ODZOB Wijziging GR Bijlage 3 Was-wordt lijst
Tekst van het document
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = gewijzigd of toegevoegd)
Achtergrond / Toelichting
Andere vindplaats
Artikel 1 Begripsbepaling 1. In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. De regeling: deze Gemeenschappelijke Regeling; b. Deelnemers: alle aan de regeling deelnemende publiekrechtelijke lichamen en rechtspersonen; c. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant; d. Colleges: Colleges van Burgemeester & Wethouders van de aan deze regeling deelnemende gemeenten; e. Provinciale Staten: Provinciale Staten van Noord-Brabant; f. Raden: gemeenteraden van de gemeenten waarvan het college deelneemt aan de regeling; g. De Omgevingsdienst: Het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van deze regeling, ook wel aangeduid als Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant; h. De Wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen; i. Boekjaar: Het boekjaar valt samen met het kalenderjaar; j. Het gebied: de rechtsgebieden van de aan deze Gemeenschappelijke Regeling deelnemende gemeenten, alsmede het daarmee overeenkomende rechtsgebied van de provincie Noord-Brabant.
Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: boekjaar: boekjaar dat samenvalt met het kalenderjaar; colleges: colleges van burgemeester en wethouders van de aan deze regeling deelnemende gemeenten; deelnemers: alle aan deze regeling deelnemende publiekrechtelijke lichamen; Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant; Landelijk basispakket: verplichte Landelijke Basistakenpakket, als opgenomen in artikel 13.12 Omgevingsbesluit juncto bijlage VI van het Omgevingsbesluit; omgevingsdienst: Omgevingsdienst ZuidoostBrabant; Provinciale Staten: Provinciale Staten van NoordBrabant; raden: gemeenteraden van de aan deze regeling deelnemende gemeenten; SGO: Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties werkgebied: totale grondgebied van de deelnemers aan deze gemeenschappelijke regeling, alsmede het daarmee overeenkomende grondgebied van de provincie Noord-Brabant; wet: Wet gemeenschappelijke regelingen.
Nummering losgelaten om latere wijzigingen makkelijker te verwerken. Nieuwe nummering van de regeling geïmplementeerd met paragrafen.
n.v.t.
1
Een toevoeging of verwijdering uit de begrippenlijst vereist daardoor geen verlettering en verdere wijzigingen in de rest van de regeling. Latere verwijderingen of toevoegingen aan de regeling zullen minder snel leiden tot grote impact op de nummering. Begripsbepaling op alfabetische volgorde gezet. Definities toegevoegd van: Landelijk basispakket, SGO. Definities verwijderd van: regeling. Behoeft niet gedefinieerd te worden.
2. Waar in deze regeling artikelen van de Provinciewet of Gemeentewet, dan wel andere wettelijke regelingen van overeenkomstige toepassing worden verklaard, wordt, tenzij anders vermeld, in die artikelen voor de provincie, Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning, respectievelijk de gemeente, de raad, burgemeester en wethouders, de burgemeester, gelezen: het openbaar lichaam, het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter. Artikel 2 Instelling, doel en beleid 1. Er is een openbaar lichaam dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wet, genaamd Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. 2. De Omgevingsdienst is gevestigd te Eindhoven. 3. De Omgevingsdienst is ingesteld om ten behoeve van de deelnemers taken uit te voeren op het gebied van het omgevingsrecht en daarmee als uitvoeringsdienst van het lokaal en provinciaal bestuur een bijdrage te leveren aan het realiseren en borgen van de door de verantwoordelijke overheden in de regio Zuidoost-Brabant aangegeven kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Artikel 3 bevoegdheden 1. Het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur hebben verordenende en regelgevende bevoegdheden met betrekking tot de aangelegenheden die de bedrijfsvoering van de Omgevingsdienst betreffen.
Artikel 1.2 Openbaar lichaam 1. Er is een openbaar lichaam dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet, genaamd Omgevingsdienst Brabant Noord. 2. Het openbaar lichaam is gevestigd te Eindhoven. 3. De Omgevingsdienst is ingesteld om ten behoeve van de deelnemers taken uit te voeren op het gebied van het omgevingsrecht en daarmee als uitvoeringsdienst van het lokaal en provinciaal bestuur een bijdrage te leveren aan het realiseren en borgen van de door de verantwoordelijke overheden in de regio Zuidoost-Brabant aangegeven kwaliteit van de fysieke leefomgeving
Doel van de regeling in de aanhef geplaatst.
Aanhef
Bevoegdheden van algemeen bestuur zijn opgenomen in artikel 3.6.
Artikel 3.6 en 4.5 van de regeling.
Bevoegdheden van dagelijks bestuur zijn opgenomen in artikel 4.5. 2
2. Het Algemeen bestuur respectievelijk het Dagelijks bestuur kunnen afzonderlijk of tezamen, ieder voor zover zij bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van het openbaar lichaam. 3. Het Algemeen Bestuur is bevoegd met het oog op het in artikel 2 benoemd belang en na verkregen toestemming van de raden en Provinciale Staten tot het vaststellen of wijzigen van een Gemeenschappelijke Regeling tussen de Omgevingsdienst en andere openbare lichamen, alsmede tot het toetreden tot en het uittreden uit een dergelijke regeling. 4. Het algemeen bestuur is bevoegd te besluiten tot de oprichting van of deelname in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperaties en verenigingen, dan wel de ontbinding daarvan of beëindiging van deelneming daaraan ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van de Omgevingsdienst enkel op het gebied van de ondersteunende processen op voorwaarde dat de raden en Provinciale Staten vooraf in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorgenomen besluit aan het algemeen bestuur kenbaar te maken. 5. Het Dagelijks Bestuur is bevoegd met Gedeputeerde Staten en met de colleges van één of meer al dan niet deelnemende gemeenten samenwerkingsovereenkomsten te sluiten met betrekking tot ondersteunende dienstverlening door Gedeputeerde Staten en
Mandaat voor leges niet in de regeling, maar in een mandaatbesluit van de heffingsambtenaar.
