Erfgoedbeleid - Erfgoed uitgediept - Bijlage 2 Overzicht van waardevol cultureel erfgoed en aardkundige waarden gemeente Nuenen
Tekst van het document
Zicht vanuit de Papenvoort naar de Berg met links het Van Gogh kerkje (Google streetview 2022). De ruimtelijke ontwikkeling Ter weerszijden van de Berg en de Beekstraat lagen vroeger de gemeenschappelijke gronden, over welke de bewoners van de gemeente (vandaar ook die term) in 1300 het gebruiksrecht hadden gekregen van de hertog van Brabant. Waar het gebied Papenvoort / Houtrijk ligt, ten noorden van de Berg en de Beekstraat, lagen ten noordwesten van de Papenvoort in het beekdal van de Hooidonkse beek, beemden (oorspronkelijk hooi- en later ook weideland), dit waren meestal langwerpige afgeperkte velden, die ongeveer haaks op de hoogtelijnen (en dus haaks op het verloop van de beek) lagen. Ten zuidoosten van de Papenvoort lagen vermoedelijk akkers. Deze configuratie stamt uit de middeleeuwen, maar is in grote lijnen tot in de 20ste eeuw behouden gebleven; zij het dat het beekdal langzaamaan verder zal zijn ontgonnen en de afwatering beter werd gereguleerd. De bebouwing van boerderijen en gaandeweg steeds meer dorpswoningen en bedrijfjes, lag aanvankelijk waarschijnlijk alleen aan de Berg en de Beekstraat, met aan de achterzijde nog een stuk privé-terrein grenzend aan de gemeenschappelijke gronden.
Gaandeweg de 19de eeuw werden er meer kleine kavels aan de Papenvoort van de agrarische kavels afgescheiden en bebouwd met eenvoudige huizen en bedrijfsgebouwen, en, vanaf halverwege de eeuw ongeveer, met luxe villa’s van fabrikanten die bedrijven in de buurt hadden. De oudste informatie over de bebouwing in dit gebied betreft een hoeve ‘Ter Wellen’ die blijkens een document uit de 14de eeuw aan de Berg was gelegen. Aan de achterzijde grensde deze hoeve aan de Papenvoort en de gemeenschappelijke gronden. Door de eeuwen heen raakte Nuenen steeds dichter bevolkt, en werden er dus steeds meer huizen gebouwd. Deze groei vond plaats door de bestaande verkaveling op te delen, alwaar zulks gewenst was en de eigenaren (of het collectief waar het de gemeenschappelijke gronden betrof) dat wensten. Aan de bestaande wegen en paden ontstond er zo een steeds dichtere bebouwing. De bebouwing aan de Berg raakte in de 18de tot en met de 20ste eeuw steeds meer aaneengesloten, terwijl ook de Beekstraat en de Papenvoort, net ten noorden van het plein op de Berg in de 19de en 20ste eeuw langzaamaan dichter bebouwd raakten. Voor het overgrote deel staan de panden langs de diverse straten echter nog steeds los van elkaar. De bebouwing verschilde echter van functie en karakter. Zoals reeds vermeld ontwikkelde zich hier
28
vanaf het midden van de 19de eeuw een buurtje op voorheen onbebouwde gemeenschappelijke grond, waar in een ruime parkachtige opzet bedrijvigheid (smidse, mosterdfabriek, linnenweverij) werd gecombineerd met eenvoudige bebouwing en villa-achtige, relatief voorname, woningen van de fabrikanten. De bedrijvigheid zou hier in de 20ste eeuw verdwijnen, terwijl het karakter van parkachtige villabuurt werd versterkt en uitgebreid door de bouw van villa’s en bungalows, en aanleg van tuinen. Hieronder volgt een aantal notities ten aanzien van een aantal bijzondere panden in het gebied, waarmee tevens een indruk wordt gegeven van de ontwikkelingen. De agrarische functie heeft in de bebouwing en het grondgebruik binnen het gebied langzaam plaats moeten maken voor andere functies, hoewel Nuenen als geheel nog lang een agrarisch dorp zou blijven. Heden is er niet één gebouw meer binnen het gebied dat aan de agrarische functie herinnert. Sinds de vroege 19de eeuw is er in het gebied een aantal bedrijfjes gesticht (zoals weverij, mosterdfabriek, smederij en tingieterij), en zijn er enkele eenvoudige dorpswoningen gebouwd (o.a. op de noordoostelijke hoek tussen Papenvoort en Houtrijk); hier is echter weinig van over.
Memorabeler was de bouw van het Nederlands-hervormde kerkje in 1824/25, op het perceel in de zuidelijke hoek tussen Papenvoort en Houtrijk, dat als ‘het Venneke’ bekend stond en dat voorheen tot de gemeenschappelijke gronden had behoord. Het gebouw, dat Rijksmonument is, is een zogenaamde ‘waterstaatskerk’ omdat het, als vele andere kerken in het land destijds, is ontworpen door een ingenieur van Waterstaat. In 1928 werd er een aanbouw toegevoegd aan de oostzijde. Sinds 1965 heeft het kerkje een carillon.
Papenvoort – Houtrijk en omgeving op de topografische kaart van 1920 (bron: Topotijdreis). Later in de 19de eeuw werd aan de Papenvoort een aantal villa’s gebouwd voor diverse fabrikanten. De familie Van Hoven woonde aan de westzijde van de Papenvoort, op de plek van het huidige gemeentehuis, in een kleine villa van rond het midden der 19de eeuw. In 1830 had H.C. van Hoven een linnenfabriekje laten bouwen, dat nadat hij burgemeester van de gemeente werd, door zijn kinderen werd overgenomen. Uiteindelijk werd de fabriek in 1962 opgeheven. In 1880 liet Lucas Buijsman ten oosten van de Papenvoort, vlak naast het perceel aan de Houtrijk waar hij een mosterdfabriekje had, een villa bouwen, die de naam ‘Houtrijk’ zou krijgen. Zoals reeds vermeld is
29
niet duidelijk of de weg de naam van de villa heeft overgenomen of andersom; het is echter duidelijk dat de naam het karakter van de omgeving weerspiegelt, die destijds dus al rijk aan geboomte was. In 1973 werd het pand gesloopt om plaats te maken voor een modern landhuis. Het nog bestaande pand Houtrijk 4-6 was in de vroege 20ste eeuw ook in bezit van de familie Buijsman. Tussen dit pand en de eertijdse villa ‘Houtrijk’, bevond zich achterin het huidige parkje de mosterdfabriek van Buijsman. In 1887 werd in de zichtas van het zuid-westelijk deel van de Papenvoort de villa Papenvoort gebouwd, in opdracht van fabrikant J. de Kruyff (die ook deel had in de linnenfabriek van Van Hoven). Zo werd de Papenvoort de chique wijk van Nuenen. Door de plaatselijke bevolking werd deze buurt lange tijd aangeduid als ‘de protestantse hoek’. Het is echter onduidelijk in hoeverre dit om de religieuze voorkeur der bewoners, dan wel om de aanwezigheid van het Nederlands-hervormde kerkje ging. De villa van Van Hoven en de meeste gebouwtjes van de fabriek werden in 1930 gesloopt, waarna baron Van Hardenbroek tot de Kleine Lindt er een nieuwe villa met koetshuis liet bouwen. In 1957 werd het pand met de achterliggende tuin aan de gemeente verkocht, om er het raadhuis te vestigen.
In 1969 is er een zijvleugel aan het pand gebouwd, en in 1982 is er aan de achterzijde een groot gebouw rondom een binnentuin aan toegevoegd. Ten zuid-westen van het raadhuis (op het voorterrein) staat nog een gebouwtje dat oorspronkelijk een weverij was, en dat het enige restant van het industrie-verleden van het gebied vormt. Tussen 1930 en 1940 was hier een tingieterij in gevestigd, en ook is het gebouwtje als koetshuis gebruikt. Heden wordt het pand gebruikt als documentatiecentrum betreffende Vincent van Gogh’s verblijf in Nuenen in de late 19de eeuw. Parken Tussen de Houtrijk en de Everard van Doernelaan ligt het park Houtrijk. Getuige de aanleg en de ouderdom van de bomen stamt het uit de 19de eeuw, en is waarschijnlijk als privé-tuin ontstaan. Achterin het huidige park stond in de late 19de eeuw de mosterdfabriek van Buijsman. Het park heeft een ruime landschappelijke aanleg, met rondgaand pad langs de gesloten groene omzoming. De, grotendeels monumentale, bomen staan verspreid over het terrein of zijn, op een enkele plaats, in een groep gesitueerd. Door het centrum van het park is er een ruim gazon met enig licht reliëf, smalle paden met asfaltdek en een vijver in de vorm van een 8 in het centrum. Langs de randen, behalve aan de straat Houtrijk, zijn er bosschages met diverse struiken en jonge bomen.
