CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Re-integratieverordening Participatiewet Nuenen c.a. 2023 - Bijlage Was-wordt

Oordeelsvormende raadsbijeenkomst 1 november 2023, gemeente NuenenBij agendapunt: Re-integratieverordening Participatiewet Nuenen c.a. 20238.093 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Leeswijzer De linkerkolom is de nieuwe Re-integratieverordening 2023. De rechterkolom bevat een combinatie van de huidige re-integratieverordening en de beleidsregels re-integratie. Deze combinatie is gemaakt omdat de nieuwe verordening regels bevat die eerder in de beleidsregels waren vastgelegd. Als er niets staat aangegeven betreft het de tekst uit de verordening, anders wordt aangegeven dat het om de beleidsregels re-integratie gaat. Het betreft een regionaal opgestelde verordening. Voor de gemeente Nuenen en Son en Breugel wordt een uniforme vaststelling van de verordening beoogd. In de toelichting worden wijzigingen uitgelicht die de inwoner en uitvoeringspraktijk raken. Wordt

Re-integratieverordening Participatiewet NUENEN C.A. 2023 De raad van de gemeente NUENEN C.A. gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e en tweede lid en 10b, vijfde en zevende lid, van de Participatiewet; gelet op de artikelen 35 en 36 van de wet IOAW; gelet op de artikelen 34 en 35 van de wet IOAZ; gezien het advies van [naam commissie]; gezien het advies van de oordeelsvormende raadsbijeenkomst/commissievergadering

Was Re-integratieverordening / Beleidsregels re-integratie Intitulé Re-integratieverordening Participatiewet 2015 De raad van de gemeente Nuenen; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 november 2014; gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en derde lid, en 8a, eerste lid, onder b, en 6, tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet; besluit vast te stellen de Re-integratieverordening Participatiewet 2015

Overwegende dat: we het belangrijk vinden dat: • mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven, liefst door middel van betaald werk, en mensen in ieder geval een minimum inkomen hebben;

1 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

het de taak van de gemeente is om haar inwoners daarbij te helpen; de wetgever de Participatiewet, IOAW en IOAZ heeft opgesteld om dit te bereiken; •

de gemeente rekening houdt met de doelen van genoemde wetten bij het toepassen van de regels; de gemeente ervoor zorgt dat het effect van een besluit past bij de doelen van de wet en de regeling;

•

de gemeente daarbij de volgende kernwaarden betrekt: • Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de doelen te realiseren • Inwoners zetten zich er voor in om deze doelen te bereiken • De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen

Besluit vast te stellen de Re-integratieverordening Participatiewet NUENEN C.A. 2023 Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: • detachering: de werknemer wordt (tijdelijk) uitgeleend door de werkgever aan een opdrachtgever waar de feitelijke werkzaamheden plaatsvinden; •

doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a. van de Participatiewet;

•

externe werkbegeleiding: door een externe geboden werkbegeleiding bij het verrichten van aan de persoon opgedragen werkzaamheden, indien de persoon zonder die ondersteuning niet in staat is die werkzaamheden te verrichten;

•

interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een

Artikel 1. Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: •

doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet;

•

doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, Participatiewet): personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet, van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben;

•

loonwaarde (artikel 6, lid 1, onderdeel g Participatiewet); vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de door een persoon, die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de

2 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

werknemer op een werkplek; •

jobcoaching: een vorm van persoonlijke ondersteuning die wordt toegekend door UWV of gemeente om ervoor te zorgen dat mensen met een arbeidsbeperking werkzaamheden kunnen uitvoeren in een werkomgeving. De ondersteuning richt zich zowel op werknemer en werkgever . De begeleiding wordt geboden door een erkend deskundige.

•

persoonlijke ondersteuning: verzamelbegrip voor alle begeleiding zoals externe werkbegeleiding, interne werkbegeleiding, jobcoaching in natura; jobcoaching via subsidie, nazorg bij stageof werkaanvaarding, etc.; zoals in artikel 10 in de Participatiewet.

