CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Erfgoedbeleid - Erfgoed uitgediept - Bijlage 1 Catalogus Cultuurhistorische Inventarisatie gemeente Nuenen

Beeldvormende raadsbijeenkomst 7 september 2023, gemeente NuenenBij agendapunt: Erfgoedbeleid33.312 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

21

• • •

de standplaats ligt binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van de betreffende soort; in de omgeving komt de betreffende soort voor op vergelijkbare standplaatsen; in of nabij de standplaats komen oude natuurlijke of cultuurhistorische elementen voor zoals beekmeanders, wallen, greppels, graften, holle wegen en oude perceelsgrenzen.

De belangrijkste criteria die de boom of struik zelf betreffen: • de boom of struik is een wilde inheemse variëteit, geen cultuurvorm; • de boom of struik maakt een spontane en niet-aangeplante indruk; • het betreft een zichtbaar oude boom of struik, een oude stoof van voormalig hakhout of spaartelg (op enen gezet); • DNA onderzoek geeft indicaties. Overige criteria • uit archieven blijkt een hoge ouderdom van de groeiplaats of zijn er indicaties voor het autochtone karakter; • uit mededelingen van bewoners ter plaatse blijkt een hoge ouderdom van de groeiplaats; • uit archeo-botanisch- of archeologisch onderzoek volgen indicaties voor het autochtone karakter. In de praktijk gaan zelden alle criteria tegelijk op. Op verarmde plaatsen bijvoorbeeld zullen indicatieve kruiden ontbreken. Er is ook niet altijd sprake van oude bomen of oud hakhout. Het uitsluiten van typische tuinvariëteiten is nog wel mogelijk, maar determinatie van wilde variëteiten is alleen met veel veldervaring soms mogelijk. De criteria dienen ook in samenhang met elkaar gebruikt te worden. De groeiplaatsen van autochtone bomen en struiken worden in het veld aangegeven op een veldkaart met topografische ondergrond, schaal 1:10.000.

Op het inventarisatieformulier worden opgenomen: • gegevens betreffende de standplaats (topografie, geomorfologie, bodem, vegetatietype, indicatieve kruiden e.d.); • gegevens over het beheer; • de karakteristieke bomen en struiken (Tansleypresentie, inheems karakter, omtrek, hoogte, optreden van verjonging); • gegevens ten behoeve van de oogst van vruchten of zaden (bloei, vruchtzetting, mate van bereikbaarheid). De in de rapportage opgenomen soorten en groeiplaatsen zijn steeds in het veld bezocht en bestudeerd. In de praktijk is gebleken dat er in bestaande inventarisatierapporten ten aanzien van een aantal soortengroepen onvoldoende zekerheid bestaat over de determinatie of dat er sprake is van onzorgvuldige determinatie. Dit geldt voor geslachten als Betula, Quercus, Crataegus, Prunus, Salix, Rosa en Ulmus.

Afbeelding: een groot deel van het beekdal van de Dommel en Kleine Dommel zijn opgenomen als ecologisch oud bos (foto: Rijk van Dommel en Aa).

22

2. Inventarisatie historisch landschap R. Berkvens, K.A.H.W. Leenders & J. de Vries18

2.1 Algemeen Op 4 december van het jaar 1300 ‘schonk’ hertog Jan II van Brabant ‘gemeenterechten’ aan de heerlijkheid Nuenen-Gerwen. De grens tussen Nuenen en Gerwen werd gevormd door de huidige Papenvoortsedijk, de Hooidonksebeek en de Broekdijk. De grens met Nederwetten, dat sinds 1146 toebehoorde aan de priorij van Hooidonk, werd gevormd door de Heuvelakkerloop (vroeger Zuidbeek), het Broek en de Nieuwe Dijk. In 1659 kwam er een einde aan het landsheerlijk bestuur en al daar op vooruitlopend benoemden de Staten-Generaal in 1648 een kwartierschout voor heel Peelland en stelden de zeven schepenen van Nuenen-Gerwen en de vijf schepenen van Nederwetten een secretaris aan. Het ontstaan van de Bataafse Republiek in 1795 maakte een einde aan de ondergeschikte positie van de zogenaamde generaliteitslanden en aan de bevoorrechte positie van de Nederlands Gereformeerde kerk. Dirk van Lieshout werd in 1795 de eerste gekozen (katholieke) schepenpresident (soort burgemeester) van Nuenen-Gerwen. Dat bleef hij drie jaar en hij werd opgevolgd door zijn zoon Theodorus. Aert Habraken werd in 1795 schepen-president van Nederwetten. Na inlijving van de republiek bij Frankrijk in 1810 ontstonden naar Frans voorbeeld de gemeenten met een maire ofwel burgemeester. Theodorus van Lieshout droeg als eerste die titel in Nuenen-Gerwen. In Nederwetten werd Willem Sengers maire.

In de Grondwet van 1815, onder de eerste Oranjevorst, werd het Franse gemeentesysteem overgenomen. In 1821 werd Eckart, dat sinds de Franse tijd bij Nederwetten was gevoegd, bij de gemeente Woensel getrokken en ging Nederwetten deel uitmaken van de nieuwe gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Er volgend nog twee grenscorrecties. In 1972 met de gemeente Eindhoven en Son, waarbij de Dommel en de Kleine Dommel de nieuwe gemeentegrenzen werden. En in 1991 waarbij het gedeelte van het industriegebied “De Spaarpot”, dat op Nuenens gebied lag, aan Geldrop werd overgedragen. De nieuwe grens werd het Eindhovens Kanaal. Bevolkingsontwikkeling van de dorpen:19 jaartal 1464 1496 Aantal huizen Nuenen 224 209 en Gerwen Aantal inwoners 1230 1150 Nuenen en Gerwen Aantal huizen 30 29 Nederwetten Aantal inwoners 165 160 Nederwetten Totaal inwoners 1395 1310

1648

1672

1798

1840

243

398

310

443

1337

2189

1660

2437

34

45

48

76

187

248

264

418

1524

2437

1924

2855

2022

23.826

De beïnvloeding van gebeurtenissen op het inwonertal: 1478 1480 1512 1598 1636 1648 tot 1750

18 19

Nuenen wordt door de troepen van de hertog van Gelre in de as gelegd. In deze streken heerst een pestepidemie. Opnieuw houden de troepen van de hertog van Gelre hier huis. Dit keer zijn het de plunderingen door de Spanjaarden. Weer heerst hier een pestepidemie. Veel inwoners van deze streken trekken weg om te ontkomen aan de hoge Staats belastingen, die opgelegd werden om de oorlogen te bekostigen.

Met hulp van de gemeentelijke klankbord-werkgroep waarin o.m. de heemkundekring van Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Coenen 2000; Verhallen 1999, 2000 en 2001; CBS. 23

1672

Het rampjaar met de inval en doortocht van het Franse leger van Lodewijk XIV. Om deze troepen tegen te houden werd het stroomgebied van de Dommel onder water gezet, waardoor de te velde staande oogst werd vernietigd. 1676 en 1721 vele stierven als gevolg van rode loop (dysenterie). 1744 Inkwartiering van Hannoveraanse dragonders. Kost en inwoning van deze soldaten ging ten koste van het toch al karige bestaan van de eigen bevolking. 1746

In de maand juli: De inkwartiering van een regiment Oostenrijkers en Hongaren in Gerwen. 1746 In de maand november: De inkwartiering van een regiment Zwitsers in Gerwen. 1748 De inkwartiering van Engelse troepen. Deze laatste vier gebeurtenissen vonden plaats in het kader van de Oostenrijkse Successieoorlog. 1821 1900

Uitbreiding met Nederwetten. De komst van de industrie. De eerste jaren van deze eeuw blijft de economische groei van Nuenen achter bij die van de omliggende gemeenten zoals Helmond en Geldrop met hun textielfabrieken. Veel inwoners migreren naar onze randgemeenten. Vanaf 1930 Opkomst van de Eindhovense industrie, met name de stichting van Philips en na de oorlog de sterke uitbreiding van DAF. 1957 De oprichting van de Technische Hogeschool te Eindhoven. 1980 tot 2000 Sterke uitbreiding van industrie en handel in de eigen gemeente. Nuenen Het dorp Nuenen vormt samen met de dorpen Gerwen en Nederwetten één gemeente: Nuenen, Gerwen en Nederwetten of Nuenen c.a. (cum annexis). Het dorp heeft ongeveer 20.400 inwoners (in 2020); de gehele gemeente telt ruim 23.000 inwoners. Wapen

Historische beschrijvingen Hertog Jan II van Brabant verleende op 4 december 1300 ‘Sint-Barbaradag’ aan de inwoners van Nuenen-Gerwen de gebruiksrechten van de gemeenschappelijke gronden, bestaande uit heide, hooilanden en moerassen. Hiermee werd de basis gelegd voor wat aanvankelijk de gemeente Nuenen-Gerwen en vanaf 1821 de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten zou worden. Naam De naam Nuenen, Nuenhem of Nuynhem is een zogeheten Frankische heimnaam, ontstaan tussen de 5e en de 8e eeuw. Het achtervoegsel ‘hem’ betekent heim of woonplaats. Het voorvoegsel ‘nuen’ of ‘nuyn’ betekent ‘nieuw’. De ‘oude’ woonplaats zou misschien Gerwen geweest kunnen zijn.

