CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Emmahof - Bijlage 22 Toelichting - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r

Gemeenteraad 17 oktober 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan Emmahof8.136 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. Emmahof Nuenen Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. Emmahof Nuenen Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Datum: Augustus 2024 Projectgegevens: NOT01-NXT001-01B

Tweede Donk 8 5233 HR 's-Hertogenbosch T. 06.49027136 E. tomsbr@urbitom.nl

Inhoud 1

Inleiding

1

1.1 1.2

1 1

Aanleiding Situering plangebied

2

Toetsingskader

2

3

Welke m.e.r.-verplichting?

3

(Vormvrije) m.e.r.-beoordeling

4

4.1 4.2 4.3

4 5 6

4

5

De kenmerken van de activiteit Plaats van het project Kenmerken van het potentiele effect

Conclusie

12

UrbiTom

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

LAGE

Plangebied

NUENEN Plangebied

Ligging plangebied binnen Nuenen (Bron: kadastralekaart.com 2023)

UrbiTom

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Op het perceel Emmastraat 4 te Nuenen is er het voornemen om op een braakliggend terrein, waar tot 2015 basisschool Het Palet heeft gestaan, te komen tot een wooninbreiding met 12 seniorenwoningen. De raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten heeft besloten dat het plangebied zal worden aangewend voor de bouw van seniorenwoningen. Hiertoe is in 2021 door de gemeente een aanbesteding uitgeschreven. De opdracht voor nadere uitwerking van het plan is gegund aan de combinatie van NEXIT-architecten, Cornelis Huygens projetontwikkeling en makelaar/vastgoedadviseur Jaco Wiegersma. Deze ontwikkeling is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. De geldende bouwvlakken en bouwhoogten sluiten niet aan bij het bouwplan. Om die reden is onderhavig bestemmingsplan opgesteld waarin de haalbaarheid van het initiatief inzichtelijk wordt gemaakt en waarin een juridisch-planologisch kader wordt geboden om tot herontwikkeling van het plangebied te komen.

1.2

Situering plangebied Het plangebied betreft de percelen, kadastraal bekend gemeente Nuenen, sectie E, nummers 9767, 9768 en 9798. Totaaloppervlakte van het plangebied bedraagt 2.660 m2. Aan de zuidwestzijde grenst het plangebied aan de Emmastraat. Aan de overige zijde grenst het plangebied aan woonpercelen.

Plangebied

Ligging plangebied in omgeving (Bron: kadastralekaart.com 2023)

UrbiTom

1

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

2

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1.

Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.);

2.

Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden;

3.

Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (Hof van Justitie EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

UrbiTom

2

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

3

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Welke m.e.r.-verplichting? Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- plichtig besluit, indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C-lijst of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van een ontwikkelingslocatie voor woningbouw. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Onderhavig plan betreft de toevoeging van 12 nieuwe woningen. De ontwikkeling ligt derhalve ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Geconcludeerd kan worden dat het plan niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er dus geen plicht tot het opstellen van een MER.

Het onderhavige plan komt als activiteit voor in kolom 1 van de D-lijst en de drempelwaarden in kolom 2 worden niet overschreden, maar het te nemen besluit (het bestemmingsplan) komt voor in zowel kolom 3 als 4. Omdat ten behoeve van onderhavig plan na vaststelling van het bestemmingsplan geen andere besluiten meer worden genomen die voorkomen in kolom 4 van de D-lijst, is het bestemmingsplan te beschouwen als een 'besluit' in de zin van het Besluit m.e.r. Op basis van het vorengaande dient een aanmeldingsnotitie in het kader van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden.

UrbiTom

3

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

4

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

(Vormvrije) m.e.r.-beoordeling In bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' staan drie hoofdcriteria centraal: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van de potentiële effecten.

4.1

De kenmerken van de activiteit Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de omvang van het project; b. de cumulatie met andere projecten; c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering; g. risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). Ad a. de omvang van het project De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 12 woningen. Gelet hierop, en gelet op de stedelijke omgeving van het plangebied, wordt gesteld dat het een project van beperkte omvang betreft waarbij op voorhand geen sprake lijkt van significant negatieve milieueffecten. Ad b. cumulatie met andere projecten De realisatie van 12 woningen betreft een op zichzelf staand project en maakt geen onderdeel uit van een grotere ontwikkelingslocatie. Van een relevante cumulatie met projecten buiten onderhavig plan is geen sprake. Ad c. gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. In het onderhavige plan worden de bestaande houtopstanden goeddeels gehandhaafd.

