CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

RV Bp Kapperdoes - Bijlage 10 Vormvrije MER beoordeling

Gemeenteraad 12 oktober 2023, gemeente NuenenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Kapperdoes, herziening 16.643 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

VORMVRIJE MER BEOORDELING versie 1 mei 2023

Woningen Boord / Kapperdoes 2023

1

INHOUD 1. INLEIDING 1.1. Aanleiding en doel van deze notitie 1.2. Initiatiefnemer en het bevoegd gezag 1.3. Opbouw van deze notitie 2. M.E.R.-(BEOORDELINGS)PLICHT 2.1. Regelgeving 2.2. Is de beoogde ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig ? 2.3. Tussenconclusie 2.4. Procedure en inhoudelijke criteria m.e.r.-beoordeling 3. DE KENMERKEN VAN HET PROJECT 3.1. Aard en omvang van het project 3.2. Cumulatie andere projecten 3.3. Gebruik natuurlijke hulpbronnen 3.4. Productie afvalstoffen 3.5. Verontreiniging en hinder 3.6. Risico van ongevallen 3.7. Conclusie 4. DE PLAATS VAN HET PROJECT 4.1.Inleiding 4.2. Bestaand grondgebruik 4.3. Natuurlijke hulpbronnen 4.4. Natuur, landschap en omgeving 5. KENMERKEN VAN DE POTENTIËLE EFFECTEN 5.1. Inleiding 5.2. Effectgebied 5.3. Waarschijnlijkheid 5.4. Duur, frequentie en omkeerbaarheid 5.5. Conclusie 6. VORMVRIJE MER BEOORDELING

2

1. INLEIDING 1.1. Aanleiding en doel Als aanleiding en doel voor deze notitie is het navolgende : In de gemeente Nuenen is het plangebied “Kapperdoes” gelegen. Voor dit gebied vigeert het bestemmingsplan 'Kapperdoes', vastgesteld door de gemeenteraad op 18 februari 2016. In het vigerend bestemmingsplan is sprake van de bestemmingen “detailhandel” en “wonen”. Thans is sprake van een gewijzigde invulling van het plandeel “wonen. Deze voorgestane nieuwe invulling (met hierbij een beperking van het aantal woningen van 16 naar 11) geeft aanleiding om voor het plangebied te komen tot een nieuw bestemmingsplankader. De locatie is momenteel deels in gebruik als agrarisch gebied / opslag. De nieuwe invulling van het plangebied kent grondgebonden woningen zoals weergegeven op onderstaande afbeelding :

In het kader van de wijziging van een bestemmingsplan kan een m.e.r.(beoordelings)procedure nodig zijn. Het doel van de voorliggende aanmeldingsnotitie is om te beschrijven wat de aard en omvang van de ingreep en de aard en omvang van de milieueffecten van de ontwikkeling zijn en of deze zodanig zijn dat een m.e.r.-procedure (het opstellen van een MER) nodig is. Op basis hiervan kan het ten deze bevoegde gezag beoordelen of zij voor de benodigde bestemmingsplanwijzigingen een m.e.r.-procedure nodig acht.

3

1.2. Initiatiefnemer en het bevoegd gezag Rezidenz BV uit Eindhoven treedt op als initiatiefnemer van dit project. Het College van B&W van de gemeente Nuenen c.a. treedt op als het bevoegde gezag om een besluit te nemen over de mogelijke m.e.r.-plicht voor de benodigde bestemmingsplanwijziging voor de ontwikkeling als voormeld. 1.3. Opbouw van deze notitie In deze notitie komen achtereenvolgens aan de orde : • • • • •

M.e.r.-(beoordelings)plicht (hoofdstuk 2); Beoordeling aan de hand van de kenmerken van het project (hoofdstuk 3); Beoordeling aan de hand van de plaats van het project (hoofdstuk 4); Beoordeling aan de hand van de kenmerken van de milieugevolgen (hoofdstuk 5); Conclusies (hoofdstuk 6).

2. M.E.R.-(BEOORDELINGS)PLICHT 2.1. Regelgeving De m.e.r.-regelgeving is opgenomen in de Wet milieubeheer, het Besluit milieueffect rapportage en Europese richtlijnen. De regelgeving is erop gericht het milieu een volwaardige plaats in besluitvormingsprocessen te geven. Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1.

plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of Dlijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. 4

2. plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale verordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld.

Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. In onderstaande figuur zijn bovenstaande regels schematisch weergegeven:

Op 7 juli 2017 is opnieuw een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat het bevoegd gezag dient te beoordelen of het noodzakelijk is om een milieueffectrapportage op te stellen. Waar tot de wetswijziging het voor activiteiten die onder de drempelwaarde uit de D-lijst bleven geen besluit nodig was voor de m.e.r (vormvrij), moet nu voor elke activiteit een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gemaakt, en er moet daarop worden besloten. Met de wijziging is een aparte procedure nodig geworden die voorafgaand aan de behandeling moet plaatsvinden. De vormvrije er-beoordeling is niet meer zo vormvrij als die was. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan uiteindelijk tot twee conclusies leiden: •

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; 5

•

belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

2.2. Is de beoogde ontwikkeling m.e.r.- (beoordelings)plichtig? Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); Het voornemen is om te komen tot de bouw van 11 nieuwe grondgebonden woningen. Hiertoe is (vanwege specifieke bouwvlakken in het vigerende bestemmingsplan en een gewijzigde planopzet voor de nieuwe woningen) een herziening van het bestemmingsplan nodig. Een bestemmingsplan is een plan zoals opgenomen in de C- en D-bijlage van het Besluit m.e.r. 1994 waarop een m.e.r.-(beoordelings)plicht van toepassing kan zijn. Om te bepalen of voor een bestemmingsplan ook daadwerkelijk een m.e.r.(beoodelings)procedure doorlopen moet worden, zijn de volgende vragen relevant: • Staan de voorgenomen activiteiten in de C- of D-bijlagen van het Besluit m.e.r.

1994? • Zo ja, overschrijden deze activiteiten de bijbehorende (indicatieve) drempelwaarden? • en daarnaast: zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten? In artikel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (D11.2) opgenomen. De beoogde (woningbouw)ontwikkeling valt onder dit begrip. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor de ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het onderhavige planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van maximaal 11 grondgebonden woningen. De voorgenomen activiteit blijft ruimschoots onder de drempel van de bouw van 2.000 woningen of meer in een aangesloten gebied, zoals opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.

6

2. plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; In dit kader is van belang: Artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer: "Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming." Artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb luidt: "Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied."

Zoals aangegeven is een plan m.e.r. verplicht wanneer significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand niet zijn uit te sluiten. De bescherming van deze gebieden is primair gericht op het behoud van habitattypen en leefgebieden (gebiedbescherming) door de Natura 2000-gebieden en in een gunstige staat van instandhouding te brengen of te houden. In hoofdstuk 4 zal hierop nader worden ingegaan. Aangegeven wordt dat significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Een plan m.e.r.-plicht vanwege de verplichting tot het uitvoeren van een Passende Beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet is niet aan de orde. 3. plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale verordening zijn aangewezen als MERplichtig. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure.

2.3. Tussenconclusie De beoogde maatregelen leiden niet tot een directe m.e.r.(beoordelings)plicht. Zoals aangegeven in paragraaf 2.1 bestaat voor activiteiten die in de D-lijst van Besluit m.e.r. staan en ónder de drempelwaarde blijven nog wel een verplichting tot een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de voorgenomen activiteit is dus een vormvrije m.e.rbeoordeling benodigd. Voorliggende aanmeldingsnotitie voorziet in een dergelijke beoordeling.

2.4. Procedure en inhoudelijke criteria m.e.r.-beoordeling Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kent weinig procedurevereisten. De m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden in een zo vroeg mogelijk stadium van de voorbereiding van het besluit dat genomen dient te worden. In dit geval betreft het besluit de vaststelling van een 7

bestemmingsplan. De m.e.r.-beoordeling vindt plaats voor de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. Voor een m.e.r.-beoordelingsnotitie bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. Toch is meestal goed in te schatten voor welke thema's er meer informatie benodigd is. Zo is het niet noodzakelijk om alle thema's die gebruikelijk onderzocht worden in een milieueffectrapport in detail te beschouwen. Het gaat bij een m.e.r.-beoordeling vooral om de milieuthema's die de grootste impact hebben op de omgeving én om na te gaan of er (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Het is niet gebruikelijk om echt een diepgaand onderzoek uit te voeren. De minder belangrijke thema's kunnen dan ook (zeer) beknopt beschreven worden. Immers in de verdere procedure (vergunningprocedure of bestemmingsplanprocedure) wordt naar deze thema's alsnog volwaardig onderzoek uitgevoerd. Voor de milieuthema's die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen dient van te voren nagedacht te worden over de wijze waarop de mogelijke effecten relatief eenvoudig bepaald kunnen worden. Hierbij gaat het vooral over tot welk detailniveau informatie nodig is om een juiste afweging te kunnen maken. Dit houdt in vrijwel alle gevallen geen berekeningen in, maar meer pragmatisch ingestoken werkwijzen.