24

Gerwen Gerwen is een van de dorpen van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten en telt ongeveer 2.100 inwoners (in 2020). Wapen

Historische beschrijvingen Hertog Jan II van Brabant verleende op 4 december 1300 ‘Sint-Barbaradag’ aan de inwoners van Nuenen-Gerwen de gebruiksrechten van de gemeenschappelijke gronden, bestaande uit heide, hooilanden en moerassen. Hiermee werd een begin gemaakt van wat aanvankelijk de gemeente Nuenen-Gerwen en vanaf 1821 de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten zou worden. Naam Het dorp Gerwen, ‘Gherwins­heim’, is in de Frankische tijd tussen de 5e en de 8e eeuw ontstaan. Gherwin is de naam van een Germaans stamhoofd naar wie de plaats Gerwen zou zijn genoemd. De betekenis is ‘speervriend’; ‘ger’ of ‘gairu’ is speer en ‘win’ is vriend. De eerste vermelding van de naam Gerwen is te vinden in een koopakte uit 1281, waarin landerijen in Ghaeruewen worden verkocht.

Nederwetten Nederwetten is een van de dorpen van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Het dorp ligt aan de rivier de Dommel. Het aantal inwoners bedraagt 850 (in 2020). Wapen

Historische beschrijvingen De heerlijkheid Nederwetten was tot 1810 een zelfstandige gemeente. In 1810 werd de heerlijkheid Eckart samengevoegd met Nederwetten tot één gemeente. Per 1 januari 1821 werd de gemeente

25

Nederwetten-Eckart opgeheven. Nederwetten werd samengevoegd met de gemeente NuenenGerwen en Eckart met de gemeente Woensel. Naam Nederwetten beslaat het grondgebied dat vroeger tot de priorij van Hooidonk behoorde. Ontginningen in de 12e en 13e eeuw leidden tot het ontstaan van het dorp Nederwetten. ‘Wetten’ verwijst naar lage, natte gronden. In tegenstelling tot Opwetten ligt Nederwetten stroomafwaarts (neerwaarts) langs de Dommel.

Eeneind Eeneind is een buurtschap in de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten en heeft ongeveer 800 bewoners. Wapen

Historische beschrijvingen De huidige kern Eeneind maakte oorspronkelijk deel uit van Boord-Opwetten. Vanaf 1866 is rond het toen gebouwde station Nuenen aan de spoorlijn Eindhoven-Venlo de buurtschap Eeneind ontstaan. Naam In de loop van de 16e eeuw werd de oorspronkelijke naam Enode verbasterd tot Eeneind. Enode heeft de betekenis van ‘Einzelhof’. Dat is een ontginningsboerderij gelegen in een heidegebied. De Eeneindse ontginningsboerderij is de Collse Hoeve.

Eckart Eckart is van oorsprong een eiland dat wordt omsloten door de rivier de Dommel en de zijtak de Dooigraaf of Dode Gracht. In 1312 wordt de oostelijke hoek van het eiland Eykart genoemd, later in de volksmond Eekert. Wapen

Historische beschrijvingen De heerlijkheid Eckart was tot 1810 een zelfstandige gemeente. Van 1810 tot 1821 maakte Eckart deel uit van de gemeente Nederwetten-Eckart. Op 1 januari 1821 werd de gemeente NederwettenEckart opgeheven. Nederwetten werd samengevoegd met de gemeente Nuenen-Gerwen en Eckart 26

met de gemeente Woensel, die tot 1896 gemeente ‘Woensel en Eckart‘ heette. De gemeente Woensel ging op 1 januari 1920 op in groot-Eindhoven, bestaande uit: Eind-hoven (stad), Gestel en Blaarthem, Strijp, Stratum, Tongelre en Woensel. Eckart kende aanvankelijk drie buurtschappen: Ten Hetsrode, De Luytelaer en Eckart rond het kasteel. Op Ten Hetsrode stond de meeste bebouwing en vormde daarmee de ‘bebouwde kom’ van Eckart. De Dooigraaf is in 1960 opnieuw uitgegraven en kreeg de naam Oude Gracht. In het gebied van het oude Eckart zijn vanaf 1960 twee stadswijken gerealiseerd. De oude bebouwing, voornamelijk boerderijen, en ook de oude wegenstructuur, zijn nagenoeg geheel verdwenen. De nieuwe wijken kregen de namen Oude Gracht-Oost en De Luytelaer. Herberg ‘De Zwaan’ uit de 18e eeuw is het enige niet-gesloopte pand van het oude Eckart, nu als ‘Herberg Eeckaerde’ ingepast in de nieuwe wijk Oude Gracht-Oost. Naam De naam Eckart verwijst naar gemeenschappelijke heidegrond met eikenbomen. ‘Eyk’ is eik en ‘art’ of ‘ert’ verwijst naar het gebruik maken van de gronden.

27

2.2 Thema’s Thema: 12 Oude infrastructuur Dit thema wordt gebruikt voor het onderbrengen van de oudste categorie wegen en routes: de préRomeinse en Romeinse wegen, waarvan het beloop veelal op giswerk en stoute dromen is gebaseerd. Het gaat hier om verbindingsroutes, vaak bundels van banen, die maar met enige vaagheid aan te wijzen zijn als daterend van vóór de Romeinse tijd of van in die Romeinse tijd, met de bijhorende beekovergangen, dat zijn hier dan altijd voorden. Omwille van hun vaak hypothetisch karakter hier apart gezet van de middeleeuwse infrastructuur. Het is en blijft de vraag of de doorgaande wegen uit de Vroege Middeleeuwen dezelfde zijn als in de Romeinse periode, met andere woorden de vraag naar continuïteit. Een aantal argumenten pleit voor een dergelijke situatie. Ten eerste het feit dat voor de doorgaande wegen gezien de natuurlijke omstandigheden weinig andere opties openblijven. Ondanks het feit dat vanaf de tweede helft van de 3de eeuw het bevolkingsaantal sterk terug loopt, kan toch verondersteld worden dat verkeer, zij het sporadisch, plaatsvindt. In de tweede plaats ontbreekt lange tijd een centraal gezag dat zorg zou kunnen dragen voor de aanleg van nieuwe wegen.

Verder bestaan de oude centra, zoals Nijmegen, Tongeren, Maastricht en Keulen, die door de wegen met elkaar verbonden zijn nog steeds en hebben zij vaak een belangrijke rol in de religieuze geografie, als bisschopszetel en/of bedevaartsplaats en mogelijk als begraafplaats voor de Vroegmiddeleeuwse elite. Voor de kleine nederzettingen geldt dat geen continuïteit van bewoning aangetoond kan worden, toch is het wel opvallend dat de nederzettingen in de Vroege Middeleeuwen dicht bij de nederzettingen uit de Romeinse tijd liggen. 20 In de Vroege Middeleeuwen krijgen de wegen met de ontwikkeling van het domaniale stelsel een steeds permanenter karakter. Vermoed kan worden dat de wegen die eerst van diffuse aard zijn, langzaam maar zeker op de stabiele domeincentra worden gericht. Met de opkomst van het systeem van eigen kerken zullen deze wegen, die vooral van sociaaleconomische en sociaal-politieke betekenis zijn geweest, ook een religieuze lading hebben gekregen. 21 Ook de veranderingen in de Volle Middeleeuwen hebben ongetwijfeld hun weerslag op het lokale wegenstelsel. Niet alleen voor de locatie, maar ook voor de functie van de wegen. Door de ontginning van de lager gelegen delen, kunnen er wegen onderscheiden gaan worden die naar de akkers, naar de wei- en/of hooilanden en naar de heidevelden lopen. Daarnaast zal de oriëntatie van de wegen voor een deel veranderd zijn.