Daarnaast worden naast de reguliere bouwmaterialen geen natuurlijke hulpbronnen verwijderd dan wel gebruikt in het onderhavige plan. Het gebouw wordt niet meer aangesloten op aardgas (fossiele brandstof).

UrbiTom

4

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Ad d. de productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van de bebouwing en toekomstige huishoudelijke afvalstoffen tijdens het gebruik van de woningen. De productie van afvalstoffen vormt naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Ad e. verontreiniging en hinder Er is geen sprake van een, op basis van milieuwetgeving, vergunningplichtige inrichting. Relevante verontreiniging en hinder als gevolg van het toekomstig gebruik van het plangebied, door 12 woningen, is niet aan de orde. Ad f. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering De realisatie en ingebruikname van 12 woningen betreft geen risicovolle inrichting. Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door de klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. Ten opzichte van de bestaande situatie is er sprake van een beperkte toename van het verhard oppervlak. De afvoer van het hemelwater zal afgekoppeld worden van het rioolstelsel. Binnen het plangebied zijn goede mogelijkheden om het hemelwater te infiltreren.

Hiermee wordt in voldoende mate rekening gehouden met de klimaatverandering. Ad g. risico’s voor menselijke gezondheid Er is geen sprake van een vergunningplichtige (milieukundige) inrichting. Onderhavig plan heeft geen relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid. Ook ligt het project niet in de nabijheid van veehouderijen, spuitzones of niet-agrarische bedrijvigheid die een negatieve invloed kunnen hebben op de menselijke gezondheid.

4.2

Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik, b. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied, c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: - wetlands, oeverformaties, riviermondingen; - kustgebieden; - berg- en bosgebieden; - natuurreservaten en -parken;

UrbiTom

5

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

-

-

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen; gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

Ad a. het bestaande grondgebruik In de huidige situatie bestaat het plangebied uit het terrein van een voormalige school dat in het geldende bestemmingsplan een maatschappelijke bestemming heeft. Ad b. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied In de huidige situatie is er geen sprake van een rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen in het gebied. Ad c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu In het plangebied of de omgeving ervan bevinden zich geen van de in de opsomming genoemde (potentieel) waardevolle gebieden. Ook betreft het geen gebied waar milieukwaliteitsnormen niet worden nagekomen of dat zich kenmerkt door een hoge bevolkingsdichtheid. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op een kortste afstand van circa 7,7 kilometer afstand (‘Strabrechtse Heide & Beuven’ – gebiedsnummer 137).

4.3

Kenmerken van het potentiele effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 (de kenmerken van het project) en 2 (de plaats van het project) in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden) b. de aard van het effect c. het grensoverschrijdend karakter van het effect d. de intensiteit en de complexiteit van het effect e. de waarschijnlijkheid van het effect f. de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect g. de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten h. de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen Het potentiële effect van de activiteit is vanwege de omvang zeer beperkt, voor wat betreft het fysieke bereik en de grootte van de getroffen bevolking. Om een beeld te schetsen van de specifieke effecten wordt in de navolgende paragrafen de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling weergeven. Er wordt vanwege de verwaarloosbare effecten niet specifiek stilgestaan bij de bovenstaande punten (a t/m h). Enerzijds worden specifiek effecten behandeld, zoals eventuele effecten van de verkeerstoenames op de bereikbaarheid, de

UrbiTom

6

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

geluidbelasting en luchtkwaliteit. Anderzijds gaat het om de meer locatiegerelateerde effecten die te maken hebben met de omgeving. Dan gaat het bijvoorbeeld over de effecten op flora en fauna (waaronder stikstofdepositie). 4.3.1

Bodem Verkennend onderzoek Aeres Milieu B.V. heeft in augustus en september 2014 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een locatie gelegen aan de Emmastraat 4 te Nuenen. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd. Op basis van de analyseresultaten is de hypothese ‘onverdacht’ verworpen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met Polychloorbifenylen (som PCB). In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verontreinigd met barium, zink, xylenen en naftaleen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.