Op basis van voorliggende aanmeldingsnotitie kan het bevoegd gezag (College B&W gemeente Nuenen) beoordelen of er sprake is van een m.e.r.-plicht. De beslissing om al dan niet een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen wordt verwerkt in de ontwerp bestemmingsplannen en wordt daardoor ook meteen ter inzage gelegd. De criteria vallen uiteen in criteria betreffende :

De kenmerken van het project worden in hoofdstuk 3 beschreven. Hierbij komen naast algemene gegevens van het project, zoals de locatie en de omvang van de voorgenomen activiteit ook zaken aan de orde op het gebied van het productieproces, gebruikte stoffen en technologieën (en de daarvan afgeleide afvalproductie, gebruik van grondstoffen, verontreiniging, hinder en risico's). Bij meer ruimtelijk georiënteerde projecten, bijvoorbeeld woningbouw zijn andere kenmerken, zoals de verkeersaantrekkende werking, van belang. 8

om uitspraken te kunnen doen over (mogelijke) belangrijke nadelige milieueffecten. Ten slotte geldt dat aandacht moet worden besteed aan mogelijke cumulatie-effecten met andere nabijgelegen projecten.. De plaats van het project wordt in hoofdstuk 4 beschreven. Een voorgenomen activiteit vindt altijd plaats in een bepaalde omgeving, bijvoorbeeld een binnenstedelijk gebied, een historisch veenlandschap of een gebied met hoge ecologische waarden. Deze verschillende gebieden zijn in meer of mindere mate kwetsbaar voor nieuwe activiteiten. In de m.e.r.beoordelingsnotitie kan aan de hand van beleidsdocumenten de informatie over het gebied waarin de voorgenomen activiteit zich bevindt vaak eenvoudig opgezocht worden. Tegenwoordig is deze informatie vaak ook beschikbaar op internet. Het gaat bij het criterium 'plaats van het project' niet alleen om het gebied waarin de activiteit in gelegen is, maar juist ook om aangrenzende gebieden. Zo is het bijvoorbeeld van belang om te weten of er Natura2000 gebieden in de omgeving zijn waarop de activiteit impact kan hebben. De (kenmerken van de) potentiële effecten worden in hoofdstuk 5 beschreven. Waar het bij de criteria 'kenmerken van het project' en 'plaats van het project' vooral gaat om beschrijvingen van de voorgenomen activiteiten en de omgeving gaat het bij de 'kenmerken van de potentiële effecten' juist om de interactie tussen beiden.

Hier worden dan ook de effectbeschrijvingen voor de beschouwde milieuthema's weergegeven. Er wordt ingegaan op het bereik van het effect, hiermee wordt bedoeld tot waar is er sprake van significante wijzigingen bijvoorbeeld op het gebied van geluid, lucht en verkeersintensiteiten. Als sprake is van grensoverschrijdende effecten moeten deze apart benoemd worden. Bij de optredende effecten zowel in het plangebied (dit is het gebied waar de voorgenomen activiteit in gelegen is) als in het studiegebied (dit is het gebied tot waar de effecten als gevolg van de voorgenomen activiteiten kunnen reiken) moet aangegeven worden wat de duur, frequentie en omkeerbaarheid is. Het doel is uiteindelijk om te bepalen of er omstandigheden zijn die kunnen leiden tot (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 bepaald of belangrijke nadelige milieugevolgen uit zijn te sluiten.

9

3. DE KENMERKEN VAN HET PROJECT 3.1. Aard en omvang van het project Onderstaande afbeelding geeft een beeld van het project. Het gaat om de bouw van maximaal 11 nieuwe grondgebonden woningen, bestaande uit 9 vrijstaande woningen en 2 aaneengebouwde woningen met bijgebouwen in een gewijzigde vorm en opzet ten opzichte van de in 2016 bestaande opzet.

