RV Bp Kapperdoes - Bijlage 7 Nader onderzoek vleermuizen en marterachtigen
Tekst van het document
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
Postadres Gerrit Zegelaarstraat 1 6709 TA Wageningen T 085 7737676 Web info@regelink.nl | www.regelink.nl KvK 14081365 BTW NL822004379.B01 Triodosbank NL84TRIO 0390980458
Colofon
Tekst, foto's en samenstelling
Wessel de Jong
In opdracht van
Rezidenz Development
Naam opdrachtgever
Anco Teurlings
Rapportnummer
RA21323-01
Status rapport
Definitief
Datum oplevering rapport
21 januari 2022
Aantal pagina's
24
Collegiale toets
Tim Eestermans
Wijze van citeren
Wessel de Jong, 2022, Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord Rapport RA21323-01, Regelink Ecologie & Landschap, Wageningen.
Regelink Ecologie & Landschap Gerrit Zegelaarstraat 1 6709 TA Wageningen 085-7737676 info@regelink.nl www.regelink.nl Lid Netwerk Groene Bureaus
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
2
Inhoudsopgave Aanleiding
4
1.1 1.2
4 4
Aanleiding Doel
Plangebied en ingreep
5
2.1 2.2
5 5
Plangebied Ingreep
Werkwijze
6
3.1 3.2 3.3 3.4
6 6 7 8
Onderzoeksinspanning Methode vleermuisonderzoek Methode marteronderzoek Volledigheid inventarisatie
Resultaten
9
4.1 4.2
Algemeen beeld Vleermuizen
9 9
4.2.1 Gewone Dwergvleermuis
9
4.3 4.4 4.5 4.6
10 10 12 12
Laatvlieger Marterachtigen Steenuil Samenvatting resultaten
Effectbepaling en toetsing aan de Wet natuurbescherming
13
5.1 5.2
13 13
Effectbepaling van de ingreep Toetsing Wet natuurbescherming
Conclusies en vervolgstappen
15
6.1 6.2
15 15
Conclusies Vervolgstappen
Bronnen
16
7.1 7.2 7.3
16 16 16
Literatuur Websites Project gerelateerde bronnen
Bijlage 1.
Wet natuurbescherming
17
Bijlage 2.
Foto’s marteronderzoek
21
Bijlage 3.
Kaart vleermuiswaarnemingen
23
Bijlage 4.
Kaart materialen
24
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
3
Aanleiding 1.1 Aanleiding Rezidenz Development is van plan om de woning en de bijbehorende stallen en schuur aan de Dubbestraat 1 in Nuenen te slopen, tevens worden enkele bomen verwijderd en de bestemming van het terrein aangepast. Regelink Ecologie & Landschap heeft in mei een ecologische quickscan uitgevoerd voor dit gebied (De Jong, 2021). Hieruit blijkt dat in het plangebied mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor onder andere gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis aanwezig zijn, geschikt leefgebied aanwezig is voor verschillende vleermuissoorten, geschikt leefgebied voor marterachtigen aanwezig is en een geschikte nestlocatie en leefgebied voor steenuil aanwezig is. Volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming (zorgplicht) is het verplicht om voordat de ingreep plaatsvindt onderzoek te doen naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Er moet daarom nader onderzoek gedaan worden naar de aanwezigheid van deze soorten en de functies van het plangebied. Regelink Ecologie & Landschap heeft in opdracht van Rezidenz Development in het plangebied het onderzoek naar vleermuizen en marterachtigen uitgevoerd. Het onderzoek van steenuil zal uitgevoerd worden in het voorjaar van 2022. Bij het opstellen van deze rapportage is uitgegaan van de definities zoals aanwezig op de website van Regelink Ecologie & Landschap 1.
1.2 Doel Met dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: •
Welke soorten vleermuizen komen voor in het plangebied?
•
Welke functies heeft het plangebied voor de aanwezige soorten vleermuizen?
•
Komen marterachtigen voor in het plangebied?
•
Welke functies heeft het plangebied voor de aanwezige marterachtigen?
•
Leidt de ingreep tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming?