•

praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek;

•

voorziening: door het college noodzakelijk geacht aanbod, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken;

•

werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst, werkleerovereenkomst of stageovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in of namens zijn organisatie, dan wel dit van plan is;

•

werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst, werkleerovereenkomst of stageovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de Participatiewet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is;

•

Wet: Participatiewet

doelgroep loonkostensubsidie behoort; •

mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.

•

wet: de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz).

•

Het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nuenen;

•

De raad: de gemeenteraad van de gemeente Nuenen.

3 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

Artikel 2. Algemene bepalingen over voorzieningen

Artikel 3. Algemene bepalingen voorzieningen

1.

1. a. Indien het college een belanghebbende niet in staat acht op eigen kracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en het college dit voor de ondersteuning bij de arbeidsinschakeling van de belanghebbende noodzakelijk acht, biedt zij een of meerdere voorzieningen aan gericht op arbeidsinschakeling, mits de belanghebbende daar niet op een andere wijze in kan voorzien.

2.

3.

4.

Alle voorzieningen zijn voor personen behorende tot de doelgroep van toepassing tenzij voor de betreffende voorziening anders is bepaald. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de mogelijkheden, omstandigheden en capaciteiten van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. Het college houdt bij het aanbieden van voorzieningen rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod als dat nodig is intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan. Het college kan de mate van proportionaliteit afwegen tegen de maatschappelijke en persoonlijke opbrengst Het college kan een voorziening weigeren als: a.

de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

b. Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, kan het college aan de verstrekking van voorzieningen nadere verplichtingen verbinden die verband houden met de aard en het doel van de voorziening. 2. Het college kan ten aanzien van de voorzieningen nadere regels vaststellen omtrent: a. b. c. d.

De voorwaarden voor het verkrijgen van een voorziening; De weigeringsgronden bij het aanbieden van voorzieningen. Het vragen van eigen bijdragen; Overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen.

3 Het college houdt bij het aanbieden van voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. Tot deze omstandigheden behoren, voor zover van toepassing, eventuele zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt onder andere verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en b. het verrichten van noodzakelijk te achten mantelzorg. Artikel 5. Beëindiging voorziening 1Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Ioaw of de artikelen 13 en 37 van de Ioaz niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de

4 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

5.

Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet; d. de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een doeltreffend en doelmatig arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet; d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening

Wijziging: De doelgroep is gelijk gebleven, er is een extra wegingskader toegevoegd: Proportionaliteit. Er wordt rekening gehouden met de omstandigheden van belanghebbende en de omgeving. Dit nieuwe wegingskader geeft de specialist ruimte om voorzieningen passend bij de situatie aan te bieden. Ook is er de mogelijkheid om kosten en baten elkaar af te wegen.

5 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

De ASD heeft als advies gegeven om dit te laten vervallen en dat advies is opgevolgd.

Artikel 4. Budget- en subsidieplafonds 1. Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. 2. Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. 3. Indien een door het college ingesteld plafond bereikt is, kan een specifieke voorziening op grond daarvan worden geweigerd

Artikel 3 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid.

Artikel 14 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid.

Toelichting: De participatiewet bevat een hardheidsclausule, welke toegepast kan worden op de uitvoering van de participatiewet en de reintegratiewerkzaamheden die de gemeente heeft. Bovenstaand artikel is toegevoegd om te benadrukken dat maatwerk het uitgangspunt is in de verordening en dagelijkse uitvoering. Deze verordening geven kaders en richting maar mogen een proportionele, passende voorziening niet in de weg staan.

6 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

Artikel 4. Loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het derde tot en met het zesde lid van dit artikel van toepassing. 2. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en neemt hierbij de volgende criteria in acht: a. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 4. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet.

Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 5. Het college stelt binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.

Artikel 9. Loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d Participatiewet 1. Het college kan loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet aanbieden aan de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en neemt hierbij de volgende criteria in acht: a. Een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3. Het college kan een derde instantie betrekken ter advisering met betrekking tot het oordeel of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Deze instantie neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Artikel 10. Vaststelling loonwaarde als bedoeld in artikel 6, lid 1, onderdeel g Participatiewet 1. Het college gebruikt de in het beleidsplan re-integratie beschreven methode om de loonwaarde van een persoon vast te stellen. 2. Het college kan een derde instantie betrekken ter advisering met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Deze instantie neemt daarbij de in het beleidsplan re-integratie beschreven methode in acht.