3
de colleges voor taken waarmee de Omgevingsdienst belast is. 6. Het dagelijks bestuur kan enkel op basis van de door de heffingsambtenaren van de deelnemers verleende externe mandaten leges innen voor het op aanvraag door de Omgevingsdienst leveren van diensten en het uitvoeren van taken voor derden. De leges worden vastgesteld op basis van de door iedere deelnemer gehanteerde norm. De leges komen ten goede aan de betrokken deelnemer. Artikel 1.3 Participatie 1. Ingezetenen van de deelnemers en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden of Provinciale Staten van de deelnemers betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. 2. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen. 3. Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden of Provinciale Staten het dagelijks bestuur hierom verzoeken. 4. Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven. 4
Nieuw.
n.v.t
Artikel 4 Landelijke Basistaken 1. De Omgevingsdienst is belast met het ten behoeve van de deelnemers uitvoeren van het door Rijk, VNG en IPO overeengekomen Landelijk Basistakenpakket zoals dat is vermeld in bijlage 1 bij deze regeling (bijlage 1: Beschrijving Landelijk Basistakenpakket gemeenten en Landelijk Basistakenpakket provincie). 2. Bij wijziging door landelijke wetgeving of anderszins van het Landelijk Basistakenpakket
Artikel 1.4 Zienswijze 1. Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden en Provinciale Staten om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden en Provinciale Staten het dagelijks bestuur hierom verzoekt. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte. 2. Indien het eerste lid wordt toegepast, dan hebben de raden en Provinciale Staten twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven is stelt het dagelijks bestuur de raden, Provinciale Staten en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
Nieuw
Artikel 2.1 basistaken 1. De omgevingsdienst is belast met het ten behoeve van de deelnemers uitvoeren van het Landelijk Basistakenpakket met inachtneming van het door de deelnemers vastgestelde beleid. 2. Onder de taken, bedoeld in het eerste lid, behoort ook het vervullen van: a. adviserende taken op het terrein van de vergunningverlening, toezicht en handhaving ten behoeve van de deelnemers; b. coördinerende taken voor de deelnemers; en
Landelijk basistakenpakket opgenomen in artikel 1.1 begripsbepaling.
5
n.v.t
geldt het Landelijk Basistakenpakket na die wijziging en wordt de omschrijving daarvan zoals vermeld in bijlage 1 aangepast door het Algemeen Bestuur. 3. Tot het Landelijk Basistakenpakket wordt ook gerekend het in dit kader vervullen van adviserende taken op het terrein van de vergunningverlening, toezicht en handhaving ten behoeve van de deelnemers, alsmede coördinerende en afstemmende taken die voor de deelnemers tezamen worden verricht. Artikel 5 Verzoektaken 1. In aanvulling op de taken uit het Landelijk Basistakenpakket kan de Omgevingsdienst op verzoek van een of meer deelnemers ook andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden inzake de vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) op het gebied van de fysieke leefomgeving verrichten 2. Op verzoek van een of meer deelnemers kan de Omgevingsdienst naast de in lid 1 van dit artikel vermelde taken, ook andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de fysieke leefomgeving voor hen verrichten.
Artikel 6 Dienstverleningsovereenkomsten Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van de in artikel 4 en 5 genoemde taken worden door of namens het Dagelijks Bestuur enerzijds en elk van de deelnemers afzonderlijk anderzijds, schriftelijke afspraken gemaakt, waarin in ieder geval is vastgelegd welke producten en diensten de Omgevingsdienst aan de deelnemers zal leveren en wat de vergoeding daarvoor zal zijn.
c.
afstemmende taken voor de deelnemers.
Artikel 2.2 Verzoektaken Onverminderd artikel 2.1 kan de omgevingsdienst, voor zover dit geen verstoring veroorzaakt in de uitvoering van de basistaken, op verzoek van een of meer deelnemers de volgende andere taken uitvoeren: a. verzoektaken met betrekking tot andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden inzake vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van de fysieke leefomgeving; of b. andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de fysieke leefomgeving.
Conform Aanwijzingen voor de Regelgeving herschreven.
Artikel 2.4 Algemene leveringsvoorwaarden of dienstverleningsovereenkomsten 1. Het algemeen bestuur stelt algemene leveringsvoorwaarden vast of geeft het dagelijks bestuur opdracht tot het aangaan van een dienstverleningsovereenkomst met elk van de deelnemers afzonderlijk, met betrekking tot de uitvoering van de taken, genoemd in de artikelen 2.1 en 2.2.
Mogelijkheden opgenomen voor flexibiliteit. Dienstverleningsovereenkomst of werkprogramma met algemene voorwaarden.
6
De vergoeding dient te worden vastgesteld bij begroting en jaarrekening.
n.v.t.
Artikel 7 Werkzaamheden voor andere publiekrechtelijke rechtspersonen Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de in artikel 4 en 5 bedoelde taken, kan de Omgevingsdienst op verzoek van andere publiekrechtelijke rechtspersonen adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de fysieke leefomgeving voor hen verrichten. Artikel 8 Bestuursorganen De Omgevingsdienst kent de volgende organen: a. het Algemeen Bestuur; b. het Dagelijks Bestuur; c. de voorzitter; d. de door het bestuur ingestelde commissies. Artikel 9 Samenstelling 1. De Omgevingsdienst heeft een Algemeen Bestuur. Gedeputeerde Staten en de colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het Algemeen Bestuur aan. Ook wijzen zij uit hun midden ieder tenminste één lid aan die het door hen benoemde lid bij diens ontstentenis vervangt.
2. In de algemene leveringsvoorwaarden of dienstverleningsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval vastgelegd: a. welke producten en diensten de omgevingsdienst aan de deelnemers zal leveren; b. bij beëindiging van de taken, genoemd in artikel 2.2: 1°. de afwikkeling van de financiële gevolgen; 2°. de compensatie voor de overige rechten en verplichtingen. Artikel 2.3 werkzaamheden voor andere publiekrechtelijke rechtspersonen Onverminderd de taken, bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2, kan de omgevingsdienst op verzoek van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon, indien dit geen verstoring veroorzaakt, adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden voor die rechtspersoon verrichten op het gebied van de fysieke leefomgeving. Artikel 12, eerste lid, van de wet regelt dat het openbaar bestuur bestaat uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter. Artikel 3.1 Samenstelling en aanwijzing 1. De colleges en Gedeputeerde Staten wijzen ieder uit hun midden een lid aan en wijzen een plaatsvervangend lid aan. 2. Een plaatsvervangend lid vervangt het aangewezen lid bij: 1. ontstentenis; of 2. ontslag. 7
Artikel 12, eerste lid, van de wet regelt dat het openbaar bestuur bestaat uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter. In artikel 13 van de wet is het van rechtswege eindigen van het
2. De leden van het Algemeen Bestuur worden aangewezen voor een zittingsduur van 4 jaar en treden af op de dag waarop in het kader van een nieuwe zittingsperiode van de raden respectievelijk Provinciale Staten een nieuw geïnstalleerd college respectievelijk de nieuw geïnstalleerde Gedeputeerde Staten een besluit neemt tot aanwijzing van een lid en plaatsvervangend lid van het Algemeen Bestuur. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen. 3. Wanneer het lidmaatschap van Gedeputeerde Staten of van het college eindigt, eindigt ook het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het Algemeen Bestuur. 4. Een lid van het Algemeen Bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Dit gebeurt door mededeling aan het Algemeen Bestuur. 5. Indien tussentijds de plaats van een (plaatsvervangend) lid vacant komt, wijst het daartoe bevoegde college of Gedeputeerde Staten zo spoedig mogelijk een nieuw (plaatsvervangend) lid aan. 6. Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende bestuursleden bevoegd besluiten te nemen, onverminderd het bepaalde in artikel 11, zesde lid. 7. Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van één der deelnemers dan wel door of vanwege het bestuur van het lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt.