•
Welke vervolgstappen zijn nodig om overtreding van de Wet Natuurbescherming (zoveel mogelijk) te voorkomen
1 http://www.regelink.nl/kenniscentrum/definities-vleermuizenonderzoek/
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
4
Plangebied en ingreep 2.1 Plangebied Het plangebied betreft een woning en drie stallen aan de Dubbestraat 1 inclusief het aangrenzend terrein gelegen tussen Boord en de Kapperdoesweg in de gemeente Nuenen, provincie Noord-Brabant. De begrenzing van het plangebied is op de titelpagina met rood weergegeven. Het plangebied is voor een deel verhard met tegels. In dat deel staan een woonhuis en drie oude stallen. De muur aan de zuidkant van de woning is begroeid met klimop. Langs de grens van het plangebied groeien rijen bomen als populier (Populus spec.). Ten zuiden van het woonhuis liggen twee schuren met een bakstenen muur en golfplaten op het dak. De derde schuur heeft stalen wanden met golfplaten op het dak. Er loopt een zandweg van het zuidelijke deel naar het noordelijke deel van het plangebied. Rondom de gebouwen is lage struikbegroeiing aanwezig. In het noordoostelijke deel is een open terrein waar het groen ongemaaid is. Hier zijn ook planten te vinden zoals paardenbloem (Taraxacum officinale) en winterpostelein (Claytonia perfoliata). In het plangebied ligt aan de noordwestzijde een smalle sloot die op het moment van het veldbezoek helemaal droog stond.
2.2 Ingreep Rezidenz Development is van plan om in het plangebied Dubbestraat-Boord nabij Nuenen nieuwbouw te realiseren (Figuur 1). Hiervoor dienen eerst sloopwerkzaamheden plaats te vinden. Ingrepen die daartoe in het plangebied plaatsvinden bestaan uit: •
Het slopen van de bestaande bebouwing en het saneren van asbest;
•
Het verwijderen van enkele bomen;
•
Het verwijderen van groen;
•
Het bouwrijp maken van het plangebied;
•
Het realiseren van 11 grondgebonden woningen.
De start van de werkzaamheden is gepland in het najaar van 2022.
Figuur 1. Conceptkaart van de nieuwe situatie. Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
5
Werkwijze 3.1 Onderzoeksinspanning In het voorjaar, zomer en najaar van 2021 is het plangebied geïnventariseerd op de aanwezigheid van vleermuizen en marterachtigen. In Tabel 1 zijn de gegevens van de veldbezoeken weergegeven. Tijdens alle bezoeken waren de weersomstandigheden geschikt voor het inventariseren van vleermuizen en steenuil. Voor marterachtigen werd materiaal geplaatst, waardoor de weersomstandigheden niet uitmaken. In de volgende paragrafen staat een toelichting op de toegepaste onderzoeksmethoden.
Tabel 1. Datum en tijdstip van de weersomstandigheden tijdens de inventarisaties. N = nestlocaties, L= Leefgebied, F = Foerageergebied, V= Vliegroute, K= Kraamverblijf, Z= Zomerverblijf, P=Paarverblijf Datum
Tijd
Onderzochte functies
Medewerker
Weersomstandigheden
14-06-2021
21:55-
Vleermuizen:
W. de Jong
18ºC, licht bewolkt,
00:25
V, F, K, Z
02:45-
Vleermuizen:
05:15
V, F, K, Z
21:55-
Vleermuizen:
00:30
V, F, K, Z
03:30 –
Vleermuizen:
05:30
V, F, K, Z
00:00 -
Vleermuizen:
02:00
V, F, P, Z
21:30 -
Vleermuizen:
23:30
V, F, P, Z
15-06-2021
05-07-2021
06-07-2021
06-09-2021
27-09-2021
droog, 2 Bft W. de Jong
16ºC, licht bewolkt, droog, 1 Bft
W. de Jong
17ºC, zwaar bewolkt, droog, 3 Bft
W. de Jong
17ºC, zwaar bewolkt, droog, 3 Bft
W. de Jong
13ºC, onbewolkt, droog, 1 Bft
E. van Dijk
13ºC, licht bewolkt, droog, 2 Bft
3.2 Methode vleermuisonderzoek Tijdens de veldbezoeken zijn vleermuizen met zicht- en geluidwaarnemingen geïnventariseerd. Hierbij is een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (type: Pettersson D240x) gebruikt om de echolocatie die vleermuizen uitzenden hoorbaar te maken voor mensen. Met de karakteristieken van de frequentie, klank en ritme van het geluid worden verschillende vleermuizensoorten in het veld herkent. Wanneer in het veld niet met zekerheid de vleermuissoort kon worden bepaald is een geluidsopname gemaakt met een extern opnameapparaat. De geluidsopname zijn achteraf met het computerprogramma Batsound geanalyseerd, waarbij voor determinatie gebruik is gemaakt van Barataud (2015). Voor sociale geluiden van vleermuizen is gebruik gemaakt van Middleton (2014) en Pfalzer (2002). In combinatie met de visuele waarnemingen van het gedrag is de determinatie van de soort en de functie van het gebied bepaald. De inventarisaties zijn lopend uitgevoerd, waarbij het plangebied en het omliggende gebied meerdere keren zijn doorkruist. Tijdens alle bezoeken waren de weersomstandigheden geschikt voor het inventariseren van vleermuizen. Om de functies van het plangebied voor vleermuizen te onderzoeken zijn
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
6
meerdere veldbezoeken uitgevoerd in verschillende periodes. In het kraamseizoen (mei tot juli) zijn de bezoeken direct vanaf zonsondergang tot twee uur na zonsondergang en vanaf twee uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst uitgevoerd. In het paarseizoen (augustus tot oktober) zijn de bezoeken tussen een uur na zonsondergang en een uur voor zonsopkomst uitgevoerd. In deze periode is minimaal twee uur geïnventariseerd.
