CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Erfgoedbeleid - Bouwstenen voor de toekomst 2023 -2029 - Bijlage 6 Regionale Onderzoeksagenda Erfgoed gemeente Nuenen

Beeldvormende raadsbijeenkomst 7 september 2023, gemeente NuenenBij agendapunt: Erfgoedbeleid25.435 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

15 Een antwoord op deze vragen inzake de indeling en samenstelling van nederzettingen is van belang om differentiatie tussen de nederzettingen vast te kunnen stellen.

Juli 2022

pagina 13 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

• • • • •

• • • • •

• •

• • • • • •

16

Is er sprake van Romeinse maatvoering in de huizenbouw, indeling van de percelen en dergelijke? Hoe ontwikkelde zich het huis van het type Alphen-Ekeren en wat zijn daarbij de achterliggende redenen? Welke rol speelden Romeinse nederzettingen, gebouwen, tempels, infrastructuur en andere structuren nadat ze hun primaire functie hadden verloren? Welke soorten nederzettingen bestaan in de vroegmiddeleeuwse kolonisatiefase van oost-Brabant, wat is hun datering, bestaansduur, samenstelling en layout? Hoe en waaruit zijn erven in de vroege middeleeuwen opgebouwd, en zijn er regionale verschillen aanwijsbaar? Op welke manier verschillen vroegmiddeleeuwse erven van die uit de volle en late middeleeuwen? In hoeverre is de diversiteit in gebouwplattegronden uit de vroege, volle en late middeleeuwen in oostelijk Noord-Brabant vergelijkbaar met andere regio’s, of zijn er verschillen? Hoe zijn middeleeuwse huisplattegronden qua aanvang, bestaan en einde scherper te dateren dan nu? Wat is de diversiteit in landschappelijke ligging van huizen, erven en nederzettingen uit de late middeleeuwen? Wat is de diversiteit in verschijningsvormen van huis, erf en nederzetting in de late middeleeuwen? Wanneer vindt de overgang plaats van ingegraven palen naar poeren als funderingswijze van plattelandshuizen? Vindt die overgang in oostelijk Noord-Brabant overal op hetzelfde moment plaats of niet? Hoe

verloopt het proces van verstening van huizen op het platteland? Vanaf wanneer zijn zowel de fundering als de opbouw (grotendeels) in steen uitgevoerd? Wat is de (absolute) datering van de individuele huisplattegronden, bijgebouwen en waterputten en hoe lang waren deze in gebruik? Wat zijn hun constructie-technische kenmerken, wat kunnen we zeggen over de indeling en de betekenis daarvan? Waaruit bestaat de materiële cultuur in en rondom de sporen van de structuur? Wat is de context? Wat is de archeologische verschijningsvorm van aristocratische woonplaatsen in de vroege middeleeuwen? Waar liggen dergelijke woonplaatsen in het landschap? Wat is de locatiekeuze voor aristocratische woonplaatsen in de volle en late middeleeuwen? Hoe zijn levensstijlen van aristocraten in de volle en late middeleeuwen archeologisch zichtbaar? Hoe zien woongebouwen op aristocratische complexen uit de volle en late middeleeuwen eruit? Hoe zijn complexen van grootgrondbezit uit de vroege middeleeuwen (‘domeinen’) archeologisch zichtbaar? Of zijn die alleen in geschreven bronnen zichtbaar? En waarom dan? Voor de Kempen staat een model voor de nederzettingsontwikkeling en het nederzettingssysteem ter beschikking.

Die nederzettingen zijn door Theuws 16 voor de Vroege en Volle Middeleeuwen in een typenreeks ondergebracht met het hiërarchische aspect (relatieve centraliteit) als primair indelingscriterium. Omdat Theuws dat hiërarchische aspect thans wat de Vroege Middeleeuwen betreft, toewijst aan een wereldbeeld van een specifieke groep, de aristocratie, is het de vraag of de nederzettingstypologie van 1991 nog gangbaar is. Boeren hebben het cultuurlandschap misschien alleen als een domein ervaren op het moment dat de eigenaar langskwam. Los daarvan zijn nederzettingen natuurlijk wel te beschrijven naar omvang, samenstelling en tijdsduur en is het nog steeds van groot belang dat nederzettingen goed worden opgegraven. Alleen de wijze waarop dat geschiedt, is thema gebonden. In het door Theuws gehanteerde ‘Kempenmodel’ wordt een indeling aangehouden van een VroegMerovingische, Laat-Merovingische en Karolingische fase. Aangenomen wordt dat de Kempen vanaf het midden van de 6e eeuw worden gekoloniseerd, waarschijnlijk vanuit het noorden en oosten via het Maas- en Scheldedal en vanuit het (löss)gebied in het zuiden. Deze vroeg-Merovingische kolonisten vestigden zich op de hoge, vruchtbare delen van het landschap (de gebieden met moderpodzolgronden). Het bewoningspatroon tot ca. 650 was er een van verspreid in het landschap gelegen kleine nederzettingen van een of twee boerderijen.

Op lokaal niveau was er sprake van een gemeenschap van enkele huishoudens met een gezamenlijk grafveld.

Theuws 1988 en 2011.

Juli 2022

pagina 14 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

De volgende, Laat-Merovingische fase van ca. 650 tot 750 was bepalend voor de ontwikkeling van het latere middeleeuwse landschap. Uit deze tweede nederzettingsfase staan voor de Kempen ook schriftelijke bronnen ter beschikking. Hieruit blijkt dat er rond het jaar 700 grootgrondbezit bestond en er een proces van ‘domanialisering’ op gang was gekomen. Vroege domeinen geven de indruk een losse structuur te hebben, bestaande uit een gebied met verspreide nederzettingen. Verder blijkt uit de historische bronnen dat in de 8e eeuw de eerste kerken in de Kempen verschenen, namelijk die van Waalre en Ruimel (voor 739), Bakel (voor 721) en Meerveldhoven (voor 765/779). Het laatmiddeleeuwse kerkterrein van Meerveldhoven is in 1974-1975 grotendeels opgegraven, waarbij in de vergraven bovengrond van het (tot in de 19 e eeuw gebruikte) kerkhof onder meer enkele Merovingische potscherven zijn gevonden. De kleine verspreid gelegen nederzettingen raakten geleidelijk buiten gebruik en de bewoning concentreerde zich in nieuwe, grotere nederzettingen. Deze nederzettingen waren in sociaaleconomische en geografische zin centra op een lokaal niveau. Op het niveau van een domein waren het echter secundaire centra. De secundaire centra bestonden tot het einde van de 12e of tot in de 13e eeuw. Er moeten ook domeincentra zijn geweest, maar hiervan is nog geen duidelijk voorbeeld onderzocht.

Aangenomen wordt dat de eerste kerken in de domeincentra werden gesticht. In de secundaire centra was dat vanaf de 12e of tot in de 13e eeuw het geval. Een opmerkelijk fenomeen uit de tweede fase is het voorkomen van graven binnen de nederzettingen. Binnen deze nederzettingsgraven zijn twee generaties te onderscheiden: een eerste generatie van kamergraven met grafgiften en een tweede generatie van vrijwel vondstloze kistgraven. De graven van de eerste generatie worden gedateerd in het derde en vierde kwart van de 7e eeuw en die van de tweede generatie in de late 7e en de vroege 8e eeuw. Vermoedelijk zijn de graven van de eerste generatie 'Gründergräber' voor de stichters en eigenaars van een boerderij. Verder konden doden worden begraven in de oude gemeenschappelijke grafvelden, bij de parochiekerk in het domeincentrum of buiten de regio. In de derde fase, de Karolingische tijd, van ca. 750 tot 900, ontwikkelde het in de vorige fase ontstane nederzettingspatroon zich verder. Daarnaast ontstonden verspreid in het landschap kleine, geïsoleerd gelegen ontginningsnederzettingen. Vanaf het midden van de 8e eeuw was er in de Kempen sprake van een ontwikkeld villasysteem, een domaniaal stelsel. Vrijwel alle Kempische nederzettingen bevonden zich vermoedelijk op domeinen van veraf gelegen kloosters.

