Huisvestingsverordening gemeente Nuenen 2024-2027
Tekst van het document
Dit conflicteert met het uitgangspunt dat de woningzoekende aan het roer staat, maar bracht bovendien extra en onnodige maatschappelijke kosten met zich mee. De uitzondering brengt hierin balans onder de voorwaarde dat het andere onderkomen niet is gericht op een duurzame oplossing. Of hiervan sprake is, is ter beoordeling van de urgentiecommissie. De voornoemde voorwaarde dat het tijdelijk onderkomen niet gericht mag zijn op een duurzame oplossing ligt
geheel in lijn met het uitgangspunt van de urgentieregeling dat deze niet bedoeld is om de wooncarrière van een woningzoekende te bevorderen. De toets of een woningzoekende voldoet aan de in dit artikel vindt in beginsel plaats door het college van burgemeester en wethouders. Het ligt in de rede dat dit in mandaat aan de op basis van artikel 12 in het leven geroepen urgentiecommissie wordt gelaten. De urgentiecommissie kan, indien een woningzoekende niet voldoet aan de in dit (en artikel 5) genoemde criteria en daardoor niet voor een urgentiebeschikking in aanmerking komt, de desbetreffende casus voorzien van advies aan het college van burgemeester en wethouders doorsturen met het gemotiveerde verzoek ter zake de hardheidsclausule toe te passen. Artikel 5 / urgentiecriteria/categorieën 16. Dit artikel vormt de kernbepaling van de verordening en vindt zijn basis in artikel 12 van de Hv14, dat aangeeft dat vanwege de vereiste transparantie de categorieën urgent-woningzoekenden die in aanmerking kunnen komen voor een huisvestingsvergunning moeten worden geduid.
Aangezien deze verordening uitsluitend ingaat op urgentie, is aangegeven dat de woningzoekenden die vallen onder een of meerdere van de in dit artikel opgesomde urgentiecategorieën in aanmerking kunnen komen voor een urgentiebeschikking en daarmee, over de band van de verplichte huisvestingsvergunning, voor voorrang bij huisvesting. De twee wettelijk voorgeschreven categorieën (mantelzorger en –ontvanger en uitstroom blijf-van-mijn-lijf-huis) komen terug. Daarnaast is voor wat betreft de genoemde categorieën tussen de overlegpartners (zie punt 4 van deze toelichting) consensus bereikt. In grote lijnen zijn er vier urgentiecategorieën: maatschappelijk, volkshuisvestelijk, medisch en sociaal. De urgentiecommissie adviseert het college van burgemeester en wethouders voorts of een woningzoekende valt onder een van deze categorieën en of hij/zij voldoet aan de daarin opgenomen voorwaarden en – dus – in aanmerking komt voor het verkrijgen van een urgentiebeschikking. Let wel: het enkele feit dat een woningzoekende voldoet aan een of meerdere urgentiecriteria betekent niet dat er een recht ontstaat op urgentie. Telkens zal aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval en de algemene voorwaarden opgenomen in artikel 4 worden bezien of de woningzoekende in aanmerking komt voor een urgentiebeschikking.
Zoals al meerdere malen is opgemerkt is de urgentieregeling een ultimum remedium waarvan prudent gebruik moet worden gemaakt. De urgentiecommissie kan de bevoegdheid om de urgentiebeschikking te nemen gemandateerd krijgen van het college van burgemeester en wethouders, zodat in de praktijk de kortste slagen kunnen worden gemaakt. De formulering van de urgentiecategorieën heeft zo volledig en concreet mogelijk plaatsgevonden. Dit is immers een van de doelstellingen van de formele wetgever geweest: het systeem waarmee woonruimte wordt verdeeld (en dus ook woningtoekenning bij voorrang middels een urgentieregeling) dient transparant te geschieden. Dit neemt niet weg dat voor een adequate beoordeling of een woningzoekende al dan niet binnen zo’n urgentiecategorie valt (zoals bijvoorbeeld in het bepaalde in het tweede lid onder a ten aanzien van duurzame mantelzorg), de urgentiecommissie zich kan laten adviseren door deskundigen. Hierdoor wordt veel meer recht gedaan aan de
omstandigheden van ieder concreet geval in tegenstelling tot het uitputtend beschrijven van wat – bijvoorbeeld – onder een "wezenlijke bijdrage" moet worden verstaan. Wat voor de ene persoon wezenlijk is, hoeft dat immers voor de ander niet te zijn. De urgentiecategorieën in combinatie met de algemene voorwaarden om voor urgentie in aanmerking te komen (artikel 4 van de verordening) beogen de mogelijkheid te openen om een concrete casus integraal te beoordelen. Voorts heeft de Urgentiecommissie in artikel 14 nadrukkelijk de bevoegdheid gekregen om, indien een concrete casus niet past binnen het samenstel van de kaders van artikelen 4 en 5 terwijl de woningzoekende in de ogen van de Urgentiecommissie wél voor urgentie in aanmerking zou moeten komen, die casus bij het college voor te dragen voor toepassing van de hardheidsclausule. Geenszins wordt beoogd dat het werk van de Urgentiecommissie wordt gereduceerd tot het ‘afvinken’ van lijstjes. Ten aanzien van de specifieke urgentiecriteria worden in het bijzonder opgemerkt dat: - In het artikel komt op meerdere plaatsen naar voren dat er sprake moet zijn van kinderen die voor hun huisvesting afhankelijk zijn van de woningzoekende. In de verordening uit 2016 was geen leeftijdsgrens opgenomen. De reden hiervan was dat de algemene gedachte is dat dit het leveren van maatwerk door de Urgentiecommissie in de weg staat.