Conclusie Het verkennend onderzoek uit 2014 is gedateerd. De bevindingen uit het onderzoek laten zien dat er geen grote risico’s zijn (zoals grote saneringsopgaves) die de haalbaarheid van voorliggend bestemmingsplan in gevaar brengen. In de periode tussen 2014 en 2023 hebben geen potentieel verontreinigende activiteiten plaatsgevonden in het plangebied. Het onderzoek uit 2014 biedt voldoende inzicht voor deze ruimtelijke procedure, maar bij de eventuele verkoop van de grond door de gemeente aan initiatiefnemers en/of de omgevingsaanvraag voor de activiteit Bouwen zal wellicht een geactualiseerd onderzoek uitgevoerd moeten worden.

UrbiTom

7

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

4.3.2

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Geluid 4.3.2.1 Wegverkeerslawaai Een woning wordt in het kader van de Wet geluidhinder aangemerkt als een geluidgevoelig object. Er zijn in de nabijheid van het plangebied geen wegen met maximumsnelheid boven 30 km/u, er zijn dus geen gezoneerde Wegen, waarvoor akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel onderzoek gedaan naar de cumulatieve geluidbelasting van de wegen. De ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek wordt derhalve uitgevoerd ten behoeve van een juridisch-planologische procedure. In september 2023 is onderzoek verricht door De Roever Omgevingsadvies. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai berekend voor de gewenste woningen aan de Emmastraat in Nuenen. De rapportage van het onderzoek is als bijlage bij de bestemmingsplantoelichting opgenomen. Navolgend zijn de conclusies van het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai weergegeven. Conclusie Hogere waarden Een hogere waarde is niet nodig, er geen gezoneerde wegen in de omgeving liggen. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 52 dB ter plaatse van de voorgevel. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan ten hoogste 52 – 33 ≤ 20 dB (standaardeis uit het bouwbesluit).

Een onderzoek gevelwering zal dan niet nodig zijn. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt bij het gebouw wordt geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Redelijk’. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gebouw wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in de rapportage akoestisch onderzoek (paragraaf 3.2.1 en 3.2.2) kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg staat. 4.3.2.3 Geluid warmtepompen Door VDM akoestiek is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waarin is beoordeeld of de cumulatie van het geluid door warmtepompen bij/op de bestaande en nieuwe woningen verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening. De resultaten van de overdrachtsberekeningen zijn getoetst aan de richtwaarden volgens de VNG-handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’. Ook is getoetst aan de eisen aan de geluidniveaus door installaties voor warmte- en koudeopwekking, zoals die gesteld zijn in afdeling 3.2 van het Bouwbesluit 2012.

UrbiTom

8

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Binnen het plan worden 12 woningen gerealiseerd, die per woning worden voorzien van een warmtepomp. Door de architect is aangegeven dat, wanneer gebruik gemaakt mocht worden van warmtepompen met een buitenunit, de warmtepompen op het platte dak van de woningen en appartementen worden gerealiseerd. Posities warmtepompen In de berekeningen is uitgegaan van een ‘worst-case-scenario’ waarbij voor alle nieuwe woningen warmtepompen met een buitenunit worden gehanteerd met posities op de daken die maatgevend zijn voor de geluidbelasting bij de dichtst bij het plan en de nieuwe woningen gelegen perceelsgrenzen. De tekening met de worstcase posities van de warmtepompen (blauwe stippen) is in onderstaande figuur weergegeven.

Mogelijke posities (worstcase) warmtepompen daken nieuwe woningen (bron: NEXIT Architecten)

Bronnen Bij opstelling van het onderzoek is het plan uitgewerkt als voorlopig ontwerp. Daarbij is nog geen definitieve keuze voor de warmtepompen gemaakt. Door de architect is wel aangegeven een voorkeur te hebben voor het toepassen van horizontale warmtepompen van het type Weheat Blackbird. Technische specificaties van deze warmtepomp zijn opgenomen in bijlage 4 van het bij deze toelichting gevoegde geluidsonderzoek . Volgens opgaaf van de leverancier heeft deze warmtepomp een geluidniveau van 49 dB(A) op een afstand van 1 meter bij maximaal vermogen. Dit komt neer op een geluidvermogenniveau (LW) van circa 60 dB(A). Door de leverancier zijn geen gegevens verstrekt over een mogelijk tonaal karakter van de warmtepomp. Om vrijheid voor de uiteindelijke keuze van de warmtepompen te behouden is ervoor gekozen om in de berekeningen uit te gaan van een geluidvermogenniveau (LW) van 65 dB(A)