Toelichting: De uitvoering en de hoogte van de vergoedingen zijn gelijk ten opzichte van de huidige werkwijze. Nieuw is de aanvraagmogelijkheid voor zowel werkgevers als werknemers. Er zijn verder geen wijzigingen die de inwoner of werkgever raken. De nieuwe verordening maakt het aanvraagproces inzichtelijk, waarmee we voldoen aan de nieuwe verordeningsverplichting om deze inzichtelijk te maken.

7 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

Artikel 5. Uitstroompremie 1. Het college kan eenmalig een uitstroompremie van een bedrag van € 1.000,- toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op een uitkering van het college. 2. Onder een langdurig werkloze wordt verstaan: een persoon van 27 jaar of ouder die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering van het college aangewezen is geweest. 3. Onder duurzame uitstroom wordt verstaan: een periode van uitkeringsonafhankelijkheid van tenminste 6 maanden door inkomsten uit werk. 4. De premie kan worden aangevraagd in de periode van 7 tot en met 12 maanden na datum uitstroom uit de uitkering door inkomsten uit werk.

Artikel 3.1 Uitstroompremie 1. Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een langdurig werkloze die vanuit de uitkering uitstroomt naar ongesubsidieerde arbeid of vanuit gesubsidieerde arbeid uitstroomt en daarmee een inkomen verwerft waardoor hij of zij niet meer afhankelijk is van algemene bijstand. 2. Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering ingevolge de Participatiewet aangewezen is. 3. De premie kan worden aangevraagd vanaf de zevende maand tot en met de achttiende maand na de indiensttreding en bedraagt € 500,-. 4. De aanvraag uitstroompremie geschiedt door indiening van een werkgeversverklaring over de gewerkte periode.

Toelichting: De uitstroompremie is regiobreed vastgesteld, het bedrag van € 1.000,- is een compromis passend bij alle partijen in de arbeidsmarktregio. Het is passend om de uitstroompremie te verhogen omdat dit het signaal geeft dat werken loont. De aanvraagperiode is verkort om aan te sluiten bij de regio. De dagelijkse uitvoeringspraktijk leert dat de premie veelal binnen de eerste 6 maanden aangevraagd werd, dus binnen de nieuwe aanvraagtermijn. Nieuw is de mogelijkheid om jongeren met loonkostensubsidie die (deels) uitstromen een uitstroompremie toe te kennen. De gemeente is voornemens om deze groep toe te laten tot deze regeling. Artikel 6. Tijdelijke Loonkostensubsidie

8 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

1.

2.

3. 4.

5. 6.

Het college kan aan de werkgever een tijdelijke loonkostensubsidie toekennen bij het in dienst nemen van een persoon uit de doelgroep met een tijdelijk lagere loonwaarde die niet in aanmerking komt voor de loonkostensubsidie bedoeld in hoofdstuk 3A. De subsidie is een vergoeding voor de extra kosten voor begeleiding door de werkgever en een tegemoetkoming voor de eventuele lagere productiviteit. De hoogte van de tijdelijke loonkostensubsidie wordt afgestemd op de loonwaarde van de werknemer. De duur van de loonkostensubsidie wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van de werknemer. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende maximaal 12 maanden respectievelijk 24 maanden. De werkgever komt in aanmerking voor tijdelijke loonkostensubsidie als de persoon uit de doelgroep met een tijdelijk lagere loonwaarde een dienstverband heeft voor minimaal 6 maanden. De loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.