Het ene kind is het andere niet. Echter, in de praktijk is gebleken dat tegen de beperking wordt aangelopen dat een persoon bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar geen kind meer is. Omdat ook hier geldt dat het ene kind het andere niet is in combinatie met het feit dat kinderen anno 2019 meer en meer gedurende langere tijd voor hun huisvesting van hun ouders afhankelijk zijn, is gekozen om wel een leeftijdsgrens op te nemen, maar daarbij aan te geven dat tot 23 jaar (dus maximaal 22 jaar) nog sprake is van een kind. Voor kinderen die vanwege een beperking duurzaam afhankelijk zijn van de verzorging van de ouders is geen enkele beperking in leeftijd gegeven. Daarnaast ligt het aanhouden van deze leeftijdsgrens in de rede omdat in de leeftijd van 18 tot 23 jaar er weliswaar aanspraak kan worden gemaakt op huurtoeslag, maar dat de huur dan niet meer mag bedragen van maximaal € 424,44 per maand (peildatum 2019). Vanaf 23 jaar is de maximale huur € 720,42 per jaar (peildatum 2019). Met het laatste bedrag is de kans dat het kind een zelfstandige woonruimte kan vinden aanzienlijk groter. - in het tweede lid onder b is nadrukkelijk gekozen voor een open formulering zodat de urgentiecommissie aansluiting kan zoeken bij de concrete omstandigheden van het geval.
Voor wat betreft onderdeel 2° van dit artikellidonderdeel merken wij op dat de urgentiecommissie informatie kan inwinnen bij bijvoorbeeld de buurtbrigadier van de politie en gremia als PlusTeam, Centra voor Maatschappelijke Deelname en dergelijke die bij gemeenten zijn ingericht. Bovendien kunnen indicaties in bijvoorbeeld het kader van de Jeugdwet een rol van betekenis spelen; - De formulering in het tweede lid onder d onderdeel 1° dat sprake moet zijn een "meerderheid van de zorg over de kinderen" is opgenomen met het oog op co-ouderschap. Hierbij is doorslaggevend waar de kinderen gedurende 14 achtereenvolgende nachten bij welke ouder verblijven. Een
woningzoekende kan in het tweede lid onder d bedoelde geval een urgentiebeschikking krijgen wanneer het kind 6 of meer dagen per 14 dagen bij de ouder-woningzoekende verblijft. In deze urgentiecategorie (kort samengevat: beëindiging van duurzame relatie waarbij kinderen in het spel zijn) heeft per 1 januari 2020 zowel een verruiming als een verscherping plaatsgevonden. Deze urgentiecategorie is verruimd doordat is opgenomen dat tot 23 jaar (dus niet ouder dan 22 jaar) er sprake is van een "kind" in de zin van deze urgentiecategorie. Dit ligt in lijn met de maatschappelijke ontwikkeling dat kinderen door allerhande redenen langer bij de ouders blijven wonen. Daarenboven is bij kinderen met een beperking die duurzaam zijn aangewezen op de zorg van de ouders geen leeftijdsgrens opgenomen (denk hierbij bijvoorbeeld aan ouders met een kind met het syndroom van Down). - In het tweede lid onder e is aangegeven dat uitsluitend urgentie kan worden verleend wanneer de dienstbetrekking structureel van aard is en de woon-werkafstand van dien aard is dat forensen redelijkerwijs uitgesloten moet worden. Door te spreken van een "structurele betaalde baan" wordt tot uitdrukking gebracht dat een woningzoekende met bijvoorbeeld een kortdurend uitzendcontract niet voor urgentie op basis van dit artikellidonderdeel in aanmerking komt.
De vraag wanneer de dienstbetrekking voldoende structureel is, is ter beoordeling van de urgentiecommissie. Als leidraad wordt aangehouden dat er sprake moet zijn van een jaarcontract. Dit neemt niet weg dat de omstandigheden van het geval hierin te allen tijde leidend zijn. Dit geldt ook ten volle voor het bepaalde over de reistijd waarbij een reistijd (enkele reis) tot 1,5 uur met OV aanvaardbaar wordt geacht. Met deze tijdspanne wordt aansluiting gezocht met hetgeen in de Participatiewet als redelijke reistijd wordt aangemerkt; Het tweede lid onder f is in het leven geroepen bij de verordening 2020-2023. Door diverse omstandigheden, zoals daling van inkomen, te hoge huur in combinatie met woonkostentoeslag kan een woning te duur worden met als gevolg dat schulden ontstaan. In de verordening uit 2016 konden deze mensen géén urgentie krijgen omdat het basisuitgangspunt van de verordening (het zorgen voor een dak boven het hoofd) niet in het geding was. Echter, hierdoor lopen schulden op waarbij uiteindelijk sprake kan zijn van gedwongen verkoop van de koopwoning (de urgentiecategorie in het tweede lid onder c waarbij wordt opgemerkt dat deze toegevoegde urgentiecategorie niet uitsluitend ziet op woningzoekenden die in een koopwoning wonen, maar ook op woningzoekenden die in geliberaliseerde huurwoningen wonen).
Het gevolg is dat de woningzoekende in een negatieve spiraal terecht dreigt te komen waarbij eerst urgentie aangevraagd kan worden wanneer het dieptepunt is bereikt waarbij dat dieptepunt maatschappelijke kosten (in de vorm van procedures en ondersteuningskosten) met zich mee brengt. Deze toegevoegde urgentiecategorie beoogt deze negatieve spiraal te doorbreken. Wel is de voorwaarde gesteld dat de woningzoekende aantoonbaar zelf actie moet hebben ondernomen (de woningzoekende staat aan het roer!).