3.3 Methode marteronderzoek Het nader onderzoek naar steenmarter, wezel, hermelijn en bunzing werd uitgevoerd volgens de richtlijnen in de ‘Handreiking Kleine Marters’. In het plangebied werden op strategische locaties in het plangebied 20 sporenbuizen, 2 cameravallen en 1 mostela geplaatst welke gedurende 12 weken in de periode september-december aanwezig waren in het plangebied. De sporenbuizen werden om de 10 tot 14 dagen gecontroleerd op sporen en vervolgens schoongemaakt. De cameravallen werden enkele keren gecontroleerd gedurende deze periode. Onderzoek met cameravallen Het inventarisatieonderzoek naar marterachtigen werd uitgevoerd met 1 ‘mostela’ en 2 cameravallen bevestigd aan een boom. Een ‘mostela’ is een speciaal aangepaste cameraval voor het inventariseren van kleine marterachtigen. Een cameraval is een camera die zo is uitgerust dat deze automatisch foto’s of filmpjes kan maken van passerende dieren. Dit werkt door middel van een passieve infraroodsensor die een signaal naar de camera stuurt wanneer de sensor een verschil in binnenkomende infraroodstrali ng meet. Voor de cameraval werd een stoeptegel geplaatst waar wat vocht van lokaas op aangebracht werd. Bij de mostela is de cameraval in een box met buizen gemonteerd. Marters worden van nature aangetrokken door buisvormige ruimtes.
Tevens werd een blik met lokaas in de mostela geplaatst, zodat de trefkans groter werd gemaakt. Op basis van de frequentie waarmee deze soorten tijdens de inventarisatie werden waargenomen is een inschatting gemaakt van het belang van het plangebied voor deze soorten. Sporenbuizen Met behulp van sporenbuizen werd onderzoek gedaan naar kleine marterachtigen. De sporenbuizen bevatten in het midden van een pvc-buis een inktplaatje, waar marters doorheen lopen. Aan weerszijden van het inktplaatje ligt een witte plank waar de prenten van de marters op gezet worden als zij door de inkt heen lopen. Veldgegevens Gedurende de periode van 14 september tot en met 12 december waren de sporenbuizen, cameravallen en de mostela aanwezig in het plangebied. Op de volgende datums in de tabel werden veldbezoeken gebracht om de sporenbuizen en/of cameravallen te controleren.
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
7
Tabel 2. Veldbezoeken voor marterachtigen. Datum veldbezoek
Uitgevoerd door
Werkzaamheden
14-09-2021
W. de Jong en E.
Uitzetten 20 sporenbuizen,
van Dijk
2 cameravallen en 1 mostela
24-09-2021
E. van Dijk
Controle sporenbuizen
5-10-2021
E. van Dijk
Controle sporenbuizen
18-10-2021
E. van Dijk
Controle sporenbuizen en cameravallen
29-10-2021
E. van Dijk
Controle sporenbuizen
8-11-2021
E. van Dijk
Controle sporenbuizen en cameravallen. Sporenbuis 22 verplaatst.
19-11-2021
E. van Dijk
Controle sporenbuizen. Mostela verplaatst naar zuidkant nabij cameraval 2
2-12-2021
E. van Dijk
Controle sporenbuizen en cameravallen
3.4 Volledigheid inventarisatie Het marteronderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen in de Handreiking kleine marterachtigen van de Zoogdiervereniging. De vleermuisinventarisatie is uitgevoerd volgens het Vleermuisprotocol 2021 zoals vastgesteld door Gegevensautoriteit Natuur. Inventarisaties zijn een steekproef gebaseerd op momentopnames, waardoor het niet is uit te sluiten dat soorten en functies die niet waargenomen werden op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel, omdat de Wet natuurbescherming een initiatiefnemer vraagt te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methoden en inspanning is voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming. Wat betreft het onderhavige onderzoek heeft de initiatiefnemer gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
8
Resultaten 4.1 Algemeen beeld Gedurende het onderzoek werden in en in de nabijheid van het plangebied de volgende soorten aangetroffen: •
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus )
•
Laatvlieger (Eptesicus serotinus )
•
Steenmarter (Martes foina)
•
Bunzing (Mustela putorius )
•
Wezel (Mustela nivalis)
•
Steenuil (Athene noctua)
In de volgende paragrafen worden per soort de waarnemingen en functies verder besproken. De waarnemingskaart voor vleermuizen is opgenomen in Bijlage 3 en de locaties van de materialen voor het marteronderzoek is opgenomen in Bijlage 4.