Verder is er een aantal oude bomen die apart het vermelden waard zijn: nabij de straat Houtrijk staan twee kastanjes en een beuk, verder het park in een beuk en twee Amerikaanse eiken ter weerszijden van de vijver, in de zuid-oosthoek van het park een plataan, twee tamme kastanjes, een kastanje, een wilg, twee esdoorns en een beuk, noordelijker langs de oostrand twee tamme kastanjes, ten noorden van de vijver een plataan, halverwege langs de westrand een groepje beuken en een kastanje, in de noordwesthoek een viertal eiken en nabij de noord-oosthoek een berk. Vanuit de zuidoosthoek van het park loopt het Kreugepad naar de Beekstraat. Dit smalle pad met asfaltdek is omgeven door struiken en jonge bomen (een paar berken en een linde). Aan de oostzijde wordt het pad begrensd door een laurierhaag en een de westzijde door een beukenhaag. Tussen de Papenvoort en de Houtrijk ligt een perceel dat ’t Venneke heet. Het bestaat uit een grasveld met een bosschage met diverse struiken en bomen langs de zuidwestelijke en zuidoostelijke rand, daar overgaand in een smalle strook tussen de kerktuin en de kavel aan de westzijde van de Houtrijk, met een smal pad dat het veld met de Houtrijk verbindt. Langs de noordoostelijke rand grenst het veld aan de kerktuin, dat wordt omzoomd door een meidoornhaag.
Samenvatting Samenvattend kan worden gesteld het gebied Papenvoort een waardevol gebied is waarin de historische structuur (wegen en verkaveling), de bebouwing en de groenelementen een grote samenhang vertonen die door de tijd heen is ontstaan en zodoende een goed beeld geeft van de historische situatie. Dit samenspel van onroerende elementen vormt een geheel, dat van algemeen belang is voor de gemeente Nuenen door zijn schoonheid, markant eigen karakter, archeologische en cultuurhistorische waarde. Er is derhalve sprake van historisch-ruimtelijke waarden, situeringswaarden, cultuurhistorische en archeologische waarden. De in het gebied aanwezige historische componenten kenmerken zich door hun onderlinge samenhang, gaafheid en herkenbaarheid.
30
3. Dorpsgezicht Stationsweg - Eeneind Info overgenomen uit: Frank, C.J.B.P. & W. Boerefijn, 2001: Gemeente Nuenen. Redengevende beschrijving gemeentelijk beschermd dorpsgezicht Stationsweg (Monumenten Advies Bureau), Nijmegen. Situering van het gebied Het gebied Stationsweg is gelegen in het zuiden van de gemeente Nuenen c.a., in het buurtschap Eeneind. Direct ten noorden van het gebied loopt de spoorlijn Eindhoven-Venlo ten noorden waarvan de kern van het buurtschap ligt. Ten zuiden en oosten van het gebied ligt een bedrijventerrein dat het gebied grotendeels insluit.
Ontstaan en ontwikkeling Het beschermd dorpsgezicht rond de Stationweg ligt in het zuiden van de gemeente Nuenen in het buurtschap Eeneind. De gemeente Nuenen c.a. bevat verscheidene kernen. De kerk van Nuenen werd reeds in 1225 genoemd in een schenking door de edelman Dirk van Altena. Hoe oud de nederzetting Nuenen is, is echter onzeker. Het dorp Nuenen kreeg een eigen schepenbank, en daarmee beperkt zelfbestuur, ergens voor 1346, en vermoedelijk na 1300. Het buurtschap Eeneind is vermoedelijk ontstaan uit een hoeveontginning vanuit de nog bestaande Collsche hoeve, die net ten zuidoosten van het gebied ligt. De eerste vermelding vinden we in de 14de eeuw: Enode. In de 15de eeuw werd het Geen Eeneynde genoemd. Iets ten zuidoosten van het gebied ligt het gehucht Coll, bij de Collsche watermolen. Dit gehucht bestond al in de 13de eeuw. Verder naar het noord-westen ligt het buurtschap Opwetten, dat destijds ook al bestond, evenals de daar gelegen watermolen. Deze watermolens werden gevoed door de loop van de Kleine Dommel. Deze loopt in noordwestelijke richting, niet ver ten westen van het gebied. De bodem bestaat uit pleistoceen dekzand met plaatselijk lemig karakter, waarin het water beekdalen heeft uitgesleten. Langs de beken vinden we dekzandruggen.
Ten noord-westen van het gebied lagen vanouds akkers op de iets hogere gronden, en verder naar het zuiden en oosten lagen heide en bos, terwijl in het beekdal graslanden en hakhoutbosjes lagen. Oorspronkelijk had het buurtschap, net als de rest van de gemeente Nuenen, een sterk agrarisch karakter, hoewel er sinds de late middeleeuwen ook enige industrie was in verband met de watermolens in de omgeving. In de 19de eeuw maakte de industrie een verdere ontwikkeling door in de omgeving. Het gebied maakte echter een relatief grote en snelle ontwikkeling door toen in 1866 de spoorlijn Eindhoven-Helmond, die dwars door Eeneind was aangelegd, en het hier gelegen station van de Staats Spoorwegen in gebruik werden genomen. Het station heette ‘Nuenen - Tongelre’, maar
31
bediende ook Geldrop. In 1885 werd de weg van Geldrop naar Nuenen, die een honderdtal meters ten oosten van het station de spoorweg kruiste, verlegd en verhard; bij deze gelegenheid werd ook de korte zijtak naar het station, de Stationsweg, verhard. In 1875 werd er in het station een telegraafkantoor gevestigd, dus sindsdien was het station op twee verschillende manieren het voornaamste contactpunt tussen Nuenen, Tongelre en Geldrop en de buitenwereld. Deze zaken maakten dat het gebied een vrij centrale in plaats van perifere plek ging innemen binnen de gemeente in de zin van communicatie en transport. Daardoor raakte het buurtschap haar agrarisch karakter grotendeels kwijt, en ontstond er wat bedrijvigheid in handel en industrie. De spoorlijn en het station waren goed voor de economie, dus diverse bedrijven vestigden zich in het gebied. Later werd in een voormalige leerlooierij het stationskoffiehuis gesticht (begin 1880er jaren), dat in 1953 werd verbouwd tot dubbele woning. In 1938 werd het station gesloten voor personenvervoer omdat het als halteplaats niet rendabel meer was. In 1972 werd het ook voor goederenvervoer gesloten, waarna het gebouw werd gesloopt. Hiermee werd het gebied danig in haar oorspronkelijk karakter van geïndustrialiseerde stationsbuurt aangetast.
Door de afname van de bedrijvigheid en de afbraak van het station, is de functie van verkeersknooppunt en industriegebied nu dus verleden tijd waar het het gebied van het beschermd dorpsgezicht betreft. In de naaste omgeving zijn er echter direct ten zuiden en zuid-oosten van het gebied industrieterreinen gevestigd met grotendeels recente bedrijfsgebouwen. In 1987 werd er direct ten zuiden van de voormalige locatie van het station een kapel gebouwd.
Eeneind (met station) op de topografische kaart van rond 1930. Het ontstaan van de belangrijke wegen In het gebied bevindt zich een aantal oude wegstructuren. Vanouds waren er vooral onbestrate wegen van lokaal belang die Eeneind met de omliggende buurtschappen en dorpen verbonden. De weg van Nuenen in het noorden naar Geldrop in het zuiden heeft echter een veel groter belang gehad dan de overige wegen: in de 16de eeuw was dit al een zogenaamde ‘heerbaan’, wat wil zeggen dat deze van bovenregionaal belang was voor militair en burgerlijk verkeer. In de 19de eeuw werd het deel ten noorden van Eeneind bestraat, evenals de aftakking van Eeneind via de Collsche molen naar Eindhoven. Dit was de eerste bestrate weg in de gemeente Nuenen, waarmee deze dus een relatief groot belang had. De spoorlijn, die halverwege de jaren ’60 van de 19de eeuw in een vrijwel rechte lijn van Eindhoven naar Helmond werd aangelegd, kruiste deze weg net ten zuiden van de plek waar de voornaamste aftakking was naar Geldrop (in feite waren er drie aftakkingen dicht bij elkaar, twee ten noorden van de latere spoorweg, en één ten zuiden). Mogelijk was er aanvankelijk een overweg aangelegd net ten oosten van het station op het traject van de weg van Eeneind naar Eindhoven (de Geldropsche Dijk) alsmede één iets verder oostelijk.
