populatie? Wat stellen losse skeletelementen of deelbegravingen voor? In welke mate zijn het biologische geslacht en de biologische leeftijd gelijk aan de sociale sekse (gender) en leeftijd? Op welke wijze, in welke mate, waar en wanneer vond in graven postdepositionele interventie plaats? Wat zegt de huidige staat van conservering van de menselijke resten over de perspectieven voor behoud in situ op lange termijn?

Archeozoölogie

Algemeen gesteld is er een kennisleemte met betrekking tot de gehele prehistorie en de Romeinse tijd. Voor de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd kan worden gesteld dat er op archeozoölogisch vlak gestreefd moet worden naar meer synthetiserend onderzoek.

13.1. Algemeen •

•

• •

• • • • • •

Wat kan op basis van de zoölogische resten worden gezegd over de faunageschiedenis van Zuidoost-Brabant en de diverse landschapselementen? In hoeverre verraadt deze geschiedenis menselijke invloeden? In hoeverre wijken de resultaten van het archeozoölogische onderzoek af van de bevindingen voor andere regio’s? Anders gezegd, in hoeverre kende Zuidoost-Brabant op het gebied van fauna een een streekeigen ontwikkeling? Welke dieren zijn in het verleden gebruikt en waartoe? Gaat het daarbij primair om vlees of om secundaire producten, bijvoorbeeld melk, trekkracht en wol? Wanneer kwamen de eerste gedomesticeerde dieren ten tonele en met welke archeologische cultuur hangen ze samen? Gaat het daarbij om plaatselijke domesticatie of huisdieren die van buitenaf zijn geïntroduceerd? Zijn de redenen van dat gedomesticeerde dieren hun intrede economisch, sociaal etc.

van aard? Welke aanwijzingen geeft het archeozoölogische materiaal voor specialisatie van nederzettingen, bijvoorbeeld gericht op exploitatie van bepaalde natuurlijke of gecultiveerde voedselbronnen? Biedt het zoölogische materiaal aanwijzingen voor sociale en/of economische verschillen tussen sites? In hoeverre zijn er aanwijzingen voor lokale productie of import van dierlijke voedselbronnen? Hoe en met welke middelen werden dieren bejaagd/bevist en in hoeverre laat dit uit sitelocatie afleiden? Wat zeggen de archeozoölogische resten over de levenswijze van jager-verzamelaars? Hoe werden huisdieren gehouden en welke structuren werden daartoe gebouwd? Wat zeggen de archeozoölogische resten over de agrarische bedrijfsvoering? Geeft het archeozoölogische materiaal aanwijzingen voor differentiatie van activiteiten binnen een nederzetting? Zo ja, welke zijn dat en waar zijn die activiteitsgebieden te lokaliseren? In hoeverre geeft het archeozoölogische materiaal aanwijzingen voor ambachtelijke activiteiten binnen de nederzetting?

Juli 2022

pagina 30 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

• • • •

•

Welke aanwijzingen geeft het archeozoölogische materiaal voor de identificatie van surplusproducerende dan wel surplus-consumerende gemeenschappen? In hoeverre werpen de archeozoölogische gegevens licht op migratie, mobiliteit, handel, uitwisseling, nijverheid, techniek en voeding? Hoe is de ligging van weiden, visgronden etc. in het (cultuur)landschap? In welke mate laten zich uit de archeozoölogische resten sociale differentiatie, ideologie en religie afleiden? Welke informatie leveren menselijke en dierlijke resten over het begrafenisritueel en andersoortige rituelen? Welke voorwerpen van dierlijk materiaal waren in de diverse perioden, culturen en regio’s bekend? Wat was het grondstofgebruik en hoe werden de artefacten gemaakt en gebruikt?

13.2. Specifiek • • • • • • • •

• • • • • •

• • • •

14.

Tot wanneer speelde jacht en visvangst in de voedseleconomie een belangrijke rol? In hoeverre zijn er dieren die zijn verdwenen of zelfs uitgestorven door menselijk toedoen? Wat was het belang van geiten? Wat kan worden gezegd over de introductie en verspreiding van de kalkoen, kip en fazant? Wat kan worden gezegd over de herintroductie van diersoorten, in het bijzonder de pauw? In hoeverre zijn exoten aanwezig, diersoorten of –rassen die uit andere streken werden geïmporteerd zonder dat deze daadwerkelijk in de lokale veestapel werden opgenomen? In welke mate zijn (delen van) dode exoten ingevoerd? In het geval van een militaire context of stad: in hoeverre geeft het archeozoölogische materiaal aanwijzingen voor de aanvoer van voedselproducten van buitenaf? Over welke afstand vond de aanvoer plaats: gaat het om grote(re) afstanden of werden er producten van de omringende rurale bevolking betrokken? Op welke soorten voedsel rustte er in de diverse culturen en perioden een taboe? Gold dit voor het gehele zuidoosten van Noord-Brabant? Zijn er voedselbronnen die alleen in tijden van nood of calamiteiten op tafel kwamen? Wat was het aandeel van vis in de voedselconsumptie in de Romeinse tijd en Middeleeuwen? Zijn er slachtpatronen aanwijsbaar en in hoeverre verschillen die in tijd en ruimte? Welke gebruiksvoorwerpen van dierlijk materiaal bestonden er in diverse perioden en

gebieden? In hoeverre is het aangetroffen botmateriaal afkomstig van slacht ofwel vertegenwoordigt het afval van industrie? In het laatstgenoemde geval, wat is aard van deze industrie (bijvoorbeeld leerlooierij)? In hoeverre en vanaf wanneer zijn er aanwijzingen voor handel in dieren? Zijn er aanwijzingen voor het hergebruik van bot (in vermalen toestand) als mest? Hoe ontwikkelden in de Middeleeuwen en Nieuwe het slachten en de voedselverwerking zich in relatie tot de economische, sociale en culturele context? Wat zegt de huidige staat van conservering van de archeozoölogische resten over de perspectieven voor behoud in situ op lange termijn?

Archeobotanie27

14.1. Algemeen •

27

Wat kan op basis van de botanische resten worden gezegd over de vegetatiegeschiedenis van Zuidoost-Brabant en de diverse landschapselementen? In hoeverre zijn in die vegetatieontwikkeling menselijke invloeden bespeurbaar?

Grotendeels overgenomen uit Brinkkemper, Kooistra, van Haaster, van Beurden & Bunnik 2005.

Juli 2022

pagina 31 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

• •

•

•

• • • • • • • • • • • •

In hoeverre heeft de vegetatie van Zuidoost-Brabant een eigen ontwikkeling gekend? het om een streekeigen ontwikkeling? Welke planten en bomen zijn in het verleden gebruikt en waartoe en in hoeverre zijn binnen dit gebruik verschillen in tijd en ruimte aanwijsbaar? Daarbij dienen de bevindingen voor ZuidoostBrabant in een groter regionaal kader te worden geplaatst. Welke mogelijkheden hadden de verschillende landschappen dan wel landschapelementen in potentie te bieden voor bijvoorbeeld het verzamelen van wilde planten of de uitoefening van akkerbouw en veeteelt? Wat leert het archeobotanische onderzoek over het exploiteren en verzamelen van bomen en wilde planten, bijvoorbeeld wat soorten, het seizoen en de plaats van verzamelen betreft? Waarvoor werden deze planten gebruikt (voedsel of andere doeleinden)? Zijn er aanwijzingen voor akkerbouw, het houden van vee of gebruik van lokale houtbestanden? Zo ja, wat was de schaal van deze activiteiten? Om welke akkerbouwgewassen gaat het? Wat was de invloed van menselijke activiteiten en bewoning op het biotische landschap? Hoe reageerden de bewoners op (zowel door de natuur als door de mens veroorzaakte) veranderingen van het landschap? Hoe is de ligging van nederzettingen, grafvelden, religieuze plaatsen, etc.

in het (cultuur)landschap? Hebben bij de keuze voor die locatie ook andere dan uitsluitend economisch-rationele overwegingen een rol gespeeld? Wanneer werden gedomesticeerde gewassen geïntroduceerd en om welke gewassen gaat het? Werden ze lokaal verbouwd of van elders geïmporteerd? Betreft het uitsluitend voedselgewassen? Zijn er in de loop der tijd cultuurgewassen verdwenen? Zo ja, welke waren dit en waarom? Wat zeggen de aangetroffen archeobotanische resten (zowel pollen, hout, houtskool als macroresten)) over de levenswijze van jager-verzamelaars en de agrarische bedrijfsvoering? In hoeverre werpen de archeobotanische gegevens licht op migratie, mobiliteit, handel, uitwisseling, nijverheid, techniek en voeding? In welke mate laten zich uit de archeobotanische resten sociale differentiatie, ideologie en religie afleiden? Wat leert archeobotanisch onderzoek over de beplanting in/rondom nederzettingen en over erfbeplanting bij individuele bebouwing? Zijn hier specifieke soorten toegepast, bijv. speciale boom bij kerk/kapel, gebruiksbomen (fruit, noten) in nederzettingen?