4.2 Vleermuizen 4.2.1 Gewone Dwergvleermuis Foerageergebied Binnen het plangebied werd gefoerageerd langs de bomenrij in het zuiden door één gewone dwergvleermuis en in de tuin ten noorden van het woonhuis werd door twee gewone dwergvleermuizen gefoerageerd. Langs de bomenlaan aan de Dubbestraat en Boord werd door ongeveer drie tot acht gewone dwergvleermuizen gedurende de gehele avond gefoerageerd. Deze plek bevindt zich in de luwte, waardoor het een ideale foerageerplek is. Op grond van de hoeveel foeragerende dieren binnen het plangebied en de grootte van de bomenlaan aan de Dubbestraat/Boord kan gesteld worden dat binnen het plangebied geen essentieel foerageergebied aanwezig is. De bomenlaan aan de Dubbestraat/Boord fungeert wel als essentieel foerageergebied. Vliegroutes Binnen het plangebied werden geen essentiële vliegroutes waargenomen. De bomenlaan aan de Dubbestraat en Boord fungeert als essentiële vliegroute voor gewone dwergvleermuis. De kraamkolonie die in het plangebied waargenomen werd vliegt langs deze bomenlaan richting het noorden. Zomerverblijfplaats In de zomermaanden werden geen zomerverblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Ook zijn er geen verblijfplaatsen in de omgeving van het plangebied aangetroffen. Kraamverblijfplaats In het plangebied werd een kraamverblijfplaats aangetroffen aan de noordzijde van het woonhuis.
In totaal werden 47 uitvliegende gewone dwergvleermuizen geteld. De verblijfplaats bevindt zich onder de rubberen afsluiting van de dakrand.
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
9
Figuur 2. Kraamverblijfplaats onder de rubberen dakrandafsluiting.
Paarverblijfplaats Tijdens de paarperiode (augustus – september) werd 1 roepend mannetje van gewone dwergvleermuis waargenomen. Gewone dwergvleermuizen vliegen al roepend rond om vrouwtjes naar hun paarverblijfplaats te lokken. Doordat zij hierbij door hun hele territorium vliegen is het doorgaans lastig om de exacte paarverblijfplaats te lokaliseren. Op basis van het waargenomen gedrag in het veld is daarom het paarterritorium van het mannetje ingetekend. Op basis van gedrag in het veld werd geconcludeerd dat de paarverblijfplaats zich bevindt aan de noord- of westzijde van de woning aan Dubbestraat 2. De activiteit bij dit gebouw was gedurende de vleermuisronde het grootst. In het plangebied werden geen paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis waargenomen.
4.3 Laatvlieger Foerageergebied en vliegroute De bomenlaan aan de Dubbestraat en Boord werd gebruikt als vliegroute richting het noorden. Twee tot vier individuen kwamen vanuit het zuiden aanvliegen en foerageerden kort langs de bomenlaan. Binnen het plangebied werd geen essentiële vliegroute of foerageergebied waargenomen. Verblijfplaatsen Van laatvlieger werden geen zomerverblijfplaatsen of kraamverblijfplaatsen waargenomen in het plangebied en er zijn geen aanwijzingen dat er verblijfplaatsen van laatvlieger in het plangebied aanwezig zijn. Dieren die werden waargenomen kwamen vanuit het zuiden langs het plangebied gevlogen.
4.4 Marterachtigen Gedurende het onderzoek naar marterachtigen werden steenmarter, bunzing en wezel in het plangebied vastgesteld. Per gebruikt materiaal is aangegeven wat de waarnemingen waren.
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
10
Sporenbuizen Op twee sporenbuizen werden printen van wezel waargenomen. Het gaat om de locaties van sporenbuis 2 en 24. Beide sporenbuizen waren in het zuidoosten van het plangebied aanwezig langs de groenstrook. Cameraval 1
Figuur 3. Wezelsporen op sporenplank 2, overige sporen zijn van muizen.
Figuur 4. Wezelsporen op sporenplank 24.