Op de Hooge Akkers in de buurt van het middeleeuwse kerkterrein van Aarle en op Strijp, bestaat op basis van archeologische vondsten gedaan bij veldverkenningen sterke aanwijzingen dat hier nederzettingen uit de Volle Middeleeuwen liggen. De akkerwegen zijn hier bovendien nog intact. Hier gaan de wegen van de nederzettingen over in akkerwegen; datzelfde geldt ook voor Lieshout en voor de weg tussen Lieshout en Beek en Donk waarlangs eveneens nederzettingen zijn aangetroffen. Deze zijn gelegen op de akkers langs een weg die nu nog bestaat.22

12.1 Prehistorische wegen Prehistorische wegen volgen vaak terreinhoogten, soms gemarkeerd door grafheuvels etc. of juist op basis daarvan verondersteld. 12.1.001 Prehistorische route over de Midden-Brabantse dekzandrug Over de Middenbrabantse dekzandrug liep al in de prehistorie een weg van zuidwest richting noordoost via Best en Son, ten noorden van Olen via Mariahout naar de Peelrandbreuk bij Koks in Gemert. Het tracé van de huidige weg De Hei maakt daar onderdeel van uit. De weg loopt verder in

20

Den Hartog 2004. Den Hartog 2004. 22 Den Hartog 2004. 21

28

een min of meer rechte lijn, onderbroken door de Zuid-Willemsvaart, via Boerdonk naar de brug over de Aa bij Koks. 12.2 Romeinse wegen Romeinse wegen zijn verondersteld of echt aangetoond rechte wegen. 12.12.2.001 Veronderstelde Romeinse wegen Nuenen23 Er zijn in Nuenen diverse Romeinse vindplaatsen aanwezig waaronder nederzettingen bij Nederwetten, Boord, Opwetten en de Collse Hoeve. Hier zullen wegen naar toe hebben gelopen, maar archeologisch zijn deze moeilijk aan te tonen. Enkel in Lieshout en Helmond-Stepekolk zijn bij opgravingen resten van bermgreppels aangetroffen. Vanuit Lieshout, Gerwen en Nederwetten zullen de wegen vermoedelijk richting Son hebben gelopen. Ook bij de cultusplaats in het Dommeldal heeft mogelijk een beekovergang gelegen.

12.3 Voorde Voorde horend bij deze oude wegen en routes. Omdat de voorde/brug op drie plaatsen in het systeem voorkomt (zeer oude wegen, doorgaande en lokale wegen), bepaalt het type weg waar de voorde/brug geboekt moet worden. Bovendien zijn veel voorden door grotere of kleinere bruggen vervangen. 12.4 Middeleeuwse hoofdweg Verbinding tussen Hoog-Middeleeuwse economische centra, vaak te reconstrueren op basis van tollen en marktplaatsen op die routes. 12.12.4.001 Verbinding Gerwen-Mierlo24 Regionale wegverbinding. Voor 1860, mogelijk (deels) Middeleeuws. 12.12.4.002 Postroute 181025 18de eeuw, mogelijk (deels) prehistorisch. Verhees 1794. 12.12.4.003 Oude Dijk De Oude Dijk, die al enkele eeuwen is verdwenen lag ten noorden van de Nieuwe Dijk en liep via het Rullen richting Lieshout/Stiphout.26

23

Berkvens 2018. Bron: Biografie van Peelland. 25 Bron: Biografie van Peelland. 26 Memoriaal van Mgr. Frenken: blz. 8 voetnoot 17. 24

29

Thema: 13 Doorgaande wegen De gemeenten worden vanouds doorsneden door landwegen verbonden met de rest van Brabant en de wereld. Het beloop van die wegen is in de regel goed bekend, de ouderdom van de wegen van voor 1800 is vaak onduidelijk. De doorgaande wegen verbinden dorpen onderling of met verder weg gelegen steden en streken. Een kenmerk van de middeleeuwse wegen is dat ze zorgvuldig de hogere gronden volgen, enigszins bochtig zijn en hier en daar overgaan in bundels van alternatieve wegen. Dit laatste maakt dat beter van routes gesproken kan worden. Rivieren en beken werden aanvankelijk overgestoken bij een voorde of doorwaadbare plaats. Juist in de doorgaande wegen zijn die het eerste door bruggen vervangen. Zo'n voorde of brug werd vaak de focus van een tweezijdige wegenwaaier. Er zijn echter ook eenzijdige wegenwaaiers: de punten waar alternatieve wegen afsplitsten en punten waar een weg het cultuurland verliet en daar het keurslijf van akkers en heiningen kon afschudden. Dergelijke eenzijdige wegenwaaiers markeren dus het punt tot waar de ontginningen strekten. Bij veren, bruggen en kruisingen verrezen vaak ook herbergen. Nabij steden werden stukjes weg bestraat, maar de vraag is of dat op de dorpen ook gebeurde.

Vanaf het midden van de zeventiende eeuw werden nieuwe met bomen beplante rechte en tonnerond gelegde wegen (“dijken”) aangelegd ter vervanging van de beroerde middeleeuwse wegen. kreeg zo te maken met de steenweg van Den Bosch naar Luik. Het zelfde idee werd vanaf 1810 op een hoger schaalniveau herhaald met de wegen die door Napoleons genie en onder koning Willem I aangelegd werden. Deze "rijkswegen" waren echte interregionale wegen, kaarsrecht, bestraat en beplant. De kosten moesten weer via tollen terug verdiend worden. Opnieuw raakten er zandwegen buiten gebruik. De "provinciale wegen" die in de negentiende eeuw tot stand kwamen waren daarentegen niets anders dan verbeterde interlokale wegen. Ze behielden dus hun bochtig verloop, al werd er hier en daar een lastige bocht opgeruimd of een ontbrekend stuk nieuw aangelegd. Tenslotte (hier vanaf 1863?) verschenen de spoorlijnen op geheel nieuwe spoorbanen en trammetjes (vanaf ca 1880?) die meestal in de berm van bestaande wegen reden. Middeleeuwse wegen kunnen erg breed zijn. Die worden als vlak aangegeven. De rest als lijn. 13.1 Doorgaande weg Min of meer duidelijke baan. Indien er bundels banen optreden, zijn die banen afzonderlijk opgenomen, zodat de bundel duidelijk wordt. Met meerdere kernen in Nuenen ca. en meerdere bestemmingen daarbuiten ontstond er op de hei een kriskraspatroon van heibanen.

Uniek Id 12.13.1.001 12.13.1.002 12.13.1.003 12.13.1.004 12.13.1.005 12.13.1.006 12.13.1.007 12.13.1.008 12.13.1.009 12.13.1.010 12.13.1.011 12.13.1.012 12.13.1.013 12.13.1.014

Naam Eindhoven - Helmond Gerwen - Helmond midden Gerwen - Helmond noord Gerwen - Helmond zuid Gerwen - Lieshout Gerwen - Lieshout Gerwen - Lieshout Gerwen - Lieshout Gerwen - Stiphout Gerwen - Stiphout Nuenen - Geldrop Nuenen - Geldrop Nuenen - Helmond Nuenen - Mierlo

Lengte (m) 4303 2961 1693 1982 1364 929 2065 794 476 865 3758 3330 1972 1717 30

12.13.1.015 12.13.1.016 12.13.1.017 12.13.1.018 12.13.1.019

Nuenen - Son Nuenen - Stiphout noord Nuenen - Stiphout zuid Nuenen - Tongelre Nuenense Weverweg

4179 2479 1728 2498 7716

12.13.1.019 Nuenense Weverweg Deze is loopt van Veghel - Zijtaart – langs de oostzijde van Zondveld naar Nuenen. Trokken hierlangs speciaal wevers? Geen informatie daarover gevonden. Deze weg sluit niet aan op de Weverstraat in Nuenen zelf. Mogelijk werd deze weg in 1300 genoemd als begrenzing van de gemeynt van Nuenen en Gerwen: Novum Aggerum retro Gherwen se extendentem, item a dicto loco usque ad stratam retro Gherwen de Busco venientem, a dicto loco usque Que(de)lsebregh of: De Nieuwe Dijk achter Gerwen, tot aan de weg die achter Gerwen naar Den Bosch loopt, en dan de Quedelsebergh. 27

Afbeelding: Op de kaart van Verhees (1794) zijn de doorgaande wegen die Nuenen verbonden met omliggende dorpen duidelijk zichtbaar. 12.13.1.020 Nuenen - Breugel De Hoekstraat werd in de jaren 1920 verhard en ten westen van het dorp aangevuld met een nieuw eveneens verhard wegvak naar Hooidonk. 12.13.1.022 Nuenen – Geldrop Zuidoostelijk gedeelte van de verbinding tussen Nuenen en Geldrop via Eeneind. 13.2 Halte Paardenwisselstation op postbaan, spoorweg of tramstation, tram- of bushalte, busstation. Ook bijzondere benzinepompstations. 12.13.2.001 Station Eeneind - Nuenen Het station is in 1866 tegelijk met de opening van de spoorlijn Eindhoven-Venlo in gebruik genomen. Ofschoon het station aanvankelijk de naam Nuenen-Tongelre had, werd de weg van het station naar Tongelre na een lange voorbereiding pas in 1911 aangelegd. In het gebouw was een kantoor voor de 27

1300, december 4: Enklaar, 1941, p 145, nr. 83; ONB, nr. 602; Van Zalinge Spooren, 2018, § 6.2.17. 31

chef, een wachtruimte tevens plaatskaartenverkoop, een opslagruimte en de woning van de stationschef en zijn gezin. Het station Eeneind heeft als zodanig dienst gedaan totdat in 1938 het station voor de reizigersdienst is gesloten. Het stationsgebouw is in 1972 afgebroken en eerder al het poortwachtershuisje.

