CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bp ‘Pastoor Aldenhuijsenstraat 7-11, Nuenen’ - Bijlage 1.4 vormvrije merbeoordeling

Oordeelsvormende raadsbijeenkomst 19 juni 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan Pastoor Aldenhuijsenstraat5.568 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

VORMVRIJE MER BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN Pastoor Aldenhuijsenstraat 2022

1

INHOUD 1. INLEIDING 1.1. Aanleiding en doel van deze notitie 1.2. Initiatiefnemer en het bevoegd gezag 1.3. Opbouw van deze notitie 2. M.E.R.-(BEOORDELINGS)PLICHT 2.1. Regelgeving 2.2. Vormvrije MER beoordeling 2.3. Is de beoogde ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig ? 2.4. Natura 2000 gebieden 2.5. Tussenconclusie 2.6. Procedure en inhoudelijke criteria m.e.r.-beoordeling 3. DE KENMERKEN VAN HET PROJECT 3.1. Aard en omvang van het project 3.2. Cumulatie andere projecten 3.3. Gebruik natuurlijke hulpbronnen 3.4. Productie afvalstoffen 3.5. Verontreiniging en hinder 3.6. Risico van ongevallen 3.6. Natuur 3.7. Conclusie 4. DE PLAATS VAN HET PROJECT 4.1.Inleiding 4.2. Bestaand grondgebruik 4.3. Natuurlijke hulpbronnen 4.4. Natuur, landschap en omgeving 5. KENMERKEN VAN DE POTENTIËLE EFFECTEN 5.1. Inleiding 5.2. Effectgebied 5.3. Waarschijnlijkheid 5.4. Duur, frequentie en omkeerbaarheid 5.5. Conclusie 6. VORMVRIJE MER BEOORDELING

2

1. INLEIDING 1.1. Aanleiding en doel Als aanleiding en doel voor deze notitie is het navolgende : Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is gelegen in de gemeente Nuenen c.a. in de kern Nuenen. Het betreft een locatie aan de Pastoor Aldenhuijssenstraat in de nabijheid van het Vincent van Goghplein. Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Nuenen Centrum 2012', vastgesteld door de raad van de gemeente Nuenen op 27-06-2013. In dit bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming “Centrum”, de dubbelbestemming “waarde-archeologie” en de gebiedsaanduiding “vrijwaringszone-waarde dorpsgezicht” Thans is aan de orde de ontwikkeling van 41 (grotendeels gestapelde) woningen. Het is in dit kader dat thans wordt gekomen tot een bestemmingsplan dat de nieuwbouw van deze woningen mogelijk maakt. In het kader van de wijziging van het bestemmingsplan kan een m.e.r.(beoordelings)procedure nodig zijn. Het doel van de voorliggende aanmeldingsnotitie is om te beschrijven wat de aard en omvang van de ingreep en de aard en omvang van de milieueffecten van de ontwikkeling zijn en of deze zodanig zijn dat een m.e.r.-procedure (het opstellen van een MER) nodig is. Op basis hiervan kan het ten deze bevoegde gezag beoordelen of zij voor de benodigde bestemmingsplanwijzigingen een m.e.r.-procedure nodig acht. 1.2.

Initiatiefnemer en het bevoegd gezag Kero Vastgoedontwikkeling BV te Eindhoven treedt op als initiatiefnemer van dit project. De gemeenteraad van Nuenen treedt op als het bevoegde gezag om een besluit te nemen over de mogelijke m.e.r.-plicht voor de benodigde bestemmingsplanwijziging voor de ontwikkeling als voormeld. 1.3. Opbouw van deze notitie In deze notitie komen achtereenvolgens aan de orde : • • • • •

M.e.r.-(beoordelings)plicht (hoofdstuk 2); Beoordeling aan de hand van de kenmerken van het project (hoofdstuk 3); Beoordeling aan de hand van de plaats van het project (hoofdstuk 4); Beoordeling aan de hand van de kenmerken van de milieugevolgen (hoofdstuk 5); Conclusies (hoofdstuk 6).

3

2. M.E.R.-(BEOORDELINGS)PLICHT 2.1. Regelgeving De m.e.r.-regelgeving is opgenomen in de Wet milieubeheer, het Besluit milieueffect rapportage en Europese richtlijnen. De regelgeving is erop gericht het milieu een volwaardige plaats in besluitvormingsprocessen te geven. Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r.

(onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Uit een uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project dat voorkomt in kolom 1 van de D-lijst onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt dus de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.beoordeling.

Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd. In onderstaande figuur zijn bovenstaande regels schematisch weergegeven:

4

2.2. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet 'herziening m.e.r.-richtlijn' in werking getreden. Met deze wet wordt de herziene Europese m.e.r.-richtlijn in Nederlandse wetgeving vertaald. Op basis deze wetgeving worden voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling enkele procedurele vereisten uit de Wet milieubeheer van toepassing. Dit betekent dat de initiatiefnemer voortaan een melding moet doen van het voornemen om een activiteit uit te voeren die beneden de drempelwaarde van de D-lijst van het Besluit m.e.r. blijven. De wijziging van het Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. Waar tot de wetswijziging het voor activiteiten die onder de drempelwaarde uit de D-lijst bleven geen besluit nodig was voor de m.e.r (vormvrij), moet nu voor elke activiteit een vormvrije m.e.r.beoordeling worden gemaakt, en er moet daarop worden besloten. Met de wijziging is een aparte procedure nodig geworden die voorafgaand aan de behandeling moet plaatsvinden. De vormvrije er-beoordeling is niet meer zo vormvrij als die was. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan uiteindelijk tot twee conclusies leiden: • •

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

In aanvulling op het voorgaande is er nog een zijspoor waardoor een plan m.e.r.-plicht kan gelden (ook indien het voornemen een besluit betreft in plaats van een plan). Dit is het geval wanneer significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Dan geldt de verplichting tot uitvoeren van een Passende Beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming en daarmee de verplichting tot het uitvoeren van een plan m.e.r..

2.3. Is de beoogde ontwikkeling m.e.r.- (beoordelings)plichtig? Het voornemen is om te komen tot de bouw van maximaal 250 nieuwe (gestapelde) woningen) alsmede de positieve bestemming van een bestaande detailhandelsfunctie. Hiertoe is een bestemmingsplanwijziging nodig. Een bestemmingsplan is een plan zoals opgenomen in de C- en D-bijlage van het Besluit m.e.r. 1994 waarop een m.e.r.(beoordelings)plicht van toepassing kan zijn. Om te bepalen of voor de bestemmingsplanwijzigingen ook daadwerkelijk een m.e.r.(beoodelings)procedure doorlopen moet worden, zijn de volgende vragen relevant: • Staan de voorgenomen activiteiten in de C- of D-bijlagen van het Besluit m.e.r. 1994? • Zo ja, overschrijden deze activiteiten de bijbehorende (indicatieve) drempelwaarden? • en daarnaast: zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten? In artikel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (D11.2) opgenomen. De beoogde (woningbouw)ontwikkeling valt onder dit begrip. 5

Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor de ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het onderhavige planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van 38 (zorg)woningen. De voorgenomen activiteit blijft dus ruimschoots onder de drempel van de bouw van 2.000 woningen of meer in een aangesloten gebied, zoals opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit is dus niet m.e.r.-beoordelingsplichting.

2.4. Natura 2000-gebieden Zoals aangegeven is een plan m.e.r. verplicht wanneer significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand niet zijn uit te sluiten. Deze gebieden zijn in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 aangewezen. De wet is primair gericht op het behoud van habitattypen en leefgebieden (gebiedbescherming) door de Natura 2000-gebieden en in een gunstige staat van instandhouding te brengen of te houden. In hoofdstuk 4 zal hierop nader worden ingegaan. Aangegeven wordt dat significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Een plan m.e.r.-plicht vanwege de verplichting tot het uitvoeren van een Passende Beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

2.5. Tussenconclusie De beoogde maatregelen leiden niet tot een directe m.e.r.(beoordelings)plicht. Zoals hiervoor aangegeven bestaat voor activiteiten die in de D-lijst van Besluit m.e.r. staan en ónder de drempelwaarde blijven nog wel een verplichting tot een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de voorgenomen activiteit is dus een vormvrije m.e.r-beoordeling benodigd. Voorliggende aanmeldingsnotitie voorziet in een dergelijke beoordeling. Indien gewenst kan de notitie ook als bijlage bij het bestemmingsplan worden gevoegd waarvoor geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.