Ten opzichte van de laatMerovingische tijd waren de domeinbewoners afhankelijker geworden van de grondheer. In de loop van de 8e eeuw werd de verblijfplaats van de grondheer of diens vertegenwoordiger het centrum van de domeinorganisatie. In deze periode raakten ook de oude grafvelden buiten gebruik. De afwezigheid van graven in de nederzettingen vanaf ca. 750 laat zien dat er elders, waarschijnlijk bij de parochiekerken in de domeincentra, begraafplaatsen moeten zijn geweest en dat de nederzettingen deel uitmaakten van een groter verband. Het is evenwel ook mogelijk dat er op lokaal niveau nieuwe christelijke begraafplaatsen zonder cultusplaats op nieuwe locaties in het landschap worden ingericht. Met nadruk moet er op worden gewezen dat het gaat om indirecte aanwijzingen. Domeincentra en de daar te verwachten Karolingische grafvelden zijn een belangrijk thema voor toekomstig onderzoek. Zoals ook bij de kerkgebouwen uit die periode het geval is, ontbreekt het aan vrijwel elke vorm van archeologische informatie over het grafritueel uit de jaren 750-1050. Waarschijnlijk verschoof vanaf de Karolingische tijd het accent van zelfvoorzienende landbouw en varkenshouderij naar een meer pastorale economie met schapenhouderij als hoofdelement en wellicht ook paardenfokkerij ten behoeve van de grote kloosters.

In deze periode begon waarschijnlijk de ontwikkeling van een meer open landschap. Een mogelijke aanwijzing voor deze ontwikkeling vormen ook plaatsnamen die, anders dan in de Merovingische tijd, minder refereren aan de aanwezigheid van bos. Na een terugval in de late 9e en de eerste helft van de 10e eeuw, begon een expansieve periode waarin veel veranderde, vooral in de eerste helft van de 12e eeuw. De bestaande geconcentreerde nederzettingen bleven bestaan, maar het merendeel van de bevolking leefde in nieuwe, verspreid over het landschap gelegen boerderijen of in los gestructureerde gehuchten. Vanaf ca. 1000 en met name in de 12e en 13e eeuw werden kerken en kapellen gesticht in de secundaire centra. De nederzettingen met een parochiekerk zijn aan te duiden als parochiecentra, d.w.z. nederzettingen

Juli 2022

pagina 15 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

die op religieus gebied een centrumfunctie hadden voor de bewoners van een parochie. Soms was er al een grafveld vóórdat de kerk werd gebouwd, hetgeen er op wijst dat het begraafrecht, of althans de begravingspraktijk, voorafging aan het recht tot vestiging van een kerk. Door de beschikbaarheid van een begraafplaats in de eigen nederzetting waren de domeinbewoners voor het begraven van doden niet meer op het domeincentrum aangewezen. Het feit dat de doden niet meer uitsluitend in domeincentra werden begraven is niet alleen het gevolg van bevolkingsgroei. Er is ook een relatie met de ontwikkeling van lokale gemeenschappen en het geleidelijk verdwijnen van domeinen. De ‘profane’ domaniale structuur werd als het ware vervangen door een ‘religieuze’ met de parochie als basis. In charters vanaf het midden van de 13e eeuw wordt voor de locatie van een nederzetting gerefereerd aan de parochie en in de 14e eeuw zijn kerktorens de ’territorial markers’ bij uitstek. In de 12e en 13e eeuw waren deze nog zeldzaam. Men kan spreken van een christelijk landschap of kerkenlandschap. Het dorp als sociaal-kosmologische structuur ontstond en het landschap werd min of meer gefixeerd. De morfologische structuur van het dorp was echter niet die van een geconcentreerde nederzetting, maar bestond uit een conglomeraat van verspreid over een parochie gelegen gehuchten.

Het 11e- en 12e-eeuwse bewoningspatroon van verspreide boerderijen veranderde in de 13e en 14e eeuw in een patroon van geconcentreerde bewoning in dorpen en bijbehorende gehuchten. Door het verdwijnen van de ‘feodale’ samenleving in de loop van de 13e eeuw werden de secundaire centra verlaten. De kerk bleef achter, vaak met een nog wel functionerende begraafplaats, zodat in de Kempen de plaats van veel verlaten nederzettingen wordt gemarkeerd door een geïsoleerd in het landschap gelegen kerk of kerktoren. Aangezien niet in alle secundaire centra (zoals te Geldrop) een kerk is gesticht zal de verspreiding van dit nederzettingstype echter dichter zijn geweest dan aan de hand van kerken kan worden bepaald. In het geval van de kleine, verspreid over het landschap gelegen Karolingische ontginningsnederzettingen is er vrijwel nooit sprake van een continuering van de bewoning tot in de Late Middeleeuwen. Vanaf de Late Middeleeuwen lagen de nederzettingen aan de rand van de lagere delen van het landschap en ook de beekdalen werden vanaf deze tijd ontgonnen. In de 13e en 14e eeuw werd de basis gelegd voor de vorming van het open Kempische landschap. Hier en daar bevonden zich nog de restanten van het oorspronkelijke oerbos, maar die verdwijnen vanaf 1500. Het landschap werd gedomineerd door uitgestrekte heidevelden en grote aaneengesloten akkercomplexen nabij de dorpen.

Het ontstaan van de heidevelden in de Late Middeleeuwen wordt voornamelijk toegeschreven aan een sterke groei van de schapenhouderij ten behoeve van de wolproductie. De intensieve schapenhouderij is te zien in het kader van de opname van de Kempen in het hertogdom Brabant in de 13e eeuw. De wol vond afzet in het verstedelijkte zuidelijke gedeelte van Brabant met steden als Mechelen, Brussel, Leuven en Antwerpen. De grote akkercomplexen worden gekenmerkt door de aanwezigheid van een plaggendek, ontstaan als gevolg van intensieve plaggenbemesting. De opkomst van plaggenbemesting kan worden geplaatst in de context van bevolkingsgroei en de opkomst van steden. De veronderstelde koppeling tussen de grootscheepse 13e-eeuwse reorganisatie van het Brabantse cultuurlandschap, de opkomst van schapenteelt ten behoeve van de textielindustrie en de introductie van de intensieve plaggenlandbouw, wordt door Spek van de hand gewezen. Het begin van de esdekvorming als gevolg van bemesting met plaggen met een anorganische, minerale component in Zuid-Nederland dateert Spek17 in de tweede helft van de 14e en de eerste helft van de 15e eeuw. Verondersteld wordt dat voordien werd bemest met relatief oppervlakkig gestoken plaggen zonder minerale component, dus alleen bestaande uit organisch en vergankelijk materiaal. Vera 18 dateert het begin van de plaggenbemesting nog later.

Bij de ideeën van Theuws rijzen de volgende vragen: o Tot op welke hoogte moeten zijn ideeën worden verworpen, omdat hij te veel uitgegaan is van de aristocratie? o Hoezeer is de veronderstelling dat de Kempen vanaf de 6 e eeuw werden gekoloniseerd, waarschijnlijk vanuit het noorden en oosten via het Maasdal en Scheldedal en vanuit he

17 18

Spek 2004. Vera 2011.