3.2. Cumulatie met andere projecten De ontwikkeling van het plangebied is een zelfstandig project. In de omgeving van het plangebied zijn de komende jaren meerdere (woningbouw)projecten gepland in het kader van de vormgeving van woongebied “Nuenen West”.. Er is geen sprake van fysieke samenhang. De geplande woningen in beide projecten kennen geen onderlinge samenhang. Tussen de projecten is geen sprake van bouwkundig verbindingen. Er is geen sprake van functionele afhankelijkheid tussen de plannen. Er worden geen voorzieningen opgenomen in het ene plan waar het andere plan op leunt. De ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt op basis van separate bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen, worden gerealiseerd door niet aan elkaar gelieerde ontwikkelaars en ten aanzien van (moment van) de uitvoering hiervan is geen sprake van afstemming of samenhang. Aldus is geen sprake van projectmatige en/of organisatorische samenhang is. Er is ook geen financiële samenhang. Van (rechtens relevante) cumulatieve effecten die de milieugevolgen van de hier aan de orde zijnde 11 woningen beïnvloeden aldus leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu is geen sprake.

Conform uitspraak van 4 maart 2020 van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2020:683) waarin de Afdeling over de cumulatie van stikstof overweegt “dat geen rechtsregel ertoe dwingt om de stikstofdepositie van activiteiten die het voorliggende plan niet mogelijk maakt te betrekken bij de gevolgen van het ter beoordeling staande plan” is een gezamenlijke 10

beoordeling van ontwikkelingen die in andere bestemmingsplannen mogelijk zijn of worden gemaakt niet aan de orde.

3.3. Gebruik natuurlijke hulpbronnen Van gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan sprake zijn als een ontwikkeling gevolgen heeft voor op, of in de nabijheid van, de locatie aanwezige natuurlijke hulpbronnen. Denk bijvoorbeeld aan de onttrekking van grondwater of het delven van grondstoffen zoals zand of klei. Ook het kappen van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen valt hieronder. Dit criterium is vooral van belang bij industriële activiteiten

De invulling van het plangebied door grondgebonden woningen heeft geen tot nauwelijks effect op het gebruik van (lokale) natuurlijke hulpstoffen, zeker niet in een mate waardoor een MER beoordeling aan de orde zou zijn. 3.4. Produktie van afvalstoffen Er zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen dan huishoudelijke afvalstoffen die vrijkomen bij huishoudens.

3.5. Verontreiniging en hinder Er zijn geen activiteiten binnen het plangebied voorzien die leiden tot verontreiniging en/of een onaanvaardbare mate van hinder dan wel effect hebben op de gezondheid van mens of dier. • Aanlegfase : tijdens de aanlegfase is er mogelijke sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden. • Luchtkwaliteit: Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de een verslechtering van de luchtkwaliteit. Er worden verkeersbewegingen gegenereerd door de bewoners. De hoeveelheid woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1500 woningen met 1 ontsluitingsweg uit het Besluit Niet in Betekenende Mate. • Geluid wegverkeer: De toename van verkeer kan leiden tot een verhoging van de geluidbelasting door wegverkeer. Er worden geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Vanwege de aanwezigheid van wegverkeer zullen - voorzover noodzakelijk - de woningen worden voorzien van een hogere waarde. Bij alle woningen geldt een goed woon- en leefklimaat. • Geluid industrielawaai: In of in de directe nabijheid van het plangebied is sprake van bedrijvigheid in de vorm van een tuincentrum, doch deze activiteiten leiden niet tot een niet bouwkundig op te lossen inbreuk op een goed woon- en leefklimaat ter plaatse. • Geluid omgeving: De ontwikkeling heeft geen geluidoverlast op geluidgevoelige objecten of gebieden tot gevolg.

• Geur: In het plangebied of in de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen waarvan geurhinder te verwachten is. • Geur Omgeving: De ontwikkeling heeft geen geuroverlast op geurgevoelige objecten tot gevolg. • Bodem: De ontwikkeling betreft geen bodembedreigende activiteit

11

3.6. Risico van ongevallen Er is met de realisatie van woningen geen sprake van een nieuwe risicobron. Het aspect externe veiligheid wordt in paragraaf 5.2.6. besproken.

3.7. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betekent geen verandering van de bestaande hoofdfunctie / bestemming voor het plangebied. Het is een woongebied en blijft een woongebied, waarbij het aantal woningen wordt beperkt van 16 woningen naar 11 woningen. De planontwikkeling zorgt ervoor dat het percentage verhard oppervlak afneemt ten opzichte van de per heden bestaande feitelijke situatie (deels bebouwd en deels onbebouwd terrein). De verkeersaantrekkende werking zal beperkt toenemen. De ontwikkeling zal effect hebben op het oppervlak (kwantiteit) aan buitenruimte. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op het effect van deze kenmerken van het project op natuur en milieu.