UrbiTom

9

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

per warmtepomp. Deze waarde is haalbaar met een ruim assortiment aan warmtepompen van diverse leveranciers, waaronder de eerder aangegeven Weheat Blackbird. Voor het geluidspectrum is uitgegaan van spectrum 2 (Ctr) uit de norm ISO-717-1. De warmtepompen zullen in een reguliere situatie nooit 100% van de tijd in werking zijn, of niet op vol vermogen draaien. Toch is ervoor gekozen om overeenkomstig de beoordelingsmethode in de bouwregelgeving geen bedrijfsduurcorrectie toe te passen. Conclusie Uit de resultaten blijkt dat, uitgaande van uitgangspunten zoals hiervoor weergegeven onder ‘positie warmtepompen’ en ‘bronnen’, bij de bestaande woningen in de omgeving en de nieuwe woningen binnen het plan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Hierbij wordt nog het volgende opgemerkt: Overeenkomstig de bouwregelgeving is in de berekening van de geluidniveaus geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Bij gebrek aan een toetsingskader is voor de ruimtelijke toets aangesloten bij de VNG-handreiking bedrijven en milieuzonering. Bij beoordelingen van geluid door bedrijven wordt echter wel rekening gehouden met de bedrijfsduurcorrectie. De gehanteerde systematiek kan daarmee als conservatief beschouwd worden. In de berekeningen is ervan uitgegaan dat de warmtepompen van alle woningen gelijktijdig op vol vermogen in werking zijn.

Dit zal in de praktijk echter niet tot nauwelijks voor komen. De gehanteerde systematiek kan daarmee als conservatief (met ruime zekerheidsmarge) beschouwd worden. 4.3.3

Luchtkwaliteit Algemeen Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: -

4.3.4

ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit); een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In

UrbiTom

10

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. 4.3.5

De ontwikkeling leidt niet tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit Ingevolge de Europese richtlijn milieukwaliteit, worden in de Wet milieubeheer de volgende grenswaarden gehanteerd: grenswaarde jaargemiddelde concentratie PM10 = 40 μg/m3. grenswaarde jaargemiddelde concentratie PM2.5 = 25 μg/m3. grenswaarde jaargemiddelde concentratie NO2 = 40 μg/m3. Zoals op navolgende kaarten is te zien blijven de concentraties PM10, PM2.5 en NO2 ter plaatse van het plangebied ruim onder de aangegeven grenswaarden.

UrbiTom

11

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van 12 nieuwe wooneenheden. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’. De kaarten met gemiddelde concentraties fijnstof en stikstof van het RIVM laten zien dat deze ruim onder de grenswaarden blijven, die ingevolge de Europese richtlijn milieukwaliteit van toepassing zijn voor een goede luchtkwaliteit. Er is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.3.6

Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Uit de risicokaart voor Noord-Brabant blijkt dat er geen bedrijven, leidingen of transportroutes in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn, die aanleiding geven tot een nader onderzoek externe veiligheid.

UrbiTom

12

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Uitsnede risicokaart (bron: Atlas voor de Leefomgeving)

Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen woningbouw in het plangebied. 4.3.7

Flora en fauna Beschermde natuurgebieden Het is voor een goede ruimtelijke ordening van belang dat geen sprake is van significante gevolgen voor de omliggende natuur. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval is het plangebied op een dergelijke afstand gelegen dat er van een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNB-gebied geen sprake is. Tevens betreft het een beperkte ingreep (nieuwbouw binnen bebouwde kom). Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (Strabrechtse Heide & Beuven) is op afstand (ca. 7,7 km) gelegen. Bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd. Een AERIUSberekening is noodzakelijk om aan te tonen dat er geen sprake is van stikstofdepositie. Aan dit aspect is in de navolgende paragraaf ‘stikstofdepositie’ nader aandacht besteed.