14.2. Specifieke vragen •

•

•

• •

Vanaf wanneer speelden hazelnoten, zaden van dennenkegels en zetmeelrijke plantdelen, zoals wortels, in de voedselvoorziening van jager-verzamelaars in Zuidoost-Brabant een rol? Hoe groot was het aandeel van deze voedselbron en van welke planten stammen de zetmeelrijke delen? In hoeverre zijn er aanwijzingen dat het landschap door de mens gemanipuleerd werd, door bijvoorbeeld bosmanagement, om de opbrengst van hazelaars, dennen etc.? Wat is blijkens chemisch onderzoek en a(ncient)DNA-onderzoek de herkomst en domesticatiegeschiedenis van de diverse cultuurgewassen. Met name voor spelt (Triticum spelta) is de vraag of het om de oorspronkelijke dan wel Europese variant gaat? Wat zegt de botanische informatie uit pingoruïnes en vennen over de vegetatiegeschiedenis? Deze specifieke vraag vloeit voort uit het gegeven dat dit botanische archief door natuurontwikkelingsprojecten onder druk staat. Het geaccumuleerde sedimenten wordt namelijk afgegraven teneinde een schone en nutriëntenarme situatie met een bijzondere bijbehorende vegetatie te creëren. In hoeverre was het landschap ingericht op het gebruik van hout als brandstof en grondstof voor bouwelementen en andersoortige materiële cultuur? In hoeverre is het mogelijk om op basis van archeobotanische resten activiteitengebieden binnen het agrarische bedrijf op erfniveau te achterhalen?

Juli 2022

pagina 32 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

• • •

• •

• •

•

Wat was binnen de consumptie de verhouding tussen plantaardige en dierlijke producten? In hoeverre was er sprake van selectief houtgebruik, dat wil zeggen een toepassing van bepaalde houtsoorten voor specifieke doeleinden en vormen van materiële cultuur? Hoe zagen in de Romeinse tijd de tuinen van villa’s eruit en wat was de begroeiing rondom nederzettingen, militaire gebouwen, tempels, grafvelden e.d. ? Hoe staat het met de aanwezigheid van bomen (in de inheemse cultuur belangrijke elementen) op tempelhoven? Wanneer, waar, in welke mate en onder welke omstandigheden groeide cultuurgrond weer dicht met bos (bosregeneratie) Hoe is het archeobotanische materiaal geconserveerd? In welke conserveringsklasse kunnen de verschillende archeobotanische resten worden ingedeeld? In hoeverre zijn er aanwijzingen dat het biologische materiaal door bioturbatie of andere oorzaken van (sub-) recente oorsprong is? Specifieke vragen m.b.t.

de lokale gemeenschap zijn: o In hoeverre geeft de soortensamenstelling een indicatie voor het wel of niet plaatsvast zijn van de nederzettingen? o In welke mate zijn er botanische indicatoren voor seizoensbewoning? o Tot op welke hoogte waren de nederzettingen gespecialiseerd, bijvoorbeeld gericht op exploitatie van specifieke natuurlijke en/of gecultiveerde voedselbronnen? o In hoeverre er aanwijzingen voor lokale productie van voedselgewassen? o Tot op welke hoogte zijn er aanwijzingen voor import van voedingsmiddelen? o In welke mate geeft het botanische materiaal aanwijzingen voor differentiatie van activiteiten binnen de nederzetting? Zo ja: in welke mate zijn er gespecialiseerde activiteitenzones aan te wijzen? o In hoeverre geeft het botanische materiaal aanwijzingen voor sociale verschillen binnen een site? o Tot op welke hoogte was er sprake van ambachtelijke activiteiten (inclusief houtbewerking) binnen de nederzetting? o In welke mate Is de keuze voor de locatie van nederzettingen en landbouwgronden te verklaren uit de mogelijkheden voor exploitatie van natuurlijke vegetaties (akkerbouw, veeteelt, exploitatie van bosbestanden)? o Welke informatie leveren plantaardige resten over het begrafenisritueel? o In hoeverre speelden bomen, planten of plantaardige producten een rol in religie en cultus? Zo ja: wat was hun betekenis daarin? o In hoeverre speelde het

natuurlijke landschap en de vegetatie een rol in religie en cultus? Zo ja: wat was de betekenis daarvan? o Wat zijn binnen het botanische materiaal de aanwijzingen voor ontregeling van de sociale en economische orde als gevolg van calamiteiten (overstromingen, misoogsten, oorlog, etc.)? Specifieke vragen m.b.t. de bovenlokale gemeenschap zijn: o Was er sprake van lokale surplusproductie en wat zijn daarvoor de aanwijzingen? o Was er sprake van consumptie of opslag op een schaal die de doorsnee-nederzetting overtreft en wat zijn hiervoor de indicaties? o In hoeverre kan op basis van activiteiten die binnen een nederzetting hebben plaatsvonden (bijv.

ambacht, gespecialiseerde productie e.d.; zie § 3.6) ook worden vastgesteld of er sprake is geweest van hiërarchische of andersoortige verbanden tussen nederzettingen? o In het geval van een militaire context of stad: in hoeverre was er sprake van over grote afstanden aangevoerde voedingsmiddelen? Of zijn de voedingsmiddelen afkomstig uit de nabije omgeving en van de lokale rurale bevolking betrokken? Zijn er ter plaatse voedingsmiddelen geproduceerd door de militairen dan wel de stedelingen? o Geeft het botanische materiaal aanwijzingen voor sociaal-economische differentiatie tussen nederzettingen? Zo ja, in hoeverre is er een onderscheid tussen stad en platteland, en wat is de relatie tussen beide, met name op het gebied van productie en consumptie van voedingsmiddelen? o In welke mate geeft het botanische materiaal aanwijzingen voor religieuze en/of symbolische handelingen en praktijken?

