CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

RV Bp Kapperdoes - Bijlage 12 Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen

Gemeenteraad 12 oktober 2023, gemeente NuenenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Kapperdoes, herziening 17.999 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

Postadres Gerrit Zegelaarstraat 1 6709 TA Wageningen T 085 7737676 Web info@regelink.nl | www.regelink.nl KvK 14081365 BTW NL822004379.B01 Triodosbank NL84TRIO 0390980458

Colofon

Tekst, foto's en samenstelling

E. van Dijk, W. de Jong en S.A.G. van Schaik

In opdracht van

Rezidenz Development

Naam opdrachtgever

Anco Teurlings

Rapportnummer

RA21498-04

Status rapport

Definitief

Datum oplevering rapport

28 maart 2023

Aantal pagina's

30

Collegiale toets

Manon Mulder

Wijze van citeren

E. van Dijk et al., 2023, Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen Rapport RA21498-01, Regelink Ecologie & Landschap, Wageningen.

Regelink Ecologie & Landschap Gerrit Zegelaarstraat 1 6709 TA Wageningen 085-7737676 info@regelink.nl www.regelink.nl

Lid Netwerk Groene Bureaus

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

2

Inhoudsopgave Aanleiding

5

1.1 1.2

Aanleiding Doel

5 5

Huidige situatie

6

2.1 2.2 2.3

6 6 7

Plangebied Aanwezige ecotopen Beschermde soorten

2.3.1 Gewone dwergvleermuis

7

2.3.2 Marterachtigen

7

2.3.3 Steenuil

7

Ingreep

8

3.1 3.2

8 8

Omschrijving ingreep Planning

Wettelijke bepalingen

9

4.1

9

Overtredingen Wet natuurbescherming

4.1.1 Gewone dwergvleermuis

9

4.1.2 Wezel

9

4.2

9

Voorwaarden voor een ontheffing

4.2.1 Alternatievenafweging

10

4.2.2 Belangen

11

4.2.3 Gunstige staat van instandhouding

12

Mitigerende maatregelen

14

5.1

Gewone dwergvleermuis

14

5.1.1 Tijdelijke verblijfplaatsen

14

5.1.2 Permanente verblijfplaatsen

15

5.1.3 Aangepaste werkwijze en periode voor gewone dwergvleermuis

16

5.2

18

Wezel

5.2.1 Tijdelijke maatregelen wezel

19

5.2.2 Permanente maatregelen wezel

20

5.2.3 Aangepaste werkwijze marterachtigen en andere grondgebonden zoogdieren

22

5.3

22

Overige maatregelen en zorgplicht overige soorten

Bronnen

24

6.1 6.2 6.3

24 24 25

Soortgroepen Methoden, databanken, wetgeving Project gerelateerde bronnen

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

3

Bijlage 1.

Wet natuurbescherming

26

Bijlage 2.

Kaart vleermuiswaarnemingen

30

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

4

Aanleiding 1.1 Aanleiding In opdracht van Rezidenz Development is door Regelink Ecologie & Landschap in 2021 ecologisch onderzoek uitgevoerd op de locatie van Dubbestraat 1, Nuenen (W. de Jong, 2021). Aanleiding voor dit onderzoek is het voornemen om in het plangebied de opslagstallen en het woonhuis te slopen en nieuwe woningen op het terrein te plaatsen. Bij het genoemde onderzoek werd een kraamverblijfplaats van gewone dwergvleermuis (Pipistrellus

pipistrellus) en leefgebied en mogelijke voortplantingslocaties voor wezel (Mustela nivalis) waargenomen. Deze diersoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. In het kader van de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming) en het voorkomen van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming moeten bij de geplande ingrepen voor deze diersoorten mitigerende maatregelen worden getroffen. Dat zijn maatregelen die erop gericht zijn negatieve effecten op gewone dwergvleermuis en wezel zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te verzachten.

1.2 Doel Dit voorliggende rapport beschrijft de handelingen die moeten worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te verzachten. Het rapport beantwoordt de volgende vragen: •

In welke periode dient de ingreep te worden uitgevoerd om negatieve effecten op gewone dwergvleermuizen en wezel zoveel mogelijk te voorkomen?

•

Welke aanpassingen in de werkwijze tijdens de ingreep kunnen negatieve effecten op gewone dwergvleermuizen en wezel zoveel mogelijk voorkomen?

•

Welke voorwaarden moeten aan de ingreep gesteld worden om de functionaliteit van het leefgebied voor gewone dwergvleermuizen en wezel te behouden?

Bij het opstellen van deze rapportage is uitgegaan van de definities zoals weergegeven op de website van Regelink Ecologie & Landschap 1.

1 http://www.regelink.nl/kenniscentrum/definities-vleermuizenonderzoek/

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

5

Huidige situatie 2.1 Plangebied Het plangebied betreft een woning en drie stallen aan de Dubbestraat 1 inclusief het aangrenzend terrein gelegen tussen Boord en de Kapperdoesweg in de gemeente Nuenen, provincie Noord-Brabant. Het plangebied is voor een deel bestraat met tegels. Langs de grens van het plangebied groeien rijen bomen waaronder populier (Populus spec.). Ten zuiden van het woonhuis liggen twee schuren met een bakstenen muur en golfplaten op het dak. De derde schuur heeft stalen wanden met golfplaten op het dak. Rondom de gebouwen is lage struikbegroeiing aanwezig. In het noordoostelijke deel is een open terrein waar het gras ongemaaid is. Het plangebied heeft een grootte van ongeveer 1 ha. Een uitgebreide beschrijving van het plangebied is in het rapport van de ecologische quickscan weergegeven (W. de Jong en E. van Dijk, 2021). De begrenzing van het plangebied is in Figuur 1 met rood aangegeven.

Figuur 1. Ligging van het plangebied, met de begrenzing in rood aangegeven. © Dienst voor het kadaster en de openbare registers, Apeldoorn, 2023.

2.2 Aanwezige ecotopen Binnen het plangebied zijn de volgende ecotopen aanwezig: •

Een bakstenen woning zonder spouwmuur met ruimte onder het dak;

•

Twee stallen met een bakstenen muur zonder spouwmuur met golfplaten als dakbedekking, met ruimte tussen beplating aan kopgevels;

•

Smalle, ondiepe droge sloot (< 1 meter diep) met steile oevers en veel begroeiing.