4.3.8

Onderzoeksresultaten en effecten op aanwezige plant- en diersoorten Door Exlan is in augustus 2023 een quickscan soortenbescherming verricht. De rapportage hiervan is opgenomen als bijlage bij de bestemmingsplantoelichting. Er wordt in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is

UrbiTom

13

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. 4.3.8.1.

Veldbezoek

Flora algemeen Bij de planlocatie zijn geen bijzondere beplantingen aangetroffen. Het perceel bestaat uit grasland dat regelmatig wordt gemaaid. Het perceel is bezaaid met Knolcyperus, een exoot die erg moeilijk te bestrijden is. Rechtsachter en linksvoor op het perceel staan twee zomereiken. Eentje blijft behouden. Grondgebonden zoogdieren Specifiek wordt bekeken of binnen de betreffende inrichting verwacht kan worden of er streng beschermde zoogdieren; steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, eekhoorn, bever en das kunnen worden aangetroffen. Door de aanwezigheid van (verwilderde) katten, is dit geen interessante locatie voor grondgebonden zoogdieren. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Aangezien de projectlocatie onbebouwd terrein is zonder verdere opslag, is deze locatie voorde steenmarter niet interessant om te huisvesten. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Daarnaast laten steenmarters enorm veel sporen achter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort.

Kleine marterachtigen De onderzoekslocatie biedt geschikte verblijflocaties voor de hermelijn, wezel en bunzing. De soorten maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen marters of sporen van marters aangetroffen op de onderzoekslocatie. Echter, dit betekent niet dat het gebied niet potentieel in gebruik is door de hermelijn, wezel en/of bunzing als migratieroute. Gezien de onderzoekslocatie kleiner is dan één hectare kan gesteld worden dat deze geen essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een van genoemde soorten. Indien bij sloop/herinrichting van het gebied groenstructuren rond het perceel behouden blijven, is er geen sprake van een negatief effect op genoemde soorten. Eekhoorn De onderzoekslocatie is vanwege de afwezigheid van voldoende bomen niet geschikt als habitat voor de eekhoorn. Er staan te weinig bomen rondom de projectlocatie. Een negatief effect als gevolg van de werkzaamheden is uitgesloten.

UrbiTom

14

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Bever Voor de bever is op de onderzoekslocatie geen geschikt habitat aanwezig. Vaste rust- en verblijfplaatsen van de bever kunnen worden uitgesloten. Das Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Overige Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is vastgesteld. Zo zijn er sporen aangetroffen van de mol en muis. Vleermuizen Verblijfsruimte voor vleermuizen hebben specifieke voorwaarden zoals een stabiele temperatuur en het tochtvrij zijn. Bij vleermuizen worden vier verblijfplaatsen onderscheiden; winterverblijven, zomerverblijven, kraamverblijven en paarverblijven. Aan de winterverblijven worden de hoogste eisen gesteld, daarna de kraamverblijven, dan de zomerverblijven en ten slotte de paarverblijven, waarbij de vleermuizen een zeer korte tijd op een bepaalde locatie kunnen verblijven. Er is geen bebouwing aanwezig die mogelijk geschikt is als verblijfsplaats voor vleermuizen.

De twee aanwezige zomereiken zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van eventuele schuilplaatsen voor vleermuizen. Die zijn niet aangetroffen. Derhalve wordt een boom gekapt in dit plan. Mogelijk dat er vleermuizen huisvesten in de omliggende woningen. Dat is op enige afstand van de projectlocatie. Vleermuizen ondervinden geen last van de bouw van de nieuwe woningen. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op de aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van bomenrijen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen zoals houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfsplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. Deze elementen zijn wel in de directe omgeving aanwezig, langs de doorgaande wegen.