Eerstgenoemde bestond in 1885 echter al niet meer: toen was er slechts de overgang een paar honderd meter ten oosten van het station, op de
32
huidig plaats, met het station verbonden door de weg parallel aan het spoor, die in dat jaar verhard werd. Deze overweg lag aan de middelste van de drie wegen die op korte afstand van elkaar door de spoorweg werden gekruist. Dit deel van deze weg lijkt tot die tijd niet van groot belang te zijn geweest, maar werd nu dus van relatief groot belang voor het wegverkeer. De huidige weg Kruisakker, hetgeen een oud toponiem lijkt te zijn en die de overgang verbindt met de oude weg van Eeneind naar Eindhoven, is ontstaan uit een korte dwarsweg die de weg van Eeneind naar Geldrop (met de spoorwegovergang) verbindt met de bocht die eerstgenoemde weg met de tweede verbindt. Het zuidelijke deel van deze verbindende weg is later komen te vervallen wegens overbodigheid. De huidige slinger in de Kruisakker lijkt op het eerste gezicht te zijn ontworpen vanuit de wens om de weg een enigszins pittoresk karakter te geven, maar dat is dus niet het geval, deze is ontstaan doordat het oorspronkelijk drie verschillende wegen betrof. Ongeveer op de plek waar de tussenverbinding op de oude weg naar de Collsche molen en Eindhoven aansloot, werd een weg in westelijke richting gelegd, die na enkele tientallen meters noordwaarts afbuigt om direct ten zuiden, voor de hoofdgevel, van het station uit te komen, en zo een waardige toegangsroute te vormen. Deze weg werd dan ook Stationsweg genoemd.
Dit laatste geldt echter ook voor de in dezelfde tijd aangelegde weg die op korte afstand ten zuiden langs de spoorlijn loopt, en zo het station via een kortere route met de huidige spoorwegovergang verbindt. Deze wegen vormen het skelet van het beschermd dorpsgezicht. In 1885 werd de weg naar Geldrop verhard, bij welke gelegenheid ook de korte westwaartse zijtak naar het station werd bestraat.
Foto van het spoorwegstation op Eeneind in 1904 (bron Regionaal Historisch Centrum Eindhoven). De ruimtelijke ontwikkeling Het gebied rond de latere Stationsweg lag temidden van de gemeenschappelijke gronden, over welke de bewoners van de gemeente (vandaar ook die term) in 1300 het gebruiksrecht hadden gekregen van de hertog van Brabant. Ten westen lagen in de beekdalen voornamelijk beemden (oorspronkelijk hooi- en later ook weideland), terwijl noordwaarts een akkercomplex lag, en ten zuiden en oosten heide en bos te vinden waren. Deze configuratie stamt uit de middeleeuwen, maar is in grote lijnen tot in de 20ste eeuw behouden gebleven; zij het dat de beekdalen, de heide en het bos langzaamaan steeds verder werden ontgonnen en de afwatering beter werd gereguleerd. De bebouwing, boerderijen en gaandeweg steeds meer dorpswoningen, lag aan de wegen, met aan de achterzijde van de erven weer agrarische gronden. Vrijwel alle wegen die binnen het gebied liggen, zijn aangelegd ten tijde van de bouw van de spoorlijn en het station. Ook de bebouwing in het gebied is ontstaan in relatie tot het station, zoals hierboven al is beschreven. Ondanks dat het station is verdwenen dankt het gebied haar vorm voor een zeer groot deel aan het spoor en het station.
Tegenwoordig is de rust, sinds de sluiting van het station (voor goederenvervoer) in 1972, weer in het gebied teruggekeerd; dit geldt met name de Stationsweg, die bij wijze van spreken ‘van niets naar nergens’ loopt. Hieronder volgt een aantal notities ten aanzien van de bijzondere panden in het gebied, waarmee
33
tevens een indruk wordt gegeven van de ontwikkelingen. Het station, dat in 1866 werd gebouwd, was van de vijfde klasse en was een ontwerp van K.H. van Brederode, dat o.a. ook in Sevenum is gerealiseerd. In 1867 bouwde Antonie Adriaan Keunen een brouwerij op een weiland ten oosten van het station. Twee jaar later werd er een villa bijgebouwd. In 1873 namen Jacob Tirion en Robert Carlier het complex over om er een linnen- en damastfabriek te beginnen. In de eerste helft van de 20ste eeuw droeg deze de naam ‘Linnen- en damastweverij Loeff en De Vries’, en vanaf 1950 ‘N.V. Nuenensche Textielfabriek P.A. Goevaers’. In de jaren ’60 ging de fabriek failliet, waarna een deel van de gebouwen werd gesloopt. Iets verderop, ten zuiden van het station hadden timmerman Sleegers en zijn broer in 1867 een leerlooierij laten bouwen. Later, toen de looierij onsuccesvol was gebleken, werd hier het stationskoffiehuis gesticht (begin 1880er jaren). Het koffiehuis had ook een zaal waar uitvoeringen en concerten werden gegeven. In 1945 werd het koffiehuis gesloten omdat er geen reizigers meer van het station gebruik konden maken. In 1953 werd het pand verbouwd tot dubbele woning.
Sinds de opening van het station werden in Eeneind, ten noorden van de spoorlijn en aan de doorgaande weg van Nuenen naar Geldrop (ten zuidoosten van het station), verscheidene huizen gebouwd, een ontwikkeling die voor een groot deel zal zijn veroorzaakt door de aanwezigheid van het station. In de vroege 20ste eeuw werd net ten oosten van het station, aan de zuidzijde van de Stationsweg, een villa gebouwd. In 1987 werd er direct ten zuiden van de voormalige locatie van het station een kapel gebouwd. Deze kapel vormde de herstichting van een laat-middeleeuwse kapel in het nabije buurtschap Opwetten, gewijd aan Sint Antonius abt. In de 19de eeuw was deze kapel in onbruik geraakt, waarna ze werd gebruikt als ‘bewaarplaats van verdachte en dronken personen’ en opslag. In 1917 werd deze kapel gesloopt. De Sint Antonius-schutterij die aan deze kapel was verbonden hield echter niet op te bestaan, en het was deze vereniging die besloot tot herbouw in Eeneind, omdat dit de thuisbasis van de vereniging was geworden. Kort na de oorlog kon een eerder initiatief geen doorgang vinden wegens de schaarste aan bouwmaterialen, maar in 1987 werd de herstichting eindelijk gerealiseerd.
Groenelementen/erfafscheidingen/tuinen Het karakter van het gebied wordt in sterke mate bepaald door de groenelementen: monumentale laanbeplanting, hagen, solitairen en de particuliere tuinen op het ‘binnenterrein’ die een een vrij besloten karakter hebben. Het gebied als geheel onderscheid zich door het vele, deels hoog opgaande groen, van zijn omgeving, die grotendeels meer open van karakter is. Voorts zijn er ook de twee monumentale achtertuinen van Stationsweg 1a, 1 en 3 die onder het beschermd dorpsgezicht vallen. Deze tuinen hebben ruime gazons en een rijke variatie aan struiken, heesters en bomen, van klein tot groot: onder andere rodondendron, acacia, linde, beuk, berk, eik en es, en in de tuin van 1a een aantal fruitboompjes. In de dierenweide ten westen van de kapel staat een aantal bomen, waaronder kastanje en eik. Samenvatting Samenvattend kan worden gesteld het gebied Stationsweg een waardevol gebied is waarin de historische structuur, de bebouwing en de groenelementen een grote samenhang vertonen die grotendeels is ontstaan in het derde kwart van de 19de eeuw, toen de spoorlijn met het station werd aangelegd. Dit samenspel van onroerende elementen vormt een geheel, dat van algemeen belang is voor de gemeente Nuenen door zijn schoonheid, markant eigen karakter, cultuurhistorische en stedebouwkundige waarde.
34
Er is derhalve sprake van historisch-ruimtelijke waarden, situeringswaarden, en cultuurhistorische waarden. De in het gebied aanwezige historische componenten kenmerken zich door hun onderlinge samenhang, gaafheid en herkenbaarheid.