- In het vierde lid onder b is de basis gelegd voor urgentieverlening aan zittende huurders die vanwege herstructurering of sloop in aanmerking komen voor vervangende huisvesting. Nadrukkelijk geldt deze bepaling niet voor woningen die door de woningcorporatie worden getransformeerd of gerenoveerd. De reden hiervoor is dat het aantal woningen gelijk blijft en daardoor geen huisvestingsprobleem ontstaat. Het geval dat een huurder tijdens de transformatie- of renovatiewerkzaamheden (tijdelijk) elders gehuisvest moet worden valt dan ook buiten het bereik van deze verordening; - Het vierde lid onder c is toegevoegd ten opzichte van de verordening uit 2016. Dit is een van de uitkomsten van de gehouden evaluatie van de werking van de verschillende urgentiecategorieën waarbij dit aspect werd gemist. Bij de toepassing van deze categorie dient evenwel voor ogen te worden gehouden dat bij een huuropzegging op grond van artikel 7:274 BW een van de eisen is dat moet blijken dat de huurder een andere passende woonruimte kan verkrijgen (artikel 7:274 lid 1 onderdeel c BW). Nog daargelaten dat van de verhuurder inspanningen mogen worden verwacht om voor de huurder alternatieve woonruimte te vinden, dient voor ogen te worden gehouden dat de urgentieregeling een ultimum remedium is om dakloosheid te voorkomen.
Dit betekent ook dat de algemene urgentiecriteria uit artikel 4 van de verordening onverkort van toepassing blijven. In dat verband mag van de urgentwoningzoekende verwacht worden dat deze zijn of haar huurder houdt aan de wettelijke bepalingen rondom de huuropzeggingsgrond ex artikel 7:274 BW. Met het toevoegen van deze urgentiecategorie wordt niet beoogd dat de overheid het beëindigen van huurovereenkomsten wegens dringend eigen gebruik faciliteert. - Daar waar in het vijfde lid onder a sprake is van een "intramurale setting met begeleiding" moet gedacht worden aan een doorvertaling en voortzetting van de nu gangbare praktijk waarin instanties als de Stichting DOOR (Door Opvang en Ontmoeting Resocialisatie) en SMO (Stichting Maatschappelijke Opvang) personen aandraagt voor huisvesting. Ten opzichte van de verordening uit 2016 is verduidelijkt dat er bij deze urgentiecategorie sprake is van doorstroom naar zelfstandige woonruimte met begeleiding. Door deze bijzondere urgentiecategorie op te nemen (ten aanzien waarvan – op basis van artikel 6 lid 6 van de verordening – geen advisering door de urgentiecommissie is vereist) wordt beoogd om wat goed gaat vast te houden.
In uitwerking van de verordening zullen er werkafspraken gemaakt moeten worden, maar de intentie is en blijft om het niet onnodig ingewikkeld of administratief te maken voor zowel cliënten als de samenwerkingspartners in specialistische zorg en intensieve begeleiding. Artikel 6 / verzoek om indeling in een urgentiecategorie 17. Deze bepaling is een uitwerking van artikel 13 van de Hv14. Het is een vereiste dat in de verordening regels worden opgenomen over de wijze waarop woningzoekenden ingedeeld kunnen worden in een urgentiecategorie c.q. een urgentiebeschikking kunnen verkrijgen. Om de verzoeken om een urgentiebeschikking efficiënt te kunnen behandelen is het vereist dat alle relevante feiten en omstandigheden bij het college bekend zijn. Dit volgt ook uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel
geeft aan dat het bestuursorgaan (het college is immers het bevoegd gezag) kennis neemt van alle relevante belangen en de af te wegen belangen. Dit "algemeen beginsel van behoorlijk bestuur" is ten volle van toepassing, temeer nu de urgentiebeschikking een besluit is in de zin van de Awb. Dit betekent dus ook dat er bezwaar moet kunnen worden gemaakt bij het bestuursorgaan dat het besluit genomen heeft (waarover meer bij de toelichting bij artikel 13). Om dit te waarborgen is expliciet de mogelijkheid geopend om een formulier vast te stellen en het college voorts de mogelijkheid te geven om nadere nuttige of noodzakelijke informatie in te winnen. Het verzoek om urgentiebeschikking kan nadrukkelijk door of namens een woningzoekende worden ingediend. Dit zal zich met name voordoen in die gevallen dat een woningzoekende valt binnen de volkshuisvestelijke of sociale urgentiecategorie. Het kan dan bijvoorbeeld de woningcorporatie in het geval van een volkshuisvestelijke urgentie of een begeleidende instantie (zoals bijvoorbeeld het COA) bij een sociale urgentie zijn die in naam van de woningzoekende het verzoek verzorgt.
Voor het namens een woningzoekende indienen van een verzoek om plaatsing in een urgentiecategorie is een machtiging van de woningzoekende vereist (de persoon of instantie die het verzoek doet handelt immers in naam van de woningzoekende zodat hij/zij door het verzoek en de beschikking daarop gebonden wordt). Voor het verkrijgen van een urgentiebeschikking zijn leges verschuldigd. De basis voor de heffing hiervan is gelegen in het vierde lid. In de verordening is geen legesbedrag opgenomen, dit dient te geschieden in de Tarieventabel behorende bij de Legesverordening. Iedere gemeente stelt voor zich de leges vast. Het spreekt voor zich dat, om het zogenaamde ‘shoppen’ te voorkomen dat alle gemeenten in het SGE een identiek tarief hanteren en ook gelijktijdig verhogingen of indexatie toepassen. Het legesbedrag bedraagt € 45,00. De legesheffing is niet van toepassing voor woningzoekenden binnen de urgentiecategorie als bedoeld in artikel 5 lid 4 onder a, b en d (statushouders, herstructurering en verkoop wegens infrastructurele werken). Daarbij is aansluiting gezocht met artikel 8 lid 5 van de verordening waarin is bepaald dat deze categorieën urgenten niet geregistreerd behoeven te zijn bij de woningcorporatie. Wél is in deze verordening de basis gelegd voor een restitutieregeling.