UrbiTom

15

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Vogels Tijdens het bezoek is met name gelet op de aanwezigheid van nesten en rustplaatsen voor vogels. Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, huismus, steenuil en de kerkuil. Boomvalk De boomvalk is een soort die geen eigen nest maakt, maar broedt in gebruikte kraaienen/of eksternesten in verschillende typen bos(randen) of in solitaire bomen, populierensingels, of op erven. De soort komt vooral voor in open en halfopen landschappen zoals boerenland en dorpen, alsook in buitenwijken van steden. De bomen op- en nabij de projectlocatie zijn gecontroleerd op dergelijke nesten, deze zijn niet aangetroffen. Negatieve effecten op de boomvalk als gevolg van de werkzaamheden zijn derhalve niet aan de orde. Buizerd en havik De buizerd en havik broeden op grote nesten van ongeveer een meter in doorsnede en 60 centimeter diep. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een broedgeval van de buizerd en havik is daarom uit te sluiten. Wespendief en sperwer De wespendief is doorgaans gebonden aan grotere bosgebieden van zowel loof- als naaldbomen. Bij voorkeur is er afwisseling binnen het bosgebied aanwezig in de vorm van open plekken. De sperwer broedt bij voorkeur meer verborgen in naaldbomen.

Beide situaties zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen de bebouwde kom, de afwezigheid van voldoende dekking is een nestplaats van de sperwer of wespendief niet te verwachten. Eveneens zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. Een broedgeval van zowel de wespendief als de sperwer zijn uitgesloten. Steenuil en kerkuil De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Beide soorten broeden in gebouwen en gebruiken ook graag speciale nestkasten. Daarnaast worden door de steenuil ook wel boomholten gebruikt, mits er zich grote holten in bevinden. Er staan geen gebouwen op de projectlocatie. De aanwezige bomen zijn geïnspecteerd op de mogelijke aanwezigheid van nesten of sporen; braakballen, veren en uitwerpselen. Er zijn geen nesten en sporen van steenen kerkuilen waargenomen. Er is geen sprake van een afname van belangrijk foerageergebied. Huismus Ook voor de huismus, die veel te vinden is in de bebouwde omgeving en vooral gebonden aan gebouwen is, is het nest jaarrond beschermd. Aangezien er geen bebouwing aanwezig is in het plangebied, en dus ook geen gebouwen gesloopt worden met het initiatief, worden geen beschermde nesten van de huismus aangetast.

UrbiTom

16

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Overige broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Er zijn geen nesten van overige broedvogels aangetroffen. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn tijdens het terreinbezoek geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. Voor de in Nederland voorkomende reptielsoorten zoals de hazelworm, de levendbarende hagedis en ringslang biedt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat. Deze soorten worden vrijwel alleen aangetroffen in specifieke natuurgebieden. Dit geldt ook voor de specifieke beschermende amfibieënsoorten die veel eisen stellen aan zijn habitat; alpenwatersalamander, heikikker, vinpootsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Deze zijn allen uit te sluiten omdat de betreffende locatie geen goed habitat biedt voor deze soorten door het ontbreken van voldoende oppervlaktewater. De onderzoekslocatie vormt wel een geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten als de bruine kikker en de gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de begroeiing en onder takken- of stenenhopen. Voor algemene amfibieënsoorten geldt in het kader van de Wet natuurbescherming een vrijstelling, zodat een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is.

Het is echter wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Overige soorten Van de overige soortgroepen, zoals dagvlinders, insecten en libellen, kan worden aangenomen dat deze soorten gedurende het jaar in het plangebied aanwezig kunnen zijn of dit gebied in de migratieroute hebben liggen. Afhankelijk van het seizoen zijn mogelijk algemene soorten te vinden op/of binnen de planlocatie. Specifieke beschermende soorten zijn voornamelijk afhankelijk van specifieke terreinkenmerken met specifieke biotopen. Binnen het plangebied is een dergelijk biotoop niet aanwezig. 4.3.8.2. Effecten van de ingreep De effecten op beschermde soorten zijn onderzocht op basis van het voornemen binnen het plangebied. Flora algemeen Er is geen bijzondere flora aangetroffen binnen het plangebied, negatieve effecten zijn uitgesloten.