Monumentaal groen aan de Stationsweg, met het Stationskoffiehuis op de achtergrond (foto R. Berkvens, 2022).
35
4. Dorpsgezicht Hooidonk - Nederwetten Info overgenomen uit: Frank, C.J.B.P. & W. Boerefijn, 2001: Gemeente Nuenen. Redengevende beschrijving gemeentelijk beschermd dorpsgezicht Hooidonk (Monumenten Advies Bureau), Nijmegen. De situering van het gebied Het gebied Hooidonk is gelegen in het uiterste noordwesten van de gemeente Nuenen, tegen de grens met de gemeente Son en Breugel. Het gebied ligt in de hoek tussen de Dommel en de Hooidonkse beek (deze waterlopen hebben de gemeentegrenzen bepaald), op een eiland dat wordt gevormd door deze waterlopen alsmede door de molenloop.
Ontstaan en ontwikkeling Het gebied Hooidonk ligt geheel in de noordwesthoek nog net binnen de gemeente Nuenen, die als geheel uit verschillende kernen is ontstaan. Hooidonk heeft echter in de gemeente Nederwetten gelegen totdat deze in 1821 werd opgeheven en samengevoegd met Gerwen en Nuenen. Zoals de naam al zegt, ligt Hooidonk op een zogenaamde ‘donk’, dat is een kleine hoogte. Het toponiem Hooidonk stamt zelfs van zoiets als ‘hoge donk’, wat dus dubbelop zegt dat de locatie relatief hoog lag. Deze donk lag direct aan het riviertje de Dommel, in feite zelfs op een (kunstmatig) eiland, waar de Hooidonkse beek in de Dommel uitmondt. De bodem in de omgeving bestaat uit pleistoceen dekzand met plaatselijk lemig karakter, waarin het water beekdalen heeft uitgesleten. Langs de beken vinden we dekzandruggen. Hooidonk ligt dus in zo’n beekdal, waar vanouds graslanden (voor hooi of weide, de zg. ‘beemden’) en hakhoutbosjes lagen. Ter weerszijden van de beken lagen op enige afstand de akkers op de iets hogere gronden, en verderop, op nog grotere hoogte ten oosten en westen van de Dommel lagen extensief gebruikte woeste gronden met heide en bos. Het gebied rondom Hooidonk heeft sinds de ontginningen, grofweg tussen de 10de en de 14de eeuw steeds een agrarisch karakter gehad.
36
Het ontstaan van de belangrijke wegen In het gebied bevinden zich twee oude wegen. Over de rechteroever van de Dommel loopt de doorgaande weg in noord-zuid richting. Deze kwam van Breugel in het noorden, waar een brug was en verdere verbinding met het noorden (richting ’s Hertogenbosch), langs Hooidonk lopende naar Nederwetten in het zuiden, en verderop Opwetten, waar een brug was en gekozen kon worden om in de richting van Nuenen, Tongelre (en verderop Eindhoven) of Geldrop verder te reizen. Dit was de belangrijkste weg, die zeker uit de middeleeuwen stamt, maar waarvan de exacte ontstaanstijd niet valt vast te stellen. In 1891 werd de weg vanaf Breugel tot aan Hooidonk verhard; pas in 1925 werd het zuidelijk deel naar Nederwetten, Boord en Nuenen (de Soeterbeekse weg) verhard. De directe route van Hooidonk naar Nuenen, genaamd Broekdijk, werd al in de tweede helft van de 19de eeuw gepland, maar werd pas in 1925 voltooid. De andere weg in het gebied loopt haaks op de eerder beschreven weg, en kruiste de Dommel via een brug (die heden niet meer functioneert). Deze brug lag over twee dammen in de twee armen van de Dommel, die waren aangelegd ten bate van de waterregulering voor de watermolen die in het gebied is gelegen.
Deze weg liep vanaf de watermolen, die aan de eerder beschreven weg ligt, in zuid-westelijke richting naar het gehucht Den Hurk, op de linkeroever van de Dommel, waar ook een weg evenwijdig aan het riviertje liep, tussen Son en Tongelre. De weg over de brug is waarschijnlijk meestal van secundair belang geweest, en tegenwoordig is het niet meer dan een pad.
De watermolen bij Hooidonk (bron: Van Gogh Brabant). De historische ontwikkeling In het gebied is aardewerk uit de periode 800 tot 1250 gevonden, hetgeen aannemelijk maakt dat er in deze tijd bewoning was. Vanaf 1146 is dat in ieder geval documentair bevestigd, want toen werd de priorij Hooidonk gesticht als slotklooster voor adellijke dames, onder de hoede van het klooster Rolduc in Zuid-Limburg. Het werd gesticht door de edelman Leo van Stakenburg, die afkomstig was uit het huis Stakenburg, dat op ongeveer een kilometer afstand noordwaarts aan de Dommel lag in de parochie Breugel. Deze Leo van Stakenburg was zelf priester in Rolduc. De priorij adopteerde de regel van Augustinus voor de kanunnikessen. Het klooster werd gebouwd op de donk aan de
37
Dommel. Het is onduidelijk in hoeverre het gebied toen al een eiland was. In ieder geval was het omliggende land lager en dus drassiger, maar het is waarschijnlijk dat de oostelijke loop (deels) is gegraven, ten bate van de daar gelegen watermolen, en waarschijnlijk ook ter begrenzing en bescherming van het kloosterterrein ten opzichte van de omgeving. Het dorp Nederwetten, dat ongeveer een kilometer zuidoostelijk ligt, is gegroeid uit een aantal ontginningshoeven van de priorij. Het klooster had de middel- en lage heerlijkheid in Nederwetten, en liet ca. 1250 de parochiekerk bouwen, waarvan nu nog de toren eenzaam aan de Dommel staat. Rond 1300 was het klooster uitgegroeid tot een rijk stift. Na branden in 1564 en 1579 werd de priorij in 1649 ontbonden. Eén jaar eerder echter, had de priorij nog de nieuwe hoeve laten bouwen op het kloosterterrein. Landstimmerman Gerit Coenen maakte het bestek voor de gebouwen, en eenmaal gerealiseerd werd de hoeve verpacht. Na de ontbinding dienden de kloostergebouwen als woning voor de staatse kwartierschout, terwijl het complex stukje bij beetje werd afgebroken teneinde het bouwmateriaal te verkopen. Eind 18de eeuw was er weinig meer van de kloostergebouwen over. Het bestaan van de watermolen bij Hooidonk wordt voor het eerst vermeld in 1150. Waarschijnlijk is hij echter ouder, mogelijk zelfs stammend uit de 9de eeuw.
Hij werd eigendom van de priorij, en werd later veelal verpacht aan een molenaar. De molen was in gebruik voor het malen van koren, maar ook als olie- en houtzaagmolen. Het graan dat er werd gemalen mocht echter uitsluitend van bewoners van Nederwetten en Breugel komen. In 1564 gingen de molen en een deel van het klooster in vlammen op, maar de molen werd snel weer opgebouwd. In 1747 werd hij door de rentmeester van de geestelijke goederen in eeuwige erfpacht gegeven. De molen is diverse malen gerestaureerd. Tegenwoordig vinden we op het terrein, temidden van grasland, nog een boerderij (de Agneshoeve) met bijgebouwen; een bakhuis (net ten westen van de molen), en een park met kruiswegstatie en kapel. Op het terrein ten oosten van het eiland, dat ook tot het beschermd dorpsgezicht behoort, bevindt zich net ten oosten van de molen nog de voormalige molenaarswoning met bijgebouwen. Op de fundamenten van de oorspronkelijke stenen kloosterkapel, die in 1244 was gewijd aan Onze Lieve Vrouwe en Johannes de Evangelist, en die in 1564 was afgebrand, werd in 1950 een herdenkingskapel gebouwd naar ontwerp van H.W. Valk. Deze kapel werd gewijd aan het Heilig Kruis. In 1220 was er namelijk een partikel van het Heilig Kruis geschonken aan het klooster, dat in 1244 bij de wijding van de eerste stenen kapel wonderdadig was gebleken toen het bloedde nadat het in water was gedoopt.