Juli 2022

pagina 16 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

o

o o

o

o o

o o o o o

Juli 2022

(löss)gebied in het zuiden terecht? En vestigden deze vroeg-Merovingische kolonisten zich inderdaad op de hoge, vruchtbare delen van het landschap (de gebieden met moderpodzolgronden)? In hoeverre klopt het beeld van een bewoningspatroon tot ca. 650 dat bestond uit verspreid gelegen kleine nederzettingen met één of twee boerderijen. En was er op lokaal niveau inderdaad sprake van een gemeenschap van enkele huishoudens met een gezamenlijk grafveld? Moet de laat-Merovingische fase van ca. 650 tot 750 inderdaad aangemerkt worden als een periode die bepalend was voor de ontwikkeling van het latere middeleeuwse landschap? In welke mate komen de schriftelijke bronnen voor de Kempen uit 650-750 en de archeologische data met elkaar overeen op het punt van het bestaan van grootgrondbezit (in elk geval rond 700) en het proces van ‘domanialisering’? Welke argumenten kunnen worden aangedragen die voor dan wel tegen het idee spreken dat vroege domeinen een losse structuur hadden, dat wil zeggen gebieden waren met verspreide nederzettingen? Tot op welke hoogte corresponderen de historische bronnen en de oudheidkundige gegevens dat in de 8e eeuw de eerste kerken in de Kempen verschenen? Wat blijft bij nieuwe gegevens en een kritische beschouwing over van de bewering dat in de loop van de tijd de kleine verspreid gelegen nederzettingen geleidelijk buiten gebruik raakten en de bewoning zich

concentreerde in nieuwe, grotere nederzettingen? Waren deze nieuwe nederzettingen in sociaal-economische en geografische zin centra op een lokaal niveau, maar op het niveau van een domein evenwel secundaire centra? Bestonden deze secundaire centra inderdaad tot het einde van de 12e of tot in de 13e eeuw? Waar lagen de domeincentra zijn geweest en hoe zagen die eruit? Verrezen de vroegste kerken in deze domeincentra en was dat in de secundaire centra pas vanaf de 12e of tot in de 13e eeuw het geval? In hoeverre blijft de bewering staan dat de graven in nederzettingen uit 650-750 bestaan uit een eerste generatie van kamergraven met grafgiften en een tweede generatie van vrijwel vondstloze kistgraven? En zijn de eerstgenoemde graven inderdaad toewijsbaar aan het derde en vierde kwart van de 7e eeuw en die van de tweede generatie aan de late 7e en de vroege 8e eeuw? En in hoeverre zijn de graven van de eerste generatie Gründergräber, die zijn aangelegd voor de stichters en eigenaars van een boerderij. Hoe zag het grafritueel in deze periode er verder uit? Waar werden de doden begraven en wat zegt dit over hun sociaal-economische positie? o Wat waren de ontwikkelingen in de Karolingische tijd, van ca.

750 tot 900? Klopt het idee dat vrijwel alle Kempische nederzettingen vermoedelijk gelegen waren op domeinen van veraf gelegen kloosters? Welke nederzettingen waren een uitzondering op de regel? En leren de archeologische gegeven inderdaad dat de domeinbewoners ten opzichte van de laat-Merovingische tijd afhankelijker waren geworden van de grondheer? En werd de verblijfplaats van laatstgenoemde (of diens vertegenwoordiger) in de In de loop van de 8e eeuw daadwerkelijk het centrum van de domeinorganisatie? Maakten de nederzettingen deel uit van een groter verband en hoe zag dit er dan uit? o In hoeverre moet het beeld inzake begraving in de 8e eeuw worden bijgesteld? Is de gedachte juist dat niet langer in nederzettingen werd begraven en dat er elders, waarschijnlijk bij de parochiekerken in de domeincentra begraafplaatsen ontstonden? Of zijn er aanwijzingen dat op lokaal niveau nieuwe christelijke begraafplaatsen zonder cultusplaats op nieuwe locaties in het landschap worden ingericht? En wat zijn deze indicaties dan precies? o In hoeverre en waarom verschoof vanaf de Karolingische tijd het accent van zelfvoorzienende landbouw en varkenshouderij naar een meer pastorale economie met schapenhouderij als hoofdelement en wellicht ook paardenfokkerij ten behoeve van de grote kloosters? o In hoeverre zijn er goede argumenten om aan te nemen dat in deze periode het landschap meer

open werd?

pagina 17 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

o

o o

o

o

o

o

o

o

o

o o

Juli 2022

Hoe zag het nederzettingssysteem eruit vanaf de late 9 e eeuw tot in de 12e eeuw? En wat is het beeld inzake de stichting van kapellen en kerken in deze periode in de secundaire centra? Moeten nederzettingen met een parochiekerk inderdaad aangeduid worden als parochiecentra, d.w.z. nederzettingen die op religieus gebied een centrumfunctie hadden voor de bewoners van een parochie? Hoe vaak komt het voor dat een terrein bij de bouw van een kerk reeds als grafveld in gebruik was? In hoeverre de hypothese juist dat de beschikbaarheid van een begraafplaats in de eigen nederzetting betekende dat domeinbewoners voor de teraardebestelling van de doden niet meer op het domeincentrum aangewezen waren? En waarom werden doden niet langer meer in domeincentra begraven? Door een bevolkingsaanwas en/of de groei van lokale gemeenschappen en de geleidelijke achteruitgang van domeincentra? Is deze ontwikkeling simpelweg te typeren als een vervanging van een ‘profane’ domaniale structuur door een ‘religieuze’ structuur met de parochie als basis of spelen gelijktijdig nog andere processen? Zijn er nieuwe gegevens die het idee bevestigen of ontkrachten dat kerktorens in de Late Middeleeuwens territorial markers waren en dat er sprake was van een christelijk landschap of kerkenlandschap? Zo ja, wat zijn die? In hoeverre onderschrijven de archeologische data de theorie dat in de Late Middeleeuwen

het dorp als sociaal-kosmologische structuur ontstond en het landschap min of meer gefixeerd werd? En, aan de vorige vraag gerelateerd, in hoeverre was het dorp inderdaad een conglomeraat van verspreid over een parochie gelegen gehuchten? Hoe vaststaand is overigens het idee dat in de 13 e en 14e eeuw de basis werd gelegd voor de vorming van het open Kempische landschap met uitgestrekte heidevelden en grote aaneengesloten akkercomplexen nabij de dorpen? En klopt de bewering dat zich aanvankelijk her en der restanten van het oorspronkelijke oerbos bevonden, maar dat die verdwenen vanaf 1500? In hoeverre veranderde het bewoningspatroon van de 11e tot en met de 14e eeuw? Is inderdaad in de gehele Kempen een ontwikkeling van verspreide boerderijen in de11 e en 12e eeuw naar geconcentreerde bewoning in dorpen en bijbehorende gehuchten in de 13e en 14e eeuw te bespeuren? Moet het idee dat de ‘feodale’ samenleving in de 13 e eeuw ten einde liep en bijgevolg de secundaire centra verlaten werden worden gezien als een vaststaand, alom geldend gegeven of moet deze stelling worden genuanceerd? Zo ja, wat voor welke deelgebieden binnen de Kempen geldt deze nuance en waarom? In hoeverre is vanaf de 13e eeuw een toename in de bouw van nieuwe kerken te zien in de Kempen.

Deze vraag rijst tegen de achtergrond van de (vermeende) opgave van de secundaire centra, waarbij de kerk, veelal nog wel met een functionerende begraafplaats, als een solitair element in het landschap achterbleef. In hoeverre onderschrijven de archeologische data het beeld dat locaties geen bewoningscontinuïteit vanaf de Karolingische periode tot in de Late Middeleeuwen kenden? En tot welke hoogte waren nederzettingen uit de Late Middeleeuwen gebonden aan de rand van lagere delen van het landschap? Tot op welke hoogte spreken de archeologische gegevens voor de stelling dat de heidevelden hun ontstaan in de Late Middeleeuwen danken aan de sterke groei van schapenhouderij ten behoeve van de wolproductie? Welke archeologische indicatoren zijn er die wijzen op een afzet in het verstedelijkte zuidelijke gedeelte van Brabant met steden als Antwerpen, Brussel, Leuven en Mechelen? In hoeverre heeft Spek het bij het rechte eind in afwijzing van een direct verband tussen de grootscheepse reorganisatie van het Brabantse cultuurlandschap, de opkomst van schapenteelt ten behoeve van de textielindustrie en de introductie van intensieve plaggenlandbouw? En klopt zijn datering dat het begin van de esdekvorming als gevolg van bemesting met plaggen met een anorganische, minerale component in ZuidNederland uit de tweede helft van de 14e en de eerste helft van de 15e eeuw stamt? En

pagina 18 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

• • • • • • •

• • • • •

5.4.

