Gewijzigde vaststelling BP Herijking Nuenen West, Opwettenseweg 189-191 - Bijlage 2 bij toelichting, Voorpublicatie zestiende tranche BuChw
Tekst van het document
Het bevoegd gezag beziet zelf op welke wijze de kosten verdeeld worden, maar zal hiervoor een deugdelijke motivering moeten geven. Dit wijkt af van afdeling 6.4 van de Wro waaruit kan worden afgeleid dat de kosten verdeeld worden naar rato van de opbrengsten van de gronden. Het elfde lid geeft gemeenten de flexibiliteit om te werken met uitnodigingsplanologie en globale plannen waarvoor het complex is om vooraf de opbrengsten te kunnen berekenen. Het bevoegd gezag weet immers nog niet welke activiteiten waar gerealiseerd worden en welke (grond)opbrengsten dat met zich meebrengt. Op basis van deze in het bestemmingsplan opgenomen regeling kan een initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van een activiteit de voorlopige bijdrage bepalen. Het gaat nadrukkelijk om een voorlopige bijdrage op basis van een raming van de kosten en activiteiten. Later in het proces volgt een eindafrekening en wordt de definitieve bijdrage bepaald. De voorlopige bijdrage kan ook aan de hand van forfaitaire bedragen worden bepaald. Het twaalfde lid is opgenomen om te verduidelijken dat het mogelijk is om bij kostenverhaal te werken met open normen. Open normen leggen minder in detail vast en scheppen ruimte voor een op de
47
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017
situatie en concrete activiteit afgestemde afweging op het moment dat ze worden toegepast. Bij organische gebiedsontwikkeling is behoefte aan die flexibiliteit. Het is wenselijk om die flexibiliteit ook te kunnen gebruiken bij het toepassen van de regeling voor kostenverhaal. Zo kan bij organische gebiedsontwikkeling behoefte bestaan aan een flexibel investeringsprogramma. De hoogte van het te investeren bedrag kan ook worden vastgelegd in een open norm en uitgelegd via beleidsregels. Daarmee kan aan de hand van de verdeelsleutel (elfde lid) worden bepaald wat de verschuldigde geldsom is (negende lid). Hiermee wordt beoogd de vereiste flexibiliteit voor organische ontwikkeling te borgen én wordt de mogelijkheid om te contracteren in die situaties vergroot omdat er door het gebruik van open normen ruimte is om deze nader in te vullen. Die beleidsregels moeten door de gemeenteraad worden vastgesteld gelet op het budgetrecht van de gemeenteraad op grond van de Gemeentewet. In het dertiende lid is bepaald dat in het bestemmingsplan een indexeringsregeling kan worden opgenomen. De aanleiding voor deze bepaling is als volgt. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat het exploitatieplan jaarlijks wordt herzien.
Onderdeel van die herziening kan de wijze van indexering zijn, namelijk de vooruitberekening van de te verwachten grondopbrengsten, alsmede de daarbij jaarlijks door de raad vast te stellen parameters voor rekenrente en inflatie. Een bepaling voor het herzien van regels over kostenverhaal in het bestemmingsplan is overbodig omdat in de Wro reeds is bepaald dat het bestemmingsplan kan worden herzien. Een (jaarlijkse) verplichting tot herziening is voor de hierboven genoemde experimenten niet wenselijk, gelet op het organische karakter daarvan. Het is echter wel wenselijk dat in het bestemmingsplan een indexeringsregeling kan worden opgenomen zodat partijen op voorhand weten hoe het bevoegd gezag de kosten indexeert. Hiermee worden administratieve en bestuurlijke lasten voor het aanpassen van het bestemmingsplan voorkomen. In het veertiende lid is bepaald dat artikel 6.2.10 van het Bro over het opnemen van woningbouwcategorieën en de Regeling plankosten exploitatieplan van overeenkomstige toepassing zijn. Het vijftiende lid wijkt af van de huidige regeling in de Wro waarin is voorgeschreven hoe de eindafrekening dient plaats te vinden. Deze regeling voor de eindafrekening sluit niet aan bij organische gebiedsontwikkeling omdat erin is bepaald dat een eindafrekening dient plaats te vinden indien 90% van de begrote kosten gerealiseerd is.
Dat zou het recht op een eindafrekening van een individuele initiatiefnemer in een gebied met meerdere initiatiefnemers frustreren. Het is namelijk niet te zeggen of ooit 90% van de begrote kosten gerealiseerd wordt. Om die reden moet het bevoegd gezag in het bestemmingsplan een regeling opnemen die aansluit bij de kenmerken van het te ontwikkelen gebied. Een hoogdynamisch gebied kan een andere regeling voor de eindafrekening meebrengen dan een laag dynamisch gebied. Ook een gefaseerde eindafrekening, die bestaat uit één of meer tussentijdse afrekeningen, behoort dan tot de mogelijkheden. De eindafrekening ziet enkel op daadwerkelijk gemaakte kosten. Dat houdt in dat kosten waar andere opbrengsten – zoals subsidies – tegenover staan, niet in het kostenverhaal meegenomen mogen worden en dus ook niet in de eindafrekening kunnen worden betrokken. In het zestiende lid is bepaald dat elke initiatiefnemer die kosten moet betalen voor publieke voorzieningen recht heeft op een eindafrekening. Zo wordt voorkomen dat initiatiefnemers met een initiatief dat buiten het aangewezen gebied ligt te veel betalen omdat meevallers niet met hen verrekend worden. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de situatie waarin een initiatiefnemer buiten het gebied ook betaald heeft voor een rotonde, maar die als gevolg van een beperkt aantal initiatieven niet wordt gerealiseerd.