Toelichting De regels voor tijdelijke loonkostensubsidie zijn in de arbeidsmarktregio gelijk opgesteld. De forfaitaire loonkostensubsidie werd al gebruikt maar was eerder nog niet opgenomen in een verordening of beleidsregels. Deze regeling motiveert werkgevers om werknemers met een grotere afstand op de

arbeidsmarkt in dienst te nemen met het uitzicht op een regulier dienstverband. Artikel 7. Sociale activering 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep

Artikel 2.4 Sociale activering 1. Sociale activering heeft als doel de belanghebbende, met behoud van

9 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

2. 3.

activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen. Het college stemt het aantal uren per week van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

Artikel 8. Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a. van de wet. 3. Een scholingstraject draagt in ieder geval bij aan het vergroten van de kans op duurzame arbeidsinschakeling.

uitkering, maatschappelijk nuttige activiteiten te laten verrichten, zo mogelijk met het oogmerk om hiermee werkritme op te doen. 2. Sociale activering kan een onderdeel zijn van een traject gericht op arbeidsinschakeling of, als dat (nog) niet mogelijk is, maatschappelijke participatie. 3. Sociale activering wordt alleen verricht bij organisaties zonder winstoogmerk. 4. Deze voorziening kan ingezet worden wanneer door het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende (nog) geen perspectief heeft op regulier werk en dat inzet van sociale activering, mede gelet op het tweede lid, wenselijk is. 5. De duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten worden afgestemd op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 6. Voor de verplichting om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening.

Artikel 2.2. Scholing 1. Het college kan scholing aanbieden indien: a.de scholing noodzakelijk wordt geacht om instroom naar algemeen geaccepteerde arbeid te realiseren; b.de scholing aansluit op de mogelijkheden van de persoon; c.de persoon voorafgaand aan de scholing aantoonbare inspanningen heeft verricht om instroom naar algemeen geaccepteerde arbeid te realiseren; d.bij de scholing sprake is van een baangarantie die leidt tot bijstandsonafhankelijkheid; e.het gaat om korte opleidingen en als het doel is het vergroten van de kansen op de arbeidsmarkt; f.de duur van het scholingstraject maximaal 24 maanden omvat; g.de kosten van de scholing of opleiding maximaal € 4.000,00 bedragen. 2. Scholing wordt niet ingezet voor jongeren, die regulier onderwijs kunnen volgen en daarvoor studiefinanciering kunnen ontvangen, overeenkomstig de bepalingen van de Wet studiefinanciering 2000 of een

10 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

tegemoetkoming volgens hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

Toelichting: De nieuwe regels vanuit de verordening geven de specialist meer vrijheid in de beoordeling van het recht op scholing als de voorgaande beleidsregels. Dit sluit aan bij de wensen van de regio. Artikel 9. Werkstage 1. Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als hij: a. behoort tot de doelgroep; en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. 2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie of het opdoen van beroepsrelevante competenties voor uitstroom naar werk. 3. Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkstage; en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt; c. de duur, deze is maximaal 3 maanden met de mogelijkheid van een eenmalige verlenging. Toelichting: Dit is een nieuwe voorziening. Het doel van deze voorziening is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. Artikel 10. Proefplaatsing 1.

Het college kan een persoon behorend tot de doelgroep toestemming verlenen om voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, in het kader van een proefplaatsing bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Het doel van de proefplaatsing is de kans op een dienstverband bij de werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaatsing voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet.

Artikel 2.7 Proefplaatsing 1. Het college kan een proefplaatsing inzetten, deze wordt uitgevoerd in de vorm van werken met behoud van uitkering. 2. Een proefplaatsing geldt voor een periode van maximaal 3 maanden. 3. Een proefplaatsing kan enkel worden ingezet als de betreffende werkgever de intentie heeft om bij goed functioneren tijdens de proefplaatsing aansluitend een arbeidsovereenkomst van minimaal 6 maanden aan te bieden. 4. Voor de persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, kan

11 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

3.

4.

5.

6.

Voor een proefplaatsing wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op een dienstverband bij de betreffende werkgever; c. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaatsing schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of b. als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie c. als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. Als de werkzaamheden tijdens de proefplaatsing wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten.

Het college kan een persoon tijdens de periode van de proefplaatsing persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen.