Indien een woningzoekende een verzoek om urgentiebeschikking doet en deze wordt aan hem/haar verleend, dan krijgt de urgent-woningzoekende de betaalde leges terug. Hiermee wordt beoogd om personen in een legitieme noodsituatie tegemoet te komen, maar tegelijkertijd enige drempel op te werpen met betrekking tot al te lichtvaardig ingediende verzoeken om urgentiebeschikking. Dat zou immers tot gevolg hebben dat werkelijk urgent-woningzoekenden langer zouden moeten wachten op huisvesting. Bovendien worden woningzoekenden door de woningcorporaties veelal uitgebreid voorgelicht over de haalbaarheid van een verzoek om urgentiebeschikking voordat de woningzoekende overgaat tot indiening daarvan (en daarmee legesplichtig wordt). Veel van de afgewezen verzoeken om urgentiebeschikking worden in de praktijk willens en wetens ingediend door woningzoekenden die, ondanks de verkregen informatie, desondanks van mening zijn dat zij voor urgentie in aanmerking komen.
Overigens is het legestarief, afgezet tegen de gemaakte kosten (bijv. kosten voor de urgentiecommissie en de ondersteuning van deze commissie) geenszins kostendekkend. Een kostendekkend legestarief zou dermate hoog zijn dat, ondanks een restitutieregeling, de daardoor opgeworpen drempel voor veel woningzoekenden onoverkomelijk zou kunnen zijn. Deze legessystematiek heeft in de praktijk geen reden tot bijstelling gegeven. Ook de hoogte van de leges blijft ongewijzigd. Het beoordelen van verzoeken om een urgentiebeschikking vereist bijzondere kennis en kunde die, vanwege de manier waarop het oude systeem waarin werd gewerkt met convenanten, niet bij het college aanwezig is. Om deze reden roept de verordening in artikel 12 een onafhankelijke adviescommissie in het leven (waarover bij de toelichting over artikel 12 meer). De wens bestaat om het aantal gevallen waarin de urgentiecommissie advies moet uitbrengen, te minimaliseren. In het vijfde lid zijn de uitzonderingssituaties expliciet opgenomen; het betreffen woningzoekenden die vallen in de volkshuisvestelijke of sociale categorie of sprake is van de urgentie genoemd in artikel 5, derde lid, onder b (Wmo-indicatie voor verhuizing). Hierdoor is het systeem transparant.
Het verkrijgen van een urgentiebeschikking geeft de woningzoekende recht om met voorrang in aanmerking te komen voor een passende woning binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven (het hiervoor al aangehaalde principe van uitwisselbaarheid). Het negende lid is gewijzigd ten opzichte van de verordening uit 2016. De reden hiervan is dat de praktijk heeft uitgewezen dat de (urgent)woningzoekende onvoldoende geactiveerd wordt en dat hij/zij niet altijd tevreden is over de aangeboden woning, vanwege bijvoorbeeld de locatie. Daar komt bij dat het werkproces om een urgent-woningzoekende passende woonruimte aan te bieden arbeidsintensief is en de praktijk uitwijst dat de wens van de urgent-woningzoekende maakt dat een woning binnen het verzorgingsgebied van een ándere woningcorporatie dan die waarin de corporatie die de directe bemiddeling verzorgt, werkzaam is. Daarom is het uitgangspunt per 1 januari 2020 dat de urgent-woningzoekende geactiveerd wordt en zélf aan het roer staat. Dit houdt ook in dat er zeggenschap bestaat over waar te wonen en van welke gemeenschap zij deel willen uitmaken. Bovendien vereenvoudigt dit het werkproces (en daarmee naar verwachting de doorlooptijd) aanzienlijk. Een uitzondering wordt nadrukkelijk gemaakt voor de huisvesting van statushouders en uitstroom van intramurale setting met begeleiding. Die worden altijd met directe bemiddeling gehuisvest.
Daarnaast kan zich de situatie voordoen dat directe bemiddeling op niets uitloopt omdat – bijvoorbeeld – dit de urgent-woningzoekende boven het hoofd groeit. In beginsel is het de woningcorporatie die dit signaleert en daarop acteert met dien verstande dat dit altijd in overleg met de urgent-woningzoekende gebeurd. Tenslotte is de mogelijkheid open gelaten dat een urgent-woningzoekende zelf de voorkeur geeft aan directe bemiddeling. Ongewijzigd is dat de beoordeling of een woning passend is, wordt gelaten aan de woningcorporatie. Dit is immers de uitgelezen partij die adequate kennis heeft van de woningmarkt en het beste de match kan maken tussen urgentwoningzoekende en woonruimte.