Op cameraval 1, welke in het noorden van het plangebied aan een boom bevestigd was, werd op twee verschillende momenten een steenmarter waargenomen. Andere noemenswaardige waarnemingen die hier aangetroffen werden waren eekhoorn, vos en groene specht. Enkele foto’s van cameraval 1 zijn weergegeven in Bijlage 2. In de te verwijderen bomen werden geen nesten van eekhoorn aangetroffen. Vermoedelijk dat eekhoorn nestelt in één van de bomen in de bomenlaan. Cameraval 2 Op cameraval 2 (in de buurt van sporenbuis 2 en 24) in het zuiden van het plangebied werden meerdere waarnemingen gedaan van marterachtigen. Op acht verschillende momenten werd steenmarter aangetroffen op de cameraval. Bunzing werd éénmaal waargenomen op de cameraval. Andere noemenswaardige waarnemingen die hier aangetroffen werden waren konijn, vos en wasbeer. Enkele foto’s van cameraval 2 zijn weergegeven in Bijlage 2. Mostela Met de mostela werden geen waarnemingen gedaan van kleine marterachtigen. Het aantal waarnemingen van steenmarter doet vermoeden dat het plangebied als belangrijk leefgebied gebruikt wordt door steenmarter. Steenmarters leggen meestal een afstand van 3 tot 5 km af per nacht,
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
11
maar kunnen ook 10-15km per nacht afleggen. In het plangebied zijn geen mogelijke verblijfplaatsen van steenmarter aangetroffen. In de schuren zijn geen openingen aanwezig waar steenmarter naar binnen kan. Aangezien kleine marterachtigen lastig aan te tonen zijn en er twee waarnemingen van wezel zijn gedaan, is er een grote kans dat het plangebied actief gebruikt wordt door wezel. Mogelijk dat wezel ook voortplantingslocaties in het plangebied heeft, welke zich beperken tot de groenstrook in het zuidoosten van het plangebied. Het leefgebied van wezels varieert van 1 tot 25 hectare voor mannetjes en 1 tot 7 hectare voor vrouwtjes. Bij mannetjes overlapt het territorium dat van meerdere vrouwelijke dieren.
4.5 Steenuil Gedurende het vleermuisonderzoek op 5 juli 2021 werd aan de oostzijde van het plangebied een steenuil waargenomen op de nok van een van de schuren. Vervolgens vloog het dier richting het westen. Het onderzoek naar nestlocaties van steenuil vindt plaats vanaf februari 2022. Dit onderzoek zal uitwijzen of steenuil in het plangebied broedt. Aannemelijk is dat steenuil niet binnen het plangebied broedt, maar het plangebied wel gebruikt als foerageergebied. In eerder onderzoek in 2017 werd steenuil broedend waargenomen aan de achterzijde van Dubbestraat 1A (bij naastgelegen boerenerf). Onderzoek in het voorjaar moet uitwijzen of steenuil daadwerkelijk in het plangebied broedt.
4.6 Samenvatting resultaten Onderstaande tabellen geven een overzicht van de aangetroffen soorten en functies. In Hoofdstuk 5.1 is voor deze functies het effect van de ingreep beschreven. Vervolgens is beoordeeld of effecten een overtreding zijn van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.
Tabel 3 Samenvatting van de waargenomen vleermuissoorten en functies in het plangebied. De getallen geven het (geschatte) aantal individuen per functie weer. Getallen met # duiden op een massawinterverblijf, getallen met een * duiden op een essentiële vliegroute of foerageergebied Soort
Verblijfplaats functie
Gewone dwergvleermuis Laatvlieger
Andere functie
Zomer
Kraam
Paar
Winter#
Vliegroute*
Foerageergebied*
-
47
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Tabel 4 Samenvatting van andere waargenomen beschermde diersoorten. Soort
Verblijfplaats
Leefgebied
Wezel
Mogelijk
Ja
Steenmarter
Nee
Ja
Bunzing
Nee
Ja
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
12
Effectbepaling en toetsing aan de Wet natuurbescherming 5.1 Effectbepaling van de ingreep Gewone dwergvleermuis en laatvlieger Het plangebied wordt als foerageergebied gebruikt door gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Door de in grote mate aanwezigheid van de bomenlanen aan de Boord en de Dubbestraat en het niet verwijderen van al het groen in het plangebied wordt het plangebied niet aangemerkt als essentieel foerageergebied. De sloop en de kap van enkele groenstructuren in het plangebied hebben geen indirect effect op d e functionaliteit van verblijfplaatsen in de omgeving. Gedurende het onderzoek werden in het plangebied geen vliegroutes waargenomen. Buiten het plangebied werd een essentiële vliegroute aangetroffen onder de bomenlaan aan de Dubbestraat/Boord. Deze bomenlaan blijft behouden, waardoor er geen effect van de ingreep op de vliegroute verwacht wordt. In het plangebied werd een kraamverblijfplaats van 47 gewone dwergvleermuizen waargenomen. Ten gevolge van de ingreep verdwijnt deze verblijfplaats. De sloop van het woonhuis is daarom in overtreding met de Wet natuurbescherming. Marterachtigen Het plangebied wordt door wezel, bunzing en steenmarter gebruikt als leefgebied en mogelijk door wezel als voortplantingsgebied. Het verwijderen van groen in het plangebied heeft daarom een negatief effect op wezel, bunzing en steenmarter.