werd voordien bemest met relatief oppervlakkig gestoken plaggen zonder minerale component, dus alleen bestaande uit organisch en vergankelijk materiaal? o In welke mate steunen de archeologische bevindingen de hypothese dat de opkomst van plaggenbemesting in de context van bevolkingsgroei en de opkomst van steden moet worden geplaatst? Hoe zagen in de Middeleeuwen domeincentra en belangrijke rurale nederzettingen eruit (omvang, uitleg, materiële cultuur etc.)? Waar, wanneer precies en hoe ontstonden (en verdwenen) domeincentra? In hoeverre ontwikkelde zo’n centrum zich (vooral in de 13e eeuw) tot een kasteel of moated site? Wat is de geschiedenis van de kastelen? Welk scala van betekenissen hadden ze? Hoe moet de geschiedenis en betekenis van de kloosters worden geschetst? Wat is de relatie tussen kloosters en kastelen geweest? Welke vorm, ontwikkeling, datering, context en betekenissen hebben aarden versterkingen? Wat zijn de ouderdom en ontwikkeling van de historische dorpskernen? Tot op welke hoogte komt de situatie voor dorpen zoals die is vastgelegd op historisch kaartmateriaal vanaf de vroege 19e eeuw overeen met de voorafgaande laatmiddeleeuwse en nieuwetijdse periode zoals die naar voren komt uit archeologische waarnemingen? Wat is de betekenis van ‘open plekken’ in historische dorpskernen? Hoe moet de stedelijke ontwikkeling worden gekenschetst? In hoeverre zijn er

archeologische indicatoren dat steden planmatig tot stand gekomen? Welke invloed had de stad op het omringende platteland en omgekeerd? In hoeverre veranderde de bevolkingssamenstelling van steden en dorpen in de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd? Hoe en onder invloed van welke factoren verliep de bewoningsexpansie op het (post)middeleeuwse platteland?

Grondstoffen

De beschikbaarheid van grondstoffen is een noodzakelijke voorwaarde voor de vervaardiging van artefacten, de bouw van behuizingen en de exploitatie van het landschap. Het is dan ook van belang inzicht te krijgen in de aard en omvang van de aanwezige grondstoffen, winplaatsen, specifieke activiteitsgebieden en eventuele vormen van specialisatie. • Waar bevinden/bevonden zich in Zuidoost-Brabant de natuurlijke voorkomens van anorganische en organische (lees: dierlijke en plantaardige) grondstoffen? Voorbeelden zijn: o geschikte (vuur)steensoorten (inclusief grind) die door de mens als uitgangsmateriaal voor werktuigen, bouwmateriaal etc. worden gebruikt; o ijzererts, ijzeroer en klapperstenen voor de productie van ijzer; o klei of leem voor de productie van aardewerk; o leem als grondstof voor bouwmateriaal ((bak-)stenen, dakpannen, ovens) en voor de constructie van haarden, bepleistering van vloeren en wanden etc.; o veen als brandstof en bouwmateriaal; o zand als ophoogmateriaal voor o.a.

dijken en wegen, veengebieden (bezanden van veen) en esdekken, alsmede zand als bouwmateriaal; o hout en riet; o dierlijke populaties • Wat was de invloed van lokale landschappelijke omstandigheden (bodem, vegetatie etc.) en de aanwezige grondstoffen op regionale huisbouwtradities? • In welke archeologische perioden en culturen werden de diverse grondstoffen gebruikt? • Met welke werktuigen zijn de diverse grondstoffen gewonnen, hoe verliep het proces van winning en in hoeverre zijn de diverse materialen op de plaats van winning reeds verwerkt? In hoeverre er sprake van een gestandaardiseerd proces? In hoeverre is sprake van winning voor eigen/autarkisch gebruik?

Juli 2022

pagina 19 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

•

•

• • •

5.5. •

•

•

•

•

•

• •

In hoeverre blijkt voor de diverse archeologische perioden en culturen uit het grondstofgebruik een vanuit een functioneel perspectief gegronde kennis van het uitgangsmateriaal? Tot op welke is sprake van een ad hoc-grondstofgebruik? Op welke wijze(n) zijn de diverse grondstoffen van de bron naar de plaatsen van verwerking en gebruik getransporteerd? Zijn daartoe nog speciale maatregelen getroffen, zoals de aanleg van infrastructurele faciliteiten?

Is er sprake van hergebruikte grondstoffen, bijv. spolia van Romeinse stenen bouwwerken of hergebruikt hout? Waar kwamen bouwmaterialen vandaan? Hoe werden deze aangevoerd? Werden ze ter plekke verwerkt of al prefab? Waar en wanneer worden er in Brabant bakstenen geproduceerd en hoe vindt dit plaats?

Erosie en afdekking van het (cultuur)landschap In hoeverre zijn archeologische sites en cultuurlandschappen onderhavig geweest aan erosie of juist goed bewaard gebleven door achtereenvolgens erosie en afdekking? Hoe is dit proces verlopen? Onder deze hoofdvragen vallen de volgende deelvragen. In hoeverre heeft nivellering of vervlakking van het dekzandgebied door natuurlijke processen (inclusief het verloren gaan van archeologische stratigrafieën en het vermengd raken van verschillende vondstniveaus) plaatsgevonden? 19 Wat was de (vermoedelijke) NAP-hoogte van het paleomaaiveld ter hoogte van de plattegronden van (hoofd)gebouwen, indien de ingravingsdiepte van middenstaanders/gebintpalen, wandpalen en eventueel behouden gebleven vloerlagen of wandgreppels in aanmerking wordt genomen? 20 In België ziet men drie hoofdperioden, die te herkennen zijn aan de hand van de overstoven bodem (kaal, bos, heide). Bij Schijf ligt een ringduin om de Oude Zoek dat van na 1600 moet dateren en op een afgegraven turfveld ligt. Binnen de middeleeuwse stadsmuren van Bergen op Zoom werd zandverstuiving vastgesteld.

Hoe zit dat in de regio ZO-Brabant? Wat is de samenhang tussen verdroging van het landschap en de conservering van archeologische resten? Daarbij moet rekening worden gehouden met het gegeven dat door de onttrekking van grote hoeveelheden grondwater het landschap in een zandgebied sterk verdroogd. Dat komt onder meer tot uiting in het opdrogen van bronnen die in het verleden van belang waren voor de drinkwatervoorziening en als voor plaats van rituele activiteiten. Wat was de invloed van bodemvorming (bijv. verbruining en podzolering) op de gaafheid en zichtbaarheid van verschillende typen archeologische sporen uit verschillende archeologische perioden? Wat was de invloed van bodemdegradatie op de gaafheid en zichtbaarheid van verschillende typen archeologische sporen uit verschillende perioden? Wat zijn de conserveringsmogelijkheden (bijv. zuurgraad) van verschillende typen organische sedimenten?

Gebieden waar sprake is geweest van erosie en afdekking dienen te worden gekarteerd. Dit is van belang voor de vaststelling van de gaafheid van vindplaatsen, de interpretatie van verspreidingskaarten en het schatten van de omvang van geschikt landbouwareaal in de pre- en protohistorie en latere perioden. Het dateren van de erosie zal vooral moeten gebeuren op basis van afzettingen die met de erosie samenhangen. Het vaststellen van de mate van erosie en afdekking is ook van belang voor het ontwikkelen van een goed instandhoudingsbeleid van archeologische monumenten. Over het algemeen geldt dat de groeiende mate van aantasting van de ondergrond samenhangt met de toename van de hellingshoek. 20 Door de oorspronkelijke diepte van grondsporen af te zetten tegen de grondspoordiepte die bij een opgraving wordt aangetroffen wordt inzicht in de gaafheid van een site verkregen. Daartoe dient vaak het niveau van het oud-maaiveld te worden gereconstrueerd. 19

Juli 2022

pagina 20 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

6.

Economie, voedselvoorziening

6.1.