•

Dunne boomsoorten als zwarte els (diameter borsthoogte < 25 cm);

•

Dikke bomensoorten als wilg (Salix spec.) en populier, zonder holtes (diameter borsthoogte > 25 cm);

•

Lage, opgaande begroeiing als braam (Rubus fruticosus) onder de bomen en naast de stallen.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

6

2.3 Beschermde soorten Hieronder worden beknopt de resultaten van de soorten die zijn waargenomen tijdens het soortgericht onderzoek beschreven. De onderzoeksmethodes en een uitgebreide beschrijving van de resultaten staan in de rapportage van het soortgericht onderzoek beschreven (W. de Jong, 2021 en W. de Jong, 2022).

2.3.1 Gewone dwergvleermuis In het kraamseizoen is bij de woning aan de Dubbestraat 1 een kraamverblijfplaats van 47 gewone dwergvleermuizen waargenomen. Deze verblijfplaats bevindt zich onder het dak en is via de rubberen strip aan de noordgevel bereikbaar. Paar- en zomerverblijfplaatsen werden niet waargenomen in het plangebied (Bijlage 2).

2.3.2 Marterachtigen Het plangebied fungeert als leefgebied voor steenmarter, bunzing en wezel. Voor wezel zijn er mogelijk voortplantingslocaties aanwezig in het plangebied. Deze kunnen zich bevinden bij de groenstructuur in het oosten van het plangebied langs de parkeerplaats. Voor steenmarter en bunzing zijn geen voortplantingslocaties aanwezig in het plangebied en zijn er geen negatieve effecten op het leefgebied te verwachten als gevolg van de werkzaamheden.

2.3.3 Steenuil Het plangebied ligt binnen 300 meter van een nestlocatie van steenuil, waardoor het plangebied binnen het leefgebied van steenuil ligt. Vanwege de in ruime mate van aanwezigheid van foerageergebieden binnen 300 meter van de nestlocatie, de beperkte grootte van het foerageergebied in het plangebied en het ontbreken van foeragerende dieren in het broedseizoen is een negatief effect op steenuil in het plangebied uitgesloten. Tevens wordt volgens dit mitigatieplan het plangebied ingericht voor wezel, waardoor ook steenuil hiervan gaat profiteren.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

7

Ingreep 3.1 Omschrijving ingreep Rezidenz Development is voornemens om in het plangebied nieuwbouw te realiseren. Hiervoor dient eerst de bestaande bebouwing gesloopt te worden. Ingrepen die daartoe in het plangebied plaatsvinden bestaan uit: •

Het slopen van de bestaande woning aan Dubbestraat 1 en het saneren van asbest;

•

Het verwijderen van enkele bomen;

•

Het verwijderen van groen;

•

Het bouwrijp maken van het plangebied;

•

Het realiseren van 11 grondgebonden woningen.

Figuur 2. (Concept)kaart van de nieuwe situatie.

3.2 Planning De planning om met de sloopwerkzaamheden te starten is eind 2023.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

8

Wettelijke bepalingen 4.1 Overtredingen Wet natuurbescherming 4.1.1 Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis is beschermd onder de Wet natuurbescherming, § 3.2, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. De soort staat genoemd in de bijlage V, onderdeel a van de Habitatrichtlijn. Ten gevolge van de ingreep kunnen negatieve effecten voor gewone dwergvleermuis ontstaan: •

Bij het slopen van de bebouwing kunnen gewone dwergvleermuizen worden gedood.

•

Bij het slopen van de bebouwing kunnen gewone dwergvleermuizen worden verstoord.

•

Bij het slopen van de bebouwing wordt een kraamverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen vernield.

Deze negatieve effecten van de ingreep zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming: Artikel 3.5 −

Artikel 3.5 lid 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

−

Artikel 3.5 lid 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

−

Artikel 3.5 lid 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

4.1.2 Wezel Wezel is beschermd onder de Wet natuurbescherming, § 3.3, beschermingsregime Andere soorten. De soort staat genoemd in de bijlage, onderdeel A van de Wet natuurbescherming. Ten gevolge van de ingreep kunnen negatieve effecten voor wezel ontstaan: •

Bij het verwijderen van groen in het plangebied kan wezel worden gedood.

•

Bij het verwijderen van groen in het plangebied kunnen voortplantingsplekken van de wezel worden vernield.

Deze negatieve effecten van de ingreep zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming: Artikel 3.10 −

Artikel 3.10 lid 1, onderdeel a. Het is verboden in het wild levende zoogdieren genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;

−

Artikel 3.10 lid 1, onderdeel b. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen;

4.2 Voorwaarden voor een ontheffing Conform artikel 3.8 lid 5 en artikel 3.10 lid 2 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing alleen worden verstrekt wanneer er is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden2: •

Er bestaat geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging § 4.2.1)

•

Wanneer de ingreep valt onder een wettelijk belang (§ 4.2.2) en

2 Zie de wettekst in http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-09-01#Hoofdstuk3

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

9

•

Wanneer de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (§ 4.2.2).

4.2.1 Alternatievenafweging Voor de ingreep bestaat geen andere bevredigende oplossing. Alternatieven zouden beschikbaar kunnen zijn voor wat betreft locatie, inrichting, werkwijze en periode. Hieronder wordt onderbouwd waarom deze alternatieven niet van toepassing zijn. Locatie Voor wat betreft de locatie van de ingreep is er binnen redelijke grenzen geen alternatief; de ingreep kan alleen plaatsvinden op de locatie van het huidige plangebied. Het overwegen van alternatieven ten aanzien van de locatie is, binnen redelijke grenzen, niet mogelijk. Inrichting Ook voor wat betreft de toekomstige inrichting van het plangebied zijn er geen alternatieven. Het is, binnen redelijke grenzen, niet mogelijk het plangebied in de toekomst zo in te richten dat de kraamverblijfplaats en de groenstrook behouden blijven. In het vigerend bestemmingsplan zijn maximaal 16 woningen toegestaan. Het nieuwe planvoornemen staat maximaal 11 woningen toe, waarbij al meer ruimte ontstaat voor tuinen en meer groen/bomen blijven behouden dan in het vigerend bestemmingsplan. Hierbij zijn reeds de grenzen opgezocht van de financiële haalbaarheid. De enige manier om deze groenstrook te behouden, is om deze groenstrook niet mee te nemen in het nieuwe planvoornemen maar te bestemmen als bosgrond. Echter, op dat moment is het opbrengstenverlies van dusdanige aard dat er geen haalbaar plan meer is.