Steenmarter werd meerdere malen in verschillende periodes aangetroffen op de cameravallen waardoor geconcludeerd kan worden dat het plangebied actief gebruikt wordt door steenmarter als leefgebied. Wanneer het terrein tijdelijk niet beschikbaar is en groenstructuren verdwijnen is het gebied (tijdelijk) niet meer functioneel als leefgebied. In de omgeving van het plangebied zijn echter voldoende alternatieven, waardoor een negatief effect op steenmarter niet te verwachten is. Een overtreding van de Wet natuurbescherming is voor steenmarter niet te verwachten. Bunzing werd eenmaal aangetroffen op de cameravallen, waardoor verwacht mag worden dat bunzing het plangebied slechts incidenteel als leefgebied gebruikt. Het leefgebied van bunzing is daarbij zeer groot (8 tot 1000 hectare), waardoor een negatief effect op bunzing dan ook is uitgesloten. Wezel werd tweemaal waargenomen door middel van sporenprenten op de sporenplanken. De ingreep zorgt ervoor dat het plangebied gedurende de werkzaamheden niet meer functioneel is als leefgebied en mogelijk ook niet meer als voortplantingsgebied. Dit is in overtreding met de Wet natuurbescherming.
5.2 Toetsing Wet natuurbescherming Door de ingreep verdwijnen een kraamverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis en mogelijk voortplantingsgebied van wezel en leefgebied van wezel, steenmarter en bunzing.
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
13
Het vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen leidt tot een overtreding van Artikel 3.5 (doden, verstoren, verblijfplaatsen vernielen) van de Wet natuurbescherming, zoals weergeven in Tabel 5. Het vernietigen van voortplantingsplekken van wezel en het (tijdelijk) ongeschikt maken van leefgebied van wezel leidt tot een overtreding van Artikel 3.10 (doden, verstoren, voortplantingsplaats beschadigen of vernielen) van de Wet natuurbescherming, zoals weergegeven in Tabel 5. Zie ook Bijlage 1 voor informatie over de Wet natuurbescherming.
Tabel 5 Resultaten van de toetsing Wnb per soort en functie (Indien van toepassing aangegeven met X of met toelichting). Soort
Ingreep/ activiteit
Art. 3.5 lid 1 Art. 3.10 lid 1 (doden)
Art. 3.5 lid 2 Art. 3.10 lid 10 (verstoren)
Art. 3.5 lid 4 Art. 3.10 lid 2 (beschadigen/ vernielen verblijfplaats)
Gewone
Sloop
X
X
Kraamverblijfplaats
Verwijderen groen
X
X
Mogelijke
dwergvleermuis Wezel
voortplantingsplek Steenmarter
Verwijderen groen
-
-
-
Bunzing
Verwijderen groen
-
-
-
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
14
Conclusies en vervolgstappen 6.1 Conclusies Algemeen •
Het onderzoek heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen uit het Vleermuisprotocol 2021 en De Handreiking Kleine Marterachtigen, waardoor gesteld kan worden dat het plangebied afdoende is geïnventariseerd.
•
Voor het uitvoeren van de werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.
Resultaten vleermuizen •
Het plangebied fungeert als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis, het betreft een niet essentieel foerageergebied.
•
In het plangebied zijn geen vliegroutes waargenomen.
•
In het kraamseizoen is een kraamverblijfplaats van 47 gewone dwergvleermuizen waargenomen.
•
In het plangebied is geen paarverblijfplaats aanwezig.
•
Er zijn geen aanwijzingen voor een winterverblijfplaats voor grotere aantallen dieren.
Resultaten marterachtigen •
Het plangebied fungeert als leefgebied voor steenmarter en wezel.
•
In het plangebied zijn mogelijk voortplantingslocaties aanwezig van wezel.
•
In het plangebied zijn geen voortplantingslocaties aanwezig van steenmarter en bunzing.
Effecten •
Het vernietigen van een kraamverblijfplaats.
•
Het (tijdelijk) ongeschikt maken van leefgebied van steenmarter en wezel.
•
Het mogelijk (tijdelijk) ongeschikt maken van een voortplantingsplek van wezel.