Algemene vragen

•

• •

• •

•

•

• • •

6.2. • •

• •

Hoe zag in de diverse archeologische perioden en culturen de voedselvoorziening (zowel productie als consumptie) eruit en hoe kan die in algemene zin worden getypeerd? In hoeverre traden daarin veranderingen op, in de vorm van een gewijzigde verhouding tussen akkerbouw- en veeteeltproducten? Hoe laten de constanten en veranderingen in de voedselvoorziening zich verklaren? Wat kan worden gezegd worden over de voedselpatronen van de diverse sociale groepen, zoals religieuze gemeenschappen en niet-elitaire gemeenschappen? Welke strategieën werden gehanteerd in de voedselvoorziening (specialisatie of breedspectrumeconomie) en welke landschappelijke zones werden daarbij geëxploiteerd? Welke economische functies hadden perifere gebieden (‘marginale’ landschappelijke zones) en wat zijn de archeologische verschijningsvormen van dit gebruik? In welke mate tekenen zich regionale en chronologische trends in het gebruik van dierlijke en plantaardige voedselbronnen af? Wat was daarbij het belang van jacht, visvangst en het verzamelen van wilde planten? In hoeverre was er in de diverse archeologische perioden en culturen sprake van een voedseltaboe? Wat waren in de diverse archeologische perioden en culturen de diverse non-food producten die werden geproduceerd en geconsumeerd? In hoeverre is er daarbij in diachroon perspectief sprake van continuïteit en discontinuïteit Welke soorten

faciliteiten (kuilen, spiekers etc.) zijn aangelegd voor de opslag van voedsel (inclusief levende have) en non-food producten? Waar bevonden deze opslagfaciliteiten zich binnen het fysieke en culturele landschap (bijvoorbeeld ondergronds, op een droge plaats binnen een nederzetting)? In welke mate is er sprake van specialisatie bij de vervaardiging van materiële cultuur? Welke faciliteiten (smidsen, (water)molens etc.) werden daartoe aangelegd en waar bevonden deze zich binnen het fysieke en culturele landschap (zoals een watermolen gelegen langs de benedenstroom van een genormaliseerde beek, met in de omgeving een molenvijver)? Watermolens lagen ook in bovenloop en werden zowel ingezet voor voedselproductie (oliemolens/graanmolens) en/of maakprocessen (runmolens, volmolens). In hoeverre hing specialisatie samen met een specifieke sociale groep (bijv. leeftijdsgroep, mannen, vrouwen, familie, klasse etc.)? In hoeverre was er sprake van surplusproductie en, in het verlengde hiervan, waren producten bedoeld voor uitwisseling en handel? Hoe verliep het proces van monetarisering? Waar, in welke mate en hoe functioneerde muntgeld?

Specifieke vragen Welk beeld levert isotopenonderzoek op over het paleodieet en in hoeverre correspondeert dit met andersoortige gegeven? Tot op welke hoogte zijn er voor het Paleolithicum en Mesolithicum aanwijzingen voor de gevolgde jachtstrategieën (actief versus passief, selectief versus niet-selectief)? En hoe is het met de jongere perioden gesteld? Hoe heeft de visvangst zich technologisch en economisch ontwikkeld? Klopt het idee dat het assortiment cultuurgewassen gedurende de late prehistorie steeds diverse werd en zo ja waarom nam de diversiteit toe (bijvoorbeeld als vorm van risicomanagement in verband met bodemdegradatie en klimaatverslechtering (vernatting))? In het tweede geval ligt de nadruk op de teelt van meer vochtresistente cultuurgewassen in de tweede helft van het tweede millennium v.Chr.

Juli 2022

pagina 21 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

•

• •

•

•

• •

• •

•

• • • •

• • • •

In hoeverre en waarom veranderde in de loop der tijd de verhouding tussen akkerbouw en veeteelt binnen de agrarische economie? In hoeverre, wanneer en in welke sociaal-economische context was er sprake van agrarische specialisatie? Wat was het type bodem (moderpodzol of anders?) op het moment van ontginning Wanneer en door welke archeologische cultuur werden het eergetouw en de keerploeg geïntroduceerd en wanneer werden ze algemeen? Anders gezegd, hoe verliep de ontwikkeling van de ploeglandbouw? Wat waren de sociaal-economische gevolgen van deze innovaties? Bestond daarvóór hakbouw? Wat was de economische bestaansbasis van de prehistorische nederzettingen? Welke akker- en tuinbouwproducten werden lokaal geproduceerd en zijn daarin veranderingen waarneembaar? Zijn er aanwijzingen voor niet lokaal geproduceerde cultuurgewassen (import)? Welke gebruiksplanten werden in de natuurlijke omgeving verzameld? Wat was de aard van akkerbouw in de late prehistorie? Wat was de ontginningswijze (bijv.

eenmalig heel diep spitten en daarna niet meer zo diep bewerken)? Wat was de bewerkings- en onderhoudswijze van de akker (ploegen, spitten, wieden)? Waar, wanneer en in welke mate verschijnen plaatsvaste, al dan niet gecompartimenteerde (zoals Celtic fields), landbouwgronden, en hoe werden deze gecultiveerd? Zijn er aanwijzingen voor bemesting van de prehistorische akkers? Hoe zag de veestapel er uit en zijn daarin veranderingen waarneembaar, in het bijzonder ook op de overgang naar de Romeinse tijd? Hoe zag het akkersysteem eruit in de Romeinse tijd? Waarom werden potstallen binnen huizen in de loop van de tweede eeuw n.Chr. dieper? Hangt dit samen met een grotere voedselproductie in verband met een groeiende bevolking of begonnen de bodems op de zandgronden tekenen van uitputting te vertonen? Een andere vraag is waarom de stallen in sommige nederzettingen zeer diep (Lieshout-west) of zeer groot zijn (Brandevoort) en in andere (vrijwel) geheel ontbreken, zoals in de microregio’s Oss en Weert-Nederweert. Heeft dit te maken met een relatief kleine of juist grotere bodemvruchtbaarheid, of zijn er andere verklaringen? Dezelfde vragen zijn van toepassing op de lange en korte staldelen met soms onbegrepen functies.

Is er sprake van economische surplusproductie in nederzettingen en waar bestaat deze dan uit? Zijn er aanwijzingen voor de bewoning van Romeinse nederzettingen door slaven of vrije (pacht)boeren? Wat waren de genese en de structuur van het akkergebied in de Middeleeuwen en in welke mate was er daarbij sprake van regionale differentiatie? Wanneer kwam beddenbouw in zwang (vanaf 1600 algemeen, maar wellicht al vanaf 1400?), en vanaf wanneer deze algemeen? Wanneer, hoe en waarom werden delen van het akkerdek afgeschoven naar het beekdal? Hoe werden akkers begrensd ((niet-fysiek, met stenen, stokken, hagen of wallen etc.)? Ten aanzien van de akkerrandwallen zijn er de volgende vragen: o Komen de akkerrandwallen voort uit het opstuiven van al geruime tijd aanwezige heggen met of zonder wallen, of werden die heggen en wallen eerst aangelegd toen het haast te laat was? o Is het zo dat de eikenbomen die boven op de akkerrandwallen groeien in wezen dezelfde planten zijn die er in de Middeleeuwen stonden? o Zit onder de akkerrandwal een oude akker, of werd de oude akker helemaal niet overstoven? o Tot op welke hoogte hangt de maat van hakhoutstoelen samen met de ouderdom van plant en wal? Op welke wijze en wanneer kwamen de open akkercomplexen, zoals we die kennen van het vroegste kadastrale kaartmateriaal, tot stand? Wat was bij akkers de relatie tussen privé-eigendom, percelering,

communale gebruiksvormen en intensivering van de productie? In welke mate wijken enkeerdgronden in beekdalen af van de enkeerdgronden op de hogere landschapsdelen (chronologie, wijze van ontginning, bewerking en onderhoud, bemesting etc.)? Wat is de geschiedenis van de hooi- en weidegebieden, de relatie tussen percelering, communale gebruiksvorm en privébezit?

Juli 2022

pagina 22 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

• •

• • • • • • •

•

• • • •

Wat waren de verschillen in bodem- en akkerbeheer tussen open akkers en heiningakkers/kampen? Zijn er aanwijzingen voor bemesting van de akkers vóór de opkomst van de es/dekkenplaggendekken en zo ja waaruit bestaan die en betreft het hier een abrupte of een geleidelijke agrarische verandering? Is er een samenhang tussen heidevorming en bemesting? Hoe zag de veestapel eruit en zijn daarin veranderingen waarneembaar, in het bijzonder wat de overgang van de IJzertijd naar de Romeinse tijd betreft? Wat leren de archeologische gegevens over de aard, verschijningsvormen, omvang en context van ambachtelijke specialisatie? Hoe hebben de productie, de bewerking, het (her)gebruik en de distributie van metaal zich ontwikkeld? In hoeverre zijn er in Zuidoost-Brabant aanwijzingen voor metaalbewerking en -verwerking tijdens de Bronstijd? Door wie gebeurde dit (specialisten, rondreizende smeden etc.)? Welke veranderingen zijn bij de overgang van de Late IJzertijd naar de Romeinse tijd zichtbaar in het voedingspatroon en de agrarische economie? Welke materiële, socio-economische en landschappelijke effecten hadden de opkomst en later het wegvallen van Romeinse netwerken (materieel en immaterieel) en afzetmarkten? In hoeverre klopt het volgende economische beeld van de Vroege Middeleeuwen in Zuid-Nederland? o Kleinschalige akkerbouw met vooral roggeteelt.