Afbeelding: Station Nuenen (foto P. Schutte, http://stationsweb.brinkster.net/afbeelding.asp?dir=nuenentongelre&num=1). 12.13.2.002 Busremise Nuenen28 Op Berg 9 (achter het huis) stond de remise van de buslijn naar Eindhoven die in 1921 begon. De buslijn hield stand tot mei 1940. Later taxibedrijf. 13.3 Oude rijksweg Wegen uit het rijksprogramma uit de jaren 1810 – 1935. (Daarna krijgen we de moderne autowegen). 13.4 Railweg Spoorlijnen, trambanen, goederensporen (interlokaal maar ook lokaal!) 12.13.4.001 Spoorlijn Eindhoven-Venlo Spoorlijn van Eindhoven naar Venlo en verder naar Duitsland. Deze is in 1866 in gebruik genomen. 12.13.4.002 Goederenspoor Compostbedrijf Aftakking van de spoorlijn Eindhoven – Helmond voor het vrachtverkeer naar het compostbedrijf. Een deel van het verlaten spoor ligt nog naast het bestaande spoor en naast de Schoutse Vennen.

28

https://drijehornick.nl/projecten/terugbeeld/ 32

Afbeelding: De verlaten rails naast de Schoutse Vennen (Google streetview 2022). 13.5 Trekpad Trekpad of jaagpad langs rivier of kanaal. 13.6 Veer Oversteek van een rivier met een bootje: aanlegplaatsen, dalende wegen veerhuis. 12.13.6.001 Veer Soeterbeek Op de kadasterkaart van 1830 bestaat er nog een veerdienst als oversteek van de Dommel bij Soeterbeek naar Eckart. 13.7 Voorde/Brug Oversteek van water via doorwaadbare plaats, vaak later vervangen door een brug, in een doorgaande weg. Doorwaadbare plaatsen heb je in soorten: min of meer dwars op het watert, schuin, zeer schuin of zelfs een heel eind door het water: een “waterstraat” of “langvoort”. Bruggen heb je ook in soorten: een paal in het water om overheen te stappen (‘waterstap”), een balk erover, een vonder, een schoor, een echte houten of stenen brug. Klein water stak met men een gemetseld of houten “heul” over. Omdat de voorde/brug op drie plaatsen in het systeem voorkomt (zeer oude wegen, doorgaande en lokale wegen), bepaalt het type weg waar de voorde/brug geboekt moet worden. 12.13.7.001 Papenvoort Voorde in de Papenvoortse Dijk over de Hooidonkse Beek. Deze weg loopt naar Stiphout. De eerste vermelding dateert van 1523. 12.13.7.002 Varelsvoort Voorde in het zuiden van Nuenen, tevens een grenspunt uit 1300. Hier kruist de weg naar Mierlo een beekje dat in de 19e eeuw de Varensvoortse Loop genoemd werd.

12.13.7.003 bij Nederwetten Voorde in de weg Son – Nuenen over de Hooidonkse Beek tussen Nederwetten en het Spekt. 12.13.7.004 Lissenvoort Voorde in de weg Son – Nuenen over de Hooidonkse Beek vlak ten noorden van Nuenen zelf.

33

12.13.7.005 bij Beekstraat Voorde in de weg Nuenen – Helmond over de Hooidonkse Beek. 12.13.7.006 bij Prinsenweide Voorde over de Hooidonkse Beek bij de Prinsenweide. Dit is de Oude Postbaan.

Afbeelding: De voorde door de Hooidonkse beek bij de Oude Postbaan (Google streetview 2022). 12.13.7.007 bij Hooidonkse watermolen Voorde over de Dommel bij Hooidonkse watermolen. 12.13.7.008 bij Opwettense watermolen Voorde over de Kleine Dommel bij Opwettense watermolen. Deze is later verlegd. 12.13.7.009 Helmondse Dijk 12.13.7.010 Refelingse Loop - Voort 12.13.7.011 bij Collse watermolen

13.8 Plein Verbreding van een doorgaande weg of samenkomst van wegen die tot een brede open ruimte leidt. De pleinen kunnen allerlei functies hebben. 12.13.8.001 Plein ’t Laar – Hool Gerwen 12.13.8.002 Plein bij Lankveld 12.13.8.003 Plein Nieuwedijk 12.13.8.004 Plein op ‘t Rullen 12.13.8.005 Plein Langlaar

34

12.13.8.006 Plein Berg – Nuenen 12.13.8.007 Plein Heieind – Nuenen 12.13.8.008 Plein Boord – Nuenen 12.13.8.009 Wettenseind Wettenseind had twee driehoekige pleinen.

Afbeelding: Driehoekig plein met drenkkuil op Wettenseind (Google streetview 2022). 12.13.8.010 Beekstraat

Afbeelding: Op de Bonnekaart van rond 1900 is duidelijk het plein aan de oostzijde van de Beekstraat zichtbaar waar ook de Hooidonkse beek overstak. 13.9 Poort Een doorgang door een natuurlijke barrière zoals een duinenrug, moeras, beekdal, de droge tegenhanger van een voorde dus. Veelal aan een of beide zijden met een wegenwaaier. (Hier wordt dus niet een soort stadspoort bedoeld!)

35

13.10 Spoorbrug Speciale brug voor spoorlijn of trambaan. Meestal ijzeren of stalenconstructies, al dan niet beweegbaar. 13.11 Tol(huis) Plaats of huis waar tol werd geheven. 13.12 Holle weg Een door langdurig gebruik uitgesleten strook waarin een oude weg loopt. Omdat de holle weg op twee plaatsen in het systeem voorkomt (doorgaande en lokale wegen), bepaalt het type weg waar de holle weg geboekt moet worden. 13.13 Jaagpad Trekpad langs turfvaart, kanaal of rivier. 10.13.13.001 Jaagpad Eindhovens Kanaal Langs het Eindhovens Kanaal liepen als zandpaden uitgevoerde jaagpaden, die deels nog intact zijn. Het Eindhovens kanaal, en dan met name het fietspad aan de zuidzijde, heeft lange tijd in deplorabele staat verkeerd. Een complicatie bij het onderhoud van dit fietspad is dat in het verleden (medio 19de eeuw) afspraken zijn gemaakt waarbij Eindhoven, zijnde belanghebbende, het onderhoud van het kanaal en de "jaagpaden" aan beide zijden op zich zou nemen. Inmiddels is het belang van jaagpaden dermate gewijzigd dat vanuit die optiek elke staat van onderhoud goed genoeg zou zijn, terwijl goede afspraken voor de nieuwe functie, t.w. aantrekkelijk fietspad voor zowel recreatief als woon-werk-verkeer, niet gemaakt zijn.

Afbeelding: Eindhovens Kanaal met jaagpad (foto Wim Janssen, Helmond) 12.13.13.002 Jaagpaden Wilhelminakanaal Kanaal met deels nog als zandpaden uitgevoerde jaagpaden. Het kanaal werd in de periode 19101923 aangelegd als verbinding tussen de Zuid-Willemsvaart en de Westbrabantse waterwegen. 13.14 Grenspost Douanekantoor, marechaussekazerne, parkeerruimte en andere constructies aan een grensovergang. Soms op enige afstand van de feitelijke grens! 13.15 Laanbeplanting Boomrijen langs doorgaande wegen. 12.13.15.001 Laanbeplanting Eeneind 36

Laanbeplanting van zomereik. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1850-1870. 12.13.15.002 Laanbeplanting en bomengroep Eeneind Laanbeplanting en bomengroep bij een oude stationslocatie. De beplanting bestaat o.a. uit plataan, paardekastanje en beuk. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1850-1900. Volgende bomen zijn bij de bomenstichting geregistreerd : - plataan uit 1850-1860, staat langs de weg; - diverse soorten uit 1860-1870, staan in plantsoen bij St, Antoniuskapel; - witte paardekastanje uit 1860-1870, is de dikste boom van Nuenen; - rode beuk uit 1870-1880, staat in een tuin. Langs de oude kasseienweg staan 40 monumentale platanen.