12

4. DE PLAATS VAN HET PROJECT 4.1 Inleiding Het effect van een activiteit op het milieu wordt bepaald door de activiteit zelf en door de kwetsbaarheid van het gebied en haar omgeving. De kenmerken van de activiteit zelf zijn in het voorgaande hoofdstuk omschreven. De kwetsbaarheid van een gebied en haar omgeving vraagt om informatie over de ondergrond (o.a. bodem, bodemopbouw, grondwater), netwerken (o.a. natuur, landschap, wegen, water) en het grondgebruik (functies, handelingen). In dit hoofdstuk wordt hierop ingegaan.

4.2. Bestaand grondgebruik Het plangebied –aangeduid op onderstaande weergave - gelegen binnen het stedelijk gebied van Nuenen. De realisatie van woonbebouwing is mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Binnen het plangebied is geen sprake van bijzondere landschappelijke, natuurlijke of cultuurhistorische waarden die de beoogde ontwikkeling in de weg staan. Het plangebied is voorts niet gelegen binnen of nabij het Natuur Netwerk Brabant.

4.3. Natuurlijke hulpbronnen Wat betreft de relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied kan worden gesteld dat geen sprake is van natuurlijke hulpbronnen (van nature voorkomende hulpmiddelen voor economisch gewin zoals grondwater of klei) in het projectgebied of de directe omgeving hiervan die op enige wijze invloed kunnen onder vinden van de voorgenomen activiteit.

13

4.4. Natuur, landschap en omgeving 4.4.1. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) Flora en fauna Conform de Wet natuurbescherming (Wnb) is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de Wnb verbodsbepalingen, die afhankelijk zijn van diersoort en voorgenomen handelingen. Om te bepalen of er mogelijk beschermde soorten zich binnen het plangebied bevinden en zo ja, welke soorten dat zijn is door bureau Regelink Ecologie & Landschap in opdracht van ontwikkelaar gekomen tot een quickscan flora en fauna zoals beschreven in de rapportage Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen d.d. 7 juni 2021. Uit de ecologische quickscan blijkt dat in het plangebied mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor onder andere gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis aanwezig zijn, geschikt leefgebied aanwezig is voor verschillende vleermuissoorten, geschikt leefgebied voor marterachtigen aanwezig is en een geschikte nestlocatie en leefgebied voor steenuil aanwezig is.

Door Regelink Ecologie & Landschap is nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen marterachtigen, zoals beschreven in de rapportage Onderzoek vleermuizen en marterachtige Dubbestraat-Boord, Nuenen d.d. 21 januari 2022. Dit onderzoek leidde tot de volgende conclusies en vervolgstappen: • • • •

Voor het uitvoeren van de werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Er dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Bij de ontheffingsaanvraag is er een wettelijk belang nodig én dient de staat van instandhouding niet te verslechteren door de ingreep. Het mitigatieplan dient hierbij als onderbouwing. Voordat de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, dient een mitigatieplan opgesteld te worden. In dit plan staat beschreven op welke manier de negatieve effecten worden verzacht dan wel worden voorkomen. Na het verkrijgen van de ontheffing moet vaak een ecologisch werkprotocol worden opgesteld.

Door Regelink Ecologie & Landschap is nader onderzoek uitgevoerd naar steenuilen, zoals beschreven in de rapportage Soortgerichtonderzoek steenuil Dubbestraat-Boord, Nuenen d.d. 21 juli 2022. Dit onderzoek leidde tot de volgende conclusies: • •

Voor het uitvoeren van de werkzaamheden is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming voor steenuil nodig. Ten behoeve van steenuil zijn geen nadere vervolgstappen benodigd.

Naar aanleiding van de beschreven vervolgstappen in de nader-/soortgerichte onderzoeken is door Regelink Ecologie & Landschap een mitigatieplan opgesteld en op 28 maart 2023 ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag om schade aan de beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken.

14

Op 20 april heeft het bevoegd gezag besloten om de gevraagde ontheffing te verlenen welke als richtlijn geldt (en waaraan wordt getoetst) alvorens wordt gestart met de ingrepen in het gebied. Gelet op de aard van de aanwezige soorten is de uitvoering van een m.e.r.-beoordeling niet aan de orde.