Bonifacius, voormalig bisschop van Lausanne, wilde bij de wijding van de kapel nagaan of het partikel wel werkelijk van het Heilig Kruis kwam, door te testen of het in gewijd water zou zinken, zoals het Heilig Kruis-partikels destijds betaamde. Uiteraard zonk de houtsplinter, en bovendien bleek het dus ook nog eens wonderdadig door te bloeden. Dit wonder wekte een bijzondere verering op in de kapel, wat mede de oorzaak is van de recente herstichting. In een processiepark uit hetzelfde jaar bevinden zich kruiswegstaties en een beeld van Maria met kind, die zijn ontworpen door de Nuenense kunstenaar Hugo Brouwer. Jaarlijks vind er een processie plaats waarbij een mis wordt opgedragen in het park bij de kapel. Groenelementen/erfafscheidingen/tuinen Grofweg van buiten naar binnen en van oost naar west beschrijvend, vallen ten eerste de hoge populieren op die in een rij vrijwel rondom op de binnenoevers op het eiland staan, en langs de Hooidonkse beek (de noordgrens van het gebied) ten oosten van de molenloop. Ten zuiden van die laatste rij liggen de tuinen van Hooidonk 4 en 6 (de langgevelboerderij / molenaarswoning), een siertuin met boompjes, hagen en struiken, in de noordoostelijke hoek een bosschage met jonge beukeboompjes, en aan de molenkolk een fraaie treurwilg.
Voor de blinde noordoostelijke gevel van de boerderij is er, naar de weg toe, een tuintje met een fruitboom en diverse struiken. Aan de zuidwestelijke zijde van de boerderij is er voor de molenaarswoning een voortuintje met drie bloemenperken binnen ligusterhagen en grindpaden achter een beukenhaag. Westelijker, op het eiland, ligt het park met de H. Kruiskapel. In dit park met eenvoudige landschappelijke aanleg vinden we rond een gazon met zandpaden een rijkdom aan struiken en bomen, o.a. berk, treurwilg, coniferen, ceder, spar, rode beuk, notenboom, prunus, taxus en hortensia. Binnen het gazon zijn er twee ‘eilanden’: de kapel met een aantal kleine boompjes en struiken er omheen, en één met een
38
mariabeeld, een bankje een rozenperk, een berk en wat struiken. Het park heeft de status van gemeentelijk monument. Zuid-westelijk van het parkje staan er ten noorden en ten zuiden van de boerderij een aantal berken en fruitbomen. Aan de voorzijde is er aan drie zijden van het erf van de boerderij een beukenhaag. Ten noorden van de boerderij ligt een perceel grasland. Ten zuiden van de boerderij en het wegje dat er vanaf de molen naartoe loopt, zijn er een drietal min of meer afgescheiden kleine weilanden. Ertussen en eromheen lopen slootjes met rijen knotwilgen erlangs. Ook langs de molenloop ten zuiden van de molen, staan knotwilgen en wilgen.
Luchtfoto van het gebied Hooidonk met de watermolen, de Hooidonkse beek en de Dommel (Foto Eindhovens Dagblad). Waterlopen Waterlopen spelen een grote, en in oorsprong vormende, rol in het gebied. De twee lopen van de Dommel (westelijk de breedste, en oostelijk de in oorsprong mogelijk kunstmatige molenloop) hebben grotendeels niet al te zeer kunstmatig versterkte oevers (althans niet zichtbaar ‘modern’), de lopen zijn dus niet al te zeer gekanaliseerd, en hebben groene oevers. Onder de twee stuwen, de ‘moderne’ stuw in de hoofdloop aan de zuidelijke punt van het gebied (wel op de originele plek en vormende onderdeel van het Rijksmonument dat de watermolen met waterwerken is) en de molenstuw, zijn er vijverachtige kolken. De Hooidonkse beek, die de noordoostelijke grens van het gebied vormt, is een klein gekanaliseerd stroompje. De overige sloten in het gebied staan meestal droog. Samenvatting Samenvattend kan worden gesteld het gebied Hooidonk een waardevol gebied is waarin de historische structuur (bestaande uit wegen, waterlopen en verkaveling), de bebouwing en de groenelementen een grote samenhang vertonen die door de eeuwen heen is ontstaan en zodoende een goed beeld geeft van de historische situatie.
Dit samenspel van onroerende elementen vormt een geheel, dat van algemeen belang is voor de gemeente Nuenen door zijn schoonheid, markant eigen karakter, archeologische en cultuurhistorische waarde. Er is derhalve sprake van historisch-ruimtelijke waarden, situeringswaarden, cultuurhistorische en archeologische waarden. De in het gebied aanwezi¬ge historische componenten kenmerken zich door hun onderlinge samenhang, gaafheid en herkenbaarheid.
39
5. Dorpsgezicht Soeterbeekseweg - Wagendonken Info overgenomen uit: Frank, C.J.B.P. & W. Boerefijn, 2001: Gemeente Nuenen. Redengevende beschrijving gemeentelijk beschermd dorpsgezicht Soeterbeekseweg / Wagendonken (Monumenten Advies Bureau), Nijmegen. De situering van het gebied In grote lijnen omvat het gebied de nederzettingskern met huiskavels aan de Soeterbeekse weg rondom de kruising met de Wagendonken, plus de velden (grasland en maïsvelden) daar direct omheen. Langs de grenzen zijn de sloten en waardevolle bomen zoveel mogelijk nog binnen het gebied getrokken. De Soeterbeekse weg vormt als het ware de ruggegraat van dit gebied in noordzuid richting. Qua karakter is het gebied vooral landelijk, en qua functie is het vooral agrarisch. Deze functie lag ook ten oorsprong aan het bestaan van de nederzetting. Daarnaast is er binnen de nederzetting tegenwoordig ook bewoning die niet direct samenhangt met het agrarisch gebruik. De kern van de nederzetting ligt aan de Soeterbeekse weg waar deze kruist met de secundaire weg Wagendonken/Soeterbeekseweg, die in oost-west richting loopt. De bebouwing is echter voornamelijk aan de Soeterbeekse weg te vinden. Achter de bebouwing strekken zich de velden uit tot aan de iets lager gelegen randen van het gebied. Het gebied vormde oorspronkelijk een akkercomplexje en was zodoende een functionele nederzettingseenheid.
Enkel in noordelijke richting liep het complex verder door, hetgeen in de structuur nog wel zichtbaar is, maar wegens een iets lagere situationele kwaliteit en ouderdom (en daarmee zeldzaamheid) van de bebouwing is er voor gekozen dat niet binnen het gebied van het beschermd dorpsgezicht op te nemen. Karakteristiek is het contrast tussen ‘de bebouwde kom’ van de nederzetting, die met bebouwing en opgaand groen een vrij besloten karakter heeft, en de omliggende open velden.
Ontstaan en ontwikkeling Het gebied Soeterbeekseweg / Wagendonken (de Wagendonken is de oostelijke arm van de weg die de Soeterbeekseweg kruist, en waarvan de westelijke arm vreemd genoeg ook Soeterbeekseweg heet) ligt in het westen van de gemeente Nuenen, die als geheel uit verschillende kernen is ontstaan.
40
Dit gebied heeft echter in de gemeente Nederwetten gelegen totdat deze in 1821 werd opgeheven en samengevoegd met Gerwen en Nuenen.
Het gebied Soeterbeekseweg-Wagendonken op de topografische kaart van rond 1900. De Soeterbeekseweg is ontstaan uit een oude middeleeuwse route die op de oostelijke oever van de Dommel lag. De weg dankt zijn naam aan het voormalig klooster Soeterbeek, dat in of kort voor 1448 werd gesticht ten zuiden van het gebied. Daar de weg primair de verbinding tussen het dorp Nederwetten en het klooster vormde, nam het de naam van het klooster over. Dit klooster, gesticht voor reguliere kanunnikessen van de Augustijner orde, op zijn beurt, had de naam van de locatie ‘die Suetbeeck’ in de zuid-oosthoek van de parochie Nederwetten, zo’n zeshonderd meter zuidelijk van het gebied bij de Wagendonken. In 1462 werd het echter over kleine afstand zuidwaarts verplaatst naar de oever van de Dommel in de parochie Nuenen, omdat op de eerste locatie bij tijd en wijle wateroverlast was, terwijl de kwaliteit van het hier beschikbare water niet goed genoeg was voor de linnenbleek, waar de bewoners van het klooster zich mee bezighielden (het toponiem ‘Bleekvelden’ was hier nog tot in de late 19de eeuw in gebruik). De preciese ontginningsgeschiedenis van het gebied is niet helemaal duidelijk, maar het is bekend dat Nederwetten ontstaan is uit een paar ontginningshoeven van het klooster Hooidonk, enkele kilometers noordelijker aan de Dommel, tussen de 12de en 15de eeuw.