Artikel 11. Participatieplaats 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder van wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die vooralsnog niet bemiddelbaar is naar regulier werk een Participatieplaats aanbieden overeenkomstig artikel 10a van de wet. De persoon verricht op arbeidsinschakeling gerichte

de periode van de proefplaatsing worden gebruikt voor de vaststelling van de loonwaarde. 5. Bij het aangaan van een proefplaatsing dient de werkgever een overeenkomst aan te gaan met de desbetreffende persoon en de gemeente. De overeenkomst bevat ten minste: a. een beschrijving van de werkzaamheden die de persoon gaat verrichten; b. de duur van de proefplaatsing; c. de wijze van begeleiding van de persoon door de werkgever; d. de intentie van de werkgever tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor minimaal 6 maanden, met minimaal hetzelfde aantal uren als tijdens de proefplaatsing, direct aansluitend hierop; e. de verklaring dat de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering geregeld is door de werkgever.

Artikel 2.5 Participatieplaatsen Participatieplaatsen zijn tijdelijke additionele werkzaamheden met behoud van uitkering in het kader van de re-integratie. In een participatieplaats verrichten mensen werkzaamheden in het perspectief van hun reintegratie. Dit wil zeggen dat de activiteit primair gericht moet zijn op het

12 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

2.

3.

werkzaamheden die bijdragen aan het versterken van de toekomstige kansen van de persoon op de arbeidsmarkt. Het college legt de afspraken over de invulling van de participatieplaats vast in een overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever die de participatieplaats aanbiedt en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. In de overeenkomst wordt ten minste het volgende vastgelegd: - doel van de participatieplaats; - beschrijving van de taken en de tijden van aanwezigheid; - afspraken over begeleiding bij de uitvoering van de werkzaamheden; - afspraken over de monitoring van de voortgang en de evaluatiemomenten; - beoogde ontwikkelstappen tijdens de duur van de participatieplaats; - noodzakelijke inzet van ondersteunende voorzieningen; - afspraken over aanvullende vergoedingen voor extra kosten van de persoon. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt € 350,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

bevorderen van de mogelijkheden van de belanghebbende om uit de bijstand te stromen naar reguliere arbeid en niet primair op het realiseren van het bedrijfsdoel van degene voor wie zij deze werkzaamheden verrichten. Voor de inhoud van de werkzaamheden moet gezocht worden naar werkzaamheden die passen bij de vaardigheden van de belanghebbende. Artikel 2.5 Participatieplaats 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten in de vorm van een participatieplaats. 2. De bijstandsgerechtigde verricht minimaal 12 uur per week onbeloonde additionele werkzaamheden. 3. Het college zorgt ervoor dat de termijn en de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 4. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid van de wet, bedraagt € 250,- en wordt uitbetaald na 6 maanden onder de voorwaarde dat er voldoende wordt meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. 5. Voor het aanbieden van een scholingstraject in het kader van participatieplaatsen verwijzen we naar artikel 6 van de verordening.

Toelichting: De werkwijze en uitvoering van de Participatieplaats blijft hetzelfde. De premie is verhoogd van 250 euro naar 350 euro. Dit bedrag sluit aan bij de regio. Het gaat om een voorziening die niet vaak ingezet wordt. Artikel 12. Het opdragen van een tegenprestatie 1.Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren:

Artikel 12. Het opdragen van een tegenprestatie 1.Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren:

a. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende;

a. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende;

13 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

b. de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;

b. de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;

c. de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen;

c. de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen;

d. als een belanghebbende al mantelzorg, maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden;

d. als een belanghebbende al mantelzorg, maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden;

e. de tegenprestatie is beperkt in duur en omvang.

e. de tegenprestatie is beperkt in duur en omvang.

Artikel 13. Participatievoorziening beschut werk 1. Het college verstrekt om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken de volgende voorzieningen: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2. Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden: a. arbeidsmatige dagbesteding als bedoeld in artikel […] van de [citeertitel Wmo-verordening]; b. sociale activering als bedoeld in artikel 5; c. scholing als bedoeld in artikel 7; d. persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 11; of e. schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. 3. Het college kan daarnaast voorzieningen aanbieden gericht op het behoud van of het vergroten van arbeidsritme en de kansen voor duurzame uitstroom in aangepast werk.