Toetsing •
Met het uitvoeren van de werkzaamheden worden lid 1, 2 en 4 van artikel 3.5 en lid 1 en 2 van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming overtreden.
6.2 Vervolgstappen •
Er dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Bij de ontheffingsaanvraag is er een wettelijk belang nodig én dient de staat van instandhouding niet te verslechteren door de ingreep. Het mitigatieplan dient hierbij als onderbouwing.
•
Voordat de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, dient een mitigatieplan opgesteld te worden. In dit plan staat beschreven op welke manier de negatieve effecten worden verzacht dan wel worden voorkomen.
•
Na het verkrijgen van de ontheffing moet vaak een ecologisch werkprotocol worden opgesteld.
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
15
Bronnen 7.1 Literatuur •
Barataud, M., 2015. Acoustic Ecology of European Bats. Species Identification, Study of their Habitats and Foraging Behaviour. Biotope, Mèze. Muséum national d’Histoire naturelle, Paris [Inventaires et biodiversité series].
•
BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis ( Pipistrellus pipistrellus). Versie 1.0. BIJ12, Utrecht.
•
Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist.
•
Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur.
•
Middleton, N., A. Froud & K. French. (2014) Social Calls of the Bats of Britain and Ireland. Pelagic Publishing, Exeter.
•
Pfalzer, G., 2002. Inter- und intraspezifische Variabilität der Soziallaute. Fachbereich Biologie der Universität Kaiserslautern.
•
Sachteleben, J. & O. von Helversen, 2006. Songflight behaviour and mating system of the pipistrelle bat (pipistrellus pipistrellus ) in an urban habitat. In: Acta Chiropterologica 8(2): 391-401.
•
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2021. Vleermuisprotocol 2021. [http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol.
•
Zoogdiervereniging (S. Bouwens), 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant.
7.2 Websites •
wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01
•
www.bij12.nl
•
www.telmee.nl
•
www.verspreidingsatlas.nl/
•
www.vleermuis.net
•
www.waarneming.nl
•
www.zoogdiervereniging.nl
7.3 Project gerelateerde bronnen •
Wessel de Jong en Elle van Dijk, 2021, Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen. Rapport RA21245-01, Regelink Ecologie & Landschap, Wageningen.
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
16
Bijlage 1.
Wet natuurbescherming
Algemeen Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, aangevuld met nationale bepalingen. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent drie pijlers, namelijk: •
bescherming van Natura 2000-gebieden,
•
bescherming van soorten,
•
bescherming van houtopstanden.
Daarnaast is er een belangrijke plaats ingeruimd voor de zorgplicht (artikel 1.11). Vanuit deze zorgplicht moeten handelingen achterwege blijven waarvan men kan vermoeden zij nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde gebieden of soorten. In dit hoofdstuk volgt een eenvoudige weergave van de essentie van de Wet natuurbescherming, voor zover deze betrekking heeft op ruimtelijke ontwikkelingen en festiviteiten. Verbodsartikelen worden voor de leesbaarheid vereenvoudigd weergegeven. Raadpleeg voor de exacte formulering de wetstekst (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2016-34.html).
Bescherming Natura 2000-gebieden Vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben de lidstaten de verplichting om speciale beschermingszones aan te wijzen. Deze speciale beschermingszones heten Natura 2000-gebieden. Elk Natura 2000-gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van: •
leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig voor de uitvoering van de Vogelrichtlijn, en/of
•
natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig voor de uitvoering van de
Habitatrichtlijn. Verboden (volgens artikel 2.7, lid 2) is elke activiteit (in de wet: project of handeling) zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen: •
de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren
of, •
een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
De activiteit kan alleen doorgang vinden als Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de activiteit plaatsvindt een vergunning verlenen. Voor diverse werkzaamheden in nationaal belang (zoals werkzaamheden rond de hoofdspoorwegen) is de minister van Economische Zaken bevoegd gezag.
Bescherming van soorten De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: 1.
beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn,
2.
beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn,
3.
beschermingsregime andere soorten.
1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Op basis van artikel 3.1 is het verboden om: Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
17
1.
opzettelijk vogels te doden of te vangen;
2.
opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen;
3.
eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben;
4.
opzettelijk vogels te storen.