Juli 2022

pagina 33 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

Welke informatie geeft archeobotanisch onderzoek over gezondheid en hygiëne, bijvoorbeeld door middel van resten van darmparasieten in pollenpreparaten? De specifieke vragen ten aanzien van productie, distributie en consumptie van mobilia luiden als volgt: o Zijn er werktuigen of andere gebruiksvoorwerpen vervaardigd van hout of ander plantaardig materiaal (zoals vezels)? Van welke soorten maakte men daarbij gebruik en met welke bewerkingsmethoden? o Indien hout bewaard gebleven is: hoe zijn de constructies van gebouwen, waterputten, schepen e.d. gemaakt? o Waar kwam het in constructies gebruikte hout vandaan? Is er sprake van handel en/of transport over lange afstand? Dergelijk onderzoek is deels het domein van de dendrochronologie (zie het NOaA-hoofdstuk ‘Dendrochronologie), maar ook de gebruikte houtsoorten geven hierover informatie.

o In hoeverre was er sprake van technische veranderingen en ontwikkelingen in de loop der tijd? Zo ja: welke? o Werden er producten vervaardigd op basis van plantaardige grondstoffen (textiel, medicijnen, verf, brandstof, etc.)? Zo ja, waar kwamen deze grondstoffen vandaan (akkerbouw, verzamelen uit het wild, import, etc.)? o Wat is de herkomst van plantaardige producten en/of grondstof(fen) en hoe vond de eventuele uitwisseling daarvan plaats? Specifieke vragen ten aanzien van productie, distributie en consumptie van voedsel luiden aldus: o Wat was het aandeel van akkerbouw en veeteelt in het voedingspatroon? o Werden er voedselplanten uit het wild verzameld? Zo ja, wat was het aandeel daarvan in de lokale (voedsel)economie? o Werden er plantaardige producten uit het wild verzameld voor andere doeleinden dan voeding (bijv.

verfstoffen, (eiken)schors, vezels en/of bast voor touw, etc.)? Zo ja, hoe werden die verwerkt en tot welke producten? o Zijn er aanwijzingen voor regionale specialisatie? o Wat was de invloed van het verzamelen op het landschap (inclusief de wateren)? o Tot welke producten en/of gerechten werden plantaardige grondstoffen verwerkt? o Werden er plantaardige producten uitgewisseld met groepen buiten de nederzetting (interlokaal, regionaal, etc.)? Specifieke vragen ten aanzien van behoud van archeologische resten in situ: o Wat zegt de huidige staat van conservering van de archeobotanische resten over de perspectieven voor behoud in situ op lange termijn? o

•

•

•

15.

Overkoepelende onderzoeksthema’s en vraagstellingen28

15.1. Lange termijnontwikkelingen in bewoning en omgang met het landschap Processen van herinneren, herdenken en vergeten zijn altijd belangrijke formerende principes geweest bij de inrichting van de leefruimte. Voor zover archeologen en historici kunnen reconstrueren, zijn samenlevingen altijd gefascineerd geweest door zaken in hun omgeving waarvan men wist, of intuïtief aanvoelde, dat ze een groot aantal generaties hadden overleefd. Deze fascinatie heeft soms zelfs geleid tot het ontstaan van specifieke ‘herinneringslandschappen’, zoals de grafheuvellandschappen uit de Bronstijd en de IJzertijd. Hoewel deze landschappen niet uitsluitend bedoeld waren voor het overdragen van de collectieve herinneringen van de gemeenschap, waren hun ruimtelijke orde, sociale betekenissen en economische gebruiksfuncties in sterke mate geladen met noties van herkomst en voorouderschap. Een 28

Kolen 2009 en NOaA versie 2.0.

Juli 2022

pagina 34 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

interessant gegeven is dat prehistorische grafheuvels zich vaak ook in latere perioden (tot in de moderne tijd toe) in het landschap blijven manifesteren. Dit opent de mogelijkheid onderzoek te doen naar de door de tijd veranderende betekenissen en herinneringen die aan deze plekken waren verbonden. De wijze waarop prehistorische en historische gemeenschappen een bestaan hebben opgebouwd te midden van alle landschapselementen die door voorgaande generaties in hun leefruimte waren achtergelaten, en hoe ze daarbij concreet zijn omgesprongen met dat verleden, levert nieuwe inzichten op over de historische gelaagdheid van huidige en verleden landschappen, alsmede de cultuurspecifieke ordening en betekenisgeving van de ruimte en de daarin optredende transformaties. Wat de betekenisgeving van het landschap betreft, moeten we rekening houden met verschillende, eventueel zelfs strijdige, perspectieven van groepen bewoners en andere ruimtegebruikers. Een voordeel van het lange-termijnperspectief van de landschapsbiografie29 is dat een breed palet aan historische, ruimtelijke en culturele thema’s belicht kan worden.

Zoals een biografische studie van een persoon bepaalde ontwikkelingslijnen zal accentueren en bepaalde eigenschappen of vroege ervaringen zal zien doorwerken in het latere leven van die persoon, zo maakt ook een landschapsbiografie keuzes en brengt ze een ordening aan in de veelheid van mogelijke verhaallijnen. Hier wordt gekeken naar de steeds wisselende relaties tussen 1) gebruik en inrichting van het landschap, 2) de verbeelding van en betekenisgeving aan het landschap en 3) de identiteiten van de individuen en gemeenschappen die het landschap bewoonden. Samen, zo is de achterliggende veronderstelling, zorgen de relaties tussen deze drie aspecten voor belangrijke impulsen in de ontwikkeling van landschappen. Er is speciale aandacht voor de wisselwerking tussen landgebruik, betekenisgeving en identiteit in de context van toe-eigening van land. De blik richt zich op hierin optredende transformatiefasen door de tijd vanaf de Bronstijd tot in de Late Middeleeuwen. Op welke wijze werden bodemverbetering en herstructurering van landbouwgrond gerealiseerd? Grondverbetering en herverkaveling zijn niet alleen (sub)recente verschijnselen. Al in de Middeleeuwen vond planmatige grondverbetering (egalisatie, structuurverbetering) en herstructurering (herverkaveling, schaalverandering) van landbouwgrond plaats.

Hierbij is te denken aan diepspitten, ‘molborden’, het dempen van laagtes (zoals vennen) en veranderingen in de verkaveling en de wijze van markeren van kavelgrenzen. Van de aard omvang en context van dit soort maatregelen bestaat nog geen samenhangend beeld. De indruk is, dat er een relatie bestaat met enerzijds bevolkingsgroei en de opkomst van steden, en anderzijds de ontwikkeling van een protokapitalistische markteconomie. Beide komen op gang in de 12e13e eeuw. Deze ontwikkelingen zijn nauw met elkaar verweven. Vermoedelijk hebben ze allereerst effect gehad in de nabijheid van (concentraties) vroege steden, zoals in Vlaanderen-Brabant. Vooral daar zullen al vroeg impulsen zijn geweest om de agrarische productie te vergroten, en om te privatiseren en specialiseren. In hoeverre bestond er (inter)regionale en diachrone variatie in de afstand en frequentie waarover nederzettingen, akkers en weidegronden werden verplaatst? Tot de Romeinse tijd, en ook weer in de periode direct daarna, waren nederzettingen in de regel niet plaatsvast. Ze werden van tijd tot tijd verplaatst. Plaatsvaste nederzettingen waren er alleen in de Romeinse tijd en vanaf de Vroege Middeleeuwen. Op de Brabantse zandgronden bestonden echter al in de IJzertijd plaatsvaste nederzettingen (Oss), net als in bijvoorbeeld Denemarken.

Wellicht had de mobiliteit van nederzettingen in de eerste plaats te maken met de beperkte mogelijkheden om de bodemvruchtbaarheid op peil te houden. Alleen al om deze reden moet dus rekening worden gehouden met een grote regionale variatie wat mobiliteit betreft; de natuurlijke bodemvruchtbaarheid en gevoeligheid voor uitputting (degradatieresistentie) van bodems lopen sterk uiteen. Culturele factoren hebben ongetwijfeld ook een rol gespeeld. Er bestaat nog onvoldoende inzicht in de (variatie in) afstand waarover nederzettingen werden verplaatst, met welke frequentie dat gebeurde, of en hoe verlaten huisplaatsen werden gebruikt en welke landschappelijke gevolgen nederzettingsmobiliteit had.