Er is ook gekeken of deze groenstrook behouden zou kunnen blijven in de toekomstige situatie, waarbij de strook deels opgenomen wordt in de tuinen van de woningen. Maar een Wezel is niet wenselijk in de nabijheid van mens en/of huisdier en het probleem dat dan ontstaat is dat niemand kan handhaven of deze groenstrook in die private tuinen ook daadwerkelijk behouden blijft. Hiermee wordt het doel niet bereikt. Wel wordt er een instandhoudingsplicht opgenomen over de heggen op de erfgrenzen. Daarnaast wordt tussen de erfgrenzen van de woningen en de parkeerplaats van het tuincentrum aan de oostzijde een geluidsscherm gerealiseerd met een groenstrook. Werkwijze Voor de kraamverblijfplaats van gewone dwergvleermuis worden vervangende tijdelijke verblijfplaatsen in de vorm van twee kraamkasten opgehangen in de omgeving van het plangebied. Deze kasten worden tijdig opgehangen in verband met de gewenningstijd voor de vleermuizen. De kasten hangen daarom uiterlijk voor het kraamseizoen (1 mei, 2022). In de nieuwbouw worden alle muren voorzien van een open spouwmuur die toegankelijk is via open stootvoegen, waardoor deze allemaal geschikt zijn als kraamverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis. De voorwaarden waar deze ruimten aan moeten voldoen staan in hoofdstuk 5. De sloop wordt uitgevoerd op een vleermuisvriendelijke wijze (zie § 5.1.2.

en 5.1.2.) een alternatieve werkwijze voor vleermuizen is derhalve niet overwogen.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

10

Voor wezel wordt in het zuidoosten van het plangebied (buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden) een tijdelijke takkenril/hoop gerealiseerd, zodat wezel te allen tijde een rustlocatie heeft om te schuilen. De werkzaamheden worden uitgevoerd op een wezelvriendelijke wijze (zie § 5.2). Een alternatieve werkwijze voor wezel is derhalve niet overwogen. Planning De tijdelijk vervangende kraamverblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis worden voor het kraamseizoen gerealiseerd, zodat gewone dwergvleermuis tenminste een kraamseizoen heeft kunnen wennen aan de tijdelijke verblijfplaatsen. De sloop vindt plaats buiten de kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis. De start van de sloopwerkzaamheden vindt plaats buiten de kwetsbare periode van vleermuizen. Dat is voor het plangebied buiten het kraamseizoen van de gewone dwergvleermuis (1 mei tot en met 31 juli). Voor wezel loopt de kwetsbare periode van 15 maart tot en met augustus. Dit betekent dat groen pas mag worden verwijderd wordt vanaf september. Rekening houdende met beide soorten worden de werkzaamheden vanaf september uitgevoerd. Op deze manier wordt rekening gehouden met de kwetsbare periodes van beide soorten. Een planning die meer rekening houdt met de functie van het plangebied als kraamverblijfplaats van gewone dwergvleermuis en als rust/voortplantingsplaats van wezel is ons niet bekend.

Een alternatieve planning is daarom niet overwogen.

4.2.2 Belangen De Wet natuurbescherming hanteert een aantal belangen waar een ingreep onder kan vallen. De belangen voor soorten van de Vogelrichtlijn verschillen van de belangen voor soorten van de Habitatrichtlijn. Het belang waar de ingreep onder valt is hieronder vetgedrukt. Belangen Habitatrichtlijn 1.

In het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

2.

Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

3.

In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

4.

Voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of

5.

Om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Belangen Andere Soorten Voor soorten van het regime Andere Soorten gelden naast de belangen genoemd onder de Habitatrichtlijn de volgende aanvullende belangen: Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

11

1.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

2.

Ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

3.

Ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

4.

Ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

5.

In het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

6.

In het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

7.

In het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

8.

In het algemeen belang.

Onderbouwing van het belang De bestaande woning is gedateerd en voldoet niet meer aan de huidige eisen van het wooncomfort. Uit een asbestinventarisatierapport is gebleken dat diverse plekken in de woning (en de stallen achter de woning) in hoge mate asbesthoudend zijn, waaronder een deel van het dak. Dit in ogenschouw nemende is het niet mogelijk om de woning te behouden. Ook wordt meegenomen dat woningen in 2050 CO2neutraal dienen te zijn. Vanwege het asbesthoudende materiaal en de ruimte in de woning is het niet mogelijk om de huidige staat van de woning energieneutraal te maken en is de sloop van de woning de enige oplossing. Door de woning en de stallen op het terrein te slopen komt er ruimte voor 11 grondgebonden woningen. De woningen dragen bij aan de noodzakelijke woningbouwontwikkeling, waar veel behoeft naar is in de regio Nuenen.

4.2.3 Gunstige staat van instandhouding Gewone dwergvleermuis Het Kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017) geeft aan dat de soort algemeen en wijdverbreid voorkomt. Daarentegen wordt ook aangegeven dat er geen harde uitspraken te doen zijn over de trend van de soort, omdat er geen aanwijzingen voor toe- of afname in aantallen zijn. De landelijke populatie wordt daarom als stabiel beschouwd. De gewone dwergvleermuis komt algemeen voor in Nederland. In veel gevallen gebruikt een gewone dwergvleermuis een netwerk aan verblijfplaatsen in de omgeving. In de huidige situatie is er één kraamverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aanwezig. De voorgenomen sloop resulteert in het verdwijnen van een kraamverblijfplaats van gewone dwergvleermuis. Dit heeft een effect op ongeveer 47 individuen, waardoor er een tijdelijk negatief effect op de lokale populatie te verwachten is. Gedurende het onderzoek werd de kraamkolonie op één avond bij de kraamverblijfplaats waargenomen. Aangezien de kraamkolonie niet beide avonden in het plangebied is Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