2.6 Procedure en inhoudelijke criteria m.e.r.-beoordeling Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kent weinig procedurevereisten. De m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden in een zo vroeg mogelijk stadium van de voorbereiding van het besluit dat genomen dient te worden. In dit geval betreft het besluit de vaststelling van drie bestemmingsplannen. De m.e.r.-beoordeling vindt plaats voor de ter inzage legging van de ontwerp bestemmingsplannen. Voor een m.e.r.-beoordelingsnotitie bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. Toch is meestal goed in te schatten voor welke thema's er meer informatie 6

benodigd is. Zo is het niet noodzakelijk om alle thema's die gebruikelijk onderzocht worden in een milieueffectrapport in detail te beschouwen. Het gaat bij een m.e.r.-beoordeling vooral om de milieuthema's die de grootste impact hebben op de omgeving én om na te gaan of er (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Het is niet gebruikelijk om echt een diepgaand onderzoek uit te voeren. De minder belangrijke thema's kunnen dan ook (zeer) beknopt beschreven worden. Immers in de verdere procedure (vergunningprocedure of bestemmingsplanprocedure) wordt naar deze thema's alsnog volwaardig onderzoek uitgevoerd. Voor de milieuthema's die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen dient van te voren nagedacht te worden over de wijze waarop de mogelijke effecten relatief eenvoudig bepaald kunnen worden. Hierbij gaat het vooral over tot welk detailniveau informatie nodig is om een juiste afweging te kunnen maken. Dit houdt in vrijwel alle gevallen geen berekeningen in, maar meer pragmatisch ingestoken werkwijzen. Op basis van voorliggende aanmeldingsnotitie kan het bevoegd gezag (gemeenteraad gemeente Nuenen) beoordelen of er sprake is van een m.e.r.-plicht.

De beslissing om al dan niet een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen wordt verwerkt in de ontwerp bestemmingsplannen en wordt daardoor ook meteen ter inzage gelegd. De criteria vallen uiteen in criteria betreffende :

De kenmerken van het project worden in hoofdstuk 3 beschreven. Hierbij komen naast algemene gegevens van het project, zoals de locatie en de omvang van de voorgenomen activiteit ook zaken aan de orde op het gebied van het productieproces, gebruikte stoffen en technologieën (en de daarvan afgeleide afvalproductie, gebruik van grondstoffen, verontreiniging, hinder en risico's). Bij meer ruimtelijk georiënteerde projecten, bijvoorbeeld woningbouw zijn andere kenmerken, zoals de verkeersaantrekkende werking, van belang. om uitspraken te kunnen doen over (mogelijke) belangrijke nadelige milieueffecten. Ten slotte geldt dat aandacht moet worden besteed aan mogelijke cumulatie-effecten met andere nabijgelegen projecten. Zo zal de oprichting van een varkenshouderij bijvoorbeeld rekening moeten houden met een net vastgestelde bestemmingsplan met daarin 1.000 woningen op circa 500 meter afstand van de beoogde locatie. 7

De plaats van het project wordt in hoofdstuk 4 beschreven. Een voorgenomen activiteit vindt altijd plaats in een bepaalde omgeving, bijvoorbeeld een binnenstedelijk gebied, een historisch veenlandschap of een gebied met hoge ecologische waarden. Deze verschillende gebieden zijn in meer of mindere mate kwetsbaar voor nieuwe activiteiten. In de m.e.r.beoordelingsnotitie kan aan de hand van beleidsdocumenten de informatie over het gebied waarin de voorgenomen activiteit zich bevindt vaak eenvoudig opgezocht worden. Tegenwoordig is deze informatie vaak ook beschikbaar op internet. Het gaat bij het criterium 'plaats van het project' niet alleen om het gebied waarin de activiteit in gelegen is, maar juist ook om aangrenzende gebieden. Zo is het bijvoorbeeld van belang om te weten of er Natura2000 gebieden in de omgeving zijn waarop de activiteit impact kan hebben. De (kenmerken van de) potentiële effecten worden in hoofdstuk 5 beschreven. Waar het bij de criteria 'kenmerken van het project' en 'plaats van het project' vooral gaat om beschrijvingen van de voorgenomen activiteiten en de omgeving gaat het bij de 'kenmerken van de potentiële effecten' juist om de interactie tussen beiden. Hier worden dan ook de effectbeschrijvingen voor de beschouwde milieuthema's weergegeven.