Het verbod om vogels opzettelijk te storen geldt niet wanneer dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende soort. Bij werkzaamheden in het broedseizoen kan het verlaten van nesten als gevolg van verstoring leiden tot het indirect doden van dieren of het aantasten van de functionaliteit van nesten en dus tot een overtreding van artikel 3.1, lid 1 en 2. De vogelsoorten die jaar op jaar gebruik maken van hetzelfde nest zijn verdeeld over vier categorieën waarvan de nesten een jaarronde bescherming genieten. Ook is er een vijfde categorie van vogels waarvan een inventarisatie van de nesten gewenst kan zijn. 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Onder het beschermingsregime Habitatrichtlijn vallen alle dieren uit: •
de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel a,
•
het Verdrag van Bern, bijlage II,
•
het Verdrag van Bonn, bijlage I,
en alle planten uit: •
de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel b,
•
het Verdrag van Bern, bijlage I.
Volgend artikel 3.5 is het verboden om, voor zover het soorten betreft uit bovenstaande bijlagen: 1.
opzettelijk dieren te doden of te vangen;
2.
opzettelijk dieren te verstoren;
3.
opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen;
4.
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;
5.
opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden,
te ontwortelen of te vernielen. In de genoemde bijlagen van de verdragen van Bern en Bonn staan ook diverse vogelsoorten genoemd. Dit betekent dat voor deze soorten het (ver)storen ook verboden is wanneer dit geen effect heeft op de instandhouding van de betreffende soort. 3. Beschermingsregime andere (nationale) soorten Onder het ‘beschermingsregime andere soorten’ vallen een aantal soorten waarvoor er geen Europese verplichting ligt tot bescherming. Nederland geeft zo uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantensoorten te beschermen. Volgens artikel 3.10. is het verboden om, voor zover het soorten uit deze lijst betreft: 1.
opzettelijk dieren te doden of te vangen;
2.
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;
3.
opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden,
te ontwortelen of te vernielen.
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
18
Onder dit beschermingsregime vallen ook een groot aantal zeer algemene zoogdieren en amfibieën. Een groot deel van deze algemene soorten zijn door de provincies en het ministerie van EZ voor ruimtelijke ontwikkelingen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Ontheffing en vrijstellingen Ontheffingen worden verleend door de Minister van Economische zaken of Gedeputeerde Staten, en geven een initiatiefnemer de mogelijkheid om onder voorwaarden de wet te overtreden. Vrijstellingen worden gegeven door de Minister van Economische zaken of Provinciale Staten en beschrijven handelingen en situaties waarin de wet niet van toepassing is. Ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen of het verkrijgen van een vrijstelling kan alleen wanneer er: •
geen andere bevredigende oplossing bestaat;
•
geen negatief effect is op de staat van instandhouding van de soort;
•
en er voldaan is aan de in de wet genoemde belangen (artikel 3.3, lid 4b, artikel 3.8, lid 5b en
artikel 3.10, lid 2). Voor het beschermingsregime overige soorten is het voldoende als er voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang.
Bescherming van houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting van meer dan twintig bomen, gerekend over het totaal aantal rijen. Volgens artikel 4.2 vallen buiten de bescherming houtopstanden: •
houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden;
•
houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
•
naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed;
•
uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;
•
het dunnen van een houtopstand;
•
uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die: o
ten minste eens per tien jaar worden geoogst;
o
bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter;
o
zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Volgens artikel 4.2 is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
19
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) bestaat uit planologisch beschermde gebieden die zijn aangewezen om ecologische verbindingen te realiseren tussen belangrijke natuurgebieden. Deze natuurgebieden en de verbindingen daartussen vormen samen een ecologisch netwerk. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN mogen niet door een ingreep worden aangetast. Alle (mogelijke) effecten van een voorgenomen ingreep moeten daarop dan ook worden getoetst. De provincie waarbinnen het plangebied valt geeft invulling aan het NNN en is daartoe het bevoegd gezag. Voor meer informatie over het NNN en het toetsingskader zie http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit/natuurnetwerk-nederland.
Wet dieren De Wet natuurbescherming kent geen verbod op het verwonden van dieren. Dit is namelijk al verboden in de Wet dieren. Volgens artikel 2.1 van de Wet dieren, eerste lid, is het namelijk verboden om: •
zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.
De Wet dieren kent een ontheffingsmogelijkheid, maar alleen als het belang van het welzijn van dieren zich er niet tegen verzet. Een ontheffing is niet nodig wanneer vaststaat dat het mogelijk verwonden van dieren een ‘redelijk doel’ dient, of ‘noodzakelijk’ is. In deze rapportage wordt niet getoetst aan de Wet dieren.
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
20
Bijlage 2.
Foto’s marteronderzoek
Cameraval 1:
Steenmarter
Vos
Cameraval 2:
Vos
Wasbeer
Bunzing
Steenmarter
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
21
Steenmarter
Steenmarter
Steenmarter
Steenmarter
Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord
RA21323-01
22
Bijlage 3.
Kaart vleermuiswaarnemingen
Bijlage 4.
Kaart materialen