Met ambtenaar worden voor de toepassing van dit lid gelijkgesteld zij die in dienst van één der deelnemers dan wel
Artikel 3.2 Incompatibiliteit Onverminderd artikel 20 van de wet is het lidmaatschap van het algemeen bestuur onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een der deelnemers, dan wel door of vanwege het bestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt. Artikel 3.3 Einde lidmaatschap 1. Onverminderd artikel 13, tweede lid, van de wet, eindigt het lidmaatschap van een lid van het algemeen bestuur van rechtswege indien: a. het college dat hem heeft aangewezen of Gedeputeerde Staten een nieuw lid aanwijst; of b. het college dat hem heeft aangewezen of Gedeputeerde Staten schriftelijk het ontslag verleent indien: 1°. hij daar om verzoekt; 2°. hij het vertrouwen niet meer bezit van gedeputeerde staten of het college uit wiens midden men is aangewezen. 2. Indien tussentijds de plaats van een lid of een plaatsvervangend lid vacant komt, wijst het daartoe bevoegde college of Gedeputeerde Staten zo spoedig mogelijk een nieuw lid of een plaatsvervangend lid aan.
8
lidmaatschap van het algemeen bestuur geregeld.
van het lichaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijke recht werkzaam zijn. Artikel 10 Werkwijze 1. Het Algemeen Bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. Dit reglement en de daarin aangebrachte wijzigingen, worden aan de colleges en Gedeputeerde Staten gezonden. Op het houden en de orde van de vergaderingen van het Algemeen bestuur van de Omgevingsdienst zijn de artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 26 en 28 t/m 33 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing. 2. Het Algemeen Bestuur vergadert minimaal twee maal per jaar. Meer vergaderingen kunnen ingelast worden wanneer de voorzitter of het Dagelijks Bestuur dit nodig acht, wanneer ter voldoening aan het bepaalde in artikel 14, tweede lid van deze regeling een of meer leden van het Dagelijks Bestuur moeten worden benoemd of wanneer tenminste 1/5e van de leden van het Algemeen Bestuur, onder opgave van redenen, dit schriftelijk verzoekt. 3. De vergaderingen van het Algemeen Bestuur zijn openbaar. De deuren zijn gesloten wanneer 1/5e van het aantal leden hierom verzoekt of de voorzitter dit nodig acht en het Algemeen Bestuur dienovereenkomstig besluit. 4. In een besloten vergadering van het Algemeen Bestuur kan niet worden beraadslaagd of worden besloten over: a. de vaststelling en wijziging van de begroting; b. de vaststelling van de rekening; c. de vaststelling van het liquidatieplan;
Artikel 3.4 Vergaderingen 1. Onverminderd artikel 22, tweede lid, van de wet, juncto artikel 17 van de Provinciewet, kunnen meer vergaderingen worden ingelast, indien een of meer leden van het dagelijks bestuur moeten worden benoemd. 2. Van een vergadering met gesloten deuren als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt, tenzij het algemeen bestuur anders beslist. 3. In een vergadering met gesloten deuren als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet, wordt niet beraadslaagd of besloten over: a. de vaststelling en wijziging van de begroting en de vaststelling van de jaarrekening; b. de vaststelling van het liquidatieplan; c. het benoemen of ontslaan van een lid van het dagelijks bestuur; d. de vaststelling of wijziging van een gemeenschappelijke regeling tussen de omgevingsdienst en andere openbare lichamen; e. het toetreden tot of het uittreden uit een regeling, bedoeld onder d; f. de oprichting van of deelname in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, coöperaties of verenigingen, dan wel de ontbinding daarvan of beëindiging van deelneming daaraan. 4. Het algemeen bestuur kan zich in de vergaderingen laten bijstaan door deskundigen. 9
De bepalingen uit het artikel volgen reeds uit de middels artikelen 51 juncto 22 van de wet van toepassing verklaarde artikelen uit de Provinciewet. Daarom zijn deze verwijderd en is in de Toelichting uitgebreid opgenomen welke artikelen van toepassing zijn. In artikel 22 van de wet zijn tevens bepalingen opgenomen over de vergaderorde.
d. de vaststelling of wijziging van regelingen; e. het verlenen van ontslag aan een lid van het Dagelijks Bestuur; f. de vaststelling of wijziging van een Gemeenschappelijke Regeling tussen de Omgevingsdienst en andere openbare lichamen, alsmede het toetreden tot en het uittreden uit een dergelijke regeling; g. de oprichting van of deelname in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperaties en verenigingen, dan wel de ontbinding daarvan of beëindiging van deelneming daaraan. 5. Op verzoek van de voorzitter geschiedt de in artikel 19, tweede lid, van de Provinciewet bedoelde openbare kennisgeving voor zijn vergaderingen op de gebruikelijke wijze. 6. Het Algemeen Bestuur kan zich in de vergaderingen laten bijstaan door adviseurs. Artikel 11 Besluitvorming 1. Ieder lid van het Algemeen Bestuur heeft in de vergadering één stem. 2. Besluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. Het bepaalde in artikel 28 tot en met 32 van de Provinciewet is van overeenkomstige toepassing. 3. Besluiten betreffende vaststelling van de begroting, begrotingswijzigingen en jaarrekening worden genomen met volstrekte meerderheid van stemmen. Tevens dient de meerderheid van stemmen tenminste de helft
Artikel 3.5 Besluitvorming 1. Ieder lid van het algemeen bestuur heeft in de vergadering een stem. 2. De volgende besluiten worden genomen met een gekwalificeerde meerderheid, waarbij de meerderheid van stemmen tevens tenminste de helft van de omzet vertegenwoordigt welke de omgevingsdienst in het voorgaande jaar heeft gerealiseerd: a. het vaststellen van de begroting; b. de wijziging van de begroting; en c. het vaststellen van de jaarrekening. 10
Op grond van artikel 22 van de wet is artikel 28 tot en met 32 van de Provinciewet reeds van overeenkomstige toepassing. De overige bepalingen uit het artikel volgen reeds uit de middels artikelen 51 juncto 22 van de wet van toepassing verklaarde artikelen uit de Provinciewet. Daarom zijn deze verwijderd en is in de Toelichting uitgebreid
Toelichting.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
van de omzet te vertegenwoordigen welke de Omgevingsdienst in het voorafgaande jaar heeft gegenereerd. De omzet als bedoeld in het derde lid wordt bepaald op basis van de omvang van de opdrachtverlening als bedoeld in artikel 4 en 5. Indien de stemmen met betrekking tot een bepaald voorstel staken, wordt het betrokken onderwerp aangehouden tot de eerstvolgende vergadering van het Algemeen Bestuur. Indien de stemmen wederom staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Ingeval de stemmen bij herstemming over besluiten met betrekking tot benoeming, voordracht of aanbeveling van personen staken, beslist de voorzitter. Het Algemeen Bestuur kan slechts vergaderen en besluiten nemen indien meer dan de helft van het aantal leden van het Algemeen Bestuur aanwezig is. Jaarlijks wordt een vergaderschema vastgesteld van de data waarop begroting en rekening worden behandeld. Indien het vereiste aantal leden als bedoeld in lid 6 niet aanwezig is bij een vergadering, kan de voorzitter een nieuwe vergadering beleggen, welke binnen twee weken dient plaats te vinden. Op vergaderingen als bedoeld in lid 8 is het bepaalde van lid 6 niet van toepassing. Het Algemeen Bestuur kan daarin over alle onderwerpen, waaronder de begroting, een begrotingswijziging en de jaarstukken, beraadslagen en besluiten nemen ongeacht het aanwezige quorum. Bij besluitvorming over de
3. De omzet, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald op basis van de basistaken en verzoektaken als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2.