Er wordt ingegaan op het bereik van het effect, hiermee wordt bedoeld tot waar is er sprake van significante wijzigingen bijvoorbeeld op het gebied van geluid, lucht en verkeersintensiteiten. Als sprake is van grensoverschrijdende effecten moeten deze apart benoemd worden. Bij de optredende effecten zowel in het plangebied (dit is het gebied waar de voorgenomen activiteit in gelegen is) als in het studiegebied (dit is het gebied tot waar de effecten als gevolg van de voorgenomen activiteiten kunnen reiken) moet aangegeven worden wat de duur, frequentie en omkeerbaarheid is. Het doel is uiteindelijk om te bepalen of er omstandigheden zijn die kunnen leiden tot (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 bepaald of belangrijke nadelige milieugevolgen uit zijn te sluiten.

8

3. DE KENMERKEN VAN HET PROJECT 3.1. Aard en omvang van het project Onderstaande afbeelding geeft een beeld van het project. Het gaat om de bouw van 38 (zorg) woningen.

3.2. Cumulatie met andere projecten De ontwikkeling van het plangebied is een zelfstandig project. Er is geen feitelijke cumulatie met andere projecten.

3.3. Gebruik natuurlijke hulpbronnen

Een nieuwe ontwikkeling kan gevolgen hebben voor natuurlijke hulpbronnen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer grondwater wordt ontrokken of grondstoffen in de omgeving worden gedolven (water; bierbrouwerij, klei; baksteenindustrie) of ingeval van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen. Het intensiveren van een bestaande woonomgeving door aanvullende (gestapelde) woonbebouwing heeft geen tot nauwelijks effect op het gebruik van (lokale) natuurlijke hulpstoffen.

3.4. Produktie van afvalstoffen Er zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen dan huishoudelijke afvalstoffen die vrijkomen bij huishoudens.

3.5. Verontreiniging en hinder Er zijn geen activiteiten binnen het plangebied voorzien die leiden tot verontreiniging en/of een onaanvaardbare mate van hinder dan wel effect hebben op de gezondheid van mens of dier. 9

• Aanlegfase : tijdens de aanlegfase is er mogelijke sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden. • Luchtkwaliteit: Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de een verslechtering van de luchtkwaliteit. Er worden verkeersbewegingen gegenereerd door de bewoners. De hoeveelheid woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1500 woningen met 1 ontsluitingsweg uit het Besluit Niet in Betekenende Mate. • Geluid wegverkeer: De toename van verkeer kan leiden tot een verhoging van de geluidbelasting door wegverkeer. Er worden geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Indien noodzakelijk zullen woningen worden voorzien van een hogere waarde. Bij alle woningen geldt een goed woon- en leefklimaat. • Geluid industrielawaai: In of in de directe nabijheid van het plangebied is geen sprake van bedrijvigheid. • Geluid omgeving: De ontwikkeling heeft geen geluidoverlast op geluidgevoelige objecten of gebieden tot gevolg. • Geur: In of in de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen waarvan geurhinder te verwachten is. • Geur Omgeving: De ontwikkeling heeft geen geuroverlast op geurgevoelige objecten tot gevolg. • Bodem: De ontwikkeling betreft geen bodembedreigende activiteit 3.6. Risico van ongevallen er is met de realisatie van woningen geen sprake van een nieuwe risicobron.

3.7. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betekent een relatief beperkte toename van woningen in een bestaande centrumomgeving in het dorp Nuenen. Vanwege de nieuwe woningen is er sprake van een beperkte intensivering ten opzichte van de huidige situatie. De gehele planontwikkeling zorgt ervoor dat het percentage verhard oppervlak zal afnemen. De verkeeraantrekkende werking neemt toe. De ontwikkeling zal effect hebben op het oppervlak (kwantiteit) aan buitenruimte. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op het effect van deze kenmerken van het project op natuur en milieu.