29

Een landschapsbiografie laat zien hoe een gebied zich door de wisselwerking van mens en natuur heeft ontwikkeld. Dat geeft inzicht in de manier waarop het verleden doorwerkt in onze huidige leefomgeving. Juli 2022

pagina 35 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

Hoe was de landinfrastructuur, inclusief ondersteunende faciliteiten, gestructureerd? Infrastructuur is essentieel voor communicatie, transport, uitwisseling (van ideeën en objecten) en handel. Maar als archeologisch onderzoeksthema is ‘connectivity’ sterk onderbelicht. Resten van landinfrastructuur zijn meestal ‘bijvangst’ van nederzettingsonderzoek. In de limeszone en ten zuiden daarvan vind met enige regelmaat onderzoek plaats naar Romeinse wegen. Wegen zijn formele, plaatsvaste routes. Tezamen vormen ze het wegennetwerk. In hoeverre vóór de moderne tijd sprake van was van wegen, en hoe ze er uit zagen, is grotendeels onbekend. Ze kunnen organisch tot stand zijn gekomen, maar ook aangelegd. Welke diachrone ontwikkelingen zijn er te bespeuren? Soms lijkt sprake van (al dan niet planmatig) onderhoud. Met wegen zijn uiteenlopende fenomenen verbonden, zoals haltes en herbergen, tollen, wegkapellen, wegkruisen, voordes, bruggen en wegdijken, ophoging, wegverharding, markering, bermsloten, bermbeplanting. Wat deze zaken betreft moet rekening worden gehouden met lokale en regionale verschillen, en met een verschil tussen lokale en (inter)regionale wegen. Het ontstaan of de aanleg van infrastructurele elementen kon een aanzienlijke structurerende invloed om het omringende cultuurlandschap hebben; dat ging zich ernaar 'voegen'.

Maar ook andersom, wegen op logische plekken in het landschap, zoals rivier/beekovergangen waar de beek op zijn smalst is. Waar komen niet-lokale grondstoffen van gebruiksvoorwerpen vandaan? Gebruiksvoorwerpen zoals vaatwerk, (ander) keukengerei, kledingaccessoires, spullen voor de persoonlijke verzorging en sierraden zijn soms (al dan niet ter plaatse) gemaakt van grondstoffen die elders vandaan komen. Bijvoorbeeld: klei, metalen, been/gewei, glas. Dit is dus op de een of andere manier aangevoerd. Een beter inzicht in de schaal en herkomst van het gebruik van niet-lokale grondstoffen kan bijdragen aan de reconstructie van uitwisselingsnetwerken en distributiemechanismen. Steeds vaker wordt vastgesteld (niet alleen bij ‘kustaardewerk’) dat handgevormd aardewerk niet van lokale klei is gemaakt. Dat betekent dat ofwel het product of de grondstof van elders komt. Ambachtelijke en industriële processen vragen grondstoffen. IJzerproductie vereist ijzererts en houtskool, die lokaal of niet-lokaal kan zijn. Koper, lood, tin, zilver en goud moet van elders geïmporteerd zijn. Gebruik van specifieke legeringen kan samenhangen met de (mate van) organisatie van werkplaatsen. Homogeniteit kan duiden op centralisatie. Materialen werden aanvankelijk aan de oppervlakte verzameld of in dagbouw gewonnen; de ijzerkuilen op de Veluwe getuigen hiervan.

In de Nieuwe tijd werd de winning van ijzererts plaatselijk planmatig en grootschalig Wat is de functie, ontwikkeling en voorkomen van verdiepte delen in huizen of bijgebouwen? Binnen (de plattegrond van) gebouwen, met name vanaf de IJzertijd, bevinden zich soms uitgravingen. Vaak zijn die rechthoekig, met steile wanden en een vlakke bodem. Ze lijken structureel bij het gebouw te horen. Verdiepingen kunnen zowel het hele vloeroppervlak beslaan, zoals bij ‘hutkommen’, als slechts een deel daarvan, zoals bij ‘kelderkuilen’, ‘voorraadkuilen’ en ‘potstallen’. Zelden worden er concrete aanwijzingen gevonden (vermeld) voor de functie van (delen van) gebouwen met een verdiepte vloer. Over de interpretatie als ‘potstal’ (verdiept stalgedeelte voor mestberging) van grote ingravingen in ZuidNederlandse boerderijen uit de Romeinse tijd bestaat veel discussie. Vermoedelijk verschijnen ‘echte’ potstallen pas in het begin van de Nieuwe Tijd. Er zijn zeker regionale en temporele verschillen. Dat geldt ook voor hutkommen. Dat zijn, in soorten en maten, dominante structuren in (sommige!) nederzettingen uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen30. Afwijkend grote hutkommen komen incidenteel tot de 11e-12e eeuw voor. Aangenomen wordt, maar zelden aangetoond, dat ze (vaak) een ambachtelijke functie hadden, zoals textielproductie of metaalbewerking .

Onderdak voor vee of slaven worden ook als mogelijke functies genoemd. Soms liggen hutkommen in clusters, of duidelijk ruimtelijk gescheiden.

15.2. Beekdalen

30

Taayke et al. 2012, 178.

Juli 2022

pagina 36 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

Zuidoost-Brabant heeft een groot aantal vondstcomplexen uit het Paleolithicum en Mesolithicum opgeleverd, voornamelijk op de dekzandruggen en in de nabijheid van de grotere vennen, maar we hebben nauwelijks indicaties over het gebruik van de beekdalen door prehistorische jager-verzamelaars. Op sommige plaatsen kunnen informatiebronnen daaromtrent nog in situ aanwezig zijn. In het stroomdal van de Aa, in het bijzonder tussen Beek en Helmond, is door amateurs veel botmateriaal verzameld dat nog niet systematisch is geanalyseerd. We weten dus ook weinig over de ouderdom ervan. Sleuvenonderzoek dat enkele jaren geleden werd uitgevoerd in het dal van de Bakelsche Aa, heeft duidelijk gemaakt dat we plaatselijk afzettingen en veenresten kunnen aantreffen die informatie bevatten over de laat-pleistocene en vroeg-holocene ontwikkelingsgeschiedenis van de beekdalen. De kans dat zich in de beekdalen ook resten van jager-verzamelaar-kampementjes bevinden is weliswaar klein, maar niet uitgesloten. Aan de ‘jonge’ zijde van de landschapsgeschiedenis staan ook veel vragen open. Hier en daar is over de postmiddeleeuwse geschiedenis van de beekdalen het een en ander bekend op grond van regionaalhistorisch onderzoek. Historisch-geografische veldopnames, en gedetailleerd bodemkundig en historischecologisch onderzoek hebben echter niet plaatsgevonden.

Ook is niet in kaart gebracht welke bijdrage de archeologie kan leveren aan de studie van de beekdalen in deze periode, als ondersteuning van de historische geografie, de architectuurgeschiedenis, etnologie en regionale geschiedenis. Onze kennis van de beekdalen bevat dus in elk geval chronologische lacunes, maar er is in dit verband ook een groot aantal thema’s te benoemen. Een eerste stap is daarom voor deze regio een aantal onderzoeksvragen te formuleren, zowel rekening houdend met al beschikbare onderzoeksresultaten als kennislacunes. Ze zouden de inhoud van archeologische projecten in de komende jaren kunnen sturen, al moeten die natuurlijk ook ‘gevoelig’ blijven voor niet-voorspelde fenomenen.

Wij zullen ons hier niet wagen aan een gedetailleerde uitwerking, maar noemen slechts hoofdthema’s: - De historisch-ecologische ontwikkeling van de beekdallandschappen Welke biotopen waren kenmerkend voor de beekdalen in de te onderscheiden fasen van de bewoningsgeschiedenis van Kempen- en Peelland? In welke opzichten werden ze beïnvloed door het landgebruik van (pre)historische gemeenschappen? Waar is de stratigrafische opbouw van de beekdalafzettingen nog zodanig, dat ze zich lenen voor palynologisch onderzoek? - De functie en betekenis van de beekdalen in het landgebruik van prehistorische (paleolithische en mesolithische)jager-verzamelaars Dit thema kwam hiervoor al kort aan de orde.