Natuur Wat de omgeving van het plangebied betreft is in onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. • • • • • • • •

Beschermd natuurmonument : nee Habitat en vogelrichtlijngebieden : nee Watergebied van internationale betekenis : nee Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS) : het plangebied ligt buiten het Natuur Netwerk Nederland (voormalige EHS). er is geen sprake van negatieve effecten op het NNN. Landschappelijk waardevol gebied : er is geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties. waterwingebieden, en grondwaterbeschermingsgebieden : nee Beschermd monument : nee Belvedère-gebied : nee

De planlocatie is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of NNN. De planlocatie ligt niet in een (beschermings)zone grondwaterwinning. Gebieden behorend tot NNB liggen buiten het plangebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van 7 kilometer ten zuiden van het plangebied gelegen en betreft “Strabrechtse Heide & Beuven”. Natura 2000gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van een kleinschalige woningbouwontwikkeling. Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied van Nuenen en de beperkte impact van de ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden), kan verstoring van soorten in Natura 2000gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Stikstofeffecten worden gelet op de beperkte omvang van de werkzaamheden en de grote afstand tot Natura 2000gebieden niet verwacht, zoals nader onder 4.4.2. beschreven.

4.4.2. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden. Omdat het onderhavige plangebied is gelegen in de buurt van een Natura 2000-gebied kan niet op voorhand worden uitgesloten, dat de gewenste situatie significante negatieve effecten heeft ten aanzien van stikstofdepositie. Aldus is door Tritium Advies gekomen tot een Aerius berekening. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2022 blijkt dat er voor de aanlegfase en de gebruiksfase ten gevolge van het planvoornemen geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve 15

zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Een vergunning op grond van de Wnb is aldus niet aan de orde en stikstofdepositie levert dus geen belemmering op voor de planontwikkeling

4.4.3. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Gezien de beschreven effecten van de woningbouwontwikkeling kan met grote zekerheid gesteld worden dat omliggende woningen c.q. de plaatselijke bevolking hier geen hinder van hebben. Dit wordt ondersteund door het feit dat de technieken en de emissies voldoen aan de daarvoor van toepassing zijnde wetten en regelgeving en als BBT zijn te beschouwen. Aldus staat genoegzaam vast dat deze ontwikkeling geen belangrijk nadelige gevolgen zal hebben in relatie tot de plaats van het project. 4.4.4. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Het plangebied kent deels een archeologische bescherming in het vigerende bestemmingsplan, die ook in het nieuwe bestemmingsplan zal worden opgenomen. Dit betekent dat er vooraf rekening moet worden gehouden met archeologisch (voor)onderzoek. Tevens geldt dat als er archeologische resten (vondsten, sporen et cetera) worden aangetroffen bij de grondwerkzaamheden, die op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 gemeld moeten worden bij de Minister van OCW en bij de (afdeling Omgevingskwaliteit van de) gemeente. De vigerende ‘Waarde-cultuurhistorie’ geldt voor de huidige woning Dubbestraat 1.

Van een cultuurhistorische locatie is geen sprake. Met het planvoornemen wordt een nieuwe woonomgeving gerealiseerd bestaande uit 11 woningen, waarbij nadrukkelijk rekening is gehouden met de algemeen aanwezige cultuurhistorische waarden. Deze zijn voldoende geborgd in het bestemmingsplan. De vigerende ‘Waarde-cultuurhistorie’ welke geldt voor de huidige woning Dubbestraat 1 komt daarmee te vervallen.

16

5. KENMERKEN VAN DE POTENTIËLE EFFECTEN 5.1. Inleiding De (vormvrije) m.e.r. beoordeling zal moeten ingaan op de vraag of de ontwikkeling leidt tot belangrijke negatieve gevolgen voor milieu, natuur en cultuurhistorisch erfgoed. In voorgaande hoofdstukken is beschreven wat de kenmerken van de activiteit is en met welke kwetsbaarheid vanuit het plangebied en de omgeving rekening zal moeten worden gehouden. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van het potentieel effect van de nieuwe ontwikkeling op het plangebied en de omgeving. Conform de Europese criteria wordt daarbij gekeken naar het effectgebied, waarschijnlijkheid en de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. Er wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de negatieve effecten. Het is evident dat nieuwe ontwikkelingen ook een positief effect kan hebben op milieu, natuur en cultuurhistorisch erfgoed. Voorbeelden hiervan zijn het reiniging van de bodem van verontreiniging, het verwijderen van achtergebleven munitie/explosieven en het archeologisch onderzoek of zelfs het blootleggen van cultuurhistorische waarden. Verder zullen investeringen met oog voor duurzaamheid worden gerealiseerd.

5.2. Effectgebied Bij het effectgebied gaat het om de impact van de gevolgen en welk effect, waar waarneembaar is. De nieuwe ontwikkeling heeft, zo blijkt uit voorgaande hoofdstukken, slechts een beperkte invloed op het gebied zelf als ook op de omgeving. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten voor de situatie en de kwaliteit van de ondergrond, de netwerken en het grondgebruik. Wel is er enig effect is te verwachten van de intensivering van het gebied. Daarbij gaat het om de relatie met het omliggende gebied, het percentage verhard oppervlak en de verkeersaantrekkende werking met effect op het wegverkeer op de omliggende wegen (geluid, lucht en veiligheid).