11
opgenomen welke artikelen van toepassing zijn.
begroting, een begrotingswijziging en de jaarstukken is het bepaalde in lid 3 2de volzin, lid 4 en lid 5 niet van toepassing. Artikel 12 Bevoegdheden 1. Aan het Algemeen Bestuur behoren met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstelling van de Omgevingsdienst alle bevoegdheden, die bij deze regeling niet aan het Dagelijks Bestuur of de voorzitter zijn opgedragen. 2. Het Algemeen Bestuur kan de uitoefening van door hem te bepalen bevoegdheden volgens door hem te stellen regels overdragen aan het Dagelijks Bestuur of aan een commissie als bedoeld in artikel 25 van de wet, met uitzondering van: a. het vaststellen en wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de jaarrekening; c. het stellen van regels over het aangaan van geldleningen, het uitlenen van geld, of over de directe regeling van hetgeen verder de geldmiddelen van de Omgevingsdienst aangaat; d. het nemen van besluiten over het instellen van commissies, als bedoeld in de artikelen 24, eerste en tweede lid en 25 van de wet; e. Het oprichten en deelnemen in een rechtspersoon als bedoeld in artikel 55a van de wet; f. het aanwijzen van de secretaris; g. het regelen van de gevolgen van toetreding of uittreding van een bestuursorgaan tot respectievelijk uit de regeling alsmede het
Artikel 3.6 Taken en bevoegdheden 1. Onverminderd de wet, heeft het algemeen bestuur de volgende taken en bevoegdheden: a. het vaststellen van beleidsregels waarmee de andere organen van de omgevingsdienst rekening houden bij de uitoefening van hun bevoegdheden; b. het instellen van commissies als bedoeld in artikel 25 van de wet; c. het oprichten van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien: 1°. dat in het bijzonder aangewezen is voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang; en 2°. dat ter behartiging van ondersteunende processen is; d. het met inachtneming van de hoofdstukken VIII en IX van de wet deelnemen aan of treffen van een gemeenschappelijke regeling ter behartiging van de ondersteunende processen, mits twee derde van het aantal deelnemers met het aangaan van de regeling heeft ingestemd. 2. Onverminderd artikel 57a van de wet, kan het algemeen bestuur de uitoefening van door hem te bepalen bevoegdheden volgens door hem te stellen beleidsregels of daaraan te stellen beperkingen overdragen aan het dagelijks 12
In dit artikel zijn de bevoegdheden geregeld van het algemeen bestuur, voor zover die niet voortvloeien uit de wet. Voor zover de wet de bevoegdheid niet regelt is dit expliciet opgenomen in dit artikel. De bevoegdheden uit artikel 3 van de oude regeling zijn hierin opgenomen. Het overdragen van bevoegdheden door het algemeen bestuur is uitgesloten indien de regeling dit uitsluit óf indien de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet. Artikel 57a van de wet regelt welke bevoegdheden niet mogen worden overgedragen.
verbinden van nadere voorwaarden daaraan; h. het doen van een voorstel aan de colleges en Gedeputeerde Staten tot wijziging van de regeling; i. het vaststellen van een liquidatieplan bij opheffing van de regeling.
Artikel 13 Geheimhouding Het Algemeen Bestuur kan in een besloten vergadering, op grond van de belangen, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur,
bestuur of aan een commissie als bedoeld in artikel 25 van de wet, met uitzondering van: a. het stellen van beleidsregels over het aangaan van geldleningen, het uitlenen van geld, of over de directe regeling van hetgeen verder de geldmiddelen van de omgevingsdienst aangaat; b. het regelen van de gevolgen van toetreding of uittreding van een bestuursorgaan tot respectievelijk uit de regeling alsmede het verbinden van nadere voorwaarden daaraan; c. het doen van een voorstel aan de colleges en Gedeputeerde Staten tot wijziging van de regeling; d. het instellen van een commissie als bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, artikel 24a en artikel 25 van de wet; e. het oprichten van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, bedoeld in het eerste lid, onder c; f. het vaststellen van een liquidatieplan bij opheffing van de regeling. 3. Onverminderd artikel 25 van de wet regelt het algemeen bestuur bij het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste lid, onder b: a. de einddatum van de commissie, indien deze is ingesteld voor bepaalde tijd; en b. de benoeming van een lid van het dagelijks bestuur als voorzitter van de commissie. Artikel 6.5 Geheimhouding Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter en een commissie als bedoeld in de 13
De wet regelt uitputtend de procedure en beperkingen van geheimhouding. Gelet op het belang dat met de geheimhouding
omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan het Algemeen Bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Deze wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen, totdat het Algemeen Bestuur haar opheft. Artikel 14 Samenstelling 1. Het Dagelijks Bestuur bestaat uit minimaal 3 leden en maximaal 6 leden waaronder de voorzitter. 2. De leden worden uit en door het Algemeen Bestuur gekozen in de eerste vergadering, waarin het Algemeen Bestuur in een nieuwe samenstelling bijeen komt, dan wel in de eerstvolgende vergadering van het Algemeen Bestuur, volgend op de beëindiging van het lidmaatschap van één of meer leden van het Dagelijks Bestuur. 3. Het Algemeen Bestuur bewaakt bij de aanwijzing van leden van het Dagelijks Bestuur een evenwichtige spreiding over het werkgebied van de Omgevingsdienst. 4. De zittingsperiode van de leden van het Dagelijks Bestuur is gelijk aan de zittingsperiode van de colleges. De leden kunnen opnieuw worden benoemd. Zij blijven hun functie waarnemen totdat voorzien is in hun opvolging. 5. Het lidmaatschap eindigt zodra een lid ophoudt lid te zijn van het Algemeen Bestuur dan wel ontslag neemt als lid van het Dagelijks Bestuur.
artikelen 24 of 25 van de wet, nemen artikel 23 van de wet inzake geheimhouding in acht.
samenhangt is wel een kapstok artikel opgenomen.
Artikel 4.1 Samenstelling en aanwijzing 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit minimaal drie leden en maximaal zes leden, waaronder de voorzitter. 2. De leden worden uit en door het algemeen bestuur gekozen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur: a. waarin het algemeen bestuur in een nieuwe samenstelling bijeen komt; of b. volgend op de beëindiging van het lidmaatschap van een of meer leden van het dagelijks bestuur. 3. Het algemeen bestuur bewaakt bij de aanwijzing van de leden van het dagelijks bestuur een evenwichtige spreiding over het werkgebied van de omgevingsdienst.