(Rogge is waarschijnlijk in de LaatRomeinse tijd geïntroduceerd door Germaanse kolonisten.) en een nadruk op beweiding van open plekken in de bossen met vermoedelijk vooral runderen en varkens, hetgeen inhoudt dat het bos een belangrijke rol speelde bij de keuze van de vestigingsplaats. o Een groei van de graanverbouw na de tweede helft van de 7e eeuw tot in de Volle Middeleeuwen gepaard gaande met de toename heide, hetgeen na 1000 het occupatie- en ontbossingsproces versnelde, de begrazingsdruk deed toenemen en het bos achteruit deed gaan. o Een uitbreiding van de den binnen het laat-middeleeuwse bos, dat goeddeels weidegebied bleef. Andere delen werden als hakhoutbos beschermd tegen het vee en weer een andere component werd gereserveerd voor de elite om als jachtbos te dienen. o De uitbreiding van heidevelden in de Late Middeleeuwen ten gevolge van grote schaapskudden o Het gebruik van de heidevelden vanaf wellicht de 14e eeuw voor het steken van plaggen die vermengd met mest op de akkers werden opgebracht. o Het ontstaan van zandverstuivingen door het voornoemde plaggensteken rond 1400. o Een relatief droog klimaat tussen 1000-1300, hetgeen wellicht verantwoordelijk was vor een verstoorde balans in het heidebeheer.

o Een intensiever beekdalgebruik in de 11e en 12e eeuw ten gevolge van de verdwijning van het eiken-beuken en eiken-berkenbos (en een toename van blauwgraslanden) en daarmee een gewijzigde economie die zich meer richt op runder- dan varkenshouderij, met dientengevolge een grotere behoefte aan hooi als veevoer. o Een mogelijke stagnatie in de ontginning van land. o Grootschalige ontginningen van heidevelden in de periode 1770-1950 en de fixatie van stuifzanden. Welke ontwikkelingen vinden er op agrarisch gebied plaats in het verloop van de middeleeuwen? Zijn er aanwijzingen voor intensivering van akkerbouw, tuinbouw of veeteelt? Zijn er hierbij (micro) regionale patronen te herkennen? Wanneer worden in de diverse micro-regio’s de beekdalen ontgonnen, en hoe komt dit tot uiting in de botanische/palynologische vondsten? Op welke manier is de opkomst van de steden in de agrarische economie van de rurale nederzettingen te herkennen? Is in de vroege en volle middeleeuwen aardewerk op het platteland gemaakt in oostelijk NoordBrabant en waar? Waar liggen de kleiwinningsgebieden voor in oostelijk Noord-Brabant vervaardigd aardewerk uit de middeleeuwen?

Juli 2022

pagina 23 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

• • • • • •

•

In hoeverre was er sprake van herplant in de vroegmoderne tijd i.v.m. vroeg-industriële processen (bijv. houtskoolmeilers). Op welke wijze werden bodemverbetering en herstructurering van landbouwgrond gerealiseerd? Wanneer zijn de veengebieden ontgonnen en met doel en hoe (zowel ontginningswijze als sociale organisatie van de ontginning) gebeurde dit? Wat waren de landschappelijke, economische en sociale gevolgen van de veenontginning? Werd er al in de middeleeuwen of daarvóór aan bevloeiing van weiden gedaan? Wanneer, waar, binnen welke context verschenen uiteenlopende soorten molens en voor welke economische en andersoortige doeleinden werden ze gebruikt? Welke technologische en functionele veranderingen ondergingen uiteenlopende typen wind- en watermolens? Hoe werkt de opkomst van (pre)-industriële productie (massaproducten) door in de materiële cultuur? 21

7.

Sociale differentiatie

7.1.

Algemene vragen

•

•

•

•

7.2. •

Wat kan voor de diverse archeologische perioden en culturen worden gezegd over de horizontale en verticale sociale differentiatie, sociale mobiliteit en hoe moet de sociale organisatie worden getypeerd? In hoeverre is deze gebaseerd op leeftijd, geslacht, het lid zijn van een bepaalde familie, lineage etc.? In welke mate komt sociale differentiatie tot uitdrukking in grondstofgebruik, de technologische aspecten en vorm, afmetingen etc. van materiële cultuur (voorwerpen, gebouwen etc.)? Welke voorwerpen zijn aan te merken als statusindicatoren en prestigeobjecten? In hoeverre was er sprake van skeuomorfisme en imitatie? In hoeverre zijn er voor de diverse archeologische perioden en culturen aanwijzingen voor intermenselijke conflicten en hoe moeten ze worden getypeerd (geweld, tribale oorlogsvoering, oorlog etc.)? Wat zijn deze achterliggende redenen voor deze conflicten? In hoeverre was de introductie van nieuwe voedingsmiddelen een dynamisch sociaal proces? Was deze introductie een proces dat in sociaal opzicht van hoog naar laag of andersom verliep? In welke mate werd voedseldistributie als politiek machtsmiddel gebruikt? Hoe was de voorraadpolitiek georganiseerd? In welke mate ontleenden mensen hun status aan hun rol in de voedseldistributie? Tot op welke hoogte gaf voedsel uitdrukking aan sociale differentiatie en identiteit?

Specifieke vragen In hoeverre zijn er aanwijzingen voor slaven, halfvrijen, horigen of vrije (pacht)boeren voor speciaal de Romeinse tijd en de periode daarna?

In de ‘gouden’ 17e eeuw wordt Nederland een mondiale sleutelspeler in de overzeese handel. Koopvaardijvloot, oorlogsvloot, overzeese afzetmarkten, de groeiende eigen bevolking en de exploderende West-Nederlandse steden vereisten massaproductie; pre-industriële ontwikkelingen kwamen op gang. Met de wind als belangrijkste energiebron (massale bouw windmolens). Aanvankelijk zien we dit vooral in het achterland van havensteden, buiten bereik van de conservatieve stedelijke gilden. Later zien we de nieuwe technieken en productieprocessen zich verspreiden over het land, al is de toepassing aanvankelijk kleinschalig. De import van grondstoffen wordt omvangrijk (o.a. hout en ijzererts uit Scandinavië). Maar pas met de stelselmatige inzet van de stoommachine, opdeling van de werkprocessen en de seriematig geproduceerde goederen, industrialiseert Nederland langzaam. In de 19e eeuw is er competitie tussen (al dan niet geïmporteerde) massaproducten, zoals serviesgoed, en de producten van lokaal of regionaal opererende ambachtelijke bedrijven. Waarschijnlijk waren er wat dit betreft aanzienlijke verschillen (regionaal, stad-platteland, sociale groep). Van de wijze waarop massaproductie en massaproducten tussen de 17e en het begin van de 20e eeuw in de samenleving infiltreren, bestaat nog geen samenhangend beeld. Daarom is het van belang dit mee te nemen onderzoeksvragen m.b.t.

vondstmateriaal Nieuwe tijd. 21

Juli 2022

pagina 24 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

• •

Wat zijn de aard, datering, functie en vooral sociale betekenis van (partiële) Romeinse steenbouw en hoe verliep daarvan de ontwikkeling? Wat kan worden gezegd over de etnogenese van de Eburonen en de Texuandri?

8.

Infrastructuur

8.1.