UrbiTom

17

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Grondgebonden zoogdieren Verstoring van algemene zoogdieren vindt mogelijk plaats. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de egel, konijn en diverse muissoorten. De verblijfsplaatsen van deze soorten worden mogelijk aangetast. Deze algemene soorten zullen uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen. Vleermuizen Er zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen waaruit blijkt dat de bestaande bomen in het plangebied als schuilgelegenheid worden gebruikt. Nader onderzoek in het kader van de soortenbescherming is niet noodzakelijk. Vogels Door de voorgenomen ingreep worden geen vogels en jaarrond beschermde nesten aangetast. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. De instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het gedrang. Overige Omdat er geen geschikt biotoop is waargenomen voor overige beschermde soorten, zijn negatieve effecten uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.3.9

Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Bij het inrichten van het bouwterrein dient te worden gezorgd dat het gebied niet aantrekkelijk wordt voor de vestiging van de rugstreeppad. Het ontstaan van poeltjes of plassen op

UrbiTom

18

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

het bouwterrein in het zomerhalfjaar (vanaf april) dient derhalve te wordt voorkomen, zodat er geen geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad aanwezig is. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). 4.3.10 Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door, waar mogelijk, antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen en de daarbij behorende werkzaamheden zullen naar verwachting geen negatief effect hebben op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantensoorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed.

Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden hoeft derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Attentiepunt voor de uitvoeringsfase is dat de grond, waarin Knolcyperus voorkomt, afzonderlijk moet worden verwijderd en niet mag worden toegepast zonder dat de grond thermisch is gereinigd. De Knolcyperus is namelijk een invasieve soort die bestreden moet worden. 4.3.11 Stikstofdepositie Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is op circa 7,7 kilometer afstand gelegen (‘Strabrechtse Heide & Beuven’ – gebiedsnummer 137). Gezien deze afstand en de aard van de ingreep valt een significant negatief effect niet te verwachten.

Om deze verwachting te verifiëren, is door Van Empel Milieuadvies met de AERIUS Calculator 2023 een berekening

UrbiTom

19

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

gemaakt van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De rapportage hiervan is opgenomen in de bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan. Conclusie In de rapportage zijn de te verwachten effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in kaart gebracht. Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in de aanlegfase en de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie in de beoogde situatie bedraagt 0,00 mol/ha/jr. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Conform de “Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ12 is geen passende beoordeling noodzakelijk. 4.3.12 Hinderlijke niet-agrarische bedrijvigheid Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende milieubelastende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen.

Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-handreiking worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De indicatieve afstanden uit de bedrijvenlijst zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een ‘rustige woonwijk’. Voor woningen in een ‘gemengd gebied’ mag deze afstand worden gecorrigeerd en kan de indicatieve afstand met één trede worden verlaagd. Een correctie is alleen mogelijk voor de aspecten geluid, geur en stof. Voor het aspect gevaar is verlaging van de indicatieve afstand niet mogelijk. De afstand tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de milieubelastende activiteit wordt bepaald vanaf de gevel van de woning tot de grens van de inrichting/de bestemmingsgrens.

Uitsnede bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest’. De bestemming maatschappelijk, centraal op de kaart, betreft het plangebied (Bron: Ruimtelijke Plannen)

UrbiTom

20

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Zoals is te zien op de verbeelding van het geldende bestemmingsplan ‘Nuenen-Noordwest’ wordt het plangebied omringd door overwegend woonbestemmingen. Potentieel hinderlijke bestemmingen in de nabijheid van het plangebied zijn: De bestemming ‘Gemengd’ aan de zuidzijde van het plangebied met de aanduiding ‘foto- en balletstudio’. Een fotostudio is geen bedrijf dat op basis van de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG wordt aangemerkt als een (potentieel) hinderlijk bedrijf. Voor een balletstudio geldt ten opzichte van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ een richtafstand van 30 m van de bestemmingsgrens tot de bouwmogelijkheden van de gevoelige bestemming vanwege geluid. In het plangebied geldt de bestemming ‘Maatschappelijk’. Hier heeft een school gestaan. Artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder wijst o.m. onderwijsgebouwen aan als geluidgevoelige bebouwing. Het bouwvlak van deze gevoelige bebouwing is in het geldende bestemmingplan op een kortste afstand van 3 m tot de bestemmingsgrens van de bestemming ‘Gemengd’ gelegen. Dit is ook in voorliggend bestemmingsplan het geval met het bouwvlak voor de nieuwe woonbebouwing. Er zijn derhalve geen planologische veranderingen in voorliggend bestemmingsplan ten opzichte van de geldende situatie inzake de afstand van gevoelige bebouwing tot een potentieel hinderlijke bestemming.