De wet schrijft dwingend voor dat het lidmaatschap van het algemeen eindigt indien het lidmaatschap van het college dat het lid heeft aangewezen eindigt. Een lid van het dagelijks bestuur dat geen lid meer is van het algemeen bestuur kan niet in de functie aanblijven.
Artikel 4.2 Einde lidmaatschap Het lidmaatschap van een lid van het dagelijks bestuur eindigt van rechtswege indien: a. zijn lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op grond van artikel 3.3; of b. het algemeen bestuur dat hem heeft aangewezen schriftelijk het ontslag verleent indien: 1°. hij daar om verzoekt; 14
Opgeschoond conform aanwijzingen voor de regelgeving.
6. Het lid van het Dagelijks Bestuur dat ontslag neemt blijft in functie tot de eerstvolgende vergadering van het Algemeen Bestuur. 7. Een lid, kan worden ontslagen, indien hij het vertrouwen niet meer bezit van het Algemeen Bestuur. 8. Indien tussentijds een plaats van een lid openvalt, wordt zo spoedig mogelijk een nieuw lid aangewezen. Artikel 15 Werkwijze 1. Het Dagelijks Bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee leden dit nodig oordelen. In het laatste geval wordt de vergadering binnen veertien dagen na een zodanig verzoek gehouden. 2. Besluiten van het Dagelijks Bestuur vinden plaats op basis van gewone meerderheid van stemmen. 3. Het bepaalde in artikel 52 tot en met 60 van de Provinciewet is van overeenkomstige toepassing. Artikel 16 Bevoegdheden 1. Het Dagelijks Bestuur oefent de taken en bevoegdheden die in deze regeling aan het Dagelijks Bestuur zijn opgedragen uit. 2. Het Dagelijks Bestuur is in het bijzonder belast met: a. het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het Algemeen Bestuur hiermee is belast; b. beslissingen van het Algemeen Bestuur voor te bereiden en uit te voeren;
2°. hij het vertrouwen niet meer bezit van het algemeen bestuur uit wiens midden men is aangewezen.
Artikel 4.3 Vergaderingen 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee leden dit nodig oordelen. 2. Op het houden en de orde van de vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn de artikelen 52 tot en met 57, artikel 59a en artikel 60 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.4 Besluitvorming Besluitvorming van het dagelijks bestuur vindt plaats overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de Provinciewet. Artikel 4.5 Taken en bevoegdheden Onverminderd artikel 57b, van de wet, heeft het dagelijks bestuur de volgende bevoegdheden: a. het behartigen van de belangen van de omgevingsdienst bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor de omgevingsdienst van belang is; b. de zorg voor het beheer van inkomsten en uitgaven van de omgevingsdienst; c. de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding. 15
Alle bepalingen uit de Provinciewet die relevant zijn voor de vergaderingen en besluitvorming zijn van toepassing verklaard. In de toelichting is een artikelsgewijze toelichting opgenomen.
Artikel57b van de wet regelt welke bevoegdheden het dagelijks bestuur ten minste bezit. Het derde lid van het oude artikel 16 is opgenomen in artikel 57b van de wet en behoeft niet te worden geregeld in de regeling. Het benoemen, schorsen en ontslaan van ambtenaren is met de inwerkingtreding van de WNRA niet meer een publiekrechtelijke bevoegdheid
c.
regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de Omgevingsdienst; d. ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan; e. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de Omgevingsdienst te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 31a van de wet; f. te besluiten namens de Omgevingsdienst, het Dagelijks Bestuur of het Algemeen Bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het Algemeen Bestuur, voor zover het het Algemeen Bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist; g. het voorstaan van de belangen van de Omgevingsdienst bij andere overheden, instellingen of personen, waarvan het contact daarmee voor de Omgevingsdienst van belang is; h. de zorg voor het beheer van inkomsten en uitgaven van de Omgevingsdienst; i. de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; 3. Het Dagelijks Bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit. Artikel 17 Geheimhouding
van het dagelijks bestuur en dient derhalve niet meer in de regeling te worden geregeld.
Artikel 6.5 Geheimhouding
16
1. Het Dagelijks Bestuur kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan het Dagelijks Bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding wordt tijdens de vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of van de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat het Dagelijks Bestuur haar opheft. 2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de voorzitter of een commissie, ten aanzien van de stukken die zij aan het Dagelijks Bestuur overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan, dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel het Algemeen Bestuur haar opheft. Artikel 18 De voorzitter 1. De voorzitter wordt door en uit het Algemeen Bestuur aangewezen. 2. De voorzitter is tevens voorzitter van het Dagelijks Bestuur. 3. Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt hij vervangen door de plaatsvervangende voorzitter. Deze wordt aangewezen tijdens de eerste vergadering van het Algemeen Bestuur. 4.
De stukken die van het Algemeen Bestuur of het Dagelijks Bestuur uitgaan, worden door de voorzitter ondertekend.
Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter en een commissie als bedoeld in de artikelen 24 of 25 van de wet, nemen artikel 23 van de wet inzake geheimhouding in acht.
Artikel 5.1 De voorzitter 1. Ingevolge artikel 13, negende lid, van de wet, wijst het algemeen bestuur uit haar midden een voorzitter aan en een plaatsvervangend voorzitter die de voorzitter bij diens ontstentenis of ontslag vervangt. 2. De aanwijzing van de plaatsvervangend voorzitter, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in de eerste vergadering van het algemeen bestuur.
17
Artikel 57d regelt de vertegenwoordiging van het openbaar lichaam door de voorzitter en de machtiging. Ondertekening conform artikel 59a van de Provinciewet door de voorzitter. Opgenomen in artikel 4.3 van deze regeling. Medeondertekening bij rol secretaris opgenomen in artikel 5.3.
Artikel 4.3 Artikel 5.3
5. De voorzitter vertegenwoordigt het lichaam in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen. 6. De voorzitter tekent samen met de secretaris de stukken die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan. Artikel 19 Bestuurscommissies 1. Het Algemeen Bestuur kan, conform artikel 25 van de wet commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het Algemeen Bestuur stelt vooraf de raden en Provinciale Staten van dit voornemen op de hoogte en stelt hen in de gelegenheid hun wensen en bedenkingen ter kennis van het Algemeen Bestuur te brengen. 2. Een lid van het Dagelijks Bestuur is voorzitter van een commissie als bedoeld in het eerste lid. 3. Bij de instelling wordt in ieder geval geregeld: a. de samenstelling; b. de bevoegdheid of bevoegdheden; c. de werkwijze; d. de openbaarheid van vergaderingen; e. het toezicht van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur; f. de verhouding van de toegekende bevoegdheden tot die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur; g. de verantwoording aan het Algemeen Bestuur; h. indien de commissie is ingesteld voor bepaalde tijd, de einddatum van de commissie.