- De rol van de beekdalen in rituele praktijken gedurende de Prehistorie en de Romeinse Tijd Wat was de plaats van de beekdalen in de religieuze ordening van het landschap, en hoe verhield deze zich tot andere zones met aanwijzingen voor ritueel (zoals grafvelden en erven)? Welke functies hadden het wegenpatroon en de voorden in dit opzicht? In welke secties van de beekdalen kunnen we nog deposities en gerelateerde verschijnselen (constructies voor beekdalovergangen) verwachten? - Het landgebruik in de beekdalen tijdens de Romeinse Tijd Welke betekenis en gebruiksfunctie hadden de stroomdallandschappen van de Beerze, Dommel en Aa voor de nederzettingen die er aan grensden? Welke relicten kan het landgebruik in deze periode hebben nagelaten (leemwinning, visvangst…)? - De rol van de afzonderlijke beekdalen en het stroomsysteem van de Beerze in de nederzettings- en ontginningsgeschiedenis gedurende de Middeleeuwen Hoe was de loop van de rivieren en beken in de latere Middeleeuwen, en welke waterlopen waren (uit) gegraven? Hoe verhouden verspreidingspatronen voor de Vroege, Volle en Late Middeleeuwen zich op een regionale schaal tot het stroomsysteem van de Beerze, Dommel en Aa? Waar waren de watermolens gesitueerd en wat was hun functie? Welke rol speelden de kastelen in de beekdalen, zoals het Oude Huys en het Huis ten Bergh in Spoordonk, het kasteel te Helmond, en het kasteel

van Asten en Croy? Waar kan palynologisch onderzoek licht werpen op de dorpsverplaatsingen in de Volle Middeleeuwen, zoals die bij de Oude Toren van Oostelbeers? Welke archivalische bronnen en historisch-geografische gegevens staan ons daarvoor ter beschikking? Welke rol speelden verhalen en naamgeving (toponiemen) in de ruimtelijke orde, en welke plaats was daarin ingeruimd voor de beekdalen? Kunnen we elementen uit verbale overleveringen enigszins dateren, bijvoorbeeld op grond van gerelateerde beschrijvingen en vermeldingen in bronnen?

Juli 2022

pagina 37 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

- De post-middeleeuwse geschiedenis van de beekdalen Welke archeologische gegevens en relicten zijn van belang voor de historisch-geografische en historische studie van de beekdallandschappen, en vooral van hun postmiddeleeuwse ontwikkelingsgeschiedenis? Denk hierbij aan de beek als begrenzing van machtsgebieden/linies. Bruggen over beken waren in WOII nog van groot belang; bruggen werden bijvoorbeeld verwoest bij Spoordonk.

15.3.

Dorpsvorming31

Geconcentreerde bewoning (nucleated settlement) lijkt in Nederland een relatief laat verschijnsel te zijn. Dat geldt zeker voor echte dorpen: grotere, plaatsvaste nederzettingen die worden gekenmerkt door geconcentreerde bebouwing en een zekere centrale functie voor het omringende platteland (kerk, smid ed.). Afgezien van de Romeinse periode, bestaat de indruk dat het ontstaan van plaatsvaste nederzettingen in de eerste plaats samenhangt met de inrichting van domeinen in het voetspoor van de Frankische annexatie en in de tweede plaats met de stichting van kapellen en kerken. De eerste factor legde de basis, in de vorm van plaatsvast grondbezit met een gefixeerde ruimtelijke structuur, de tweede versterkte het proces doordat bewoning ging clusteren rond kerken. Voor zover bekend zijn de meeste nederzettingen niet voor de 9e eeuw plaatsvast geworden. Maar er zijn ongetwijfeld uitzonderingen (terpdorpen?, duinstreek?), en (regionale?) verschillen. De meeste nederzettingen lijken niet voor de 15e-16e eeuw te zijn uitgegroeid tot wat we tegenwoordig dorpen noemen. Hoe het proces van dorpsvorming ruimtelijk, temporeel en functioneel onder uiteenlopende omstandigheden verloopt, is nog nauwelijks onderzocht.

De onderstaande onderzoeksvragen volgen uit de hoofdvraag en omvatten zowel het beschrijven van het elementaire nederzettingspatroon als thematische vragen met betrekking tot de processen die ten grondslag liggen aan dorpsvorming. Een deel van de vragen kan beantwoord worden met een onderzoek binnen een enkele nederzetting, terwijl voor andere waarnemingen in meerdere dorpen en gehuchten nodig zijn. Het onderzoek wil hiervoor een bouwsteen aanleveren. 1 Hoe ontwikkelt het nederzettingspatroon zich in de regio en wanneer en hoe treedt concentratie van bewoning op? Deze vraag tracht inzicht te krijgen in de ontwikkeling van het nederzettingspatroon in de dorpsgebieden als geheel en de relatie te begrijpen tussen de geconcentreerde (dorps)kern en de omliggende bewoning (gehuchten, buurtschappen en afzonderlijke hoeven).

Is de initiële concentratie voornamelijk een clustering van de bestaande, verspreidde bewoning of het product van een demografische groei die uitkristalliseert in een van deze nederzettingen? Heeft de concentratie allen betrekking op de vorming van een geclusterde kern of is het onderdeel van een bredere ontwikkeling die ook de kleinere, omliggende nederzettingen (gehuchten) beïnvloed? Deelvragen ● Wat is de layout, samenstelling, omvang (aantal erven) en datering van de nederzettingen in een dorpsgebied? ● Ontwikkelt een geconcentreerde nederzetting zich uit verspreidde bewoning of bestaan geclusterde en verspreide bewoning vanaf het begin al naast elkaar in het gebied (als onderdeel van de socio-politieke structuur van de nederzetting in ruime zin)? ● Wanneer begint de vorming van de geclusterde nederzetting(en) en kan deze worden opgevat als de enige kern in het dorpsgebied? ● Wat gebeurd er met de omliggende nederzettingen wanneer de geconcentreerde kern zich heeft gevormd? Worden deze verlaten? Vormen deze kleinere clusters? Blijft het bewoningspatroon hierbuiten onveranderd? 2 In welke mate worden nederzettingen verplaatst na hun initiële clustering of concentratie en welke factoren zijn hiervoor verantwoordelijk? Met deze vraag wordt gekeken in hoeverre het proces van concentratie ook verantwoordelijk was voor het plaatsvast worden van de nederzetting, zoals doorgaans

wordt aangenomen, en in welke omstandigheden 31

Verspay, Huijbers, Van Londen, Renes & Symonds 2018.

Juli 2022

pagina 38 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

hier wederom verschuivingen in plaats vinden. Redenen hiervoor kunnen landschappelijke veranderingen zijn, sociale ontwikkelingen of zelfs rampen. De verplaatsing van verspreidde bewoning naar de geclusterde nederzetting is hiervan uitgezonderd omdat deze wordt gerekend tot het initiële proces van concentratie. Deelvragen ● Wanneer concentreerde de bewoning zich in een geclusterde nederzetting en in hoeverre valt dit samen met het plaatsvast worden van de erven? ● Werd (een deel van) de geconcentreerde nederzetting op een later tijdstip weer verlaten? Wanneer gebeurde dit en in welk tempo? ● Werd een nieuwe nederzetting ingericht in het gebied rond de tijd van verlating of kort daarna? En zijn er, anders dan chronologische opeenvolging, andere aanwijzingen om verplaatsing te veronderstellen? ● Welke archeologische aanwijzingen zijn er voor de reden voor verlating? Is er bewijs voor een calamiteit? ● Valt de verlating samen met relevante historisch bekende sociale, politieke, economische ontwikkelingen? 3 Wat is de oorsprong van de historische dorpskern en hoe ontwikkelde het dorp zich in ruimtelijke en functionele zin? Onze kennis van de thans (nog) bewoonde historische dorpen berust hoofdzakelijk op geschreven bronnen. Hoewel het waardevolle inzichten biedt in eigendomsrelaties, sociale organisatie, etc.

is het vaak moeilijk ze toe te schrijven aan een precieze locatie en om ruimtelijke ontwikkelingen te reconstrueren. Bovendien zijn deze bronnen gericht op specifieke aspecten (juridisch, fiscaal of notarieel) van een gemeenschap en specifieke groepen hierbinnen. En meestal gaan de geschreven bronnen niet terug tot de oorsprong van de dorpen. De huidige regionale modellen over nederzettingsontwikkeling en dorpsvorming beschrijven het thema veelal in abstracte termen. Dit sluit onvoldoende aan op de variatie in dorpen binnen een regio, en doet te weinig recht aan het belang van lokale factoren in het vormingsproces of de latere ontwikkeling van historische dorpen, zoals zo fraai wordt gedemonstreerd in de uitvoerige historisch-geografische studies in Drenthe door Spek. Helaas is archeologische data uit de historische dorpskernen ter aanvulling op de tekstuele bronnen, om inzicht te krijgen in oudere fasen of om de huidige bewoningsmodellen te toetsen, nog steeds erg schaars en gefragmenteerd aangezien veruit de meest opgravingen worden uitgevoerd in het buitengebied. Dit betekent dat het beeld van middeleeuwse nederzettingen hoofdzakelijk is gebaseerd op verlaten nederzettingen die later werden geïncorporeerd in het akkerland.