Artikel 7. Participatievoorziening beschut werk 1.Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. 2.Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen met een verdiencapaciteit minder dan 30% van het wettelijk minimumloon. 3.Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken kan het college onder meer de volgende ondersteunende voorzieningen inzetten: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding; c.werktempo of arbeidsduur. 4.Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt.

In verband hiermee overlegt het college met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.

14 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

Artikel 14a. Persoonlijke ondersteuning naar en bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning naar en bij werk in verschillende vormen verstrekken: 2. a. jobcoaching in natura; b. werkbegeleiding of nazorg in natura. 3. een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider; De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van re-integratieactiviteiten. Artikel 14b. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning naar en bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning naar en bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 3.

Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet. Artikel 14 c. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning naar en bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon die behoort tot de doelgroep. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, bovenop het bepaalde in artikel 3, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten;

15 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning mogelijk bijstandsgerechtigd worden; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. Artikel 14d. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning naar en bij werk 1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning naar werk, kan op ieder moment in het traject naar werk worden aangevraagd of kan ambtshalve worden ingezet. 2. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 12 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 3.

Het college stelt in nadere regels de omvang van de persoonlijke ondersteuning vast, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. 4. Als door of namens gemeente een of meer jobcoaches gecontracteerd zijn, biedt het college deze bij voorrang aan. Toelichting: Persoonlijke ondersteuning naar en bij werk en overige voorzieningen zijn een categorie voorzieningen welke de werknemer ondersteunen. In de verordening worden de voorwaarden voor deze voorziening gezamenlijk genoemd. Het is mogelijk dat in het lid van de voorziening zelf nog aanvullende voorwaarden benoemd worden. Artikel 14e. Jobcoaching in natura Artikel 2.6 Jobcoaching 1. Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in 1. Het college kan jobcoaching aanbieden bij het verrichten van de aan

16 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

2.

natura aanbieden. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 14c tot en met 14g van overeenkomstige toepassing.

die persoon opgedragen taken in de vorm van structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten. 2. Een jobcoach ondersteunt/begeleidt een persoon (werknemer) met een structurele functionele beperking tijdelijk bij het verrichten van zijn taken op zijn/haar werkplek. 3.Een jobcoach kan worden ingezet voor de doelgroep banenafspraak en personen uit de doelgroep met een (grote) afstand tot de arbeidsmarkt. 4. Vergoeding van jobcoaching door het UWV wordt gezien als een voorliggende voorziening. 5. Jobcoaching heeft ten doel dat een werknemer zelfstandig zijn werk kan uitvoeren en behouden. 6. Inzet van de jobcoach is maatwerk en wordt gerelateerd aan de loonwaarde van de betreffende persoon.

Artikel 14f. Subsidie voor jobcoaching 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het inzetten van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning naar of bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen overeenkomstig de kwaliteitseisen van het UWV. 3. Subsidie voor het inzetten van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 14a tot en met 14d, worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 4. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis een regiem

17 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

5.

6.

waarbij de verleende jobcoaching in de eerste drie jaar wordt verleend voor een aantal uren dat maximaal overeenkomt met respectievelijk 10% in het eerste, 7,5% in het tweede en 5% in het derde jaar van het aantal uren dat de aan de persoon opgedragen taken in beslag nemen. Het college kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede: a. ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of b. integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs.

Toelichting: Jobcoaching is een voorziening waar we al gebruik van maken. In de nieuwe verordening worden meer criteria gesteld. Deze criteria zijn regiobreed opgesteld en passend bij de ervaringen van de professionals om deze regeling goed uit te kunnen voeren. Artikel 14g. Interne werkbegeleiding 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. Artikel 14h. Externe werkbegeleiding of nazorg 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op extra begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college extra begeleiding of nazorg na plaatsing bieden aan de werknemer en de werkgever voor de noodzakelijke ondersteuning bij het inwerken of het gaan functioneren op de werkplek.

18 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

2.

Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen personen behorend tot de doelgroep vervolgens zelf te begeleiden.