Dan past het binnen de regeling kostenverhaal om ook met deze initiatiefnemer het teveel betaalde te verrekenen. Het zeventiende lid expliciteert dat een naheffing niet is toegestaan. Initiatiefnemers hebben wel een recht op teruggave van betaalde kosten als zij betaald hebben voor publieke voorzieningen die niet binnen de voorzienbare tijd gerealiseerd zijn. Ter bescherming van initiatiefnemers is in het achttiende lid een terugbetalingsregeling vastgelegd. Indien omgevingsvergunningen voor activiteiten zijn verleend in afwijking van het bestemmingsplan, dan worden die activiteiten ook meegenomen in de eindafrekening voor zover zij profijt hebben van de publieke voorzieningen voor het aangewezen gebied (het negentiende lid). Indien bijvoorbeeld buiten het aangewezen gebied een activiteit wordt toegestaan die ook profiteert van de in het gebied gerealiseerde rondweg, dan moeten de kosten daarvan gedeeltelijk ook op de initiatiefnemer van die activiteit verhaald worden. Dat heeft tot gevolg dat bij de eindafrekening mogelijk de andere initiatiefnemers een bedrag terugkrijgen omdat de kosten worden gedragen door meer initiatiefnemers dan vooraf was ingeschat. In onderdeel g van het twintigste lid is in aanvulling op de activiteiten zoals opgenomen in artikel 6.2.1 van het Bro toegevoegd dat kosten ook verhaald kunnen worden voor de wijziging van het gebruik van een locatie.
Vaak zal dat gaan om gevallen waarin bestaande bebouwing een functiewijziging
48
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017
ondergaat die kosten met zich meebrengt, bijvoorbeeld de aanleg van extra parkeervoorzieningen indien door die wijziging een grotere parkeerbehoefte ontstaat. Ook die kosten moeten dan verhaald worden op initiatiefnemers die van die voorzieningen profiteren. Het eenentwintigste lid bevat de kostensoortenlijst. Deze regeling voor kostenverhaal is alleen van toepassing op de in die lijst opgenomen kostensoorten. In het tweeëntwintigste lid worden de gebieden aangewezen die gebruik kunnen maken van de in dit artikel opgenomen regeling.
Onderdeel H (wijziging bijlage 59 Bu Chw) De Scheg, gemeente Amstelveen Na aanwijzing van dit gebied als bestemmingsplan met verbrede reikwijdte in de tiende tranche van het Bu Chw (Stb. 2015, 323) zijn de plangrenzen van dit gebied gewijzigd. Dit heeft te maken met de wijziging van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol waardoor het 20Ke-gebied wordt gewijzigd. Een direct gevolg hiervan is dat de gemeente Amstelveen meer ruimte heeft om de voorgenomen ontwikkelingen te realiseren. Om dit experiment voor het totale plangebied te blijven benutten wordt de plangrens zoals opgenomen in de tiende tranche van het Bu Chw overeenkomstig de wijziging van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol aangepast. Het plangebied wordt hierdoor met enkele hectaren uitgebreid. De doelstellingen en uitgangspunten van het experiment veranderen door deze plangrenswijziging niet.
ARTIKEL II (inwerkingtreding) In artikel II wordt de inwerkingtreding geregeld. Er wordt afgeweken van de systematiek van vaste verandermomenten en een invoeringstermijn van drie maanden omdat door onmiddellijke inwerkingtreding voor de doelgroep (verschillende overheden) aanmerkelijk publieke nadelen worden voorkomen. De in het besluit betrokken overheden hebben verzocht om de aanwijzing in het besluit. Enkele zijn ook al begonnen met de procedures die moeten leiden tot de besluiten waarin uitvoering wordt gegeven aan de in deze zestiende tranche van het Bu Chw opgenomen experimenten. Zij zullen worden benadeeld als de besluitvormingsprocedure voor deze experimenten wordt vertraagd als toepassing wordt gegeven aan de regeling inzake vaste verandermomenten en een invoeringstermijn van drie maanden. Het besluit bevat verder geen regels waaraan administratieve lasten verbonden zijn voor burgers en bedrijven of andere nadelen als gevolg van de afwijking.
Artikel III (citeertitel) In artikel III wordt een citeertitel gegeven. Dit maakt duidelijk dat de termijn voor de experimenten die met deze tranche aan het Bu Chw worden toegevoegd, is gekoppeld aan de inwerkingtreding van deze tranche en niet aan de inwerkingtreding van het Bu Chw als zodanig. De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus
49
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017