12

aangetroffen betekent dit dat het netwerk van verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis tot buiten het plangebied reikt. Hoewel het gebouw voor de gewone dwergvleermuis een belangrijke functie vervult, zijn er dus alternatieven in de omgeving. Omdat het vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen een overtreding is van de Wet natuurbescherming, worden voorafgaand (uiterlijk in mei 2022) aan de ingreep tijdelijke vervangende voorzieningen gerealiseerd. In de nieuwbouw worden woningen met open spouwmuur gebouwd, welke op dit moment niet aanwezig is. De spouw zal toegankelijk zijn via open stootvoegen in alle zijden van de gebouwen. Dit is een forse verbetering ten opzichte van de huidige kraamverblijfplaats, omdat er meer ruimte komt voor vleermuizen, gesitueerd op alle richtingen ten opzichte van de zon en waar de vleermuizen vrij kunnen bewegen naar boven, beneden, links en rechts om het meest gunstige microklimaat te zoeken. De kraamkolonie zal dan ook groter kunnen groeien, omdat er ruimte is voor meer individuen. Door de ingreep op een aangepaste wijze uit te voeren is het doden, verwonden en verstoren van de gewone dwergvleermuis te voorkomen. Daarnaast worden door het tijdig aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen en het realiseren van nieuwe permanente verblijfplaatsen negatieve effecten op de lokale staat van instandhouding voorkomen.

Wezel De wezel komt wijdverspreid in heel Nederland voor met uitzondering van de Waddeneilanden. In NoordBrabant wordt de wezel recentelijk niet meer waargenomen in delen van de Kempen en delen van de Peelregio. De wezel is niet gebonden aan een specifiek landschapstype, maar het dier heeft wel een voorkeur voor een structuurrijk, kleinschalig (cultuur-)landschap. Ook in de bebouwde omgeving kan de wezel worden aangetroffen, zoals in tuinen en parken. In en rondom het plangebied is deze biotoop voldoende aanwezig. In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van wezel, omdat kleine marterachtigen lastig aan te tonen zijn. Dit maakt dat er weinig bekend is over de lokale populatie. Door de ingreep verdwijnen er groenstroken. Dit is slechts van tijdelijke aard. In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere alternatieven aanwezig in de vorm van groenstruwelen en buitengebied. Door de ingreep op een aangepaste wijze uit te voeren is het doden en verwonden van wezel te voorkomen. Daarnaast worden door het tijdig aanbieden van tijdelijke en permanente voorzieningen (en de in de omgeving aanwezige alternatieven), negatieve effecten op de lokale populatie voorkomen.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

13

Mitigerende maatregelen Negatieve effecten op gewone dwergvleermuis en wezel kunnen ontstaan doordat bij de ingreep een kraamverblijfplaats en voortplantingslocatie en leefgebied vernietigd worden. Deze effecten leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. In dit hoofdstuk staan de maatregelen beschreven die genomen dienen te worden om schade aan deze beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. Hierbij wordt het Kennisdocument van gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017) en de Handreiking voor Kleine Marterachtigen (Zoogdiervereniging, 2021) gevolgd. Door de werkzaamheden uit te voeren volgens de eisen uit deze documenten is er een grote mate van zekerheid dat de mitigerende maatregelen van voldoende kwaliteit zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming zoveel mogelijk te voorkomen.

5.1 Gewone dwergvleermuis 5.1.1 Tijdelijke verblijfplaatsen Het is niet mogelijk om alle tijdelijke voorzieningen binnen 50 meter van de huidige kraamverblijfplaats te realiseren. Binnen een straal van 50 meter zijn namelijk voornamelijk locaties die niet buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden vallen. Daarnaast zijn een aantal geschikte locaties in privé eigendom, waarvoor helaas geen toestemming is gekregen om tijdelijke voorzieningen te realiseren. Daarom zijn de volgende tijdelijke voorzieningen gerealiseerd (zie Figuur 3): Kraamkasten aan billboards Om te voldoen aan de eisen voor tijdelijke mitigatie zijn twee billboard voorzieningen gerealiseerd. Deze bestaan elk uit twee tijdelijke kraamkasten van het type ‘VK SK 02’ van Vivara Pro. Deze kasten hebben een binnenmaat van 74 cm breed, 102 cm hoog en heeft drie compartimenten, waardoor het voldoet aan de eisen van het kennisdocument (70 cm breed, en 80 cm hoog en 3 lagen). Daarnaast hangen de kasten op tenminste 4 meter hoog en worden deze niet verlicht. In Figuur 3 zijn de locaties met rode cirkels weergegeven. Paalkast Als extra voorziening is een paalkast geplaatst van het type ‘VK SK 04’ van Vivara Pro. De locatie van de paalkast is in Figuur 3 met blauw weergegeven. Kraamkast bij tuincentrum Aan de gevel van het tuincentrum is een kraamkast geplaatst van het type ‘VK SK 02’ van Vivara Pro.

De locatie ligt weliswaar op ruim 100 meter afstand van de huidige kraamverblijfplaats, maar heeft goede potentie om te dienen als tijdelijke mitigatie. Gedurende de kraamperiode is er geen lichtverstoring vanuit het tuincentrum en de parkeerplaats van het tuincentrum, omdat deze gesloten is voordat de zon in deze periode onder gaat. De lampen van de parkeerplaats zijn ’s avonds altijd uit. De kraamkast heeft een binnenmaat van 74 centimeter breed en 102 centimeter hoog en bevat drie compartimenten. In Figuur 3 is de locatie van de kraamkast weergegeven met groen.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

14

Algemene eisen •

Om de periode tussen sloop en voltooiing van de nieuwbouw te overbruggen zijn in de directe omgeving van het plangebied vier tijdelijke verblijfplaatsen opgehangen die geschikt zijn als kraamverblijfplaats voor gewone dwergvleermuizen. Deze kasten zijn voor 1 mei 2022 aangebracht.

•

De kasten zijn zo opgehangen dat deze (bij voorkeur) 10 uur op de dag in de zon hangen om een grotere kans op benutting te hebben.

•

De kasten hangen allemaal op tenminste 3 meter hoogte, hebben een vrije aanvliegroute en duisternis (afscherming van verlichting). Daarnaast zijn de kasten vrij van verstoring en hangen ze buiten bereik van predatoren hangen.