5.2.1. Verkeersaantrekkende werking Het verdichten van het plangebied zorgt ten opzichte van de voorgaande feitelijk bestaande situatie voor een beperkte toename van het verkeer met gevolgen voor de lokale milieukwaliteit. Als het bestaande planologisch kader (16 woningen) als uitgangspunt wordt genomen is sprake van een afname van de verkeersaantrekkende werking (11 woningen). De omliggende wegenstructuur wordt voldoende in staat geacht deze verkeersstomen te verwerken.

5.2.2. Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. 17

In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Met betrekking tot woningbouw geldt bijvoorbeeld de normering van maximaal 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg. De invulling van het plangebied valt onder de regeling NIBM. Gelet op de aard van het initiatief en de planlocatie kan (mede door toepassing van de NIBM calculator) worden geconcludeerd dat gezien de aard (woningen) en omvang van de ontwikkeling het project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit en dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de de planontwikkeling.

5.2.3. Geluid In het kader van de Wet geluidhinder en in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bekeken of de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen (woningen) binnen de te ontwikkelen locatie kunnen worden gerealiseerd. Als relevante geluidbronnen dient rekening te worden gehouden met het aspect verkeerslawaai en het geluid van het tuincentrum. Overig industrielawaai of luchtverkeerslawaai spelen ten deze geen rol van betekenis. Het plan ligt in de nabijheid van het tuincentrum Coppelmans, waarvan de representatieve situatie wordt gekenmerkt door overwegend een zeer geluidarme dagelijkse bedrijfssituatie. Er kan incidenteel sprake zijn van enige invloed van autobewegingen op het parkeerterrein aan de zijde van de woningen, maar dit zal alleen het geval zijn in uitzonderingssituatie indien het parkeerterrein volledig is gevuld. Hierdoor is bij de nieuwe woningen in het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit onderzoek in het kader van de totstandkoming van het bestemmingsplan blijkt voor wat betreft verkeerslawaai dat middels een hogere waarde-procedure en toepassing van concrete maatregelen t.a.v. de woningen kan worden gekomen tot een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Hierbij zijn maatregelen in de overdracht (afschermingen) zijn om financiële en stedenbouwkundige redenen niet mogelijk.

Ook leveren maatregelen aan de bron en in de overdracht te weinig effect op om aan de voorkeursgrenswaarden te kunnen voldoen.

5.2.4. Bodem Het aspect bodem levert geen belemmeringen op voor plangebied.

de ontwikkelingen binnen het

Door Tritium Advies BV is voor de planlocatie een Actualiserend bodem- en verkennend en nader asbestonderzoek uitgevoerd (documentnummer 2103/245/SF, d.d. 8 juli 2021). Hiermee is de aanwezige bodemverontreiniging nader in beeld gebracht op basis waarvan saneringsomvang en - kosten als onderdeel van de planexploitatie konden worden geduid. Aldus kon worden vastgesteld, dat aard en omvang van aanwezige verontreiniging de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied niet in de weg staat. 18

5.2.5. Water De ontwikkeling in het plangebied bestaat uit de sloop van een bestaande woning met daarachter schuren/opstallen en de nieuwbouw van 11 woningen. In het kader de waterparagraaf c.q. de wateropgave behorende bij de ontwikkeling van het plangebied is een watertoets-notitie opgesteld om de benodigde waterberging te bepalen. Deze kan in het plangebied worden vormgegeven, hetgeen in de regels van het bestemmingsplan middels een voorwaardelijke verplichting wordt geborgd. 5.2.6. Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van een risico-opleverende activiteit met gevaarlijke stoffen. Het kan daarbij gaan om industriële activiteiten, transportroutes of buisleidingen. De locatie van het plangebied waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft niet binnen het invloedsgebied van een spoorweg, verkeersroute en/ of bedrijfsmatige activiteit. Het invloedsgebied van het in de omgeving gelegen LPG tankstation rijkt niet tot het plangebied

5.2.7. Cultuurhistorisch erfgoed De aspecten cultuurhistorie en archeologie zijn hiervoor in paragraaf 4.4.4. beschreven.