Deelvragen ● Waar bevindt zich het oudste deel/ de oudste delen van het dorp? ● Wat zijn de oudste archeologische resten die gevonden worden in de verschillende delen van het dorp(sgebied) met een onafgebroken opeenvolging tot heden? ● Wat is de lay-out en samenstelling van het dorp op verschillende momenten in de tijd? ● Wanneer begint de bewoning ter hoogte van de parochiekerk en is deze ouder dan de stichting van de kerk? ● Wat is de aard van de oudste bewoning in het dorp? ● Wanneer werden (de) secundaire voorzieningen ingericht in het dorp en wat hielden deze in? ● Hoe verhoudt (de ontwikkeling van) het dorp zich tot de thans verdwenen nederzettingen in het gebied? 4 Welke rol speelt de stichting van een kerk of kapel in de concentratie van een nederzetting? De stichting van een kerk is een belangrijke, zo niet bepalende, gebeurtenis in de vorming van een dorp. Maar in welke mate hangt dit samen met de clustering en groei van de nederzetting? Vindt de concentratie van bewoning plaats voorafgaand aan de bouw van de kerk? Is dit een zelfstandige trend (gerelateerd aan andere factoren) die de stichting van een bedeplaats faciliteert en hierdoor wordt versterkt, of brengt de kerk de toename en clustering van bewoning teweeg? Geldt hetzelfde voor een kapel? En is deze relatie tussen kerk en nederzetting kenmerkend voor de wijdere omgeving?

Juli 2022

pagina 39 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

Deelvragen ● Wanneer werd de kerk of kapel gesticht? ● Wat was de lay-out en samenstelling van de nederzetting waarin de kerk of de kapel werd gesticht op dat moment? ● In welke mate beïnvloedde de stichting van de kerk of kapel de ontwikkeling van de nederzetting? Zette de concentratie in voor of na deze stichting? En in welk tempo? ● Is de correlatie tussen de concentratie van bewoning en de stichting van de kerk vergelijkbaar in de regio? 5 Welke rol speelt de vestiging van handel en ambacht (proffesionele specialisatie) in de concentratie van een nederzetting? Arbeidsdifferentiatie, en meer specifiek de opkomst van niet-agrarische beroepen, wordt verondersteld aanzienlijk bijgedragen te hebben aan de concentratie van rurale nederzettingen. Of dit de aanzet gaf tot clustering of dat het hierdoor bevorderd werd in een later stadium is nog onduidelijk. De hangt vermoedelijk ook af van het soort nederzetting en diens rol in de wijdere gemeenschap; of het een agrarisch dorp was of fungeerde als niet-agrarisch centrum (een verzorgingskern) vanaf het begin zoals het geval is van de dorpen die werden gesticht rondom een marktplaats. Specialisatie lijkt te zijn voortgekomen uit een combinatie van push- en pull-factoren. In het Nederlands dekzandgebied hangt dit samen met demografische groei in de volle middeleeuwen en de opkomst van een vroege markteconomie.

Toen in die tijd de grootschalige ontginningen voltooid werden en arbeid ruim voor handen was kozen boeren voor meer arbeidsintensieve vormen van landbouw en veehouderij, hetzij door agrarische intensivering of specialisatie. Daarbij boden deze ontwikkelingen de gelegenheid en noodzaak voor mensen zich bezig te gaan houden met handel en nijverheid als voltijd betrekking. Aangezien deze ambachtslieden niet langer afhankelijk waren van het bouwland voor hun broodwinning, konden ze zich vestigen op een centrale plaats aan een belangrijke (water)weg. Deelvragen ● Zijn er aanwijzingen voor de uitoefening van handel of ambacht in de nederzetting? Van welke aard? ● Wanneer werd voltijd handel en nijverheid gevestigd in de nederzetting? ● Waar bevonden de handelaren en ambachtslieden zich in het dorp en in welke mate waren hun huizen geclusterd? ● Hoe hangt de vestiging van handelaren en ambachtslieden samen met de ontwikkeling van de nederzettingsstructuur? 6 In welke mate droegen veranderingen in eigendomsverhoudingen bij aan de (vroege) vorming van geconcentreerde nederzettingen? In de volle middeleeuwen deden zich ingrijpende veranderingen voor in de (domaniale) eigendomsverhoudingen in grote delen van het land. Horigheid maakte geleidelijk plaats voor pacht en er was in toenemende mate privaat grondbezit.

Dit laatste kan indirect hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van geconcentreerde nederzettingen. Eigen grondbezit hing dikwijls samen met nieuwe ontginningen welke toenamen in deze periode. In de dekzandgebieden concentreerde deze zich op de beekdalen. Deze ontginningen werden gestimuleerd door politieke en economische motieven van de landsheren. Particulier eigendom van grond vormde een belangrijke stimulans voor de investering van arbeid en middelen, hetzij door intensieve exploitatie of specialisatie. Tegelijkertijd waren deze bezittingen kwetsbaar voor fragmentatie aangezien deze vaak verdeeld werden in een erfenis. In de loop van enkele generaties werd het aandeel te klein en leidde het tot verkeutering. Deze kleine boeren voorzagen in hun levensonderhoud door een deel van de tijd te werken als ambachtsman of door werk te zoeken als loonwerker op een grote hoeve. De splitsing van boerderijen kon leiden tot een snelle toename van

Juli 2022

pagina 40 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

boerderijen en keuterijen (cottage) in deze dorpen zoals werd waargenomen door Spek voor delen van Drenthe.32 Deelvragen ● Hoe ontwikkeld de verkaveling en markering van het platteland en in welke mate houdt dit verband met veranderingen in bezitsverhoudingen? ● Hoe verhouden de ontwikkeling in de ruimtelijke inrichting en markering van het platteland zich tot de concentratie van bewoning en de vorming van dorpen? ● Wanneer werden keuterijen gebouwd in de nederzetting en in welke mate droegen deze bij aan de concentratie van bewoning? Waren deze verantwoordelijk voor de initiële clustering van de nederzetting of warden deze opgetrokken in een bestaande nederzettingskern? 7 In welke mate hangt de ontwikkeling van het nederzettingspatroon samen met de ontwikkelingen in landbouw strategieën en akkercomplexen? De concentratie van bewoning in een geclusterde nederzetting wordt ook wel geassocieerd met de vorming van een open-akker systeem. Veel is nog onduidelijk over de relatie tussen de beide ontwikkelingen en wie hiervoor verantwoordelijk waren.

Was het systeem ingesteld door een lokale domaniale heer of was het een antwoord van een agrarische gemeenschap op hun economische situatie? Deelvragen ● Hoe en in welk tempo ontwikkeld de verkaveling en fysieke afbakening van het rurale landschap en in welke mate houdt dit verband met de vorming van een (open) akkercomplex? ● Hoe verhouden de ontwikkelingen in de verkaveling en de fysieke afbakening van het platteland zich tot de concentratie van bewoning en de vorming van dorpen?