Afbeelding: Oude platanen als laanbeplanting aan de Stationsweg op Eenbeind (Google streetview 2022). 12.13.15.003 Laanbeplanting Eindhovens kanaal Beplanting langs een kanaal. De beplanting bestaat o.a. uit zomereik, gewone vlier, Amerikaanse vogelkers, witte els, zwarte els, moeraseik, plataan, blauwe bosbes, sporkehout, wilde lijsterbes, Gelderse roos, es, zomerlinde, populier, ruwe berk en koningsvaren. Het geheel dateert deels uit de periode 1929-1932, toen het kanaal werd verbreed en deels nog van uit de periode 1843-1846, toen het kanaal werd aangelegd. 12.13.15.004 Laanbeplanting Gerwense weg Laanbeplanting van Amerikaanse eik. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1880-1905. Het is een van Brabants oudste wegen met Amerikaanse eiken. 12.13.15.005 Laanbeplanting Broekdijk Laanbeplanting van zomereik. Het geheel dateert overwegend van omstreeks 1880. 12.13.15.006 Laanbeplanting Boord Laanbeplanting van zomereik. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1850-1880. 12.13.15.007 Laanbeplanting Beekstraat O.a. rij esdoorns. 12.13.15.008 Laanbeplanting Wettenseind 12.13.15.009 Laanbeplanting Soeterbeek 12.13.15.010 Laanbeplanting Achterbos

37

12.13.15.011 Laanbeplanting Soeterbeekseweg 12.13.15.012 Laanbeplanting Hooidonk-Eikelkampen 12.13.15.013 Laanbeplanting Hool 12.13.15.014 Laanbeplanting Laar

Afbeelding: Laanbeplanting aan ’t Laar in Gerwen (Google streetview 2022). 12.13.15.015 Laanbeplanting Ontginningsweg 12.13.15.016 Laanbeplanting Parkstraat

38

Thema: 14 Lokale wegen Onder lokale wegen worden de wegen begrepen die binnen het dorpsgebied blijven. Deze wegen zijn vaak multifunctioneel, zodat hierna ook heel wat combinaties opgenomen zijn. Binnen de stad zijn dat alle straten buiten het hoofdassenkruis. In de dorpen zijn het de wegen binnen de gehuchten, de wegen tussen de gehuchten en de kerk (kerkwegen) en de verbindingswegen naar de beemden of de heide. Ook in deze wegen lagen voorden die in de loop van de tijd door bruggen en duikers vervangen werden. De lokale wegen droegen bij aan de vorming van wegenwaaiers. De lokale wegen kunnen naar tal van functies onderscheiden worden, maar dat zullen we hier niet toepassen. We onderscheiden slechts de wegen zelf en de voorden of bruggen daarin. 14.1. Lokale wegen Weg tussen onderdelen van de eigen gemeenten, soms tevens doorgaande weg. Bij de beschrijving van wegen kan het dwarsprofiel van belang zijn: holle weg (dan 13.12), een vlakliggende weg of een weg op een aarden dam “dijk”. Ook het oorspronkelijke of huidige wegdek kan van belang zijn: asfaltweg, betonplatenbaan, kasseiweg, klinkerweg, grindweg, zandweg. Op basis van het kadaster 1832 werd door de HKK Nuenen een afzonderlijk bestand met wegen gemaakt. Daaruit zijn de doorgaande wegen onder Thema 13 geplaatst.

De resterende als “weg” genoteerde wegen zijn, mits langer dan 100 meter hier onder Thema 14 lokale wegen geplaatst. Dat wil zeggen dat stukken doorgaande weg die ook een lokale functie hadden wel onder Thema 13 maar niet onder Thema 14 opgenomen zijn om dubbelingen te voorkomen. Het genoemde bestand bevat ook “paden”. Dat zijn vaak akkerpaden. Ze zijn hier niet opgenomen. Zo resteren er 190 wegen en weggetjes, waarvan een aantal in dat bestand ook een naam kregen. De totale lengte is 105 kilometer, de gemiddelde lengte 550 meter. Dit zijn de tien langste lokale wegen:

Uniek Id 12.14.1.006 12.14.1.032 12.14.1.028 12.14.1.126 12.14.1.010 12.14.1.003 12.14.1.072 12.14.1.062 12.14.1.065 12.14.1.068

Naam Lengte (m) Boortse Straat 2423 Nederwettense Straat 2377 Liesenvoortse Straat 1972 1895 Eeneinds Kerkdijkje 1576 Beekstraat 1521 1483 Nieuwe Dijk 1431 Raamdijk-Stad van Gerwen 1423 1383

De rest van de wegen is afkomstig van de latere historische kaarten en van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. In totaal gaat het om bijna 300 lokale wegen, die zijn opgenomen. Alle bestaande wegen zijn voor de gemeente Nuenen uitgebreid beschreven in “De straatnamen van Nuenen, Gerwen en Nederwetten, inclusief Eeneind en Eckart” uit 2014 en aangevuld in 2020.29 12.14.1.058 Nuenen - Breugel De Hoekstraat werd in de jaren 1920 verhard en ten westen van het dorp aangevuld met een nieuw eveneens verhard wegvak naar Hooidonk. 12.14.1.226 Soeterbeekse weg Kassei- en klinkerweg met delen van historische laanbeplanting, volgt dekzandrug parallel aan Dommeldal. Het noordelijke deel, tot aan de kruising Achterbos/Boord, kent een kasseibestrating met rabatstroken uit gebakken klinkers. Het zuidelijke deel kent een bestrating met gebakken klinkers. De 29

Pareren 2014 en 2020. 39

bestrating dateert uit de periode 1850-1900. Weg mogelijke zeer oud en kan doorgaande route zijn geweest die hoogste punten oostrand Dommeldal met elkaar verbond. Lange bewoningsgeschiedenis teruggaand tot tijdelijke nederzettingen uit steentijd. 12.14.1.287 Broekdijk - Eikelkampen Klinkerweg tussen oude dorpskernen en buurtschappen. De bestrating met gebakken klinkers dateert (deels) uit de periode 1890-1940. 12.14.1.263 Stationsweg Eeneind Kasseiweg bij de oude stationslocatie aan de spoorlijn Eindhoven-Venlo. Deze spoorlijn dateert uit 1866 evenals het station. In 1885 werd deze weg langs het spoor geplaveid met kasseien en werd hij onderdeel van de straatweg tussen Geldrop en Nuenen-dorp. Ook vandaag is de weg nog met keien bestraat. In 1886 werd naast de weg het eerste vrijliggende fietspad van Nederland aangelegd.

Afbeelding: Kasseienweg Stationsweg op Eeneind (foto Routeyou.com).

12.14.1.096 Het verloren zandpad van Vincent van Gogh30 Vincent van Gogh maakt lange wandelingen over het platteland en de heide in de omgeving van Nuenen. Zo vertrekt hij op een onstuimige dag in april voor een lange wandeling. Buiten bloeien de bomen – en is het juist het moment waarop het nog niet te heet is voor verre tochten. Hij passeert het kerkje van zijn vader en wandelt over Papenvoort en gaat het bruggetje over bij de Hooidonkse beek, het land van zwarte akkers waar noeste zaaiers en spitters hun werk verrichten. De bomen stonden in bloei en de natuur was in deze dagen verbazend echt volgens Vincent. Hij passeerde boerderijen met rietendaken op het Langlaar en het Alvershool waar het Brabantse mozaïeklandschap werd omzoomd met populieren en oude eiken. Hij was opzoek naar stemmingen in de natuur die hij kon uitdrukken op papier, naar expressie, naar sentiment. Meer dan alleen techniek, hij was op zoek naar karakter. Daarvoor moest de penstreek iets gewilds en gemotiveerds hebben. Hij vervolgde zijn weg over de Stiphoutseweg naar het Moorven, een zandpad met links berkenbomen en rechts heide tot in het oneindige met op de voorgrond een partij schapen die hij in een van zijn brieven eivormige massa’s van wol en modder noemde.

Het waren de bloeiende bomen, het ouderwetse en rustieke karakter van het Kamerven op de Geeneindse heide wat hem trof, de heide die hem kalmeerde en stemde tot geloof en berusting en waar hij Mastbomen in ’t ven tekende. De route die Vincent in april 1884 liep bestaat nog steeds, het leidt ons van Nuenen over het Alvershool langs landerijen en het Kamerven naar het Hof van Lieshout en de molen Vogelzang. Alleen het stukje zandpad wat hem van het Moorven naar het Kamerven leidde is in de tijd verloren gegaan. Sinds 1900 staat het niet meer op de kaart. De molen Vogelzang heeft Vincent met zijn 30

https://drijehornick.nl/heem-actueel/het-verloren-zandpad-van-vincent-vangogh/#:~:text=De%20route%20die%20Vincent%20in,in%20de%20tijd%20verloren%20gegaan. 40

vriend Kerssemakers meerdere keren bezocht voor een schilderexcursie en ook in zijn brieven verwijst hij naar deze molen als het gaat over het schilderij “Molen op de hei in avondlucht”. Ook de pentekening “Mastbomen in het Ven” die hij in April 1884 maakte, is waarschijnlijk het aan dit pad gelegen Kamerven. In een brief aan zijn vriend Rappard refereert hij aan verre tochten die hij had gemaakt en naar tekeningen Slootjes, Mastbomen in het Ven en Rietdaken.

Afbeelding: Zicht op het Langlaar, onderdeel van het oude zandpad van Vincent van Gogh (foto Google streetview 2009).

Afbeelding: Zicht op het Dommeldal vanuit de Groenstraat (foto Google streetview 2015).