Ten zuiden van Nederwetten lagen aan de Soeterbeekse weg vanaf de 15de eeuw de hoeven Ter Straten en de Kerkhofse hoeve
41
(bij de eerste locatie van het klooster), die tot 1539 in het bezit van het klooster Soeterbeek waren. De Soeterbeekse weg loopt parallel aan de Dommel, en houdt zo veel mogelijk een hoog gelegen traject aan. Zo ook in het betreffende gebied rondom de nederzetting bij de kruising van de Soeterbeekse weg en de weg Wagendonken (die in de 19de eeuw ook ‘Nuenens straatje’ werd genoemd). In deze nederzettingskern gold in de 19de eeuw het toponiem ‘Schoordonken’, wat wijst op een relatief hoge ligging. Deze valt in het landschap ook te zien (hoewel de hoogteverschillen marginaal zijn): de velden rond de nederzetting liggen iets boller en hoger dan in de omringende gebieden, waar laagtes zijn met kleine waterlopen. De bodem in de omgeving bestaat uit pleistoceen dekzand met plaatselijk lemig karakter, waarin het water beekdalen, met name dat van de Dommel, heeft uitgesleten. Langs de beken vinden we dekzandruggen. Het betreffende gebied aan de Soeterbeekseweg ligt dus net ten westen van de Dommel, nog min of meer in het beekdal. Op de iets hoger gelegen grond in het gebiedje, lag vanouds als het ware een eiland van akkers, temidden van graslanden (voor hooi of weide, de zg. ‘beemden’) en hakhoutbosjes. Tussen het gebied en de Dommel ligt een smalle strook ‘bolle akkers’, die kunstmatig zijn opgehoogd (en waarvan de ouderdom voor schrijver dezes onbekend is).
Verder ten noorden, lag het akkercomplex van Nederwetten, ten zuiden dat van Boord, en ten oosten die van Gerwen en Nuenen. Verder weg van het beekdal, op nog grotere hoogte ten oosten en westen van de Dommel, lagen extensief gebruikte woeste gronden met heide en bos. Het gebied heeft sinds de ontginningen, grofweg tussen de 10de en de 16de eeuw, steeds een agrarisch karakter gehad. Heden worden de landerijen vooral als grasland benut. Slechts enkele hoger gelegen velden zijn nog als akkers in gebruik (vooral voor maïsteelt). In de omgeving van het gebied vinden we behalve de meer gangbare veehouderij ook paardenhouderij (blijkens 19de-eeuwse toponiemen toen ook al net ten zuiden en westen van het gebied) en een varkensmesterij die met zijn moderne stallen het karakteristieke gezicht van de omgeving danig verstoort (net ten westen van het gebied). Door de eeuwen heen zijn er in het gebied meer boerderijen en huizen gebouwd. Deze groei vond plaats door de bestaande verkaveling op te delen, alwaar zulks gewenst was en de eigenaren (of het collectief waar het de gemeenschappelijke gronden betrof) dat wensten. Aan de bestaande wegen ontstond zo in het centrum van de kern een dichtere bebouwing, die echter nog altijd vrijstaand is. Boerderijen, woonhuizen, schuren en bedrijfsgebouwen wisselen elkaar hier af.
Door de tijd heen, waarschijnlijk vooral in de 18de en 19de eeuw, zijn er ook weer panden verdwenen, waarvan de erven nog wel als zodanig herkenbaar zijn in plattegronden. In het gebied zijn er twee wegen, die elkaar kruisen in het centrum van het gebied. De belangrijkste is de reeds in de vorige paragraaf beschreven Soeterbeekse weg, die oorspronkelijk Nederwetten in het noorden met het klooster Soeterbeek in het zuiden verbond, en die al in de late middeleeuwen bestond. Deze weg werd verhard in 1925, toen ook de weg van Hooidonk (ten noorden van Nederwetten en verder noordwaarts met Breugel verbonden) naar Nuenen werd aangelegd. De kruisende weg Wagendonken/Soeterbeekseweg is van minder belang, en is hoogstwaarschijnlijk minder oud. Naar het westen liep de weg vroeger naar een hoeve in de beemden, en naar het oosten ging de weg ook naar de lager gelegen gronden, om echter wel een secundaire verbinding (waarschijnlijk niet veel meer dan een paadje) met Nuenen te vormen; vandaar ook dat de naam in de 19de eeuw nog ‘Nuenens straatje’ was. Dit (wandel)pad is in 2012 weer in ere hersteld door een oversteek te realiseren over de waterloop (sloot) vanaf Wagendonken richting De Paalhurken. Wandelaars maken hier graag gebruik van om langs het Sint Catharina Gilde, te voet naar Nuenen te gaan, of vanuit Nuenen richting het Dommeldal.
Het spreekt voor zich dat het verkeer in het gebied door de tijd heen is toegenomen. Zeker vanaf de bestrating in 1925 werd de Soeterbeekse weg een doorgaande weg van bovenlokaal belang, die Nederwetten en verderop Breugel in het noorden, met Tongelre en Eindhoven verbond via de brug bij Opwetten. Door de uitbouw van andere wegen in de omgeving is de Soeterbeekseweg nu echter weer een weg van niet meer dan lokaal belang, die door het oorspronkelijke traject (bochtig verloop door oude landelijke nederzettingskernen) en de tegenwoordig in het landelijk gebied niet veel meer voorkomende bestrating met basalt-klinkers een historisch karakter uitstraalt.
42
De Soeterbeekseweg met een bestrating van basalt-klinkers (Google steetview 2022). Samenvatting Samenvattend kan worden gesteld het gebied Soeterbeekseweg / Wagendonken een waardevol gebied is waarin de historische structuur (wegen, waterlopen en verkaveling), de bebouwing en de groenelementen een grote samenhang vertonen die door de tijd heen is ontstaan en zodoende een goed beeld geeft van de historische situatie. Dit samenspel van onroerende elementen vormt een geheel, dat van algemeen belang is voor de gemeente Nuenen door zijn schoonheid, markant eigen karakter, archeologische en cultuurhistorische waarde. Er is derhalve sprake van historisch-ruimtelijke waarden, situeringswaarden, cultuurhistorische en archeologische waarden. De in het gebied aanwezige historische componenten kenmerken zich door hun onderlinge samenhang, gaafheid en herkenbaarheid.
43
3. Cultuurhistorisch waardevol erfgoed 3.1 Overzicht van archeologisch waardevolle gebieden De onderstaande archeologische monumenten zijn niet beschermd vanuit de Erfgoedwet. Ze zijn op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart van de gemeente Nuenen opgenomen als gebieden van zeer hoge archeologische waarde, hoge archeologische waarde dan wel archeologische waarde. Hieronder vallen ook de landelijk en provinciaal geregistreerde archeologische monumenten (Bron Archeologische Monumentenkaart (AMK), Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Monumentnr. Plaats Bron Coördinaten Toponiem Thema Complextype Datering Waarde Omschrijving
Literatuur
2288 Nuenen AMK x 164095 y 386281 Vorsterdijk; Kleine Dommel Bewoning (inclusief verdediging) Nederzetting, onbepaald IJzertijd-Romeinse tijd: 800 v- 450 nC Terrein van archeologische waarde Terrein met sporen van bewoning uit de IJzertijd - Romeinse tijd. Het terrein ligt aan de Dommel. Een deel van het terrein is waarschijnlijk door de zandafgraving verstoord. Bij de aanleg van de weg Woensel-Nuenen in 1974 (langs de noordgrens van het terrein) zijn bodemsporen aangetroffen uit deze periode. Op het terrein zelf zijn bij een zandafgraving in 1970 naast Romeinse en inheems Romeinse vondsten ook vondsten uit de Middeleeuwen aangetroffen. 'In de naaste omgeving werden in 1966 door G. Fonteijn eveneens dergelijke scherven aangetroffen'. - Verwers, W.J.H, Nuenen, Jaarverslag van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 1990, 1991, p. 200. - Arch. Nieuws, NKNOB 1966, p. *88 - Arch. Nieuws, NKNOB, 1967, p. 58.
Archeologisch waardevol gebied nr. 2288 op de TOP10NL-kaart.