Artikel 7 / Intrekken, verval van rechtswege of wijzigen van een urgentiebeschikking 18. Dit artikel is een uitvloeisel van de bepalingen rondom het verkrijgen van een urgentiebeschikking en regelt het intrekken, vervallen en de wijziging van een afgegeven urgentiebeschikking. Gebruikelijk is om de intrekking- of wijzigingsprocedure van een beschikking gelijk te laten lopen aan de procedure waarbij de beschikking tot stand komt. In het tweede lid wordt dit ook aangeven, maar uitsluitend voor het geval dat de woningzoekende niet langer voldoet aan de eisen voor het verkrijgen van urgentie. Alleszins voorstelbaar is immers dat een woningzoekende door omstandigheden niet langer voldoet aan hetgeen in artikelen 4 en 5 is gesteld om in aanmerking te komen voor een urgentiebeschikking. Voorafgaand aan besluitvorming in dit kader is advies van de urgentiecommissie voorgeschreven. De andere intrekkingsgronden (dus het eerste lid a en c) zijn meer feitelijk van aard en kan het college zonder advies van de urgentiecommissie af doen. In het vierde lid zijn de gevallen opgesomd waarin de urgentiebeschikking van rechtswege komt te vervallen. Dat betekent dat hier geen expliciet besluit tot intrekking meer benodigd is. Van belang is om te onderkennen dat per 1 januari 2020 de geldigheidsduur van een urgentiebeschikking is verkort van 12 naar 6 maanden.
Allereerst is dit gedaan omdat terecht de vraag is opgeworpen hoe urgent een woonsituatie is wanneer er vervolgens 12 maanden over mag worden gedaan om tot een oplossing te komen. Bovendien ligt deze aanpassing geheel in lijn met het in artikel 6 lid 9 neergelegde uitgangspunt dat de urgent-woningzoekende aan het roer staat en geactiveerd moet worden: wanneer binnen zes maanden onvoldoende reageert op aanbod kunnen immers vraagtekens worden gezet met de urgentie van het oplossen van het woonprobleem. Het is voorwaardelijk mogelijk dat de geldigheidsduur van een urgentiebeschikking door het college van burgemeester en wethouders wordt verlengd. Ervaring met de urgentieregeling leert dat deze termijn haalbaar is. Artikel 8 / Registratie van woningzoekenden 19. Dit artikel vindt zijn basis in artikel 4, eerste lid, onder a van de Hv14 en maakt onderdeel uit van de regels die de gemeenteraad mag stellen voor het in gebruik geven of nemen van goedkope woonruimte. Hierbij zijn basiseisen gesteld, namelijk een registratie bij een woningcorporatie, het bijhouden van een adequaat registratiesysteem van urgent-woningzoekenden en dat de ingeschrevene inzicht verkrijgt in zijn/haar registratie. Het registratievereiste is niet van toepassing voor de woningzoekenden als omschreven in de urgentiecategorie als genoemd in artikel 5 lid 4 onder a, b en d.
Dit hangt samen met de eerder aangehaalde wettelijke verplichting tot huisvesting van vergunninghouders als opgenomen in artikel 28 Hv14 en het feit dat bijv. herstructureringskandidaten in beginsel wel huurder van een woningcorporatie zijn, maar daar niet als woningzoekende bekend staan. Ter zake is gekozen voor het voorschrijven van een "registratie" ten opzichte van een "inschrijving". De reden hiervoor is dat binnen de verschillende in het Stedelijk Gebied Eindhoven werkzame woningcorporaties verschillend tegen de term "inschrijving" wordt aangekeken. Daarnaast komt dat sommige woningcorporaties voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening nog werken met verschillende systemen zoals het wachttijdprincipe of het lotingprincipe. Door het gebruik van de term "registratie" wordt beoogd voor alle woningcorporaties herkenbaar te maken wat van hen wordt verwacht op het moment dat een woningzoekende zich bij hen meldt.
Het is voldoende wanneer een woningzoekende zich registreert bij één van de in zijn/haar gemeente werkzame woningcorporatie. Het vierde lid van artikel 8 regelt vervolgens dat de registratie op het moment dat de urgentiebeschikking wordt verleend omslaat naar een registratie binnen alle woningcorporaties die werkzaam zijn binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven. Op dat moment ontstaat het hiervoor al aangehaalde "principe van uitwisselbaarheid". Artikel 9 / vergunningplicht 20. Het wettelijk systeem is dat uitsluitend bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang kan verlenen aan urgentwoningzoekenden. Aangezien deze verordening uitsluitend ziet op het invoeren van een adequate urgentieregeling, zou het veel te ver voeren om alle woningzoekenden die in aanmerking komen voor woningen in de in artikel 2 aangewezen goedkope woningvoorraad te confronteren met de huisvestingsvergunningplicht. De wet voorziet hier niet direct in. Dit resulteert in een "noodgreep" die in het tweede lid is opgenomen. Feitelijk wordt de algemene vergunningplicht voor de goedkope woningvoorraad ingeperkt tot woningzoekenden met een urgentiebeschikking. Dit lijkt de "omgekeerde wereld", namelijk woningzoekenden die dringend woonruimte behoeven worden geconfronteerd met allerhande formele en procedurele eisen.
Dit is evenwel een direct en onvermijdelijk gevolg van het wettelijk systeem dat, zoals hierboven al aangeven, samenhangt met het feit dat ingegrepen wordt op het grondrecht van vrije huisvesting. Artikel 10 / Aanvraag en inhoud en vervallen huisvestingsvergunning 21. Deze bepaling is een uitwerking van artikel 5 van de Hv14. Hierin wordt voorgeschreven dat de gemeenteraad regels stelt over de wijze van aanvragen van een vergunning en welke gegevens daarbij overlegd moeten worden door de aanvrager. Voor redenen zoals omschreven in de toelichting bij artikel 6 is ook hier expliciet de mogelijkheid geboden om een formulier vast te stellen. In het tweede lid, onder a, zijn de – volgens artikel 10 Hv14 nadrukkelijk voorgeschreven – vereisten opgenomen. In het bijzonder wordt gewezen op de mogelijkheid, geopend in onder e van het artikellid, om het afschrift van de urgentiebeschikking op een later moment in te dienen, doch uiterlijk voordat tot besluitvorming overgegaan kan worden. Dit betekent dat de aanvraag wél in behandeling wordt genomen zodat deze parallel met de aanvraag om urgentiebeschikking afgewikkeld kan worden. Op het moment dat de aangevraagde urgentiebeschikking wordt verkregen kan de aanvraag om huisvestingsvergunning worden gecompleteerd en kan vervolgens direct na de urgentiebeschikking worden verleend.