41

Afbeelding: Zicht op de open Stadse Akkers vanaf de Nieuwe Dijk met rechts een nog bewaard gebleven oud zandpad met bomen (foto Google streetview 2022).

14.2 Voorde / brug Oversteek van water via doorwaadbare plaats, vaak later vervangen door een brug, in een lokale weg. Doorwaadbare plaatsen heb je in soorten: min of meer dwars op het watert, schuin, zeer schuin of zelfs een heel eind door het water: een “waterstraat” of “langvoort”. Bruggen heb je ook in soorten: een paal in het water om overheen te stappen (‘waterstap”), een balk erover, een vonder, een schoor, een echte houten of stenen brug. Klein water stak met men een gemetseld of houten “heul” over. Omdat de voorde/brug op drie plaatsen in het systeem voorkomt (zeer oude wegen, doorgaande en lokale wegen), bepaalt het type weg waar de voorde/brug geboekt moet worden. Bovendien zijn veel voorden door grotere of kleinere bruggen vervangen. 12.14.2.001 voorde Mostbulten-Nieuwe Dijk 12.14.2.002 voorde bij Lissenvoort 12.14.2.003 voorde bij Voort 12.14.2.004 De Voort 12.14.2.005 voorde Dorenweg - Dommel 12.14.2.006 voorde Soeterbeek 12.14.2.007 voorde Hooidonk 12.14.2.008 voorde Wagendonken 12.14.2.009 voorde Kerkhoef

42

Afbeelding: De voorde bij Kerkhoef is niet meer dan een oversteek van een sloot (Google streetview 2017). 12.14.2.010 voorde Soeterbeekseweg 12.14.2.011 voorde Vaarle 12.14.2.012 Heikrekelse Brug Ligt op de grens Nuenen-Geldrop. De oude smalle brug over het kanaal is in 1978 vervangen door de huidige Heikrekelbrug. 12.14.2.013 Brug over Dommel bij Collse watermolen Tijdens 80 jarige oorlog , weg naar Tongelre en brug had toen een poort.

Afbeelding: De brug over de Dommel bij de Collse watermolen (Google streetview 2022).

43

12.14.2.014 Brug over Dommel bij Opwetten Verbinding Eindhoven-Helmond, ook via Vorsterdijk oa 1543 Maarten van Rossem met leger van Gelre, plundering klooster Soeterbeek.31 12.14.2.015 Brug over een waterloop tussen Paaihurken en het Nuenensstraatje In Nederwetten. Nuenensstraatje heet nu Wagendonken. Tot 1810 gebruikt door militaire troepen die vanuit ’s-Hertogenbosch naar Maastricht of Leuven moesten. De brug over de loop werd in 1832 weggehaald en het Nuenensstraatje is sindsdien een doodlopende weg.

31

Coenen 2000, 142. 44

Thema: 15 Gegraven waterlopen Gegraven waterlopen zijn grotere gegraven waterlopen waaronder kanalen. Behalve de turfvaarten van de Peel zijn er bij Eindhoven nog een aantal wateren gegraven. Het grootste project was de aanleg van de Zuid-Willemsvaart (met bijhorende kanalen) en later het Wilhelminakanaal. Ook is er veel gewerkt aan de kanalisatie van de Dommel. Voor de waterhuishouding van de watermolens werden wat kanaaltjes gegraven. We onderscheiden drie categorieën: bevaarbare kanalen of gekanaliseerde rivieren; gegraven molenwaters en ontwateringssloten die met ontginning en/of grensafbakening te maken hebben. Voorts de kleinere objecten haven, gracht en sluis. 15.1 Kanaal Scheepvaartkanaal of gekanaliseerde rivieren voor algemeen interlokaal transport, of speciaal voor turftransport (turfvaart). Secundair worden kanalen gebruikt voor watertransport, bijvoorbeeld ten behoeve van vloeiweiden of ontlasting van rivieren. 12.15.1.001 Eindhovens Kanaal Het Eindhovens Kanaal loopt door het zuiden van Nuenen en ligt op de gemeentegrens. Op 4 september 1845 werden de werkzaamheden voor het te graven Eindhovens Kanaal aanbesteed door het stadsbestuur van Eindhoven. Ondanks wat problemen kon op 28 oktober 1846 het kanaal feestelijk worden geopend, waarbij de raad van de gemeente Eindhoven per trekschuit een tocht over het kanaal maakte, daarbij begeleid door de harmonie.

Na opening kon het kanaal worden gebruikt door schepen, waarbij het meestal ging om trekschuiten, die door een paard of soms door mensen werden voortgetrokken. Aan beide zijden van het kanaal was een jaagpad, waarover het paard met zijn voerman liep. Omdat aan weerszijden van het kanaal geen bomen groeiden en het landschap geheel open was, konden ook zeilschepen door het kanaal varen. 32 Het Eindhovens kanaal loopt over het grondgebied van de huidige gemeenten Eindhoven, Geldrop-Mierlo en Nuenen. Bij de monding in de Zuid-Willemsvaart kwam een keersluis. Het kanaal heeft verder geen sluizen omdat het geen noemenswaardig hoogteverschil overbrugt.33

Afbeelding: Eindhovens Kanaal (foto M. Hensen, BinnenvaartinBeeld.com). Het kanaal is helemaal met de hand gegraven en aangelegd om de stad Eindhoven aansluiting te geven op de Zuid-Willemsvaart, die Maastricht met ´s-Hertogenbosch verbindt. De kanalen zijn erg belangrijk geweest voor de industriële ontwikkeling van deze regio. Met de komst van andere 32 33

Coenen 2004, 332-333. Verhagen, 1945, 97. 45

vervoermiddelen zoals trein en auto, raakte met name het Eindhovensch Kanaal in onbruik. In de periode 1929-1932 werd het kanaal verbreed. Eind jaren 1960 is het aan zijn bestemming onttrokken. Sinds die tijd heeft het 13 kilometer lange kanaal en zijn oevers zich ontwikkeld tot een waardevol natuurgebied dat zich uitstekend leent voor fiets-, wandel- of vaartochten.34 Het kanaal heeft over de hele lengte een hoog gewaardeerde historische beplanting (CHW: RE-HG-39). 12.15.1.002 Wilhelminakanaal Kanaal met deels nog als zandpaden uitgevoerde jaagpaden. Het kanaal werd in de periode 19101923 aangelegd als verbinding tussen de Zuid-Willemsvaart en de Westbrabantse waterwegen. Het oorspronkelijke ontwerp van F.C. Bake, hoofdingenieur van Provinciale Waterstaat, dateert uit 1890. Het tracéplan werd in 1899 herzien. De steden Tilburg en Breda werden op het kanaal aangesloten, terwijl in de periode 1928-1940 ook een aftakking naar Eindhoven, het Beatrixkanaal, werd aangelegd. De aanleg van dit kanaal vormde een belangrijke impuls voor industriële ontwikkelingen. 15.2 Molenloop Kanaaltje gegraven bovenstrooms van een watermolen om die molen aan een groter hoogteverschil in waterstand te helpen. Molenlopen kunnen meer dan 1 kilometer lang zijn. Bij een watermolen is er soms maar een kort stukje molenloop. In Nuenen waren er drie watermolens, ieder met een molenloop.

Niet uit te sluiten is dat dit oude meanders zijn.

LBL 12.15.2.01 12.15.2.02 12.15.2.03

NAM Collse watermolen Molenloop Hooidonk Opwettense watermolen

LENGTE 261 326 124

15.3 Sloot / wetering Hier worden de grote ontwateringsloten die met ontginning en/of grensafbakening te maken hebben bedoeld, niet de eindeloos talrijke gewone slootjes. Een wetering is een gegraven waterloop voor de kunstmatige bevloeiing van droge onvruchtbare heidegronden. In Nuenen is er een bijzondere terreingesteldheid, met in het westen langs de Dommel en Kleine Dommel vaak hoge ruggen, ten oosten daarvan lage broekgronden en daar weer ten oosten van de hogere gronden. Vooral in die broekgronden vinden we tal van treksloten die de detailontwatering moesten verzorgen. In de Legger van de waterwegen uit 1882 werden deze, naast de echte beken, nauwkeurig opgegeven en van een naam voorzien. Het waren er 40, samen 35 kilometer lang. Dit zijn de tien langste:

LBL 12.15.3.31 12.15.3.12 12.15.3.06 12.15.3.08 12.15.3.23 12.15.3.25 12.15.3.01 12.15.3.15 12.15.3.07 12.15.3.16 34

NAM Rullense Loop Gerwense Loop Boordse Loop De Beek (Breugel) Kranenbroekloop Nederwettense Loop Achterbosloop Heuvelakkersloop (eerder Suetbeeck) Broekloop Hoekloop

LENGTE 3480 2792 2518 2335 1925 1509 1417 1241 987 951

Gemeentewebsite. 46

12.15.3.015 Heuvelakkerse Loop De Heuvelakkerse Loop stroomt via een rechte sloot dwars door de hoge rug. De insnijding is 2 meter diep en heel smal. Dit is geen beekdal maar een gegraven waterloop ter ontlasting van het gebied ten oosten van de rug met akkers. 12.15.3.041 Refelingse Beek De Refelingse Beek stroomt via een rechte sloot dwars door de hoge rug. De insnijding is 2 meter diep en heel smal. Dit is geen beekdal maar een gegraven waterloop ter ontlasting van het gebied ten oosten van de rug met akkers. Vermoedelijk liep de beek oorspronkelijk langs de oostlkant van de rug noordwaarts.