•

Het verwijderen van de tijdelijke voorzieningen is niet noodzakelijk. Wanneer de vleermuiskasten geen belemmering vormen komt het de vleermuizen ten goede als deze blijven hangen zolang de kasten functioneel zijn.

Figuur 3. Locaties van de verblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis. Geel: de huidige verblijfplaats; Groen: de kraamkast; Rood: de twee billboard voorzieningen; Blauw: de extra paalkast.

5.1.2 Permanente verblijfplaatsen Bij de realisatie van de nieuwbouw worden alle muren voorzien van een open spouw die toegankelijk is via open stootvoegen. De stootvoegen worden aan alle zijden van de panden aangebracht, waardoor alle zijden toegankelijk zijn en een hoge diversiteit aan microklimaten beschikbaar is. Door één van bovenstaande maatregelen te treffen ontstaan voor gewone dwergvleermuizen mogelijkheden om tenminste een kraamverblijfplaats in te nemen die duurzaam kan voortbestaan en van Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

15

een betere kwaliteit is dan de huidige kraamverblijfplaats. Hierdoor ontstaat een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. In de huidige situatie is slechts één locatie toegankelijk voor de kraamkolonie en dus slechts 1 expositie ten opzichte van de zon.

5.1.3 Aangepaste werkwijze en periode voor gewone dwergvleermuis •

In een van de te slopen gebouwen bevindt zich een kraamverblijfplaats van vleermuizen. Dit betreft de woning aan de Dubbestraat 1. Bij de opslagstallen hoeft geen rekening gehouden te worden met vleermuizen. Deze gebouwen mogen zonder aanvullende maatregelen voor vleermuizen worden gesloopt.

•

Uit het onderzoek is gebleken dat de kraamverblijfplaats zich onder het dak bevindt en toegankelijk is via een rubberen rand die aan de dakrand is bevestigd. Deze locatie dient ongeschikt gemaakt te worden.

•

Het ongeschikt maken van het gebouw mag enkel buiten de kwetsbare periode van vleermuizen worden uitgevoerd (zie Tabel 1).

•

Het ongeschikt maken van de woning wordt uitgevoerd onder begeleiding van een ecoloog of door een erkend natuuraannemer zoals bijvoorbeeld Unitura.

•

Het ongeschikt maken wordt als volgt uitgevoerd: o

De werkzaamheden dienen overdag te worden uitgevoerd;

o

Allereerst wordt de rubberen strip langs de dakrand volledig verwijderd;

o

Vervolgens worden exclusion tubes geplaatst over de kieren bij de dakrand;

o

Tussen de te plaatsen tubes, mag maximaal 1 meter ruimte zitten;

o

De overige kieren worden afgedicht met PU rugvulling of expansieband;

o

Het afdichten met klevend materiaal zoals PUR-schuim is niet toegestaan.

o

Nadat het pand ongeschikt is gemaakt voor vleermuizen, dienen er tenminste drie opeenvolgende avonden te zijn met een minimumavondtemperatuur van 10 graden, droog weer en een windkracht van maximaal 4 beaufort;

o

Vervolgens wordt onder dezelfde omstandigheden aansluitend een controleronde voor vleermuizen uitgevoerd. Hierbij wordt gekeken of er nog uit-/invliegende of zwermende dieren worden waargenomen. Indien deze niet worden waargenomen, wordt het gebouw door de ecoloog vleermuisvrij verklaard.

•

Wanneer gedurende de sloopwerkzaamheden toch vleermuizen worden aangetroffen moeten de werkzaamheden onmiddellijk worden stopgezet en moet een vleermuisdeskundige worden geraadpleegd over de manier waarop de werkzaamheden verder uitgevoerd kunnen worden met zo min mogelijk negatieve effecten voor de aangetroffen vleermuizen.

De werkzaamheden die invloed hebben op de gewone dwergvleermuis dienen plaats te vinden buiten de meest kwetsbare periode van de soort: •

Omdat het niet is uitgesloten dat in de woning enkele overwinterende gewone dwergvleermuizen aanwezig zijn, moet ervan worden uitgegaan dat de woning in de winter gebruikt kan worden door vleermuizen. De minst kwetsbare periode voor gewone dwergvleermuizen is in dit geval de periode na de winterrust en voorafgaand aan de kraamperiode en de periode na de kraamperiode tot aan de winterrust. Normaal gesproken loopt de kraamperiode van 15 mei tot 15 juli en de winterrust globaal van 1 november tot 1 april.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

16

•

De in de tekst genoemde perioden kunnen eerder beginnen of later eindigen, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden. Hierover kan een deskundige op het gebied van vleermuizen worden geraadpleegd.

•

Desgewenst kunnen een jaar na afronding van de nieuwbouw (of eerder indien vastgesteld is dat de in de nieuwbouw aangebrachte voorzieningen door vleermuizen in gebruik genomen zijn) de tijdelijke vleermuiskasten worden verwijderd, maar dit is niet noodzakelijk. Mocht tot verwijdering worden overgegaan, dan moet dit gebeuren op een moment dat de kasten niet door vleermuizen worden gebruikt. De winterrust van de gewone dwergvleermuis (de periode van begin december tot en met eind januari) is hiervoor dan een geschikte periode.

In de onderstaande tabel zijn de meest gunstige en ongunstige perioden voor het uitvoeren van de ingrepen weergegeven, rekening houdend met de kwetsbare perioden van de gewone dwergvleermuis in het plangebied.

Tabel 1. Periode ongeschikt maken kraamverblijfplaats. jan

feb

mrt

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

Kraamverblijfplaats Winterverblijfplaats

Totaal

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

17

5.2 Wezel In Figuur 4 is het huidige leefgebied van de wezel afgebeeld. Het huidige leefgebied van wezel is suboptimaal. Binnen het plangebied zijn enkele bosschages aanwezig die geschikt kunnen zijn als voortplantingslocatie, deze blijven deels behouden. Het semi-geschikte oranje deel ligt al enkele jaren braak, waardoor er beplanting is gaan groeien wat zorgt voor de aanwezigheid van dekking en voedsel. De ontwikkeling van dit terrein laat nog zeker 10 jaar op zich wachten. Wel wordt binnen het plangebied met auto’s gereden om bij de schuren te komen die als loodsen en werkplekken gebruikt worden. Daarnaast is aan de zuidoostzijde ook het terrein omgeven door het parkeerterrein van het tuincentrum. Het terrein ligt zodoende in suboptimale omstandigheden. Door in de nieuwe situatie een scheiding te maken tussen het bewoonde gebied en het leefgebied van wezel, wordt ervoor gezorgd dat wezel minder verstoring ervaart dan momenteel plaatsvindt.