Algemene vragen

•

• •

8.2. • •

•

• • •

Hoe zag de infrastructuur eruit in de diverse archeologische perioden en culturen (verschijningsvorm, chronologie en ruimtelijke verspreiding)? In hoeverre maakte een weg deel uit van een route en wat is de ouderdom van deze route? Hoe breed waren de wegen en hoe wijd waaierden de routes uit? Hoe lang waren routes en wegen in gebruik? In hoeverre was daarbij sprake van continuïteit en discontinuïteit? Wat waren de primaire en secundaire verbindingen in het onderzoeksgebied en wat zijn de criteria voor een dergelijk onderscheid? In welke mate hing de infrastructuur samen met het fysieke landschap? En in hoeverre werd de ligging bepaald door andere elementen van het culturele landschap, zoals grafheuvels, urnenvelden en nederzettingen?

Specifieke vragen Wanneer werd voor het eerst gebruik gemaakt van transport op wielen? Vanaf wanneer werden wegen speciaal aangelegd, bijvoorbeeld door een wegdek op te werpen of bermgreppels te graven, en in hoeverre werd hierbij rekening gehouden met de landschappelijke gegevenheden (verkeersvriendelijke versus verkeersvijandelijke omstandigheden)? In hoeverre waren beken etc. bevaarbaar en welk belang had scheepvaart in de diverse archeologische perioden en culturen en hoe zag die scheepvaart eruit? Tot op welke hoogte is het natuurlijke landschap op scheepvaart aangepast? Of meer algemeen gesteld: Waar, hoe en wanneer vonden aanpassingen plaats aan de waterinfrastructuur? Wat zijn de aanwijzingen dat beek- en rivierdalen strategische locaties waren bij het ontstaan van bewoning en infrastructuur? Wat is de rol van de in de midden-Romeinse tijd aangelegde infrastructuur in latere tijd? Waar kruisten landroutes beken en rivieren? Hoe oud zijn informele routes zoals kerkenpaden?

9.

Uitwisseling, transport, handel, vreedzame en gewelddadige sociale interactie

9.1.

Algemene vragen

•

Met welke gebieden binnen Nederland en daarbuiten waren er binnen de diverse archeologische perioden en culturen contacten en hoe ontwikkelden deze contacten en netwerken zich? Hoe zagen deze connecties eruit ofwel manifesteerden ze zich (bijvoorbeeld door exogamie of exotische voorwerpen), hoe intensief waren ze en welke sociale groepen waren hierbij betrokken? In hoeverre kunnen deze volgens bestaande classificaties worden getypeerd (reciprociteit, down-the-line-

Juli 2022

pagina 25 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

•

•

• •

9.2. • • • • • • • • • • • • •

10.

handel/-uitwisseling, redistributie via een centrale plaats of markt, handel via een free-lance tussenpersoon etc.)?22 Zijn van oorsprong uitheemse voorwerpen als halffabricaten of kant-en-klare producten geïmporteerd, bijvoorbeeld als geschenken van andere sociale gemeenschappen? Of betreft het de uitwisseling van of handel in uitheemse grondstoffen? In hoeverre kan worden vastgesteld welke grondstoffen, goederen en levende have tussen verschillende sociale groepen werden uitgewisseld dan wel verhandeld? Hoe vond dit transport plaats (over water en/of land) en met welke middelen? Wie verzorgde het transport? Ging deze uitwisseling en handel gepaard met exogamie, dat wil zeggen ze ingebed waren in sociale netwerken? Welk diachroon patroon laat zich hierin ontwaren? In hoeverre zijn overslagplaatsen aanwijsbaar, hoe oud zijn ze en hoe en waarvoor dienden ze? In welke mate zijn er indicaties dat in het verleden gereisd werd. Waarheen voerden de reizen, wanneer vonden ze plaats en met welke frequentie? In hoeverre had het gereis invloed op sociale interactie, de uitwisseling van en handel in goederen en levende have etc. en droeg het bij aan culturele transformatie?

Specifieke vragen In hoeverre waren er contacten tussen de diverse laat-paleolithische culturen, in het bijzonder de Federmesser-groep en de Ahrensburg-cultuur? Hoe zagen eventuele contacten tussen de vroegste boeren en laatste jager-verzamelaars eruit? In welke mate waren er contacten tussen de Stein-Vlaardingen-groep enerzijds en de Seine-Oisecultuur en de Wartberg-groep anderzijds? In hoeverre had de Hilversum-cultuur contacten met andere cultuurgroepen in Frankrijk, GrootBrittannië en Ierland? Wat was in de late prehistorie de betekenis van jagen, vissen en het verzamelen van voedsel voor de sociale contacten met anderen?23 Vanwaar werd in de diverse perioden zout betrokken en hoe en door wie vond de aanvoer plaats? Waarvandaan en hoe werden in de Romeinse tijd uiteenlopende bouwmaterialen aangevoerd? Hoe veranderen de herkomst en distributie van importgoederen in de loop van de vroege middeleeuwen en de jongere perioden? In hoeverre was er binnen de diverse archeologische perioden en culturen sprake van elitenetwerken? Hoe zijn complexe militaire structuren zoals linies en belegeringswerken samengesteld en landschappelijk ingebed? Wat zeggen archeologische resten en structuren over de aard en het verloop van gewapende conflicten en achterliggende militair-strategische inzichten? Hoe ontwikkelden zich de verdedigingswerken van steden en dorpen? Op welke wijze kregen in

gewapende conflicten industrieel vervaardigde massaproducten een persoonlijke geschiedenis?

Religie, ideologie en rituelen

10.1. Algemene vragen

Zie voor meer uitwisselings- en handelsvormen p. 352 in Archaeology. Theories, Methods and Practice uit 1996 door Renfrew & Bahn. 23 Jagen, vissen en verzamelen zullen naar verwachting meer dan agrarische activiteiten hebben geleid tot contacten met andere personen en groepen, vooral op plaatsen waar niet-gedomesticeerde voedselbronnen waren geconcentreerd (rivieren, kreken, meren). 22

Juli 2022

pagina 26 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

•

• •

• •

• •

• • • • •

Wat kan voor de diverse archeologische perioden en culturen worden gezegd over religie, ideologie en rituelen en in hoeverre manifesteren ze zich in de materiële cultuur, bijvoorbeeld door voorwerpen specifieke vormen te geven en bepaalde grondstoffen te gebruiken? In hoeverre zijn religieuze, ideologische en rituele invloeden van buitenaf ofwel van andere sociale gemeenschappen bespeurbaar? In hoeverre zijn er indicaties voor een voorouderverering en voor vooroudercultus? Vanaf wanneer zijn rituele landschappen (sacrificial landscapes), heilige locaties, cultusplaatsen en openluchtheiligdommen aanwijsbaar en vanaf welk moment ontstonden formele plaatsen en verrezen gebouwen voor cultus, religie en ideologie? ‘Bedienden’ zij uitsluitend of primair de lokale bevolking of werden ze door een groter segment van de populatie gebruikt? Waaruit bestaan de verbindingen tussen verschillende heilige locaties? Zijn verbindingsroutes op een speciale wijze gemarkeerd? In welke context (in de brede zin van het woord) speelden religieuze/ideologische handelingen en rituelen zich af, wie voerden ze uit, hoe gebeurde dit en waarom? In hoeverre gingen deze handelingen en rituelen gepaard met de depositie van materiële cultuur? In hoeverre waren religie en ideologie gelieerd aan een specifieke sociale groep? Tot op welke hoogte geven waren huizen niet alleen bouwsels die fysieke bescherming en

onderdak boden, maar tevens refereerden aan de kosmologische ordening? In welke mate correspondeerde de levensloop van een behuizing met die van een mens? In hoeverre, wanneer en waarom werd bij het opgeven van nederzettingen materiële cultuur opzettelijk ritueel vernield? Wat was de relatie tussen heilige plaatsen, cultusplaatsen en heiligdommen enerzijds en grafrituelen en graven anderzijds? Waar lagen pelgrimsoorden en hoe oud zijn ze en in hoeverre laat pelgrimage hiernaartoe zich archeologisch vaststellen? In hoeverre zijn er aanwijzingen voor feesten en rituele maaltijden? In hoeverre zijn er aanwijzingen voor martialiteit?