Toelichting: Interne en externe werkbegeleiding zijn voorzieningen die reeds ingezet worden. In de nieuwe verordening worden de kaders vastgelegd. Artikel14i. Ondersteuning bij leer-werktraject 1. Het college kan, overeenkomstig artikel 10f van de wet, ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leerwerktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leerwerktraject en het personen betreft: a. van 16 en 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of b. van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Toelichting: Ook ondersteuning bij een leer-werktraject is niet nieuw, het vastleggen van de kaders in de verordening wel. Artikel 14j. Vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek of activiteiten in het kader van arbeidstoeleiding kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.

3. Voor de vaststelling van de hoogte van de vervoersvoorziening maken we gebruik van de geldende normbedragen volgens het UWV met betrekking tot werk- en onderwijsvoorzieningen. 4. De hoogte van de vergoeding hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een

Artikel 3.2 Reiskosten 1. Het college kan voor het volgen van een re-integratievoorziening waarbij sprake is van een woon-werkafstand van meer dan 10 kilometer, een tegemoetkoming in de reiskosten verstrekken op basis van het tarief voor: a.de voordeligste mogelijkheid van het openbaar vervoer; b. eigen vervoer tegen een kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer voor de kortste route overeenkomstig de ANWB routeplanner. 2. Onder reiskosten als bedoeld in het vorige lid worden mede verstaan de reiskosten van en naar de kinderopvanglocatie, als daarvan sprake is. 3. In afwijking van lid 1 is een vergoeding van de reiskosten wel mogelijk bij een afstand van minder dan 10 kilometer als de belanghebbende door

19 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

taxi of een andere vorm van vervoer. 5. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.

lichamelijke, psychische of sociale problemen niet in staat is met eigen vervoer te reizen en aangewezen is op openbaar vervoer. 4. De betaling van de tegemoetkoming in de reiskosten vindt plaats op declaratiebasis achteraf.

Toelichting:

De vervoersvoorziening opgenomen in artikel 15j is niet de enige vorm van reiskosten die de gemeente aanbiedt aan inwoners met een reintegratievoorziening. De reiskosten zoals opgenomen in artikel 3.2 blijven opgenomen in de nieuwe beleidsregels re-integratie en worden in dezelfde vorm als de huidige voorgelegd. Artikel 14k. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap 1. Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken of bij arbeidstoeleiding; Voor de vaststelling van de omvang van de intermediaire activiteit maken we gebruik van de geldende normbedragen volgens het UWV met betrekking tot werk- en onderwijsvoorzieningen. Toelichting: Dit is een nieuwe voorziening. In het verleden zijn er geen verzoeken in deze aard bekend in de dagelijkse uitvoering. Bij de toekenning van deze voorziening zal het toetsingskader ‘proportionaliteit’ een rol spelen. Artikel 14l. Meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2.

Het betreft het verstrekken van de meeneembare voorziening voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. 3. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is, zie ook artikel 2.3 en artikel 14a.

20 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

4. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. Wanneer een voorziening op maat gemaakt is voor belanghebbende kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. Toelichting: Dit is een nieuwe voorziening. In het verleden zijn er geen verzoeken in deze aard bekend in de dagelijkse uitvoering. Bij de toekenning van deze voorziening zal het toetsingskader ‘proportionaliteit’ een rol spelen. Artikel 14m. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn. Toelichting: Dit is een nieuwe voorziening. In het verleden zijn er geen verzoeken in deze aard bekend in de dagelijkse uitvoering. Bij de toekenning van deze voorziening zal het toetsingskader ‘proportionaliteit’ een rol spelen. Artikel 15 Intrekken oude verordening en overgangsrecht 1. De Re-integratieverordening Participatiewet 2015 wordt ingetrokken. 2.

Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Re-integratieverordening Participatiewet 2015 die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Verordening Re-integratie 2015 Nuenen voor de duur: a. van 12 maanden gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; of b. dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a. 3. Het college kan na afloop van de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening in verband met een bijzondere individuele situatie wordt voortgezet. 4. De Re-integratieverordening Participatiewet 2015 blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het derde en vierde lid. Artikel 17. Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht op 1 juli

21 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

2023. 2.2.Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet Nuenen c.a. 2023.

22 Vergelijking verordening Re-integratie 2023 met verordening Re-integratie 2015 en beleidsregels re-integratie 2019

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13391370/2