Figuur 4. Leefgebied van de wezel in en rond het plangebied. Door de aanwezigheid van deze structuren en de grootte van het territorium van wezel kan vastgesteld worden dat het plangebied wel deel uitmaakt van het leefgebied, maar ook voornamelijk als verbinding tussen leefgebieden. In de ruime omgeving rondom het plangebied zijn meerdere structuren aanwezig waar wezel verblijfplaatsen kan vinden en waar gefoerageerd kan worden. Wel dient het leefgebied zoveel mogelijk met elkaar verbonden te zijn. De omgeving van het plangebied is door wegen versnipperd. Door het plangebied zoveel mogelijk in te richten in lijnvormige structuren, zodat wezel de kortste route over wegen kan nemen, kan gezorgd worden dat aanrijdingen met auto’s zoveel mogelijk voorkomen wordt. Versnippering in het plangebied is op deze manier zoveel mogelijk voorkomen. Op deze manier blijft het plangebied onderdeel van het verbinden van de essentiële leefomgeving van wezel. Rondom de nestkast die gerealiseerd wordt voor wezel wordt beplanting aangeplant, zodat er te allen tijde dekking aanwezig is Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

18

voor wezel. Deze beplanting wordt rondom de (geluids)barrière aan de zijde van het tuincentrum aangebracht, zodat deze niet zichtbaar is voor bewoners of andere personen. Daarnaast wordt beplanting aangebracht om de lijnstructuur richting het water zo kort mogelijk te houden. Het stuk weiland ten zuiden van het plangebied bestaat uit grasland dat tweemaal per jaar gemaaid wordt. Het valt daarom onder semi-geschikt leefgebied. Waar wezel gedurende een lange tijd in het jaar zijn voedsel kan vinden, maar niet geschikt is als verblijfplaats. Het stuk grasland wordt niet begraasd door vee.

5.2.1 Tijdelijke maatregelen wezel •

Voor wezel wordt als tijdelijke maatregel, buiten de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden, een takkenril gecreëerd. Op deze manier wordt voor wezel gedurende de werkzaamheden een vaste rustplek aangeboden.

•

De takkenril bevat de volgende eigenschappen (Zoogdiervereniging, 2018): o

De takkenril wordt opgebouwd uit snoeimateriaal afkomstig van het huidige terrein;

o

De onderlaag heeft dikkere ‘stammen’ van ca. 10-15 cm diameter;

o

De takkenril is ca. 1 meter hoog en ca. 1 meter breed;

o

Rondom de takkenril is een bestaand open graslandschap aanwezig met verschillende (ruigere) grassoorten en natuurlijk beplanting;

o •

De lengte van de takkenril bedraagt ca. 6 meter.

De locatie van de takkenril is weergegeven in Figuur 5. De locatie bevindt zich ten zuiden van het plangebied op de uiterste hoek en zo ver mogelijk van de geplande werkzaamheden . Direct aan de takkenril grenst het open graslandschap.

Figuur 5. In het zuidoosten van het plangebied wordt een tijdelijke takkenril geplaatst als rustplek voor wezel. De takkenril heeft een binding met het open landschap en heeft weinig verstoring van verkeer.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

19

5.2.2 Permanente maatregelen wezel •

Als permanente maatregel wordt een nestkast voorzien. In Figuur 8 is de nestkast met bijbehorende afmetingen weergegeven.

Figuur 6. Nestkast met afmetingen voor wezel, welke geplaatst gaat worden als permanente mitigatie (Zoogdiervereniging, 2018). •

Bij de locatie voor de nestkast is gelet op de volgende factoren: o

In de nabijheid van de tijdelijk maatregel (takkenril);

o

In de nabijheid van bestaand open graslandschap met verschillende (ruigere) grassoorten en natuurlijk beplanting;

o

Zoveel mogelijk buiten de omgeving van toekomstige bewoners (en diens huisdieren).

o

De mogelijkheid om gebruik te kunnen maken van potentiële leefgebieden.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

20

o

Bovenstaande factoren hebben geleid tot een locatie tussen het (rustige deel van het) parkeerterrein aan de zuidoostzijde van het plangebied en de tuin van kavel 7 (Figuur 9).

Figuur 8. De nestkast voor wezel wordt in het meest zuidelijke deel van het plangebied geplaatst, op deze manier heeft wezel toegang tot het open graslandschap en Figuur 7. Locatie van de nestlocatie in het plangebied in het uiterste zuiden, zodat er binding is met het open graslandschap en zo min mogelijk verstoring ondervindt van mensen en verkeer.

•

Omschrijving van de locatie: o

Tussen het parkeerterrein en de tuinen van kavels 7, 9 en 10 komt een geluidswerende voorziening te staan.

o

Aan beide zijdes van deze geluidsvoorziening worden hagen geplaatst van vergelijkbare hoogte. Daarnaast wordt het plangebied groen ingericht door groene erfafscheidingen in de vorm van heggen te realiseren. In het contract met de toekomstige woningeigenaren wordt een instandhoudingsplicht voor de groene heggen meegenomen. De groene heggen zullen bestaan uit een mix van soorten zoals: Sleedoorn, gewone liguster, veldesdoorn, beuk, haagbeuk en/of hulst (Figuur 9).

o

Bij kavel 7, waar ook de tijdelijke maatregel wordt gecreëerd, wordt in de geluidswerende voorziening ruimte vrijgehouden om de nestkast voor wezel te plaatsen. Bij de locatie van deze nestkast, aan de zijde van het parkeerterrein, wordt een nieuwe boom geplaatst in een plantvak waar kruidenrijke planten groeien.

o

Door de nestkast op deze locatie te plaatsen kan de wezel gebruik maken van het open graslandschap ten zuidwesten. De geluidswerende voorziening met de haag zorgt voor een verbinding tussen bestaande groenstroken waar de wezel langs af kan lopen, ook kan wezel gebruik maken van de hagen die in de tuinen aanwezig zijn.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

21

5.2.3 Aangepaste werkwijze marterachtigen en andere grondgebonden zoogdieren •

Bij maai- of graafwerkzaamheden moet één kant opgewerkt worden, zodat dieren altijd de mogelijkheden hebben om weg te vluchten van de werkzaamheden zonder in verdrukking te komen. Hierbij moet rekening gehouden worden dat de vluchtzijde genoeg dekking biedt om vluchten mogelijk te maken.