Op deze wijze wordt beoogd te waarborgen dat het werkproces praktisch blijft terwijl tegelijkertijd wordt geborgd dat alleen huisvestingsvergunningen worden afgegeven aan woningzoekenden met een urgentiebeschikking. De huisvestingsvergunning is – zoals hierboven in het algemene deel van de toelichting al opgemerkt – het wettelijk centraal gestelde instrument om een woningzoekende daadwerkelijk voorrang bij huisvesting te verlenen. De basis van de huisvestingsvergunning is de urgentiebeschikking. Immers, zonder de urgentiebeschikking kan nooit een huisvestingsvergunning verkregen worden en daarmee nimmer een plaatsing met voorrang plaatsvinden. Om te voorkomen dat de situatie ontstaat dat de urgentiebeschikking wordt
ingetrokken of van rechtswege is komen te vervallen terwijl de huisvestingsvergunning in stand blijft, is in het zesde lid een koppeling tussen de huisvestingsvergunning en de urgentiebeschikking gelegd. Deze regeling komt er op neer dat de vergunning het lot van de beschikking volgt. Artikel 11 / Rangorde 22. In deze bepaling is, in aansluiting op de voorrangsregels voor urgentwoningzoekenden op regulier woningzoekenden, een regeling getroffen voor het geval waarin er meer dan één urgent-woningzoekende in aanmerking komt voor dezelfde woonruimte. Qua inrichting komt deze regeling overeen met ‘variant 2’ van het VNG-model (de eenvoudigste bepaling wanneer de verordening niet ziet op toepassen van het schaarste-instrumentarium uit de Hv14). 23. Gezien de diversiteit aan urgentiecriteria en de omvang van het "bedieningsgebied" (door het principe van uitwisselbaarheid kan een urgentwoningzoekende in het gehele Stedelijk Gebied Eindhoven worden gehuisvest) is het aantal keren dat de rangorderegeling geraadpleegd moet worden naar verwachting gering. Er is daarom gekozen voor een minimale systematiek. Alleen statushouders en uitstroom blijf-van-mijn-lijf is geprioriteerd. De overige urgent-woningzoekenden worden gehuisvest op het moment dat er voor hen een passende woning beschikbaar is, waarbij een voorrangsregeling is getroffen.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat, alhoewel statushouders per juli 2017 niet langer een verplichte urgentiecategorie vormen, zijn qua prioritering op basis van dit artikel wel tot de eerst te huisvesten categorie urgentwoningzoekenden blijven behoren. De reden hiervoor is dat de huisvesting van statushouders een gemeentelijke taakstelling kent. Na toewijzing heeft de gemeente 10 weken om de statushouder te huisvesten. Tweemaal per jaar wordt door de provincie Noord-Brabant gecontroleerd of de taakstelling is gehaald. Mocht een gemeente daarbij achterblijven. Bij grotere of opeenvolgende achterstanden wordt de gemeente onder actief toezicht geplaatst. De provincie heeft de bevoegdheid om, bij uitblijven van het vervullen van de taakstelling, in te grijpen door op kosten van de gemeente te voorzien in huisvesting van statushouders. Aldus heeft de gemeente er ook belang bij dat deze categorie urgent-woningzoekenden snel een passende woning kan worden aangeboden. Mocht de gekozen rangordebepaling in de praktijk tegen problemen aanlopen is in het tweede lid de bevoegdheid aan het college gegeven om nadere regels stellen tot bijsturing van negatieve effecten. Artikel 12 / Urgentiecommissie 24. Deze bepaling vormt de basis voor het in het leven roepen van de urgentiecommissie. De commissie is geen in de Hv 2014 voorgeschreven figuur8.
8 We geeft de wetgever in de memorie van toelichting (TK 2009-2010, 32 271, nr. 3 p. 47) dat het instellen van een urgentiecommissie bijdraagt aan eenduidigheid en een effectieve aanpak van urgentie. Het instellen van een commissie is raadzaam omdat dit een objectief oordeel op aanvragen om urgentiebeschikking waarborgt. De wettelijke basis voor het instellen van de commissie is gelegen in artikel 84 van de Gemeentewet.
Wel moet voor ogen worden gehouden dat een woningzoekende die een urgentiebeschikking aanvraagt de facto in zijn geheel niet getoetst wordt indien advisering door de commissie niet plaatsvindt, althans die toets zal geheel ambtelijk moeten plaatsvinden. Een vangnet in de zin dat ook in die gevallen die generiek niet ter advisering voorgelegd worden desalniettemin worden voorgelegd in het geval er twijfels of vragen zijn, is daarbij wel vereist voor een samenhangend toetsingssysteem. De bepaling gaat uit van een bindend advies. Gezien het feit dat de commissie zonder last en ruggespraak van het college haar advies moet uitbrengen en bovendien op het volkshuisvestelijk vakgebied bijzondere kennis en kunde moet hebben, ligt dit in de rede. Dit klemt temeer nu het mandateren van de bevoegdheden van het college aan (bijvoorbeeld) een woningcorporatie in de rede ligt. De precieze werking van de commissie is geregeld in een Reglement van Orde. De verordening geeft uitsluitend de minimale eisen waaraan dit reglement moet voldoen. Dat betekent óók dat bemensing in het Reglement (als uitwerking van de regeling in deze verordening) geregeld wordt. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat er binnen het SGE één regionale urgentiecommissie in het leven wordt geroepen. Iedere gemeente neemt daartoe individueel een gelijkluidend besluit.