De bevoegdheid tot het instellen van een bestuurscommissie als bedoelt in artikel 25 van de wet is opgenomen bij de bevoegdheid van het algemeen bestuur. De wet regelt de eisen van instelling. Aanvullende eisen voor het instellen van een commissie als bedoeld in artikel 24 of 25 zijn opgenomen in artikel 3.6, derde lid, van de regeling.
18
Artikel 3.6.
Artikel 20 Commissies van advies 1. Het Algemeen Bestuur kan besluiten commissies van advies in te stellen ten behoeve van de uitvoering van de hem opgedragen taken conform artikel 24 van de wet. 2. De instelling van vaste commissies van advies aan het Dagelijks Bestuur of aan de voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschieden door het Algemeen Bestuur op voorstel van het Dagelijks Bestuur onderscheidenlijk de voorzitter. 3. Bij de instelling wordt in ieder geval geregeld: a. de samenstelling; b. de bevoegdheid /bevoegdheden; c. de werkwijze; d. de openbaarheid van vergaderingen; e. het toezicht van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur; f. de verhouding van de toegekende bevoegdheden tot die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur; g. de verantwoording aan het Algemeen Bestuur. 4. Andere commissies van advies aan het Dagelijks Bestuur of aan de voorzitter worden door het Dagelijks Bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld. Artikel 21 Werkgroepen, overleg Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter kunnen werkgroepen en overlegvormen instellen. Artikel 22 Tegemoetkoming 1. Het Algemeen Bestuur kan voor zijn leden, de leden van het Dagelijks Bestuur, de voorzitter
Artikel 3.8 Tegemoetkoming 1. De leden van het algemeen bestuur, de leden van het dagelijks bestuur of de voorzitter kunnen 19
De bevoegdheid tot het instellen van een commissie van advies als bedoeld in artikel 24 van de wet is reeds uitputtend geregeld en behoeft niet in de regeling te worden opgenomen. Aanvullende eisen voor instellen commissie opgenomen bij bevoegdheid algemeen bestuur.
Toelichting
Niet benodigd om dit in de regeling te regelen. Geen bevoegdheid of wettelijke plicht.
-
-
-
bij verordening een tegemoetkoming in de kosten vaststellen. Deze verordening bevat regels omtrent de hoogte en de toekenning van de tegemoetkoming in de kosten. 2. De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten, mede rekening houdende met de tegemoetkoming in de kosten welke de bestuurder ontvangt uit hoofde van zijn lidmaatschap van een van de deelnemende gemeenten. 3. Ten aanzien van de werkzaamheden en de kosten van de leden van de commissies, ingesteld met het oog op de behartiging van bepaalde belangen, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 4. De leden van commissies van advies die geen burgemeester, wethouder of raadslid zijn, kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen. De artikelen 93 tot en met 96 van de Provinciewet. alsmede de op grond daarvan gestelde nadere regelen, zijn alsdan van overeenkomstige toepassing. Artikel 23 Voorhangprocedure. 1. Het Algemeen Bestuur kan aan een dossier de kwalificatie ‘majeur’ toekennen. 2. Het Algemeen Bestuur kan besluiten de besluitvorming over een majeur dossier maximaal 3 maanden aan te houden teneinde Gedeputeerde Staten en de colleges in de gelegenheid te stellen hun raden respectievelijk Provinciale Staten te consulteren. 3. Het Algemeen Bestuur maakt geen gebruik van de mogelijkheden om Gedeputeerde Staten en
een door het algemeen bestuur vast te stellen tegemoetkoming in de kosten, en voor zover zij niet de functie van wethouder, secretaris of burgemeester vervullen, een vergoeding voor hun werkzaamheden ontvangen. 2. Het algemeen bestuur kan een tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en andere financiële voorzieningen vaststellen die verband houden met de vervulling van het lidmaatschap van het algemeen bestuur. 3. Bij het vaststellen van de tegemoetkoming en vergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid wordt artikel 21 van de wet in acht genomen. 4. Ten aanzien van de werkzaamheden en de kosten van de leden van de commissies, bedoeld in artikel 25 van de wet is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.7 Voorhangprocedure 1. Het algemeen bestuur kan aan een dossier de kwalificatie majeur toekennen. 2. Het algemeen bestuur kan besluiten de besluitvorming over een majeur dossier maximaal drie maanden aan te houden teneinde Gedeputeerde Staten en de colleges in de gelegenheid te stellen hun raden respectievelijk Provinciale Staten te consulteren. 3. Het algemeen bestuur maakt geen gebruik van de mogelijkheden om Gedeputeerde Staten en 20
-
-
de colleges om een reactie te vragen als bedoeld in het tweede lid indien naar het oordeel van Algemeen Bestuur om redenen van spoed eerdere besluitvorming noodzakelijk is. Artikel 24 Interne inlichtingenplicht en verantwoordingsplicht lid Dagelijks Bestuur 1. Het Dagelijks Bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het Algemeen Bestuur verantwoording schuldig over het door het Dagelijks Bestuur gevoerde bestuur. 2. Het Dagelijks Bestuur geeft het Algemeen Bestuur alle inlichtingen die het Algemeen Bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 3. Het Algemeen Bestuur regelt van welke besluiten van het Dagelijks Bestuur in ieder geval kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het Algemeen Bestuur. Daarbij kan het Algemeen Bestuur de gevallen bepalen waarin met ter inzage legging kan worden volstaan. Het Dagelijks Bestuur laat de kennisgeving of ter inzage legging achterwege voor zover deze in strijd is met het algemeen belang. 4. Het Algemeen Bestuur kan een lid van het Dagelijks Bestuur, indien dit lid het vertrouwen van het Algemeen Bestuur niet meer bezit, ontslag verlenen. Artikel 25 Externe Inlichtingenplicht 1. Het bestuur van de Omgevingsdienst verstrekt schriftelijk aan Gedeputeerde Staten, de colleges, Provinciale Staten en de raden de door een of meer leden van die bestuursorganen gevraagde inlichtingen zo
de colleges om een reactie te vragen als bedoeld in het tweede lid, indien naar het oordeel van algemeen bestuur om redenen van spoed eerdere besluitvorming noodzakelijk is. Artikel 6.4 Interne inlichtingenplicht 1. Onverminderd artikel 19a, tweede lid, van de wet regelt het algemeen bestuur van welke besluiten van het dagelijks bestuur in ieder geval kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het algemeen bestuur. 2. De regeling, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de gevallen waarin met ter inzage legging van de besluiten kan worden volstaan. 3. De kennisgeving of de terinzagelegging, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt niet plaats indien dit strijdig is met het openbaar belang.
Artikel 19a regelt dwingend dat het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk verantwoording schuldig zijn en dat het dagelijks bestuur alle inlichtingen geeft die het algemeen bestuur nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. De voorzitter heeft geen zelfstandige bevoegdheid en kan daarom geen bestuur voeren. Ontslag lid dagelijks bestuur geregeld in artikel 4.2.