10.2. Specifieke vragen •

•

•

•

•

•

24 25

Speelden dieren of dierlijke producten een rol in religie en cultus en wat was hun betekenis daarin? In hoeverre wijzen de archeologische vondsten erop dat de Peelrandbreuk als een bijzondere landschappelijke zone (wijstgronden) werd beschouwd, bijvoorbeeld omdat ter plaatse relatief veel depots voorkomen? En in hoeverre is de archeologische situatie in het geval van de Rijenbreuk vergelijkbaar? Wat stellen stenen bijlen voor die als geïsoleerde vondsten zijn gedaan? In hoeverre zijn ze gelet op grondstof, gebruikssporen en andere intrinsieke eigenschappen alsook vondstomstandigheden depots? Waar zijn in Zuidoost-Brabant depositiezones van materiële cultuur aanwijsbaar, waaruit bestaat die materiële cultuur en in welke landschappelijke en culturele context zijn ze gelegen? Uit welke perioden dateren ze en tot welke culturen behoren ze? Wat waren de achterliggende redenen van deze eventuele depots? In hoeverre onderschrijven metaalvondsten de door Fontijn24 gepostuleerde indeling van het landschap in verschillende depositiezones? In hoeverre zijn metalen voorwerpen uit de Bronstijd die in een natte context zijn aangetroffen geen depots maar bijvoorbeeld in de strijd verloren wapens? In hoeverre en in welke archeologische periode(n) en culturen zijn bij de bouw van huizen en het opgeven van nederzettingen en gebouwen offers gebracht? In welke mate zijn de bijbehorende rituelen

te reconstrueren? Tot welke hoogte zijn bij het verlaten aardewerken vaatwerk en andere keramische objecten verbrand en gedeponeerd? Met andere woorden, in hoeverre is de term ‘vurig afscheid’ – een term die door Van den Broeke25 is geïntroduceerd – legitiem?

Fontijn 2001. Van den Broeke 2012.

Juli 2022

pagina 27 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

•

•

•

•

11.

In welke landschappelijke zone(s) kwamen vierkante of rechthoekige omgreppelde cultusplaatsen uit de late prehistorie en de Romeinse tijd voor? Wat is de datering ervan? Hoe lang waren ze gebruik? Hoe waren ze ingericht? Wat kan worden gezegd over de met deze structuren geassocieerde religie/ideologie op basis van materiële cultuur, nabijheid van nederzettingen, grafvelden etc. en de gebruikers (aantal, sociale aspecten etc.)? Wat is betekenis van muntschatten uit de Late IJzertijd tot en met de Nieuwe Tijd? Gaat het hier om rituele depots, zaken die tijden van nood verstopt zijn om later geborgen te worden (caches) of iets anders? Wat zijn de datering, vorm, constructie, afmetingen en inrichting van een kerkgebouw? Waar heeft het altaar zich bevonden? Wanneer vond er eventueel in de geschiedenis van een kerkgebouw de overgang van houtbouw naar steenbouw plaats? In hoeverre speelde het christendom een rol bij de aard en inrichting van nederzettingen en het cultuurlandschap?

Begraving

11.1. Algemene vragen •

•

• •

• • • • • • • •

Hoe moet het grafbestel voor de verschillende perioden en archeologische culturen worden gekenschetst? Wat was de grafvorm (grafheuvel/vlakgraf etc.; rand- of intermediaire structuren om het graf etc., zoals kringgreppels)? Wat was de lijkbehandeling (inhumatie, crematie, wel of geen gearticuleerde bijzetting?, wel/geen deelbegraving?)? Welke grafgiften zijn er? In hoeverre is er voor de diverse archeologische perioden en culturen sprake van grafvelden, diffuse clusters graven of losse graven? Wat is de archeologische en landschappelijke context van de diverse categorieën? geïsoleerde In hoeverre waren graven bovengronds gemarkeerd? Wat is de ouderdom van deze graven? In hoeverre was er sprake van formele grafvelden en begraafplaatsen en werden die op een of andere wijze begrensd? Wat is de landschappelijke en contextuele ligging van graven en grafvelden? Tot op welke hoogte is de gehele populatie op een archeologisch zichtbare wijze begraven? Hoe lang waren grafvelden en begraafplaatsen in gebruik, wat was de interne ontwikkeling en wat kan over de achterliggende redenen daarvan worden gezegd? In hoeverre en waarvoor werden pre- en vroeghistorische begraafplaatsen en grafmonumenten funerair of anderszins hergebruikt? Welke patronen zijn te ontwaren in de landschappelijke ligging van graven en grafvelden en wat is de ruimtelijke samenhang met andere elementen van het

cultuurlandschap, zoals nederzettingen. In hoeverre weerspiegelt het grafritueel ideologie, religie en sociale differentiatie? In welke mate werden door middel van begravingen claims op land gelegd en sociale territoria gemarkeerd? Waar lagen de brandstapels die bij de crematieresten behoorden? In hoeverre zijn graven na hun aanleg gerespecteerd en gespaard van overbouwing etc.? Zijn er aanwijzingen voor het herplaatsen en opruimen van menselijke resten?

11.2. Specifieke vragen •

Zijn doden begraven of gedumpt in beekdalen en andere nattere delen van het landschap? Zo ja, in welke periode en door welke archeologische cultuur gebeurde dit en waarom? Welk (sociaal, economisch etc.) deel van de bevolking betreft het?

Juli 2022

pagina 28 van 46

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

•

• •

• • • • • • • •

•

12.

Wat betekenen geïsoleerde graven en niet-formeel bijgezette menselijke resten in een nederzettingscontext? Zijn dit ‘stichtersgraven’ (Gründergräber)? In hoeverre zijn graven in nederzettingen gebonden aan een specifieke archeologische periode en cultuur? Wat is de biografie van grafmonumenten (de veranderende betekenissen van zichtbare grafmonumenten in het landschap van het Laat-Neolithicum tot in de moderne tijd)? In hoeverre klopt de stelling (van onder anderen Theunissen 26) dat in het archeologisch zichtbare grafritueel op de pleistocene gronden van Laat-Neolithicum tot en met Midden-Bronstijd ca.

80-90% van de overledenen ontbreekt? Hangt deze vermeende afwezigheid wellicht samen met het feit dat bepaalde landschappelijke zones niet of nauwelijks zijn onderzocht? In hoeverre hangen de diverse vormen van grafstructuren (langbedden, vierkante greppels etc.) in de urnenveldenperiode en de Romeinse tijd samen met sociale differentiatie? Hoe moet het grafritueel in de Midden- en Late IJzertijd worden omschreven? In hoeverre klopt het beeld dat het grafbestel uit de Romeinse goeddeels een voortzetting is van de inheemse grafgebruiken in de Late IJzertijd? Zijn er in de Romeinse grafvelden verschillen waarneembaar in status en wat is hier de oorzaak van? Waar liggen Karolingische grafvelden in het landschap en hoe zien die er uit? Wat zijn de oudste dateringen van kerkgrafvelden? Wanneer eindigt het hergebruik van premiddeleeuwse grafvelden in de vroege middeleeuwen? Wat is relatie van de kerkgebouwen met de omgeving en de (ruimtelijke) samenhang tussen deze gebouwen en begravingen. Welke sociaal-economische groep of groepen mensen zijn binnen en welke buiten de kerk bijgezet? Wanneer, waar en hoe ontstonden begraafplaatsen bij kerken: kerkhoven? Wie werden in deze vroege kerkhoven bijgezet (leeftijd, geslacht, social status etc.)?

Fysische antropologie

Deze discipline heeft in de afgelopen decennia belangrijke inhoudelijke progressie geboekt, omdat algemeen geaccepteerde criteria voor het determineren van menselijke skeletmateriaal in termen van leeftijd en geslacht zijn opgesteld. Met de recente komst van isotopen- en aDNA-analyses is het pallet van fysisch-antropologisch onderzoek aanzienlijk verrijkt, aangezien deze natuurwetenschappelijke onderzoekstechnieken de kans bieden een goed gefundeerd inzicht te verschaffen in migratie, mobiliteit, herkomst, biologische sekse en dieet. Daarnaast zijn in de archeologie geweld en oorlogsvoering een actueel onderzoeksthema, waarbij de focus bij het fysisch-antropologische onderzoek traumata zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13060549/1