De foto- en balletstudio is niet meer in gebruik, omdat het perceel van eigenaar is verwisseld. De nieuwe eigenaar wil het perceel voor bewoning gebruiken. De bestemming ‘Maatschappelijk’ aan de Weverstraat ten noorden van het plangebied. Dit betreft een school met een richtafstand van 30 m tot het plangebied. De daadwerkelijke afstand bedraagt bijna 60 meter, dus ruimschoots meer dan de richtafstand. Conclusie Er is geen sprake van beperkingen vanwege hinderlijke bedrijvigheid voor de ontwikkeling, die wordt voorzien met voorliggend bestemmingsplan. Evenmin is er sprake van beperkingen voor bedrijvigheid vanwege de gevoelige bestemming die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. 4.3.13 Geurhinder agrarische bedrijvigheid Algemeen Het beleid ten aanzien van het aspect geur is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) die op 1 januari 2007 in werking is getreden. Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de wet zijn normen bepaald die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is (geen geuremissiefactoren vastgesteld), stelt de wet minimumafstanden tussen veehouderij en geurgevoelig object.

Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend met

UrbiTom

21

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

contouren. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden (OUÅ of OUÅ/S). Hiervoor zijn emissiefactoren vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Voor de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten is een geurverordening vastgesteld op 7 april 2011. Situatie rond het plangebied Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Nuenen. Hinderlijke agrarische bedrijvigheid bevindt zich op afstand. Dichtstbijzijnde veehouderij betreft een paardenhouderij aan de Helsestraat 7a op ca. 600 m afstand van het plangebied. Dit bedrijf heeft vergunning voor het houden van 11 volwassen paarden. Op iets grotere afstand ligt een naastgelegen paardenhouderij aan de Helsestraat 7 met een vergunning voor het houden van 27 volwassen paarden en 15 volwassen pony’s (gegevens: Kernregistratie Dierenverblijven). Krachtens de gemeentelijke geurverordening is het houden van meer dan 30 paarden toegestaan als de afstand van de bestemming waarbinnen de paardenhouderij is toegestaan op een afstand van meer dan 100 m tot gevoelige bebouwing in de bebouwde kom ligt.

Met een kleinste afstand van ca. 600 m is dat ruimschoots het geval. Door de ODZOB is in juni 2023 een kaart vervaardigd waarop de achtergrondbelasting vanwege geurhinder is weergegeven voor Noord Brabant. Op navolgende uitsnede van deze kaart is te zien dat het plangebied is gesitueerd binnen een leefomgeving met de kwalificatie ‘zeer goed’.

Conclusie In de omgeving van het plangebied bevindt zich geen agrarische bedrijvigheid, die geurhinder veroorzaakt. De kaart met de achtergrondbelasting laat zien dat de leefomgeving in en rond het plangebied wordt gekwalificeerd als ‘zeer goed’.

UrbiTom

22

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Er zijn geen belemmeringen vanwege geurhinder voor de ontwikkelingen die met voorliggend bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt. 4.3.14 Gezondheid Pluimvee- en varkenshouderijen De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit vrijkomende fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een belangrijk bestanddeel in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten.

De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. In de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ worden de volgende richtafstanden gehanteerd: Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom. Binnen 250 m afstand zijn geen veehouderijen gelegen. De dichtstbijzijnde veehouderij is een paardenhouderij aan de Helsestraat 7a op ca. 600 m afstand van het plangebied. Dichtstbijzijnde varkenshouderij betreft een varkenshouderij aan de Broekdijk 8, die op meer dan 1900 m afstand van het plangebied ligt. Binnen 1 km van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen aanwezig.

UrbiTom

23

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

4.3.15 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat, heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van twee nieuwe woningen. Binnen 2 km. Van het plangebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Conclusie: Vanuit het aspect veehouderijen en volksgezondheid zijn er voor het plangebied geen belemmeringen.

UrbiTom

24

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. ‘Emmahof Nuenen’

5

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Conclusie De activiteiten die mogelijk worden gemaakt in het plangebied ‘Emmahof Nuenen’ zijn, gelet op de kenmerken en de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Het voorstel is om het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bladel op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.

UrbiTom

25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14607803/1