Artikel 6.2 Externe inlichtingenplicht 1. De inlichtingen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet, worden verstrekt op de door de deelnemer die het lid heeft aangewezen, vastgestelde werkwijze. 2. De inlichtingen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet, worden schriftelijk binnen twee 21
Artikel 16, tweede lid, en artikel 17, eerste lid, van de wet regelt de inlichtingenplicht tussen het bestuur van het openbaar lichaam en de deelnemers en de raden en staten van de deelnemers. Artikel 16 bevat de passieve
4.2
spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het algemeen belang. 2. De inlichtingen worden in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt en wel door het Dagelijks Bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het Algemeen Bestuur of de voorzitter worden verlangd.
Artikel 26 Externe verantwoordingsplicht lid Algemeen Bestuur 1. Het lid van het Algemeen Bestuur is aan Gedeputeerde Staten of aan het college die dit lid heeft aangewezen verantwoording schuldig over het door hem in het Algemeen Bestuur gevoerde beleid. 2. Een lid van het Algemeen Bestuur verstrekt aan Gedeputeerde Staten of het college dat hem heeft aangewezen de door een of meer leden van Gedeputeerde Staten of van dat college gevraagde inlichtingen, voor zover zulks niet strijdig is met het openbaar belang. 3. De inlichtingen worden zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden in een vergadering van Gedeputeerde Staten of dat college of schriftelijk verstrekt. 4. Gedeputeerde Staten of het college kan een door hem aangewezen lid van het Algemeen Bestuur, indien dit lid het vertrouwen van Gedeputeerde Staten of dat college niet meer bezit, als zodanig ontslag verlenen. 5. Het in het eerste en tweede lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op Provinciale Staten en de raden.
maanden verstrekt door het dagelijks bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het algemeen bestuur of de voorzitter worden verlangd. 3. De inlichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden niet verstrekt indien dit strijdig is met het openbaar belang.
Artikel 6.1 Externe verantwoording Het lid van het algemeen bestuur legt verantwoording af aan de raad of Provinciale Staten, alsmede aan het college of Gedeputeerde Staten van de deelnemer die hem heeft aangewezen over het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid, op de door die deelnemer vastgestelde werkwijze.
22
informatieplicht en artikel 17, bevat de inlichtingenplicht richting de gemeenteraden en Provinciale Staten. Het is in beginsel aan het dagelijks bestuur om deze inlichtingen te verstrekken, tenzij expliciet dit vereist Het derde lid volgt uit artikel 26, derde lid, van de oude regeling. Inlichtingenplicht van het tweede, derde en vijfde lid zijn opgenomen in artikel 6.2 van de regeling. Ontslag van het vierde lid opgenomen in artikel 3.3 van de regeling.
Artikel 27 Informatieplicht rekenkamer(commissies) De rekenkamer(commissie)s van de deelnemers afzonderlijk en in samenwerking met elkaar worden door het Dagelijks Bestuur in staat gesteld om alle informatie te verkrijgen die voor de wettelijke taakuitoefening nodig is, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 184 Gemeentewet en artikel 185 Provinciewet. Artikel 28 Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) De voorzitter van het Algemeen Bestuur van deze regeling neemt deel aan het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht, dan wel wijst daartoe een ander lid uit het Algemeen Bestuur hiervoor aan. Artikel 29 De directeur 1. De Omgevingsdienst heeft een directeur die onder verantwoordelijkheid van het Dagelijks Bestuur belast is met de leiding van de Omgevingsdienst en met de zorg voor een juiste taakvervulling door de Omgevingsdienst. 2. Het Dagelijks Bestuur legt de instructie van de directeur vast in een Directiestatuut. 3. Het Dagelijks Bestuur regelt de bezoldiging van de directeur.
Artikel 6.3 Actieve externe inlichtingenplicht 1. De inlichtingen, bedoeld in artikel 17, tweede lid van de wet, worden schriftelijk of op een andere passende wijze verstrekt. 2. De inlichtingen worden niet verstrekt indien dit strijdig is met het openbaar belang. -
Nieuw
-
Wettelijke grondslag BPO is te vinden in de Wabo. Derhalve artikel overbodig.
Artikel 5.2 De directeur 1. Het dagelijks bestuur stelt een directeur aan die onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur belast is met: a. de leiding van de omgevingsdienst; b. de aansturing van het personeel; en c. de zorg voor een juiste taakvervulling door de omgevingsdienst. 2. Het dagelijks bestuur stelt zo spoedig mogelijk een nieuwe directeur aan in het geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de directeur.
Zie toelichting. Sinds de invoering van de WNRA zijn aangelegenheden rondom de directeur een privaatrechtelijke rechtshandeling. Het algemeen bestuur heeft geen bevoegdheid omtrent het aanstellen, schorsen en ontslaan van de directeur. Salaris hoeft niet in de regeling worden opgenomen, want dat maakt deel uit van arbeidsovereenkomst.
23
Reeds wettelijk geregeld in artikel 184 gemeentewet en 185 provinciewet.
Toelichting
Artikel 30 De secretaris 1. De directeur van het lichaam fungeert als secretaris van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur. 2. De stukken die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan worden, naast de voorzitter, mee ondertekend door de secretaris. 3. De secretaris wordt bij ziekte en ontstentenis vervangen door een door het Dagelijks Bestuur aan te wijzen medewerker van de Omgevingsdienst, die als plaatsvervangend secretaris fungeert.
3. Het dagelijks bestuur stelt in een directiestatuut nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de directeur. Artikel 5.3 De secretaris 1. Het dagelijks bestuur wijst de directeur van de omgevingsdienst aan als de secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. 2. Het dagelijks bestuur wijst een medewerker van de omgevingsdienst als plaatsvervangend secretaris aan die de secretaris vervangt bij: a. ontstentenis; of b. ontslag. 3. De secretaris is bij de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig. 4. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris medeondertekend. 5. Indien sprake is van geheimhouding, als bedoeld in artikel 23 van de wet, maakt de secretaris hier melding van op de stukken.
Artikel 31 Organisatie Het Dagelijks Bestuur stelt regels vast over de ambtelijke organisatie en legt die vast in een organisatiebesluit. Artikel 32 Personeel 1. Bij de Omgevingsdienst is personeel werkzaam. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 29, tweede lid, geschiedt aanstelling, schorsing en ontslag van personeel door het Dagelijks Bestuur. Artikel 33 Rechtspositie
De secretaris is aanwezig bij de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. De secretaris is verantwoordelijk voor het melding maken van geheimhouding op stukken.
Bevoegdheid aanstelling, schorsing en ontslag personeel door dagelijks bestuur opgenomen bij bevoegdheid dagelijks bestuur tot treffen privaatrechtelijke rechtshandelingen van artikel 57b van de wet. Conform de WNRA dienen arbeidsvoorwaarden niet meer in
Artikel 5.4 Cao SGO 24
1. Het Dagelijks Bestuur stelt voor het personeel van de Omgevingsdienst de arbeidsvoorwaardenverordening vast conform de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor het gemeentepersoneel (CAR/UWO), dan wel de (gewijzigde) collectieve arbeidsvoorwaardenregeling die daarvoor in de plaats komt. 2. Het Dagelijks Bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden. Artikel 34 Financiële informatieplicht Het Dagelijks Bestuur van de Omgevingsdienst zendt voor 1 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden en aan Provinciale Staten.