32

Spek 2004, 978-979.

Juli 2022

pagina 41 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

16.

Bouwhistorie

Algemeen: • Wat leren de archeologische waarnemingen over de typologie over de technologie van de huizenbouw (bijvoorbeeld stiepenbouw en vakwerkbouw), andersoortige gebouwen en structuren, zoals waterputten? Welke bouwmaterialen zijn daarbij gebruikt? Wat zijn de vorm, functie, datering en context van verdiepte (delen van) gebouwen? • Is in de periode 1250-1650 stiepenbouw toegepast? • Leveren plattegronden in de periode 1250-1650 aanwijzingen voor de bovengrondse constructiewijze? • Is er sprake van een verdiept stalgedeelte (potstal)? • Tot welke archeologische perioden en culturen behoren de huizen, andersoortige gebouwen etc. In hoeverre kan worden gesproken van bouwtradities en hangt de verscheidenheid in bouwsels samen met functionele verschillen? Wat zijn de oorzaken van veranderingen in deze bouw? • Is er sprake van opslag in de boerderij of is er ook sprake van aparte opslagstructuren? • is er vanaf de zestiende eeuw een omslag in bedrijfsvoering gezien de grote bloei en bemoeienis van steden? • Wat was de levensduur van de huizen, bijgebouwen etc.? • In hoeverre corresponderen de archeologische data over gebouwen etc.

met de uitkomsten met bouwhistorische en historische inzichten? • Wanneer, hoe en binnen welke context ontstonden designed landscapes, zoals kasteellandschappen? Onderzoeksvragen bouwconstructie: • Is aan de hand van de soorten steen en de afwerking daarvan te constateren in welke periode het gebruik populair was? Hierbij moet worden gekeken naar de verkrijgbaarheid, architectuur en mode. • Hoe is de baksteen toegepast? Waar en hoe is de moderne baksteen geproduceerd? Hoe is de ontwikkeling van metselverbanden? • Wat voor type funderingen komen voor? Waarom komen er weinig funderingen voor? Is er verschil in fundering bij woonhuizen en ‘zwaardere’ gebouwen.

• Wat is de ontwikkeling van vensters? • Wat is de ontwikkeling van vloerconstructies? Is de ontwikkeling van vloerconstructies beïnvloed door technologische ontwikkelingen? Wat is de ontwikkeling van plafondconstructies en zijn decoratie? • Hoe ontwikkeld de kapconstructie zich in de regio? Past de ontwikkeling in een regionaal en/of nationaal beeld? Is de ontwikkeling van kapconstructies beïnvloed door technische ontwikkelingen? • Welke inwendige constructies komen in huizen en bijgebouwen voor? Wat is de vorm en uitvoering van de inwendige constructies en wat is de ontwikkeling hiervan? Hoe passen de constructies in het regionale en (inter-) nationale kader? • Waar komt het hout in huizen vandaan? Is het lokaal of importhout? Welke soorten werden waarvoor gebruikt? • Welke materialen werd als dekbedekking toegepast? Heeft het soort dakbedekking invloed op de hoofdvorm van het dak, de constructie en de uitvoering? Is er een relatie tussen de dakbedekking en de draagconstructie? • Hoe zijn de houtconstructies gefabriceerd? Welke bewerkingsporen zijn op de houtconstructies aanwezig? Welke bewerkingssporen horen bij welke gereedschappen? • Wat is de vorm van de vensters in de gevelopeningen? • Wat is de ontwikkeling van hang- en sluitwerk? • Wat is de ontwikkeling van de verwarming door vuurplaatsen, haarden en schouwen en moderne verwarmingsinstallaties? • Wat is de

ontwikkeling van installaties die met water te maken hebben, zoals waterputten en kelders, gootstenen, aan- en afvoeren, riolering, toiletten en badkamers?

Juli 2022

pagina 42 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

• • •

Wat is de ontwikkeling van installaties ten behoeve van het bereiden van eten? Is er een relatie tussen de interieurafwerking en de constructie? Wat zijn de datering, vorm, constructie, afmetingen en inrichting van een kerkgebouw? Waar heeft het altaar zich bevonden? Wanneer vond er eventueel in de geschiedenis van een kerkgebouw de overgang van houtbouw naar steenbouw plaats?

Onderzoeksvragen materialen: • Welke bouwmaterialen en bouwconstructies komen in de loop van de tijd voor? Hoe passen de bouwmaterialen in het regionale en (inter-) nationale kader? • Welke soorten natuursteen zijn gebruikt? Waar komt de natuursteen vandaan? Hoe werd de natuuursteen toegepast in de gebouwen? Hoe werd natuursteen bewerkt? Hoe werd natuursteen verwerkt? • Wanneer wordt beton en /of ijzer voor het eerst gebruikt en in welke vorm en constructie manifesteert zich dat? • Wanneer werd leem gewonnen uit de beekdalen voor baksteenproductie? Onderzoeksvragen gebouwtypen: • Welke typen huizen zijn er in de regio? In welke periode komen bepaalde huistypes voor? Zijn de indeling van bepaalde huistypes aan bepaalde gebruik te koppelen? • Wat is de oorzaak/aard en ouderdom van verschillende ontwikkelingen van huistypes geweest? • Welke gebouwtypen komen er in de regio voor, naast de woonhuizen? Wat is de vorm van deze gebouwtypen? Wat is de opzet van deze gebouwtypen? Hoe zijn deze gebouwen geconstrueerd? Hoe zijn deze gebouwen vormgegeven? • Hoe zijn industriële gebouwen en complexen gebouwd? • In welke type woningen woonde de arbeidersbevolking? • Is er een relatie tussen de sociaal-economische sitatie van de bewoner/eigenaar en het huistype? • Welke keldervorm komt voor in welke periode en waar? Is er een relatie tussen de vorm van de kelders, de functie en economische

ontwikkelingen? • Wat is de aanlegdiepte van de verschillende type kelders en hoe verhoudt dit zich tot de hoogte van de waterstand en het maaiveld?

Juli 2022

pagina 43 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

17.

Literatuurlijst

Arts, N., H. Stoepker, F. Theuws e.a, 2008: De Middeleeuwen en Vroegmoderne tijd in Zuid-Nederland, Amersfoort (NOaA hoofdstuk 22, versie 1.0). Asseldonk, M.M.P. van, 2002: De Meierij van ’s-Hertogenbosch. De evolutie van plaatselijk bestuur, bestuurlijke indeling en dorpsgrenzen, circa 1200-1832, Oosterhout. Baaijens, G.J. e.a., 2011: Stromend Landschap. Vloeiweidenstelsels in Nederland. Ball, E.A.G. & R. Jansen (red.), 2018: Drieduizend jaar bewoningsgeschiedenis van oostelijk Noord-Brabant. Synthetiserend onderzoek naar locatiekeuze en bewoningsdynamiek tussen 1500 v.Chr. en 1500 n. Chr. op basis van archeologisch onderzoek in het Malta-tijdperk (Nederlandse Archeologische Rapporten 61), Amersfoort. Brinkkemper, O., L.I. Kooistra, H. van Haaster, L. van Beurden & F. Bunnik, 2005: 9. Archeobotanie (Nationale Onderzoeksagenda Archeologie), Amersfoort. Broeke, P.W. van den, 2012: Het handgevormde aardewerk uit de ijzertijd en de Romeinse tijd van OssUssen: studies naar typochronologie, technologie en herkomst, Leiden (proefschrift Universiteit Leiden). Deeben, J., D.P. Hallewas, P.C. Vos en W. van Zijverden, 2005: Paleogeografie en landschapsgenese (NOaA hoofdstuk 8, versie 1.0). Deeben, J., H. Peeters, D. Raemaekers, E. Rensink en L. Verhart, 2006: De Vroege prehistorie, Amersfoort (NOaA hoofdstuk 11, versie 1.0). Enckevort, H.

van, 2012: Gebundelde sporen: enkele kanttekeningen bij aardewerk en nederzettingen uit Romeins Nederland, Leiden (proefschrift Universiteit Leiden). Enckevort, H. van, J. Hendriks en M. Nicasie, 2017: Nieuw licht op donkere eeuwen. De overgang van de laat-Romeinse tijd naar de vroege middeleeuwen in Zuid-Nederland (NAR 58), Amersfoort. Enckevort, H. van, T. de Groot, H. Hiddink & W. Vos, 2006: De Romeinse tijd in het Midden-Nederlandse rivierengebied en het Zuid-Nederlandse dekzand- en lössgebied, Amersfoort (NOaA hoofdstuk 18, versie 1.0). Fokkens, H. & R. Jansen (red.), 2002: 2000 jaar bewoningsdynamiek. Brons- en ijzertijdbewoning in het MaasDemer-Scheldegebied, Leiden, 1-22. Fontijn, D., 2001: Sacrificial Landscapes. Cultural Biographies of Persons, Objects and Natural Places in the Bronze Age of the Southern Netherlands, c. 2300-600 BC (= Analecta Praehistorica Leidensia, 33/340), Leiden. Gerritsen, F. 2001: Local identities, Lanscape and community in the late prehistoric Meuse-Demer- Scheldt region proefschrift VU Amsterdam. Gerritsen, F. & E. Rensink (red.), 2004: Beekdallandschappen in archeologisch perspectief. Een kwestie van onderzoek en monumentenzorg (NAR 28), Amersfoort. Gerritsen, F., P. Jongste & L. Theunissen, 2006: De late prehistorie in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland en het rivierengebied, Amersfoort (NOaA hoofdstuk 17, versie 1.0).

Juli 2022

pagina 44 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

Van Ginkel, E. & L. Theunissen, 2009: Onder heide en akkers. De archeologie van Noord-Brabant tot 1200, Den Bosch. Hiddink, H.A., 2003: Het grafritueel in de Late IJzertijd en Romeinse tijd in het Maas-Demer-Scheldegebied, in het bijzonder van twee grafvelden bij Weert (ZAR 11)., Amsterdam. Kolen, J., 2009: De beekdalen van Peelland: achtergronden en uitgangspunten voor archeologisch onderzoek (notitie Biografie van Peelland project, Stichting Archeologisch Samenwerkingsverband). Kooistra, 2009: Onderzoeksagenda ecologische archeologie voor Tilburg-Goirle (BIAXaal 394), Zaandam. Kort, J.W. de, D.J.K. Zweers & O. Brinkkemper (red.), 2016: Rijke oogst van een armenhoef. Waardering van de Aarlese Hoeve aan de Oirschotseweg 117 te Best; een gecombineerd archeologisch en bouwhistorisch onderzoek (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 234), Amersfoort. Leenders, K.A.H.W, 1996: Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde. Ontginnings- en nederzettingsgeschiedenis van het noordwesten van het Maas - Schelde - Demergebied, 400 - 1350. Een poging tot synthese, Zutphen. Leenders, K.A.H.W., 2005: Bijdrage aan een regionale onderzoeksagenda voor westelijk Noord-Brabant, Den Haag. Leenders, K.A.H.W., 2015: De dynamische hoeve. Veranderingen in boerderijgebouwen en hun omgeving in de Meierij van ’s-Hertogenbosch 1662-2015, Woudrichem.

Roymans, N en Kortlang, f., 1993: Bewoningsgeschiedenis van een dekzandlandschap langs de Aa te Someren, in: N. Roymans en F. Theuws (red), Een en al zand. Twee jaar graven naar het Brabantse verleden , s’-Hertogenbosch. Roymans, N. & F. Theuws 1991 (eds.), Images of the past. Studies on ancient societies in North-Western Europe, Amsterdam (Studies in prae- en protohistorie 7). Roymans, N. (red), 1996: From the Sword to the Plough. Three studies on the earliest romanisation of northern Gaul, Amsterdam Archeological studies 1, Amsterdam. 1996 Schabbink, M. (red.), 2015: Vier eeuwen boeren Synthese Oogst voor Malta onderzoek: Archeologische sporen van boerderijen en erven 1250-1650 (NAR 49), Amersfoort. Slofstra, J., H.H. Regteren Altena, N. Roymans, F Theuws (rec), 1982: Het Kempenproject. Een regionaal Archeologisch onderzoeksprogramma. Waalre. Slofstra, J., 1991a: Changing settlements systems in the Meuse-Demer-Scheldt area during the Early Roman period., In: Theuws en Roymans (red.) Images of the past. Studies on ancient societies in Northwest Europe, Studies in pre- and protohistorie 7, Amsterdam, 131-200. Slofstra, J. , H.H. van Regteren Altena & F. Theuws (red), 1985: Het Kempenprojekt 2. Een regionaal archeologisch onderzoek in uitvoering, Waalre, 157-166. Spek, T., 2004: Het Drentse esdorpenlandschap. Een historisch-geografische studie.

Utrecht (proefschrift Rijksuniversiteit Groningen). Strijbos, H., 1999: Van hallehuis tot langgevelboerderij. Een laatmniddeleeuwse boerderij te Vessem, in: E.L. van Olst (ed.), 1999: Historisch boerderij-onderzoek 1999. De Noord-Brabantse Kempen, Arnhem, 2253.

Juli 2022

pagina 45 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

Taayke, E., e.a., 2012: Ede Vol Erven. Germaanse bewoning op de rand van een wereldrijk (500 v.Chr-500 na Chr.). Theunissen, E.M., 1999: Midden-Bronstijdsamenlevingen in het zuiden van de Lage Landen. Een evaluatie van het begrip ‘Hilversum-cultuur’, Leiden. Theuws, F., 1988: De archeologie van de periferie. Studies naar de ontwikkeling van bewoning en samenleving in het Maas-Schelde-Demergebied in de vroege middeleeuwen, Amsterdam. Theuws, F. & N. Roymans (eds), 1999: Land and Ancestors. Cultural dynamics in the urnfield period end the Middle Ages in the Southern Netherlands (Amsterdam Archaeological Studies), Amsterdam. Theuws, F. en N. Roymans, 2009: Veldhoven-Zilverackers, cultuur en landschap van verleden gemeenschappen. Een wetenschappelijk onderzoekskader ten behoeve van de archeologie in het plangebied (gezamenlijke uitgave UvA.VU), Amsterdam. Theuws, F., 2011: De nederzettingsontwikkeling in de Middeleeuwen: een model en enige thema’s voor toekomstig onderzoek, in: F. Theuws & M. van der Heiden (red.), De archeologie van de Brabantse akkers: Toegelicht aan de hand van het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam in Veldhoven, Amsterdam (Diachronpublicatie), 60-77. Tol, A.J. e.a., 2017: Tussen Aarlese weg en Broekstraat. Archeologisch onderzoek van een historisch cultuurlandschap in Aarle, gemeente Best (Archol rapport 280), Leiden.

Vera, H.L.M., 2011: … dat men het goed van den ongeboornen niet mag verkoopen. Gemene gronden in de Meierij van Den Bosch tussen hertog en hertgang 1000-2000. Een wetenschappelijke proeve op het gebied van de Rechtsgeleerdheid, Moergestel. Verhoeven, A.A.A. & F. Theuws (red.), 1989: Het Kempenproject 3. De Middeleeuwen centraal, Waalre, 97216. Verspay, J.P.W., A.M.J.H. Huijbers, H. van Londen, J. Renes & J. Symonds, 2018: Village Formation in the Netherlands during the Middle Ages (AD 800 – 1600). An assessment of recent excavations and a path to progress (NAR 56), Amersfoort. Verwers, W.J.H., 1998: North Brabant in Roman and Early Medieval Times, Amsterdam (dissertatie Vrije Universiteit).

Juli 2022

pagina 46 van 46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13240006/2