44
Monumentnr. Plaats Bron Coördinaten Toponiem Thema Complextype Datering Waarde Omschrijving
Literatuur
2289 Nuenen AMK x 164576 y 386890 Hoolsche Velden Bewoning (inclusief verdediging) Nederzetting, onbepaald Middeleeuwen laat: 1050 - 1500 nC Terrein van hoge archeologische waarde Mogelijk omgracht terrein met sporen van bewoning uit de Late Middeleeuwen en waarschijnlijk Nieuwe tijd. Tijdens opgravingen door de Heemkundekring Nuenen in 1989 werd zeer veel materiaal gevonden en een waterput. Wellicht gaat het hier om een moated site. -
Archeologisch waardevol gebied nr. 2289 op de TOP10NL-kaart.
Monumentnr. Plaats Bron Coördinaten Toponiem Thema Complextype Datering Waarde Omschrijving
45
5238 en Nuenen 4 en 5 Nederwetten AMK x 163629 y 389882 Agneshoeve, Hooidonk Religie Klooster Middeleeuwen laat: 1050 - 1500 nC Terrein van hoge archeologische waarde en terrein van zeer hoge archeologische waarde Terrein met de resten van het laatmiddeleeuwse klooster Hooydonk. Het klooster werd in 1146 gesticht. Het betrof een slotklooster voor adellijke zusters, afhankelijk van de abdij van Rolduc. Het kloosterterrein met kerk is vanwege de nog aanwezige funderingen (deels ruine) opgenomen als terrein van zeer hoge archeologische waarde. Bij de kloosterkerk lag de begraafplaats welke als apart terrein van zeer hoge archeologische waarde is opgenomen vanwege de aanwezige begravingen.
Literatuur
- Kortlang, F., De Dommelvallei, Een archeologische kartering. Deel I: methode, resultaten en planologische aspecten. Deel II: bewoningsgeschiedenis, 1987. - Beex, G., Archeologisch overzicht van de gemeente Nuenen, Brabants Heem 1969, p. 50-53 - Frenken, A.M., De voormalige priorij van Hooidonk, Bossche Bijdragen 19, 1948, p. 1- 93. - Heesters, W., De priorij van Hooidonk, Heemschild 8, nr. 1, 1974, p.
Afbeelding: De vermoedelijke situering van kerk, kerkhof en verblijven van klooster Hooidonk in 1450 (Tekening N. Nagtegaal).
Archeologisch waardevol gebied nr. 5238 en de twee terreinen van zeer hoge archeologische waarde (in blauw) op de TOP10NL-kaart.
46
Monumentnr. Plaats Bron Coördinaten Toponiem Thema Complextype Datering
Waarde Omschrijving
Literatuur
5239 en Nuenen 1 Nederwetten AMK x 164000 y 389336 Kerkhoef Bewoning (inclusief verdediging) Nederzetting, onbepaald Kerk en kerkhof Mesolithicum: 8800 – 4900 vC – IJzertijd: 800 -12 vC Romeinse tijd: 12 vC - 450 nC Late Middeleeuwen: 1000-1500 nC - Nieuwe tijd: 1500-1850 nC Terrein van archeologische waarde en terrein van zeer hoge archeologische waarde Terrein met sporen van bewoning uit de Late Middeleeuwen en mogelijk andere perioden (Mesolithicum, Romeinse tijd). Er is sprake van een esdek. De directe nabijheid van een middeleeuws kerktoren restant doet de aanwezigheid van middeleeuwse bewoningssporen vermoeden. Het terrein werd in 2003 verkend in het kader van het project IWAT. Voor een groot deel (75% van het geheel) ontbrak betredingstoestemming, zodat een waarderend onderzoek daar onmogelijk was. Er is geen duidelijk bodemprofiel aanwezig, maar evenmin duidelijke verstoringen (voor zover controleerbaar). De verkenning gaf (mede door het ontbreken van voldoende gegevens) aanleiding tot een opwaardering van het terrein tot (slechts) archeologische waarde. De locatie van het oude kerkhof in en om de oude kerktoren is opgenomen als terrein van zeer hoge archeologische waarde vanwege de aanwezigheid van begravingen. - Kortlang, F., De Dommelvallei. Een archeologische kartering. Deel I: methode, resultaten en planologische aspecten. Deel II: bewoningsgeschiedenis.
1987 - Kluiving, S. & J.J. Arts, Inventarisatie en Waardering archeologische terreinen in de Provincie Noord- Brabant (IWAT), Intern rapport provincie Noord-Brabant, 2004.
Archeologisch waardevolle gebieden nr. 5239 en 5244 en het terrein van zeer hoge archeologische waarde op
47
de TOP10NL-kaart.
Monumentnr. Plaats Bron Coördinaten Toponiem Thema Complextype Datering Waarde Omschrijving
Literatuur
Monumentnr. Plaats Bron Coördinaten Toponiem Thema Complextype Datering
Waarde Omschrijving
Literatuur
48
5244 Nederwetten AMK x 163879 y 389091 Soeterbeekse weg Bewoning (inclusief verdediging) Nederzetting, onbepaald Middeleeuwen laat: 1050 - 1500 nC Terrein van archeologische waarde Terrein met waarschijnlijk sporen van bewoning uit de Late Middeleeuwen, te verwachten in de directe nabijheid van een Laat-Middeleeuwse kerk. Het betreft een voormalig terrein van Archeologische Betekenis, dat in het kader van het project IWAT (een nadere waardering van terreinen van Archeologische Betekenis in de provincie Noord-Brabant, uitgevoerd in 2003 begin 2004) niet kon worden verkend. De beschikbare Archisgegevens van (resten van een Laat-Middeleeuwse kerk) gaven aanleiding tot een opwaardering van het terrein tot de huidige status (AW), mede omdat er sprake is van een esdek. De oorspronkelijke omvang van het AB-terrein is bij gebrek aan voldoende archeologische gegevens fors verkleind, tot slechts de omgeving van de voornoemde kerk. - Kortlang, F., De Dommelvallei, Een archeologische kartering. Deel I: methode resultaten en planologische aspecten. Deel II: bewoningsgeschiedenis. 1987 - Beex, G., Archeologisch overzicht van de gemeente Nuenen, p. 50- 53. Brabants Heem 1969. - Beex, G., Aanvulling neolithische bijlen in Noord-Brabant, Brabants Heem 1959, p. 46-47 en 50-53.
5241 Nederwetten AMK x 163465 y 388079 Nederwetten – Rietmussen Bewoning (inclusief verdediging) Nederzetting, onbepaald Mesolithicum: 8800 – 4900 vC – IJzertijd: 800 -12 vC Romeinse tijd: 12 vC - 450 nC Late Middeleeuwen: 1000-1500 nC Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met mogelijk sporen van bewoning uit het Mesolithicum, de IJzertijd/Romeinse tijd en de late Middeleeuwen. De contouren van het terrein zoals opgenomen in de AMK zijn aangepast op basis van het natuurlijke relief van de AHN4 en de kadasterkaart van 1830 en na een veldverkenning eind 2022. - Kortlang, F., De Dommelvallei. Een archeologische kartering. Deel I: methode, resultaten en planologische aspecten. Deel II: bewoningsgeschiedenis. 1987 - Beex, G., Archeologisch overzicht van de gemeente Nuenen, p. 50- 53. Brabants Heem 1969.
Archeologisch waardevol gebied nr. 5241 op de TOP10NL-kaart.
Monumentnr. Plaats Bron Coördinaten Toponiem Thema Complextype Datering Waarde Omschrijving
49
11689 Nederwetten AMK x 163523 y 388351 Nederwetten - Heuvelakkers Bewoning (inclusief verdediging) Nederzetting, onbepaald (vermoedelijk cultusplaats) Romeinse tijd: 12 vC - 450 nC Terrein van archeologische waarde Terrein met mogelijk resten van bewoning of depositie uit de Romeinse tijd. Het terrein werd opgevoerd naar aanleiding van de vondst van ca. 500 scherven, 200 munten en enkele bronzen speerpunten. Het terrein werd in 2003 verkend in het kader van het project IWAT, een nadere waardering van terreinen van Archeologische Betekenis in de provincie Noord-Brabant. De interpretatie is problematisch, vanwege een ophogingslaag die of een hoge ouderdom en dus een hoge waarde heeft, of van betrekkelijk recente datum is (hetgeen het meest waarschijnlijk lijkt te zijn). De verkenning gaf aanleiding tot een opwaardering van het monument tot de huidige status. Het depot van Nederwetten komt niet overeen met reguliere schatvondsten, maar eerder met langzaam gegroeide votiefdepots. Vanwege de lange omlooptijd kan het depot niet gedefinieerd worden als een gesloten schatvondst. We moeten dan ook uitgaan van een religieus depot en de munten beschouwen als votiefgaven. Gezien het aantal munten moet het dan gaan om een cultusplaats die een belangrijke functie in de religieuze praktijk heeft gehad. Andere aanwijzingen voor een cultusplaats: - de eerdere muntvondst Nederwetten 1939,
.