Het dagelijks bestuur hanteert voor de medewerkers van haar organisatie de Cao SGO, of de collectieve arbeidsvoorwaardenovereenkomst die daarvoor in de plaats komt.
Artikel 35 Begroting 1. Het Dagelijks Bestuur stelt elk jaar een ontwerpbegroting op van de Omgevingsdienst overeenkomstig het bepaalde in artikel 190 tot en met 219 Provinciewet alsmede het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. 2. Het Dagelijks Bestuur zendt jaarlijks voor 1 april de ontwerpbegroting van het lichaam voor het komende kalenderjaar, met bijbehorende toelichting, toe naar de raden en Provinciale Staten. 3. In de begroting wordt onder andere aangegeven welke bijdrage elke deelnemer
Artikel 7.1 Begroting Op grond van artikel 59, zesde lid van de wet, kan het algemeen bestuur een begrotingswijziging die niet tot een verhoging of tot een vrijwillige verhoging van de bijdrage van de deelnemers leidt, direct vaststellen, zonder toepassing van artikel 59, eerste, derde en vierde lid van de wet.
een bijzondere arbeidsvoorwaardenverordening te worden vastgesteld. Cao SGO is van toepassing verklaard.
Conform artikel 59, zevende lid, van de wet zijn artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet van toepassing. Regels omtrent de jaarrekening en begroting zijn uitputtend en dwingend geregeld in de Provinciewet. Derhalve wordt volstaan met het verwijzen naar deze regels in de Toelichting. Conform artikel 59, zevende lid, van de wet zijn artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet van toepassing. Regels omtrent de jaarrekening en begroting zijn uitputtend en dwingend geregeld in de Provinciewet. Derhalve wordt volstaan met het verwijzen naar deze regels in de Toelichting. Negende lid van de oude regeling herschreven conform de 25
4.
5.
6.
7.
8.
verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van het lichaam. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. De raden en Provinciale Staten kunnen binnen 10 weken na toezending van de ontwerpbegroting hun zienswijzen daarover naar voren brengen. Het Dagelijks Bestuur stelt aan de hand van de ontwerpbegroting en de ontvangen zienswijzen de conceptbegroting op en verzendt deze, inclusief de commentaren, waarin de zienswijzen zijn vervat, ter vaststelling aan het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur stelt de begroting uiterlijk 15 juli voorafgaande aan het jaar waar deze voor dient, vast. Terstond na de vaststelling zendt het Dagelijks Bestuur de begroting aan de deelnemers, en in ieder geval voor 1 augustus naar de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Besluiten tot wijzigen van de begroting kunnen tot uiterlijk het einde van het betreffende begrotingsjaar worden genomen. Besluiten tot begrotingswijziging zendt het Dagelijks Bestuur 8 weken voordat zij aan het Algemeen Bestuur worden aangeboden, toe aan de raden en Provinciale Staten. De raden en Provinciale Staten kunnen binnen deze periode hun zienswijze over de begrotingswijziging bij het Dagelijks Bestuur naar voren brengen.
Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijzen zijn vervat bij de
Aanwijzingen voor de regelgeving.
26
begrotingswijziging zoals deze aan het Algemeen Bestuur worden aangeboden. Nadat deze is vastgesteld, zendt het Algemeen Bestuur van de Omgevingsdienst, zo nodig, de begrotingswijziging aan de raden en Provinciale Staten. 9. Om praktische redenen kan het Algemeen Bestuur in afwijking van lid 8 begrotingswijzigingen direct vaststellen (d.w.z. zonder het proces van indienen van zienswijzen door de raden en Provinciale Staten) indien de begrotingswijziging niet rechtstreeks leidt tot een verhoging van de bijdragen van de deelnemers. Artikel 36 Jaarrekening 1. Het Dagelijks Bestuur biedt de jaarrekening over het afgelopen kalenderjaar, met alle bijbehorende bescheiden, jaarlijks tenminste 2 weken voor behandeling ter vaststelling aan aan het Algemeen Bestuur. Na vaststelling van de jaarrekening wordt deze ter kennis gebracht van de deelnemers. 2. Het Algemeen Bestuur onderzoekt de jaarrekening en stelt haar vast op uiterlijk 1 juli, volgende op het jaar waarop zij betrekking heeft. 3. Het Dagelijks Bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling in het Algemeen Bestuur met bijbehorende stukken aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De jaarrekening dient in ieder geval voor 15 juli te worden verzonden. 4. Het Algemeen Bestuur kan besluiten de blijkens de jaarrekening behaalde negatieve resultaten geheel of ten dele:
Artikel 7.2 Verrekening exploitatiesaldo Het algemeen bestuur kan besluiten: a. de blijkens de jaarrekening behaalde negatieve resultaten geheel of ten dele: 1°. af te boeken van de algemene reserve, voor zover deze voldoende middelen bevat; of 2°. Ten laste te brengen van de deelnemers, naar rato van ieders gerealiseerde omzet in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. b. de blijkens de jaarrekening behaalde positieve resultaten geheel of ten dele: 1°. te bestemmen in de algemene reserve; 2°. uit te keren aan de deelnemers naar rato van ieders gerealiseerde omzet in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft.
27
Conform artikel 59, zevende lid, van de wet zijn artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet van toepassing. Regels omtrent de jaarrekening en begroting zijn uitputtend en dwingend geregeld in de Provinciewet. Derhalve wordt volstaan met het verwijzen naar deze regels in de Toelichting.
Toelichting
a. Af te boeken van reserves, voor zover aanwezig; b. Ten laste te brengen van de deelnemers naar rato van ieders afname (=omzet) in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. 5. Het Algemeen Bestuur kan besluiten de blijkens het jaarverslag behaalde positieve resultaten geheel of ten dele: a. Te bestemmen voor een reserve; b. Uit te keren aan de deelnemers naar rato van ieders afname (=omzet) in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. Artikel 37 Vergoeding voor geleverde diensten 1. Het Algemeen Bestuur kan, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, nadere regels vaststellen met betrekking tot de door de deelnemers te betalen voorschotnota’s en financiële bijdragen. 2. De te betalen vergoeding voor de taken als bedoeld in hoofdstuk 2 wordt aan de hand van inzet/prestaties en/of afgenomen producten per deelnemer vastgesteld op basis van de door het bestuur vastgestelde tarieven. 3. Bij de toerekening van de te betalen vergoeding worden naast de directe uitvoeringskosten tevens de overheadkosten verdisconteerd. 4. Op basis van de begroting kan iedere deelnemer aan de hand van de daarin vastgelegde tarieven en/of productprijzen berekenen welke bijdrage verschuldigd is voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft.