Rullen 15 - Bijlage 21 Ruimtelijke onderbouwing - Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK RULLEN 15 TE NUENEN GEMEENTE NUENEN, GERWEN EN NEDERWETTEN
archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Rullen 15 te Nuenen Opdrachtgever
R&S Advies Langegracht 4B 5091 SJ Middelbeers
Rapportnummer
16226.001
Versienummer1
1.1
Datum
14 maart 2024
Vestiging
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
De heer drs. M. Stiekema
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
16226.001
Toponiem
Rullen 15
Opdrachtgever
R&S Advies
Gemeente
Nuenen, Gerwen en Nederwetten
Plaats
Nuenen
Provincie
Noord-Brabant
Kadastrale gegevens
Gemeente Nuenen, Sectie B, Perceel 4697 (ged.) en 5814 (ged.)
Omvang plangebied
800 m2
Kaartblad
51 E
Coördinaten centrum plangebied
X: 166.660 Y: 390.020
Bevoegde overheid
Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten Postbus 10000 5670 GA Nuenen
T.: 040-2631631 E.: gemeente@nuenen.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant Postbus 8035 5601 KA Eindhoven
Mevrouw drs. R. Berkvens T.: 088-3690638 E.: r.berkvens@odzob.nl
ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
5107425100
Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant
Uitvoerder
Econsultancy, drs. M. Stiekema
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van R&S Advies een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Rullen 15 te Nuenen in de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. De initiatiefnemer is voornemens een rundveestal te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen.
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge gespecificeerde archeologische verwachting voor alle perioden van het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het verkennend booronderzoek komt naar voren dat de top van het bodemprofiel in het plangebied is verstoord, vermoedelijk veroorzaakt door vergravingen die samenhangen met de ontgrondingen en/of het diepploegen en egaliseren in het plangebied. Hierbij is ook de top van de oorspronkelijke dekzandafzettingen verstoord, waarbij de top van het oorspronkelijke podzolprofiel is verdwenen. Verder blijkt dat het plangebied landschappelijk gezien op een vrij natte locatie ligt.
Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan de middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd worden bijgesteld naar laag. Advies Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van relatief natte zandafzettingen in de ondergrond, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed2). 2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 16226.001 versie 1.1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 12 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 7 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 10 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 12
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 12 Methoden ........................................................................................................................ 12 Resultaten ....................................................................................................................... 13 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 13
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 14
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 15 BRONNEN .......................................................................................................................................... 16
Rapport 16226.001 versie 1.1
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen
Rapport 16226.001 versie 1.1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van R&S Advies een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Rullen 15 te Nuenen in de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens een rundveestal te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een (partiële) wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in augustus 2021 door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog).
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
3
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
SIKB.
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 1 van 17
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 2.3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1.000 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied, circa 800 m2, ligt aan de Rullen 15, ongeveer 1 kilometer ten noorden van de kern van Gerwen en 3 kilometer ten noorden van de kern van Nuenen in de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 15 meter +NAP. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied was tot recent onderdeel van een akker en is momenteel deels dichtgegroeid en verder in gebruik als opslaglocatie van bouwmateriaal (zie figuur 3).
Het agrarisch bedrijf direct ten noordoosten van het plangebied is onlangs bijna geheel (op de woningen aan de Rullen en de loods in het noorden van het perceel na) gesloopt. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures.
4
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 2 van 17
Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Nuenen (2018). Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3b Hoge verwachting met esdek’. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld.5 Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten ligt de gehele onderzoekslocatie in een gebied met een hoge archeologische verwachting, al dan niet met esdek. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot.6 Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven.
Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het Bodemloket geen milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd. 7 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de bouw van een rundveestal gepland. Hierbij zal het gehele plangebied met een oppervlakte van 800 m2 worden bebouwd tot een diepte van 60 cm beneden maaiveld (zie bijlage 6). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie8
Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6)
Geomorfologie9
Vlakte van ten dele verspoelde dekzanden (M53)
5
Portaal voor Ruimtelijke Plannen. SRE Milieudienst, 2009 7 Bodemloket 8 De Mulder et al., 2003. 9 Wageningen Environmental Research, 2017. 6
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 3 van 17
Bodemkunde10
Hoge zwarte enkeerdgronden (zEZ21)
Grondwatertrap
VI
Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich in de Centrale slenk. De Centrale slenk ligt als gevolg van tektonische bewegingen, die ook tegenwoordig nog doorgaan, lager dan de oostelijk hiervan gelegen Peelhorst. De Peelrandbreuk vormt de scheiding tussen de Peelhorst en de Roerdalslenk. De Peelrandbreuk bevindt zich ongeveer 10 km ten oosten van het plangebied. Het plangebied bevindt zich binnen een gebied met overwegend afzettingen van de Formatie van Boxtel. De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd, toen de wind vrij spel had in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet.11 De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge dekzand. Het Oude dekzand is tijdens het Pleniglaciaal afgezet in horizontaal gelaagde pakketten. Door verspoeling komen er vaak lemige of (zwak) grindige banden in het Oude dekzand voor. Het Jonge dekzand is tijdens het Laat-Glaciaal afgezet in de vorm van dekzandruggen. Het Jonge dekzand is uitsluitend eolisch afgezet en bevat daardoor geen leem- en grindfractie. Het Jonge dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel waaronder ook het Oude dekzand valt.
Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. 12 Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk plaatsvond in de Nieuwe tijd.13 De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. In de directe omgeving bevinden zich meerdere stuifzandcomplexen, waaronder een groot complex dat zich uitstrekt van 200 meter tot 3 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen in de omgeving van Nuenen afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel.
Het dichtstbijzijnde beekdal bevindt zich op 120 meter ten zuidwesten van het plangebied. Het betreft de bovenloop van het beekdal van de Spekt. DINO14 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd die in het verleden in het plangebied is 10
Stichting voor Bodemkartering, 1985. Berendsen, 2008. 12 De Mulder et al., 2003. 13 Berendsen, 2008. 14 Dinoloket. 11
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 4 van 17
geplaatst.15 Hieruit blijkt dat de ondergrond uit matig fijne zandafzettingen en vanaf circa 2,5 meter mv sterk zandige leemafzettingen. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een Vlakte van ten dele verspoelde dekzanden (M53) (zie figuur 5). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 16 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op een naar het zuidwesten aflopende vlakte tussen het hooggelegen stuifduingebied in het noordoosten en het laaggelegen beekdal in het zuidwesten. Binnen het plangebied zijn geen hoogteverschillen waarneembaar (zie figuur 6). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden (zEZ21) (zie figuur 7). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen).
Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen.
De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.17 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen
15
DINO boornummers B51E0735 AHN. 17 Doesburg et al., 2007. 16
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 5 van 17
grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling18
Tabel II. Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VI. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkte oppervlakte zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).19 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1.000 meter weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant20 In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het ‘provinciaal belang’ aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt.
De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch landschap. Het plangebied ligt verder wel in een archeologisch landschap: het Dekzandeiland Tongelreep-Grote Aa. Het Dekzandeiland Tongelreep-Grote Aa ligt ten oosten en zuidoosten van Eindhoven en omvat het dal van de Kleine Dommel en Groote Aa van Nuenen tot voorbij Leende en het relatief hooggelegen 18
Locher & De Bakker, 1990. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 20 Brabant.nl 19
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 6 van 17
dekzandlandschap ten westen hiervan. In het noorden is het dekzandeiland van Nuenen en het beekdal van de Hooidonkse beek bij dit landschap getrokken. De overgang van het dal van de Groote Aa naar het westelijk gelegen dekzandlandschap bestaat grotendeels uit oude bouwlanden. Westelijk van deze zone zijn uitgebreide stuifzandcomplexen aanwezig. Het dekzandeiland van Nuenen is vrijwel geheel met oude bouwlanden bedekt. Dekzandeiland Tongelreep-Grote Aa is één van de archeologisch rijkere landschappen. Ruim 2% van het oppervlak wordt ingenomen door, vaak bijzonder grote, AMK-terreinen. De verdeling van Archiswaarnemingen naar archeologische periode verloopt vrijwel identiek aan de trendlijn voor de gehele provincie. Bij de AMK-terreinen is dat globaal gezien ook zo, al valt op dat het aandeel terreinen met Steentijd bovengemiddeld is en dat van terreinen uit de IJzertijd-Vroege-Middeleeuwen juist iets onder het gemiddelde ligt. Verder is weer te zien dat de AMK vrijwel uitsluitend uit nederzettingen en begravingen bestaat, terwijl de waarnemingen een veel gevarieerder beeld laten zien. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied21 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde).
Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen zowel het plangebied als het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen (zie figuur 8). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 22 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal zeven archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken en booronderzoeken. (zie bijlage 2 en figuur 8). De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat bij geen van de onderzoeken aanvullend onderzoek is geadviseerd. Het bleek dat de onderzochte terreinen of verstoord waren of er is aangetoond dat het landschap historisch te nat was voor bewoning. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied23 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan drie vondstmeldingen geregistreerd, allemaal op 750 – 1000 meter ten oosten tot zuiden van het plangebied (zie bijlage 3 en figuur 8).
De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan betreffen fragmenten aardewerk en een bronzen fibula uit de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd. 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd.
21
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 23 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 22
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 7 van 17
Korte bewoningsgeschiedenis van Nuenen en Gerwen In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4. Het dorp Gerwen, ‘Gherwinsheim’, is in de Frankische tijd tussen de 5 e en de 8e eeuw ontstaan. Gherwin is de naam van een Germaans stamhoofd naar wie de plaats Gerwen zou zijn genoemd. De betekenis is ‘speervriend’; ‘ger’ of ‘gairu’ is speer en ‘win’ is vriend. De eerste vermelding van de naam Gerwen is te vinden in een koopakte uit 1281, waarin landerijen in Ghaeruewen worden verkocht. De naam Nuenen, Nuenhem of Nuynhem is een zogeheten Frankische heimnaam, ontstaan tussen de 5e en de 8e eeuw. Het achtervoegsel ‘hem’ betekent heim of woonplaats. Het voorvoegsel ‘nuen’ of ‘nuyn’ betekent ‘nieuw’. De ‘oude’ woonplaats zou misschien Gerwen geweest kunnen zijn. Hertog Jan II van Brabant verleende op 4 december 1300 ‘Sint-Barbaradag’ aan de inwoners van Nuenen-Gerwen de gebruiksrechten van de gemeenschappelijke gronden, bestaande uit heide, hooilanden en moerassen. Hiermee werd de basis gelegd voor wat aanvankelijk de gemeente NuenenGerwen en vanaf 1821 de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten zou worden. 24 Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kadastrale minuut25
1811-1832
Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, sectie B, blad 01
1:2.500
Bouwland en hakhout
Boerderij op 100 meter ten noordoosten van het plangebied al aanwezig als Hei hoef, Rullen al aanwezig als (onverharde) weg.
Militaire topografische kaart26 (nettekening)
1850/1864
51
1:50.000
Grasland en akkerland
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1900
649
1:50.000
Akkerland
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1916
649
1:50.000
Akkerland
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1927
649
1:50.000
Akkerland
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1944
649
1:50.000
Akkerland
-
Topografische kaart
1953
51E
1:25.000
Grasland en akkerland
-
Topografische kaart
1963
51E
1:25.000
Grasland en akkerland
-
Topografische kaart
1973
51E
1:25.000
Grasland
-
Topografische kaart
1994
51E
1:25.000
Akkerland
Agrarisch bedrijf ten oosten van het plangebied uitgebreid
Topografische kaart
1999
51E
1:25.000
Akkerland
Agrarisch bedrijf ten oosten van het plangebied verder uitgebreid
24
Heemkundekring De Drijehornick, 2021 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 26 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 25
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 8 van 17
Topografische kaart
1:25.000
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied begin 19e eeuw al ontgonnen was. Het westelijke deel van het plangebied bestond uit smalle graskavels met verder naar het westen een gekanaliseerde beek. Het oostelijke deel van het plangebied was in gebruik als akker. Op 100 meter ten noordoosten van het plangebied waren de woningen van het huidige agrarisch bedrijf ten oosten van het plangebied al aanwezig. Deze stond bekend als Hei Hoef. In de 19e eeuw zijn de smalle graspercelen in het westen is omgezet in een groot grasperceel. Het plangebied is sindsdien uitsluitend als gras en akkerland in gebruik gebleven. Het agrarisch bedrijf ten oosten van het plangebied is eind 20e eeuw uitgebreid tot direct ten oosten van het plangebied. De huidige Rullen was begin 19e eeuw al aanwezig als onverharde weg (zie figuur 9). Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is.
Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). De MIP Gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de historischgeografische, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van gemeenten in de periode 1850-1940. Het plangebied ligt niet binnen een 200 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als MIP monumenten. Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten is niet geraadpleegd omdat het plangebied volgens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar onbebouwd is geweest. Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing ten oosten van het plangebied staat aangegeven dat alle bebouwing ten oosten van het plangebied in 1985 zou zijn gerealiseerd.27 In ieder geval van de woning lijken deze gegevens niet te kloppen: deze heeft een veel oudere oorsprong. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 28 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn.
Aanvullende informatie Geschiedenis Heyde Hoeve De boerderij ligt op de landerijen die vroeger behoorden tot Priorij Hooidonk. Een klooster van de reguliere kanunnikessen van Augustinus, nabij de Nederwettense buurtschap Hooidonk. Het klooster heeft bestaan van 1146-1648. De boerderij stamt uit 1553 en heeft een lange historie met een verscheidenheid aan bewoners.29
27
Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 29 https://heydehoeve.nl/, 2021 28
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 9 van 17
Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundekring De Drijehornick maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd. Ontgrondingen Volgens de ontgrondingenkaart van de Provincie Noord-Brabant ligt het zuidelijke deel van het plangebied (circa 1/3 van de totale oppervlakte) binnen een gebeid dat is ontgrond voor delfstoffenwinning in de periode 1950-1998.30 Volgens de huidige eigenaar van het plangebied zou het gehele plangebied en de naastgelegen akker ongeveer 20 jaar geleden zijn gediepploegd (naar schatting 60 cm diep) en vervolgens geëgaliseerd. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.
30
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Mesolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Neolithicum
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Bronstijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
IJzertijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Romeinse tijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Vroege-Middeleeuwen
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Late-Middeleeuwen
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaal-
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Provincie Noord-Brabant
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 10 van 17
resten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Uit de landschappelijke ligging op een vlakte van verspoelde dekzanden tussen een hoger gelegen stuifduinencomplex in het noordoosten en een lager gelegen beekdal in het zuidwesten, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum bewoonbaar is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er uit de wijdere omgeving van het plangebied enkele sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken.
Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.31 Hoewel het plangebied op de overgang ligt van wat hoger gelegen en drogere dekzandwelvingen in het noorden naar een natter dal in het zuiden, is het mogelijk dat het in het verleden niet de meest geschikte gradiëntzone is geweest, omdat het beekdal zelf pas op meer dan 100 meter ten zuidoosten van het plangebied bevindt. De gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum is daarom middelhoog. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.32 Uit de landschappelijke kaarten lijkt het plangebied op een landschappelijk gezien gunstige vestigingslocatie op de overgang tussen een hoger gelegen stuifduinencomplex in het noordoosten en een lager gelegen beekdal in het zuidwesten te liggen. Bij archeologisch onderzoeken die in de omgeving van het plangebied zijn uitgevoerd is echter vaak een relatief natter (dan verwacht) landschap aangetroffen. De gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen is daarom middelhoog.
Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 33 De boerderij op 100 meter ten oosten van het plangebied gaat terug tot in de 16 e eeuw. Het plangebied zelf is in ieder geval de afgelopen 200 jaar onderdeel geweest van de akker- en graslanden iets ten zuidwesten van deze hoeve. De gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de Nieuwe tijd is daarom middelhoog.
31
Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005. 33 Renes, 1999. 32
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 11 van 17
De archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke Chorizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als akkerland en grasland en momenteel als opslaglocatie van bouwmateriaal. Verder is het plangebied in ieder geval deels ontgrond en/of gediepploegd en geëgaliseerd.
Door ploegen en graafactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde middelhoge archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de omvang van het plangebied en de verwachte aanwezigheid van een hoge enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 24 augustus 2021 door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk.
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 12 van 17
De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) vijf boringen tot maximaal 1,40 meter -mv gezet (Figuur 10). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 34 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in Bijlage 7 weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: In het plangebied zijn hoofdzakelijk matig fijne zwak siltige dekzandafzettingen aangetroffen. Aan het maaiveld is bij alle boringen een pakket aangetroffen bestaande uit verstoorde zandafzettingen gemengd met resten van een voormalig dun eerddek. De verstoringen kenmerken zich door de gevlektheid van het sediment en plaatselijk de aanwezigheid van fragmenten baksteen. Onder het verstoorde pakket zijn bij alle onverstoorde geheel gereduceerde dekzandafzettingen aangetroffen. De diepte van de top van de onverstoorde zandafzettingen varieert van 80 tot 95 cm -mv. Bij de boringen 1-4 is in de top van de dekzandafzettingen een (onverstoorde) onderkant van een podzolprofiel aangetroffen: bij de boringen 1, 2 en 4 uitsluitend de onderste 10-15 cm van de BC-horizont en bij boring 3 ook de onderste 15 cm van een B-horizont. De top van de podzolprofielen en bij boring 5 zelfs het gehele podzolprofiel zijn door vergraving in de verstoorde bovengrond opgenomen. Bij alle boringen lijken de verstoringen veroorzaakt te zijn door vergravingen die vermoedelijk samenhangen met de ontgrondingen en/of het diepploegen en egaliseren in het plangebied.
De aangetroffen dekzandafzettingen vertonen een opvallend natte context, vergelijkbaar met de bodemopbouw die bij andere archeologische booronderzoeken in de omgeving van het plangebied zijn uitgevoerd. De natte context hangt samen met de landschappelijke ligging nabij een beekdal. Mogelijk is het eerddek in het plangebied aangelegd om de van oorsprong wat natte bodem iets op te hogen waardoor het geschikter werd voor akkerbouw. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 34
Bosch, 2005.
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 13 van 17
Uit het verkennend booronderzoek komt naar voren dat de top van het bodemprofiel in het plangebied is verstoord, vermoedelijk veroorzaakt door vergravingen die samenhangen met de ontgrondingen en/of het diepploegen en egaliseren in het plangebied. Hierbij is ook de top van de oorspronkelijke dekzandafzettingen verstoord, waarbij de top van het oorspronkelijke podzolprofiel is verdwenen. Verder blijkt dat het plangebied landschappelijk gezien op een vrij natte locatie ligt. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan de middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd worden bijgesteld naar laag.
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is er aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van relatief natte zandafzettingen in de ondergrond, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet (meer in situ) worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 35).
35 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 14 van 17
LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bakker, H., de en W.P. Locher, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Bakker, H. de & J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland De hogere niveaus. Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen.
Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. SRE Milieudienst, 2009: Archeologische beleidskaart gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Eindhoven Stichting voor Bodemkartering, 1985: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 51 Oost. Wageningen. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 15 van 17
BRONNEN AHN; internetsite, augustus 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, augustus 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, augustus 2021. http://bagviewer.kadaster.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, augustus 2021 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, augustus 2021. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland, internetsite, augustus 2021. http://maps.bodemdata.nl/ Bodemloket, internetsite, augustus 2021. http://www.bodemloket.nl Brabant.nl; internetsite, augustus 2021. https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8 Brabants Historisch Informatiecentrum; internetsite, augustus 2021. http://www.bhic.nl Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, augustus 2021. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, augustus 2021. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, augustus 2021. http://www.dinoloket.nl/ Heemkundekring De Drijehornick; internetsite, augustus 2021.
https://drijehornick.nl/ Heydehoeve Duroc; internetsite, augustus 2021. https://heydehoeve.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, augustus 2021. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, augustus 2021. http://www.topotijdreis.nl/
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 16 van 17
Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, augustus 2021. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, augustus 2021. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, augustus 2021. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, augustus 2021. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, augustus 2021. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 16226.001 versie 1.1
Pagina 17 van 17
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland
Rapport 16226.001 versie 1.1
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied
Rapport 16226.001 versie 1.1
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied
Rapport 16226.001 versie 1.1
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart
Rapport 16226.001 versie 1.1
Rapport 16226.001 versie 1.1
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Rapport 16226.001 versie 1.1
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Rapport 16226.001 versie 1.1
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart
Rapport 16226.001 versie 1.1
Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied
Rapport 16226.001 versie 1.1
Rapport 16226.001 versie 1.1
Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten
Rapport 16226.001 versie 1.1
Figuur 10. Boorpuntenkaart
Rapport 16226.001 versie 1.1
Bijlage 1
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Ouderdom in jaren
Chronostratigrafie