Literatuur
Opmerking
- de tevens in 1939 aangetroffen bronzen beeldjes en lanspunten. - de vondst van het randfragment van de bronzen ketel van het 'Vestlandtype', die dikwijls voorkomt in een religieuze context. - de vindplaats zelf, als zandige opduiking in het beekdal van de Dommmel, roept sterke associaties op het in Empel aangetroffen heiligdom. - Kluiving, S. & J.J. Arts, Catalogus Inventarisatie en Waardering Archeologische Terreinen in de Provincie Noord- Brabant (IWAT), Intern rapport provincie Noord- Brabant, 2004 - Verwers, W.J.H., Nuenen (p. 176), Jaarverslag van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 1989, 1990. - J. Prins, Het depot Nederwetten 1989/1990, in Jaarboek voor munt en penningkunde 78, 1991, p. 132-137. - J. Prins, Depot Nederwetten 1989/1990 ‘revisited’ en Nederwetten II, in Jaarboek voor munt en penningkunde 80, 1993, p. 132-137. De contouren van het oorspronkelijke AMK terrein zijn aangepast na veldbezoek, controle van de AHN en de kadasterkaart 1830. Daarbij is tevens gekeken naar de spreiding van de vindplaatsen in het gebied.
Archeologisch waardevol gebied nr. 11689 op de luchtfoto 2021 en topografie. De stippen geven de diverse vindplaatsen aan.
Monumentnr. Plaats Bron Coördinaten Toponiem Thema Complextype Datering Waarde Omschrijving
50
15746 en Nuenen 2 Nuenen AMK x 166773 y 387007 Bij de Oude Toren op de Tomakker Religie Kerk en kerkhof Middeleeuwen laat: 1050 - 1500 nC Terrein van hoge archeologische waarde en terrein van zeer hoge archeologische waarde Terrein met resten (fundamenten) van een kerk uit de Late Middeleeuwen, alsmede begravingen (kerkhof). De contouren van het kerkhof is opgenomen als terrein van zeer hoge archeologische waarde vanwege de vele aanwezige begravingen vanaf de late middeleeuwen. Het Gilde van Sint-Anna Nuenendorp lokaliseerde in 1979 de toren, steunberen, het graf van Joncker Floris Berckel van Eijck en de plaats waar in de kerk eens een gildealtaar moet
Literatuur
hebben gestaan. De al gedeeltelijk afgebroken kerktoren werd eind 19e eeuw vereeuwigd door Vincent van Gogh. In de onmiddellijke nabijheid van het monument zijn middeleeuwse bewoningssporen aangetroffen. - Verwers, W.J.H., Nuenen, Jaarverslag van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 1981, 1983, p. 140. - Coenen, J., Gegeven Sint-Barbaradag 1300. Een overzicht van de geschiedenis van Nuenen, Gerwen en Nederwetten, 2000 - Brouwer, T. de, De Oude Toren en Van Gogh in Nuenen, 2000
Archeologisch waardevol gebied nr. 15746 en het terrein van zeer hoge archeologische waarde op de Topografische kaart (https://services.arcgisonline.nl/ArcGIS/services).
Monumentnr. Plaats Bron Coördinaten Toponiem Thema Complextype Datering Waarde Omschrijving
51
16832 Nuenen AMK x 166455 y 387455 Nuenen Bewoning (inclusief verdediging) Nederzetting, onbepaald Middeleeuwen laat A - Nieuwe Tijd: 1050-1950 nC Terrein van archeologische waarde Terrein met de oude dorpskern van Nuenen. Middeleeuwse bewoning voor 1250. Op de AMK-Noord Brabant zijn historische stads- en dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De selectie en begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 16de-eeuwse (Van Deventer) en vroeg 20e-eeuwse kaarten (Bonnebladen). Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van Laat Middeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege en Volle Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet per se hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning.
Literatuur
-
Archeologisch waardevol gebied nr. 16832 op de TOP10NL-kaart.
Monumentnr. Plaats Bron Coördinaten Toponiem Thema Complextype Datering Waarde Omschrijving Literatuur
Nuenen 3 Gerwen Erfgoedkaart en kadasterkaart 1830 x 167331 y 388899 Gerwen Begraving Kerk en kerkhof Middeleeuwen laat A - Nieuwe Tijd: 1050-1850 nC Terrein van zeer hoge archeologische waarde Begraafplaats in en rond de kerk van Gerwen, daterend vanaf de late middeleeuwen. Deels geruimd. -
Terrein van zeer hoge archeologische waarde bij de kerk van Gerwen op de Heuvel.
52
Monumentnr. Plaats Bron Coördinaten Toponiem Thema Complextype Datering Waarde Omschrijving
Literatuur
Nuenen 6 Nuenen Archis Zaak ID 4591618100 X= 165448 Y= 386281 Berkenbosch Bewoning (inclusief verdediging) Nederzetting Middeleeuwen laat B - Nieuwe Tijd: 1250-1850 nC Terrein van hoge archeologische waarde In 2018 en 2021 zijn bij archeologisch onderzoek aan het Witte Hondpad in Nuenen sporen en vondsten aangetroffen die te relateren zijn aan de boerderij Berkenbosch, die in ieder geval teruggaat tot 1615 en de op de akker ten zuiden ervan gelegen voormalige tiendschuur. De aangetroffen greppels met palissade vormden een toegangsweg tot het perceel waarop de schuur stond of het terrein rondom de hoeve Berkenbosch. Tussen beide greppels is een diepe kuil aangetroffen met een zeer vondstrijke vulling. De depositie van het vondstcomplex in de kuil dateert tussen 1475 en 1550. Dit plaatst het vondstcomplex historisch in de periode van de Gelderse oorlogen. Slechts een deel van de nederzetting is opgegraven. De sporen lopen vooral naar het noorden en noordoosten door. - Bink, M., 2020: Nuenen-Witte Hondpad Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven, Amsterdam (ZAN 823). - M. Bink, 2021: Evaluatierapport archeologische opgraving Nuenen-Witte Hondpad.
Impressie van de opgraving bij het Witte Hondpad in 2021 (foto VUhbs). Monumentnr. Plaats Bron
53
Nuenen 7 Gerwen Archis
Coördinaten Toponiem Thema Complextype Datering Waarde Omschrijving
Literatuur
X= 167351 Y= 388505 Kerkakkers Bewoning (inclusief verdediging) Nederzetting IJzertijd: 800 - 12 vC - Romeinse tijd: 12 vC - 450 nC Terrein van hoge archeologische waarde In 2021 zijn hier bij een proefsleuvenonderzoek gevolgd door een kleine opgraving, een aanzienlijke hoeveelheid aan sporen aangetroffen van waarschijnlijk een nederzetting. Deze sporen zijn voornamelijk laat prehistorisch/vroeg Romeins, mogelijk dateren ook enkele sporen uit de vroege middeleeuwen. Het aardewerk bestaat voor het overgrote deel uit laat-prehistorisch aardewerk. In mindere mate is ook aardewerk uit de Romeinse tijd, de Vroege en Volle Middeleeuwen aanwezig. Op basis van de waardering van de sporen is de vindplaats als behoudenswaardig aangeduid en deels opgegraven. M. v.d. Merwe, 2021: Gerwen Kerkakkers, proefsleuven en opgraving. Evaluatieverslag.
Gerwen – Kerkakkers. Alle Sporenkaart archeologische opgraving (uit rapport VUhbs).
Monumentnr. Plaats Bron Coördinaten Toponiem Thema Complextype Datering Waarde Omschrijving
54
Nuenen 8 Nuenen Archis Zaak ID 2366345100 X= 167230 Y= 387308 Beekstraat Bewoning (inclusief verdediging) Moated site Middeleeuwen laat B:1250 - 1500 nC - Nieuwe tijd B: 1650 – 1850 nC Terrein van hoge archeologische waarde Bij een opgraving aan de Beekstraat in 2012 (kruising de Beekse Tuin) is een brede in verschillende fasen gedempte gracht aangetroffen. in het zuiden en noorden buigt de greppel in oostelijke richting af. Hierdoor ontstaat de indruk dat de gracht mogelijk deel uit maakt van een omgrachting van een