Wat dit onderdeel betreft wordt tenslotte verwezen naar de toelichting bij artikel 5 (algemeen, inleidend gedeelte) waar wordt ingegaan op de rol van de commissie waar het gaat om het integraal benaderen van voorliggende gevallen. Artikel 13 / Bezwaarschriftencommissie 25. Deze bepaling vormt de basis voor het in het leven roepen van de bezwaarschriftencommissie ter waarborging van een objectief advies richting het gemeentebestuur op bezwaren van woningzoekenden tegen (veelal het afwijzen van) een verzoek om urgentiebeschikking en/of een aanvraag om huisvestingsvergunning. Evenals bij de urgentiecommissie is wettelijke basis voor het instellen van de commissie is gelegen in artikel 84 van de Gemeentewet. Hiervoor is al aangegeven dat uit deze verordening een tweetal voor bezwaar en beroep vatbare besluiten kunnen voortvloeien: de urgentiebeschikking en de beslissing op de aanvraag om huisvestingsvergunning. Deze bepaling beoogt een gelijke bezwarenbehandeling en – daarmee – gelijke interpretatie van de in deze verordening opgenomen regels in de daaruit voortvloeiende besluiten. In de praktijk is de Commissie Bezwaarschriften van de gemeente Eindhoven aangewezen als bezwaarschriftencommissie. Ook voert de gemeente Eindhoven het secretariaat van deze commissie. De kosten worden door de partijen gezamenlijk gedragen.
Evenals bij de urgentiecommissie is opgemerkt moet de precieze werking van de commissie worden geregeld in een Reglement van Orde. De verordening geeft de eisen waaraan dit reglement moet voldoen. Artikel 14 / Hardheidsclausule 26. Dit artikel maakt in zeer specifieke situaties afwijking van het bepaalde in de verordening mogelijk. Een dergelijke afwijking zal, teneinde negatieve precedentwerking te voorkomen, zeer goed gemotiveerd moeten worden. Belangrijk aandachtspunt bij het toepassen van de hardheidsclausule is om willekeur of de schijn daarvan te voorkomen. Dit klemt temeer als gevolg van een van de kernuitgangspunten van deze verordening, namelijk het principe van uitwisselbaarheid. Indien toepassing van de hardheidsclausule niet zou worden gekanaliseerd, bestaat het risico dat woningzoekende zich bij dié gemeente melden waarbij bekend raakt dat deze de hardheidsclausule het meest lichtvaardig toepast terwijl diezelfde woningzoekende vervolgens in een van de andere gemeenten in het Stedelijk Gebied Eindhoven wordt gehuisvest.
Om die reden is nadrukkelijk voor een formulering van de hardheidsclausule gekozen waarbij de urgentiecommissie (welke in de praktijk middels mandaat de urgentiebeschikkingen afgeeft) dan wel (per 1 januari 2020) de bezwaarschriftencommissie (die in de bezwaarfase het gemeentebestuur adviseert over de te nemen beslissing op bezwaar) in beginsel het gemeentebestuur adviseert om de hardheidsclausule toe te passen. Dit biedt de mogelijkheid om praktijkgevallen, waarin een van deze commissies constateert dat de woningzoekende niet of niet geheel voldoet aan de binnen deze verordening opgenomen voorwaarden en criteria, die woningzoekende desondanks met voorrang gehuisvest kan worden. In zoverre is de hardheidsclausule de waarborg dat schrijnende gevallen in het systeem van advisering en toetsing in deze verordening niet tussen wal en schip komen te vallen. De wijziging dat per 1 januari 2020 ook de Bezwaarschriftencommissie het gemeentebestuur kan adviseren om de hardheidsclausule toe te passen kent twee beweegredenen. De eerste reden is gelegen in de aard van de bezwaarschriftenprocedure. Op grond van 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht vindt in een bezwaarprocedure een volledige heroverweging van het bestreden besluit plaats.
Dit betekent dat het huiswerk als het ware nog een wordt overgedaan en wordt gekeken of, met kennis van de feiten, omstandigheden en het recht op het moment van heroverweging (ex nunctoetsing) en met inachtneming van de naar voren gebrachte bezwaren, hetzelfde besluit zou worden genomen. Deze volledige heroverweging kan ertoe leiden dat de Bezwaarschriftencommissie zicht heeft op het gehele dossier en daarom in de uitgelezen positie staat om te signaleren dat naar de letter van de verordening juist is gehandeld maar de strikte toepassing daarvan leidt tot onevenredigheid zodat – dus – de toepassing van de hardheidsclausule in de rede ligt. De tweede reden is dat het voorstaande in de praktijk zich wel eens wilde voordoen, maar dat dan een "lus" moet worden gemaakt van de bezwarencommissie naar de urgentiecommissie. Die laatste moest vervolgens het advies tot toepassen van de hardheidsclausule geven aan de hand waarvan, ingevlochten in de bezwaarprocedure, het gemeentebestuur bij de beslissing op bezwaar de hardheidsclausule kon worden toegepast. De wijziging neemt deze onnodig formalistische lus weg en draagt zo bovendien bij aan een snellere doorloop van de totale aanvraag- en bezwarenprocedure.