5.3 Waarschijnlijkheid De nieuwe ontwikkeling heeft, zo blijkt uit voorgaande hoofdstukken, slechts een beperkte invloed op het gebied zelf als ook op de omgeving. Wel is er enig effect is te verwachten van de intensivering van het gebied. De effecten door de verkeersaantrekkende werking met effect op het wegverkeer op de omliggende wegen (geluid, lucht en veiligheid) zijn waarschijnlijk. Enige hinder tijdens de realisatiefase is ook waarschijnlijk. Andere effecten zijn minder tot niet waarschijnlijk.

5.4 Duur, frequentie en omkeerbaarheid De gevolgen van de ontwikkeling zijn gekoppeld aan de intensivering van het grondgebruik. De afname verhard oppervlakte is een eenmalig (positief) gevolg van de ontwikkeling. De frequentie van de verkeersbewegingen - en dus de gevolgen hiervan - is vergelijkbaar met een reguliere woningbouwontwikkeling. De gevolgen voor het milieu zijn niet onomkeerbaar. De gevolgen voor de omgeving zijn beperkt, met name na de realisatiefase. In de realisatiefase zal tijdelijk sprake zijn van bouwverkeer en bouwactiviteiten, waarvan de gevolgen zoveel als mogelijk zullen worden beperkt en die niet ongebruikelijk zullen zijn bij de realisatie van grondgebonden woningen.

19

5.5 Conclusie In dit hoofdstuk is ingegaan op de vraag of de ontwikkeling leidt tot belangrijke negatieve gevolgen voor milieu, natuur en cultuurhistorisch erfgoed. Het is een beschrijving van het potentieel effect van de nieuwe ontwikkeling op het plangebied en de omgeving. Het potentieel effect van de nieuwe ontwikkeling op het plangebied en de omgeving is beperkt. De impact op de natuurlijke grondstoffen blijkt nihil. Wel is er enige effect van de nieuwe ontwikkeling te verwachten op de lucht- en geluidskwaliteit. De luchtkwaliteit blijft echter ver onder de geldende grenswaarden. In vergelijking met de huidige situatie is van een relevante toename van de geluidsbelasting vanwege autoverkeer geen sprake. Uit onderzoek blijkt dat qua verkeerslawaai maatregelen niet doelmatig en dat stedenbouwkundig, verkeerstechnisch en/of financieel niet acceptabel zijn. Er zullen hogere waarden moeten worden aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders. Het verzoeken van een hogere waarde is mogelijk omdat voldaan wordt aan de aan het verzoek hogere waarde gekoppelde criteria. De effecten van het planvoornemen blijven beperkt tot het plangebied en de directe omgeving daarvan. De effecten zijn beperkt en de ontwikkeling stuit niet op bezwaren in relatie tot de aangehaalde milieuaspecten.

20

6. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Deze notitie gaat in op de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn vanwege de aard van het voornemen de kenmerken van de omgeving of de impact van het voornemen op de omgeving, die aanleiding geven om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor het nieuwe bestemmingsplan. Het bevoegd gezag zal moeten nagaan of er – op basis van alle relevante (Europese) criteria – belangrijke negatieve gevolgen zijn voor milieu, natuur en cultuurhistorisch erfgoed. Bij een vormvrije m.e.r. beoordeling gaat het om een toetsing aan de voorkant van het planproces. Deze beoordeling richt zich primair op het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de aanwezige kwaliteiten binnen het plangebied en de omgeving. Er wordt gekeken naar het effect van een activiteit op het milieu door de activiteit zelf en door de kwetsbaarheid van het gebied en haar omgeving. Conform de Europese criteria wordt daarbij gekeken naar het effectgebied, waarschijnlijkheid en de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. In de voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling zijn deze aspecten belicht. Gezien het vorenstaande en op basis van een vergelijking met het plan met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met : 1. de kenmerken van het project, 2. de plaats van het project, en 3.

de kenmerken van het potentiële effect, sprake is van een (ten opzichte van voormelde drempelwaarden) wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Voor een aantal milieuaspecten is echter zeker aandacht nodig om de beoogde aanpassingen op een voor de ruimtelijke ordening en het milieu verantwoorde manier uit te voeren. Zulks wordt in de toelichting van het bestemmingsplan nader beschreven en daar waar nodig in de regels geborgd. In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Op grond van het ontbreken van belangrijke nadelige milieugevolgen en met het treffen van passende maatregelen (o.a.

al in het kader van het bestemmingsplan), is de conclusie gerechtvaardigd dat “belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten” en dat een volledige m.e.r.-procedure, en daarmee het opstellen van een MER, niet nodig is.

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13240077/1