Beken, molenlopen en (trek)sloten in Nuenen. TEKENING K. LEENDERS, 2022. 15.4 Haven/kade/loswal Dit kan variëren van een eenvoudige aanlegplaats tot een goed uitgeruste haven met loskades, kranen en loodsen.

47

15.5 Gracht Gegraven water rond een boerderij, herenhuis, kasteel of stad. 12.15.5.001 Waterlopen Soeterbeek Feitelijk gaat het deels om oude meanders van de Dommel.

Afbeelding: Aanleg van de waterpartij op Soeterbeek - voor en na de aankoop door Josephus Smits in 1835 (uit Boomen & Henderson 2013). 15.6 Sluis Schutsluis in kanaal.

48

Thema: 16 Molens Onder molens verstaan we graanverwerkende en andere industriemolens die als zodanig herkenbaar waren. Op het platteland heeft een groot aantal molens gestaan. De oudste groep bestond uit de door rivierwater aangedreven molens. Sommige zijn zo lang geleden gebouwd en zo vroeg al weer verdwenen, dat er amper een duidelijk spoor van de vinden is: de "spookmolens". Mogelijk waren dat kleine molens die de concurrentie met de latere, grotere, molens verloren. Soms is uit archiefstukken alleen bekend dat er een molen was, maar is de exacte locatie niet bekend (hooguit alleen een globale locatie). In eerste instantie heeft men voor aandrijving van de noodzakelijke molens gebruik gemaakt van waterkracht. Rond 1100 waren er in de Nederlanden al heel wat watermolens in bedrijf, rond 1300 nam de bouw van windmolens een vlucht. Aanvankelijk waren alle windmolens houten standaardmolens. Er kwamen echter in de Middeleeuwen al torenmolens voor in de regio. Vanaf 1680 werden steeds meer molens met een stenen romp en draaibare kap gebouwd. De bouw van zowel wind- als watermolens vereiste een relatief grote investering, die alleen door kapitaalkrachtige personen of instanties was op te brengen. De eerste molens zijn dan ook gebouwd door de adel die heerlijke rechten bezat en door grote kapittels en abdijen.

Omdat deze investeringen hun rente moesten opbrengen, wendden vele eigenaars zich tot de hertog, om de plaatselijke boeren te verplichten om op de plaatselijke molen te laten malen. Dit waren de zogenaamde dwang- of banmolens. Tot 1800 kon men dus niet vrijelijk molens oprichten en waren de mensen gedwongen om van bepaalde molens gebruik te maken, zelfs wanneer die erg onpraktisch gelegen waren. Na de opheffing van de heerlijke rechten en de belastingreglementen van de Republiek verrezen rond 1800 daarom molens op beter gekozen plaatsen, terwijl veraf gelegen molens buiten gebruik raakten of naar een betere plek verhuisden. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd stoomkracht ingevoerd in het maalderijbedrijf, maar pas in de twintigste eeuw werden er veel oude molens opgeruimd. De meeste molens maalden graan tot meel. Sommige hadden een meer industriële taak: schorsmalen voor de leerlooiers, olieslaan, het vollen van textiel, het grutten van boekweit, zelfs het malen van snuif kwamen voor. In Brabant waren er geen houtzaagmolens en ook geen papiermolens. In de Noordwesthoek stonden poldermolens. 16.1 Windmolen Door windkracht aangedreven graan- of industriemolen. Standerdmolen, later stenen molen; op het vlakke, op een berg of in een berg (beltmolen), al dan niet met galerij. 12.16.1.001 De Roosdonk Nuenen Rijksmonument nr. 30823 Gerwenseweg 2 Nuenen.

Ronde stenen bovenkruier uit 1884. Zeer groot; markant gelegen aan de noordzijde van Nuenen; aan de dorpszijde zijn er bomen die voor windbelemmering zorgen. De molen is in 1884 in opdracht van Marcellus van den Eijnden uit Dommelen gebouwd door Antonius van Himbergen uit Woensel (Eindhoven). Het werd een andere molen dan voorzien: de bedoeling was een stellingmolen, maar op 17 oktober 1883 stortte de in aanbouw zijnde, op dat moment ruim vijftien meter hoge, romp in. Hierbij kwam een metselaar kwam om het leven. Vervolgens heeft men besloten een iets andere, lagere, molen te bouwen: dat werd de ronde stenen beltmolen die er nog altijd staat. De molen komt voor op verschillende schilderijen en tekeningen van Vincent van Gogh. In 1959 kwam De Roosdonck buiten bedrijf, waarna zwaar verval intrad. Om de molen te kunnen behouden, kocht de gemeente Nuenen in 1970 de molen. In 1971 werd de molen feestelijk geopend 49

en vervolgens regelmatig in bedrijf gesteld.

Afbeelding: Windmolen De Roosdonk in Nuenen (bron: De Nederlandse Molendatabase). 16.2 Watermolen Door waterkracht aangedreven graan- of industriemolen, enkele molens en dubbele molens. De westgrens van de heerlijkheid werd gevormd door de rivier de Dommel. Op de Dommel zijn van oudsher vanwege gunstige omstandigheden veel watermolens gebouwd. Ten zuiden van de Brabantse Kempen ligt geologisch gezien een soort hoogvlakte: het Kempisch Plateau. Op de hoogvlakte ontspringt onder andere de Dommel. De Dommel heeft plaatselijk een sterke helling, waardoor hier veel watermolens zijn te vinden. Een nadeel van watermolens was dat ze niet werden gebouwd van duurzame materialen, maar dat ze van hout werden gebouwd. Vanwege de blootstelling aan lucht en water, trad verwering en rotting op. Watermolens vergden daarom voortdurend onderhoud, maar de voordelen waren groot. In een glooiend landschap kan waterkracht goed als energiebron worden gebruikt.35

35 Bijsterveld e.a., 2000, 198. 50

12.16.2.001 Hooidonkse watermolen Rijksmonument nr. 30826 en 511964 Hooidonk 8 Nederwetten. Maalt op de Dommel, met molenwater, molenkolk, sluis. Bestaat en draait nog. Dubbele waterradmolen (onderslagmolen) gebruikt als koren-, olie-, schors- en houtzaagmolen. Ensemble van stuw en Hooydonkse molen, beide gesitueerd aan (een aftakking van) de Dommel, voor zover gelegen op het grondgebied van de gemeente Nuenen, Gerrwen en Nederwetten. Vermoedelijk daterend uit omstreeks 1150. Omstreeks 1300 is de molen eigendom van het klooster van Hooidonk, een priorij van de reguliere kanunnikessen van Augustinus, gesticht in 1146. Dit klooster had twee molenijzers in het wapen. Daarom wordt de aanwezigheid van een oudere molen vermoed. Volgens Jurgens36 werd de Hooijdonkse molen echter pas aan het einde van de veertiende eeuw gebouwd. De molens van Son en Hooijdonk hebben nemleijk gezamenlijk het verval van één molen waardoor ze niet gelijktijdig konden werken, tenzij er een lange dam geweest is in het midden van de Dommel. Beschouwd vanuit de economie van de molen was de bouw van de Hooijdonkse molen volkomen overbodig: hij werkte op het verval van de molen van Son en deelde de klanten daarmee. Wellicht werd tot deze vreemde constructie besloten vanwege juridische omstandigheden. In 1564 wordt de molen verwoest tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

In de 16e eeuw vindt herbouw plaats en uitbreiding met een volmolen. In 1662 genoemd als Den Hoijdonxen Watermolen. Restauratie in 1983. Sinds 2005 is de molen zelfs in gebruik als kleine electriciteitscentrale. Heilig Kruispark Hooidonk met kapel grenst aan de molen.