De systematiek van de hardheidsclausule is dan ook dat deze in beginsel uitsluitend door een college wordt toegepast na een daartoe strekkend advies van de urgentie- of bezwaarschriftencommissie. Anders dan onder de werking van de tot 1 januari 2020 geldende verordening, laat dit onverlet dat ieder college ook zonder zulk advies de bevoegdheid hebben om eigenstandig de hardheidsclausule toe te passen. Echter, gezien de hiervoor toegelichte achterliggende gedachte bij de toepassing van de hardheidsclausule na een daartoe strekkend advies van de urgentie- of bezwaarschriftencommissie, dient uiterst prudent-restrictief met de bevoegdheid van ieder college om eigenstandig de hardheidsclausule toe te passen worden omgegaan. Om dit te borgen zal de portefeuillehouder van iedere desbetreffende gemeente het eigenstandig toepassen van de hardheidsclausule toelichten in het eerstvolgend portefeuillehoudersoverleg Wonen van het Stedelijk Gebied Eindhoven. Artikel 15 / mandatering 27. In deze toelichting is op diverse plaatsen al aangeven dat een adequate toepassing van de verordening in de praktijk vraagt om mandatering van de bevoegdheden van het college. Dit artikel biedt daarvoor nadrukkelijk de mogelijkheid.
Opgemerkt wordt overigens dat artikel 13, eerste lid Hv14 de mogelijkheid tot het mandateren van het afgeven van een urgentiebeschikking nadrukkelijk vermeldt (teneinde juridische discussie over de vraag of de aard van de bevoegdheid zich conformeert met mandatering). Voor het overige wordt mandaat geregeld in afdeling 10.1.1 Awb. In dit artikel wordt de mandaatmogelijkheid voor zover het betreft het nemen van een besluit op een aanvraag om huisvestingsvergunning nadrukkelijk mogelijk gemaakt aan een woningcorporatie. Het afgeven van een urgentiebeschikking kan zowel aan de urgentiecommissie, als aan een woningcorporatie worden gelaten. Het is mogelijk dat de mandaatgever aan de gemandateerde voorwaarden stelt die de gemandateerde moet gebruiken om in naam van de mandaatgever tot besluitvorming over te gaan. Of, en zo ja – inhoudelijk – op welke wijze, van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt, valt buiten het bereik van deze verordening. Binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven wordt een geüniformeerde mandateringsregeling gehanteerd. Dit ligt in lijn met het basisuitgangspunt dat er een uniforme regeling op het gebied van urgentie binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven bestaat. Een tweetal bevoegdheden van het college zijn nadrukkelijk van mandaat uitgesloten.
Deze bevoegdheden lenen zich naar hun aard niet voor mandatering en moeten derhalve op basis van artikel 10:3 Awb achterwege blijven. Het gaat hierbij om het in bijzondere gevallen verlengen van de geldigheidsduur van een urgentiebeschikking (artikel 7, vijfde lid) en het toepassen van de hardheidsclausule (artikel 14). Voor de goede orde wordt opgemerkt dat dit artikel niet expliciet in gaat op het mandateren van de beslissing op een bezwaar van een woningzoekende tegen een (verleende, afgewezen, ingetrokken of gewijzigde) urgentiebeschikking of – vergunning. Het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen, beslist ook op het bezwaar aangezien er sprake moet zijn van een algehele heroverweging van een bestreden besluit. Artikel 10:3 Awb verzet zich niet tegen het in mandaat geven van de beslissingbevoegdheid op een beslissing op bezwaar. Echter, het artikel verzet zich wél tegen het in mandaat geven van deze beslissingsbevoegdheid aan dezelfde gemandateerde als aan wie het nemen van het primaire besluit is gemandateerd. Met andere woorden:
wanneer de urgentiecommissie c.q. een woningcorporatie namens het college gemandateerd wordt op het gebied van besluitvorming op basis van deze verordening, dan mag diezelfde entiteit(en) niet ook op bezwaar beslissen. Dit zou overigens ook niet passen in de vereiste algehele heroverweging en controlefunctie die van bezwaar behoort uit te gaan. In het vierde lid is opgenomen dat degene die een bevoegdheid uit deze verordening gemandateerd heeft gekregen, over het gebruik van die bevoegdheid jaarlijks verslag uitbrengt aan de mandaatgever. Gezien het feit dat zowel de woningcorporaties als de urgentiecommissie op een zekere afstand tot het college van burgemeester en wethouders staat terwijl de verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van de bevoegdheid wél bij het college van burgemeester en wethouders blijft berusten, is de rapportageverplichting uit oogpunt van de controlefunctie gegeven. Door slim te mandateren wordt het mogelijk gemaakt dat de beslissing op het verzoek om urgentiebeschikking en de beslissing op de aanvraag om huisvestingsvergunning direct achter elkaar genomen kunnen worden. Het onderscheid tussen beschikking en vergunning is uitsluitend gemaakt, omdat de vergunning ingevolge artikel 12 Hv14 het exclusieve instrument is om woningzoekenden met voorrang te huisvesten. Artikel 16 / inwerkingtreding en werkingsduur 28.
De verordening treedt in werking op 1 januari 2024. Artikel 17 / intrekken oude verordeningen en overgangsrecht Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 18 / citeertitel Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. In dit artikel wordt de mandaatmogelijkheid voor zover het betreft het nemen van een besluit op een aanvraag om huisvestingsvergunning nadrukkelijk mogelijk gemaakt aan een woningcorporatie. Het afgeven van een urgentiebeschikking kan zowel aan de urgentiecommissie, als aan een woningcorporatie worden gelaten. Het is mogelijk dat de mandaatgever aan de gemandateerde voorwaarden stelt die de gemandateerde moet gebruiken om in naam van de mandaatgever tot besluitvorming over te gaan. Of, en zo ja – inhoudelijk – op welke wijze, van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt, valt buiten het bereik van deze verordening. Binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven wordt een geüniformeerde mandateringsregeling gehanteerd. Dit ligt in lijn met het basisuitgangspunt dat er een uniforme regeling op het gebied van urgentie binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven bestaat.