•

Bij grondwerkzaamheden wordt het betreffende perceel een week voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt gemaakt door het te maaien (10 cm boven maaiveld) en het maaisel direct af te voeren. Het maaien moet volgens bovenstaande werkwijze plaatsvinden.

•

Het te verwijderen groen wordt buiten de kwetsbare kraamtijd verwijderd, waarbij ook één kant opgewerkt wordt. Op deze manier kunnen wezels en andere grondgebonden dieren (zorgplicht) te allen tijde het gebied ontvluchten.

De werkzaamheden die invloed hebben op de wezel dienen plaats te vinden buiten de meest kwetsbare periode van de soort: •

Wezels zijn kwetsbaar in de kraamtijd. Rustplaatsen die gebruikt worden als voortplantingsplaats zijn gevoelig voor verstoring. Kleine marters zijn daarom het meest kwetsbaar in de periode 15 maart tot 1 september, zie Tabel 2.

Tabel 2. Periode ongeschikt maken wezel leefgebied. jan

feb

mrt

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

Kraamtijd

5.3 Overige maatregelen en zorgplicht overige soorten •

Het groen (het klimop ten zuiden van het woonhuis valt hier ook onder) wordt verwijderd buiten het broedseizoen voor vogels. Dit seizoen loopt globaal van 15 maart tot en met eind juli.

•

Ten westen, langs de bomenlaan, is vermoedelijk een essentieel foerageergebied voor vleermuizen aanwezig. Om te voorkomen dat het foerageergebied voor lichtgevoelige vleermuizen ongeschikt raakt is het belangrijk om na te denken over de verlichting op de locatie. Het is tevens belangrijk dat de verlichting niet op de openingen van verblijfplaatsen gericht staan. Door in een vroeg stadium na te denken over de plaatsing van de verlichting is te voorkomen dat de Wet natuurbescherming alsnog overtreden wordt.

•

Indien gebruik van kunstmatige verlichting gedurende de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is, dient deze beperkt te worden en gericht te worden op die plaatsen waar verlichting nodig is. Uitstraling van verlichting naar boven, naar water en naar de omgeving toe moet zoveel mogelijk voorkomen worden door gebruik te maken van armaturen die licht bundelen en lampen niet hoger te plaatsen dan nodig om het werk uit te voeren, op deze manier wordt voorkomen dat licht uitstraalt naar de omgeving.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

22

•

Alle werkzaamheden die een negatief effect kunnen hebben op vleermuizen en wezel moeten aantoonbaar worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van vleermuizen en/of marterachtigen.

•

Voordat de ingreep plaatsvindt dient een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd voor deze soorten. Als voorschrift in de ontheffing zal worden opgenomen dat een ecologisch werkprotocol en een ecologisch logboek bijgehouden moet worden, waarmee wordt aangetoond dat volgens de voorschriften in de ontheffing en volgens dit mitigatieplan gewerkt wordt/is.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

23

Bronnen 6.1 Soortgroepen Zoogdieren •

BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis , versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht

•

Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. Tirion Natuur.

•

Dietz, C., A. Kiefer, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. Alle soorten van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist.

•

Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

•

Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.

•

Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman, 2011. Cursus vleermuizen en planologie. Cursusmap, Zoogdiervereniging.

•

Westra, S.a. & Kuiters, R.S.M., 2018, Beheerwijzer, Landschappelijke maatregelen voor kleine marterachtigen, zoogdiervereniging

•

Zoogdiervereniging (S. Bouwens), 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant.

•

www.zoogdiervereniging.nl

Vogels •

BIJ12, 2017, Kennisdocument Steenuil , versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht

•

www.sovon.nl

6.2 Methoden, databanken, wetgeving •

www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen

•

www.ndff-ecogrid.nl

•

www.telmee.nl

•

www.verspreidingsatlas.nl

•

www.minez.nederlandsesoorten.nl/zoeken-naar-soort

•

www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx

•

www.ruimtelijkeplannen.nl

•

Heusden, W.R.M. & S.J. Vreugdenhil, 2006. Handreiking Wet natuurbescherming. Voor werkzaamheden en activiteiten in het kader van bestendig gebruik, bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Rapport, Dienst Landelijk Gebied, Utrecht.

•

Ministerie van EL&I, 2010. Buiten aan het Werk? Houd tijdig rekening met beschermde planten en dieren! Brochure. [http://www.rijksoverheid.nl/documenten-enpublicaties/brochures/2010/03/01/buiten-aan-het-werk-houd-tijdig-rekening-met-beschermdedieren-en-planten.html (21-04-2014)].

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

24

6.3 Project gerelateerde bronnen •

Wessel de Jong en Elle van Dijk, 2021 Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen Rapport RA21245-01, Regelink Ecologie & Landschap, Wageningen.

•

Wessel de Jong, 2022, Onderzoek vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat-Boord Rapport RA21323-01, Regelink Ecologie & Landschap, Wageningen.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

25

Bijlage 1.

Wet natuurbescherming

Algemeen Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, aangevuld met nationale bepalingen. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent drie pijlers, namelijk: •

bescherming van Natura 2000-gebieden,

•

bescherming van soorten,

•

bescherming van houtopstanden.

Daarnaast is er een belangrijke plaats ingeruimd voor de zorgplicht (artikel 1.11). Vanuit deze zorgplicht moeten handelingen achterwege blijven waarvan men kan vermoeden zij nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde gebieden of soorten. In dit hoofdstuk volgt een eenvoudige weergave van de essentie van de Wet natuurbescherming, voor zover deze betrekking heeft op ruimtelijke ontwikkelingen en festiviteiten. Verbodsartikelen worden voor de leesbaarheid vereenvoudigd weergegeven. Raadpleeg voor de exacte formulering de wetstekst (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2016-34.html).

Bescherming Natura 2000-gebieden Vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben de lidstaten de verplichting om speciale beschermingszones aan te wijzen. Deze speciale beschermingszones heten Natura 2000-gebieden. Elk Natura 2000-gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van: •

leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig voor de uitvoering van de Vogelrichtlijn, en/of

•

natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig voor de uitvoering van de

Habitatrichtlijn. Verboden (volgens artikel 2.7, lid 2) is elke activiteit (in de wet: project of handeling) zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen: •

de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren

of, •

een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

De activiteit kan alleen doorgang vinden als Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de activiteit plaatsvindt een vergunning verlenen. Voor diverse werkzaamheden in nationaal belang (zoals werkzaamheden rond de hoofdspoorwegen) is de minister van Economische Zaken bevoegd gezag.

Bescherming van soorten De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: 1.

beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn,

2.

beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn,

3.

beschermingsregime andere soorten.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

26

1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Op basis van artikel 3.1 is het verboden om: 1.

opzettelijk vogels te doden of te vangen;

2.

opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen;

3.

eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben;

4.

opzettelijk vogels te storen.

Het verbod om vogels opzettelijk te storen geldt niet wanneer dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende soort. Bij werkzaamheden in het broedseizoen kan het verlaten van nesten als gevolg van verstoring leiden tot het indirect doden van dieren of het aantasten van de functionaliteit van nesten en dus tot een overtreding van artikel 3.1, lid 1 en 2. De vogelsoorten die jaar op jaar gebruik maken van hetzelfde nest zijn verdeeld over vier categorieën waarvan de nesten een jaarronde bescherming genieten. Ook is er een vijfde categorie van vogels waarvan een inventarisatie van de nesten gewenst kan zijn.

2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Onder het beschermingsregime Habitatrichtlijn vallen alle dieren uit: •

de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel a,

•

het Verdrag van Bern, bijlage II,

•

het Verdrag van Bonn, bijlage I,

en alle planten uit: •

de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel b,

•

het Verdrag van Bern, bijlage I.

Volgend artikel 3.5 is het verboden om, voor zover het soorten betreft uit bovenstaande bijlagen: 1.

opzettelijk dieren te doden of te vangen;

2.

opzettelijk dieren te verstoren;

3.

opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen;

4.

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;

5.

opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden,

te ontwortelen of te vernielen. In de genoemde bijlagen van de verdragen van Bern en Bonn staan ook diverse vogelsoorten genoemd. Dit betekent dat voor deze soorten het (ver)storen ook verboden is wanneer dit geen effect heeft op de instandhouding van de betreffende soort. 3. Beschermingsregime andere (nationale) soorten Onder het ‘beschermingsregime andere soorten’ vallen een aantal soorten waarvoor er geen Europese verplichting ligt tot bescherming. Nederland geeft zo uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantensoorten te beschermen. Volgens artikel 3.10. is het verboden om, voor zover het soorten uit deze lijst betreft: 1.

opzettelijk dieren te doden of te vangen;

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

27

2.

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;

3.

opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden,

te ontwortelen of te vernielen. Onder dit beschermingsregime vallen ook een groot aantal zeer algemene zoogdieren en amfibieën. Een groot deel van deze algemene soorten zijn door de provincies en het ministerie van EZ voor ruimtelijke ontwikkelingen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming.

Ontheffing en vrijstellingen Ontheffingen worden verleend door de Minister van Economische zaken of Gedeputeerde Staten, en geven een initiatiefnemer de mogelijkheid om onder voorwaarden de wet te overtreden. Vrijstellingen worden gegeven door de Minister van Economische zaken of Provinciale Staten en beschrijven handelingen en situaties waarin de wet niet van toepassing is. Ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen of het verkrijgen van een vrijstelling kan alleen wanneer er: •

geen andere bevredigende oplossing bestaat;

•

geen negatief effect is op de staat van instandhouding van de soort;

•

en er voldaan is aan de in de wet genoemde belangen (artikel 3.3, lid 4b, artikel 3.8, lid 5b en

artikel 3.10, lid 2). Voor het beschermingsregime overige soorten is het voldoende als er voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang.

Bescherming van houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting van meer dan twintig bomen, gerekend over het totaal aantal rijen. Volgens artikel 4.2 vallen buiten de bescherming houtopstanden: •

houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden;

•

houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

•

naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed;

•

uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;

•

het dunnen van een houtopstand;

•

uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die: o

ten minste eens per tien jaar worden geoogst;

o

bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter;

o

zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Volgens artikel 4.2 is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

28

Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) bestaat uit planologisch beschermde gebieden die zijn aangewezen om ecologische verbindingen te realiseren tussen belangrijke natuurgebieden. Deze natuurgebieden en de verbindingen daartussen vormen samen een ecologisch netwerk. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN mogen niet door een ingreep worden aangetast. Alle (mogelijke) effecten van een voorgenomen ingreep moeten daarop dan ook worden getoetst. De provincie waarbinnen het plangebied valt geeft invulling aan het NNN en is daartoe het bevoegd gezag. Voor meer informatie over het NNN en het toetsingskader zie http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit/natuurnetwerk-nederland.

Wet dieren De Wet natuurbescherming kent geen verbod op het verwonden van dieren. Dit is namelijk al verboden in de Wet dieren. Volgens artikel 2.1 van de Wet dieren, eerste lid, is het namelijk verboden om: •

zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

De Wet dieren kent een ontheffingsmogelijkheid, maar alleen als het belang van het welzijn van dieren zich er niet tegen verzet. Een ontheffing is niet nodig wanneer vaststaat dat het mogelijk verwonden van dieren een ‘redelijk doel’ dient, of ‘noodzakelijk’ is. In deze rapportage wordt niet getoetst aan de Wet dieren.

Mitigatieplan vleermuizen en marterachtigen Dubbestraat 1, Nuenen

RA21498-04

29

Bijlage 2.

Kaart vleermuiswaarnemingen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13240080/1