Afbeelding: Hooidonkse watermolen (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Twee houten gebouwen, elk op rechthoekige plattegrond en ter hoogte van een bouwlaag plus kap met riet en nokvorst, beide opstallen deels over het water op de linker- en rechter oever van de afgetakte Dommel gebouwd en staand op houten stammen, houten palen en bakstenen muurwerk. Aan de afgetakte Dommel hebben beide opstallen puntgevels, de andere korte gevels zijn als tentdak uitgevoerd. Tussen beide molengebouwen het wateropvoerwerktuig, zijnde een onderslagmolen bestaande uit twee open waterraderen van hout en staal, vier verticaal beweegbare sluisdeuren met haspels, kademuren, stortbed; houten loopbrug met dito hekjes afsluitbaar. Het houten gebouw op de rechteroever is in gebruik als woning en heeft een achtergevel met drie liggende en twee staande 36

Jurgens 2014. 51

veelruitsvensters, deur, bakstenen trap; de gevel aan de afgetakte Dommel is gepotdekseld en op een klein vierruitsvenster na blind; de voorgevel bevat links twee veelruitsvensters (liggend), een houten opgeklampte deur en twee kleine vierkante vensters en een liggend veelruitsvenster, in het dak een halfronde dakkapel; rechter zijgevel geheel blind. In de dakhelft voor een halfronde dakkapel, achter twee dito en op de nok een gemetselde schoorsteen. Houten gebouw op de linkeroever, in gebruik als opslag maar met behoud van maalwerk voor graan zijnde een oud eiken bintwerk met maalstoel en een houten gangwerk met bovenaandrijving, heeft in de voorgevel een dubbele deur en op de verdieping een negenruitsvenster; beide zijgevels geheel blind; de achtergevel bevat twee kleine negenruitsvensters. Halfronde dakkapel aan de achterzijde. Op ongeveer 200 meter stroomopwaarts in de Dommel een eenvoudige STUW bestaand uit een oeverbekleding van hout en beton, een houten brug, vier houten schuiframen in een staalconstructie, windassen en staalkabels.

Waardering Het ensemble van Hooydonkse molen met stuw aan de (afgetakte) Dommel vertegenwoordigt algemeen belang omdat: het molen- en stuwrecht al eeuwenlang onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, hetgeen een historische twee-eenheid impliceert die in de opstallen tot uitdrukking komt; de stuw als historisch werktuig een essentiële functie in het voortbestaan van de Hooydonkse molen vervult; molen, stuw en Dommel in hun samenhang inzicht verschaffen in de geschiedenis van bedrijf en techniek alsook in de geschiedenis van de waterbeheersing en -huishouding; het ensemble van molen, stuw en (de aftakking van de) Dommel een opmerkelijk veelzijdig en samenhangend spectrum van historische belevings- en ervaringsmomenten biedt waarbij de directe omgeving, zijnde het gebied van de voormalige priorij van Hooydonk met onder meer de Agneshoeve (niet beschermd), begraafplaats met kapel (niet beschermd) en de restanten van de priorij zelf (beschermd) in een opmerkelijke dimensie voorziet. Ook het watermolenlandschap is in directe omgeving en in het beekdal uitstekend behouden gebleven.

Afbeelding: ligging van de Hooidonkse watermolen op de Topografische kaart van rond 1900 met de molenbiotoop en de hydrologische invloedsfeer (bron: De Mars e.a. 2019). In 1662 wordt de watermolen beschreven als:

52

Fol 202v Neerwetten Den Hoijdoncxen Watermolen, met het woonhuijs, hoff ende 2 veltiens, t’saemen groot ontrent 3 lopen saet, bij Peter Huijberts van Dinter weder ingehuert voor 560 guldens jaerlijcx behalven ½ stuiver vanden gulden tot lijcoop ende daerenbovens voor ijderen duijm affgemalen steen te betaelen 6 gulden. Ende gelijcke 6 gulden t’elckens als het pineijnde aende asse versteecken wert. Ende daerenbovens t’onderhouden t’gene hem volgens verpachtcedulle te laste is geleeght. Nota den voorsz molenaer heeft int opcomen vanden molen voorsz geavanceert 500 gulden die hem int affschijden vanden aencomende pachter off anderssints Fol 203r bij ’t lant souden moeten gerestitueert werden, doch sonder interesse van dijen.

Op desen molen sijn insgelijcx 4 steen aen t’lant toecomende waervan den eenen looper over de 12 duijm dick is ende den anderen ontrent de 15 duijm ende de liggers 5 ende 4 duijm, doch overmits niet opgebrooken en conde niet perfectelijc gemeten werden, doch sijn de selve steen eerst op den molen gebracht sijnde gemeten ende nu bij het aenvangen van dese nieuwe huer weder moeten bij den rentmeester hermeten worden, om volgens voorgaende huercedulle van ijderen duijm affgemaelen steens t’ontfangen 6 gulden ende sulcx an t’lant weder te verantwoorden --- memorie Fol 203v Reparatien Het steenbed diende onder versien ende ter sijden met enen nieuwe plaet geholpen ende eenen pael aen d’een eijnde op(?) den wiel gebracht. Item het dack diende met ennige pannen ende vorsten versien. De sluijs is oock vergaen ende staende stijlen van de schuitbeurden seer en beven, t’welck bij laegh water naerder diende gevisiteert om ten minsten costen van t’lant bij tijts te werden gerepareert. Oock sijn de sijdelschoeingen ten deelen vergaen oock ennige van den achtercommen verloopen. Het huijs was noch in redelijcke reparatie.

12.16.2.002 Opwettense watermolen Rijksmonument nr. 30830 Opwettenseweg 203 Nuenen. Maalt op de Kleine Dommel, met molenwater en molenkolk. Graanmolen & Oliemolen/leerlooierij. Voorheen ook houtzagerij en volmolen. Deze onderslag-watermolen werd rond de 11e eeuw gebouwd als ban-korenmolen vanuit Abdij St. Truiden. In 1335 en 1337 wordt de molen vermeld inzake overdracht/verkoop. In 1440 wordt deze als de watermoelen van Wetten aangeduid. In 1644 wordt de molen door brand verwoest. In 1764-1766 wordt het molencomplex opnieuw volledig door brand verwoest en herbouwt. In 1884 wordt de molen door Vincent van Gogh geschilderd. In 2010-2012 wordt het molenaarshuis, de oliemolen en het klothuys gerestaureerd. De droogschuur (voormalige leerlooierij) wordt herbouwd. Deze watermolen heeft het grootste waterrad van Nederland. Deze molen wordt tegenwoordig nooit anders vernoemd dan naar het gehucht nabij Nuenen, waar hij staat. In het verleden werd ook de naam "St. Antoniusmolen" gebruikt, naar Sint Antonius Abt, aan wie op ca. 200 meter van de molen

53

ook een kapel gewijd was. Vanaf 1726 tot en met de vererving aan Gerardus van Hoorn in 1916 werd de molen Jansmolen genoemd.37

Afbeelding: De Opwettense watermolen (bron: Database Nederlandse Molens). 12.16.2.003 Collse watermolen Maalt op de Kleine Dommel, met molenwater en molenkolk. Bestaat nog. Deze banwatermolen, aanvankelijk een enkele en later een dubbele onderslagmolen, dateert uit de 13e eeuw. De molen was o.a. in gebruik als koren- en oliemolen en onder meer eigendom van de Hertog van Brabant. Op het molenterrein zijn scherven aardewerk gevonden uit de periode tussen 1200 en 1250. Eerste vermelding is 1337. In 1409 vermeldt als olie- en korenmolen. In 1680/81 brandt de molen volledig af maar wordt weer herbouwd. In 1884 is de molen door Van Gogh geschilderd. Bij de ingang van de Mariakapel aan de Loodijk (voorheen ook Molendijk genaamd), ten noorden van de molen, ligt een oude blauwe molensteen, mogelijk afkomstig van Collse molen.

Afbeelding: De Collse watermolen van Van Gogh. Hij schilderde de molen in werking: het water druipt van het linker rad af (bron: Noordbrabants Museum). 37

Halder 2022. 54

16.3. Rosmolen Door paardenkracht aangedreven graan- of industriemolen. Vaak in een typisch veelhoekig gebouwtje of een “verdikking” van een ander gebouw. 16.4 Torenmolen Molens met een stenen romp, die hier in de regio al in de middeleeuwen voorkwamen.

16.5 Motermolen Vanaf 1846 komt de stoommachine de wind- en waterkracht aflossen, eerst in een bijgebouwtje van de oude molen. Vanaf 1907 ook “zuiggas”-motoren en later diesel en elektromotoren. Eerst worden er nog typische motermolengebouwen opgericht, later is een maalderij onherkenbaar. Het gaat om die typische motermolengebouwen. Ook wel ‘maalderij’genoemd. 16.6 Molenbiotoop Gebied met straal van 600 meter rond een met windkracht aangedreven molen. Bij watermolens gaat het om de molenkolk, benedenstrooms van de molen, die onderdeel uitmaakt van van de molenbiotoop. Eventuele vergaarvijvers (weijers) maken door hun positie bovenstrooms van de molenstuwen zowel deel uit van de molenbiotoop als van de hydrologische invloedsfeer. 12.16.6.001 Molenbiotoop De Roosdonk 12.16.6.002 Watermolenbiotoop Collse watermolen 12.16.6.003 Watermolenbiotoop Opwettense watermolen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13060600/1