10

4. DE PLAATS VAN HET PROJECT 4.1 Inleiding Het effect van een activiteit op het milieu wordt bepaald door de activiteit zelf en door de kwetsbaarheid van het gebied en haar omgeving. De kenmerken van de activiteit zelf zijn in het voorgaande hoofdstuk omschreven. De kwetsbaarheid van een gebied en haar omgeving vraagt om informatie over de ondergrond (o.a. bodem, bodemopbouw, grondwater), netwerken (o.a. natuur, landschap, wegen, water) en het grondgebruik (functies, handelingen). In dit hoofdstuk wordt hierop ingegaan.

4.2. Bestaand grondgebruik Het plangebied - aangeduid op onderstaande weergave - gelegen binnen het stedelijk gebied van Nuenen. Binnen het plangebied is geen sprake van bijzondere landschappelijke, natuurlijke of cultuurhistorische waarden die de beoogde ontwikkeling in de weg staan. Het plangebied is voorts niet gelegen binnen het Natuur Netwerk Brabant.

4.3. Natuurlijke hulpbronnen Wat betreft de relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied kan worden gesteld dat geen sprake is van natuurlijke hulpbronnen (van nature voorkomende hulpmiddelen voor economisch gewin zoals grondwater of klei) in het projectgebied of de directe omgeving hiervan die op enige wijze invloed kunnen onder vinden van de voorgenomen activiteit.

11

4.4. Natuur, landschap en omgeving

4.4.1. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) Flora en fauna Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Om te bepalen of er mogelijk beschermde soorten zich binnen het plangebied bevinden en zo ja, welke soorten dat zijn, is thans ecologisch onderzoek in de vorm van een quickscan flora en fauna in uitvoering. Op basis van de quickscan zal duidelijkheid worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van beschermde soorten. Aan de hand van de quickscan zal worden beoordeeld of nader ecologisch onderzoek noodzakelijk is.

Gelet op de aard van het initiatief en het gebied waarin werkzaamheden zullen plaatsvinden, ligt het niet in de rede dat eventuele aanwezige soorten de uitvoering van een m.e.r.-beoordeling rechtvaardigen. Bovendien zal vóór vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan vast moeten staan dat met het initiatief wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming. Bescherming van eventuele soorten binnen het plangebied is daarmee gewaarborgd. Natuur Wat de omgeving van het plangebied betreft is in onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Hieronder wordt voor het plangebied beschreven per onderdeel of hiervan wel of niet sprake is. • • • • • • • •

Beschermd natuurmonument : nee Habitat en vogelrichtlijngebieden : nee Watergebied van internationale betekenis : nee Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS) : Het plangebied ligt buiten het Natuur Netwerk Nederland (voormalige EHS). Er is geen sprake van negatieve effecten op het NNN. Landschappelijk waardevol gebied : Er is geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties. waterwingebieden, en grondwaterbeschermingsgebieden : nee Beschermd monument : nee Belvedère-gebied : nee

De planlocatie is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of Ecologische Hoofd-structuur. De planlocatie ligt niet in een (beschermings)zone grondwaterwinning. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het Natuurnetwerk Brabant is op een afstand van circa 950 meter ten noord-westen van het plangebied gelegen. Dit is het Broek. Het 12

dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van circa 8 kilometer ten zuidoosten van het plangebied gelegen en betreft “Strabrechtse Heide & Beuven”. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van woningbouw. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten.

4.4.2. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden. Omdat het onderhavige plangebied niet is gelegen in de buurt van een Natura 2000-gebied is aannemelijk dat de gewenste situatie significante negatieve effecten heeft ten aanzien van stikstofdepositie. Dit is beoordeeld middels een Aerius berekening, waaruit bleek dat in de gebruiksfase geen sprake was van enige depositie. De realisatiefase is hierbij op grond van de Wet niet langer relevant. Meer concreet houdt dit in dat het plan voor wat betreft stikstofemissie en -depositie niet vergunningplichtig is en dat geen melding hoeft te worden gedaan.

4.4.3. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid niet van toepassing 4.4.4. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Binnen het plangebied liggen geen rijkswege of gemeentewege beschermde monumenten. Op basis van het vigerende bestemmingsplan Centrum 2012 kent het gebied een bescherming van bestaande archeologische waarden. Het plangebied ligt in een gebied met middelhoge archeologische verwachting. De bescherming hiervan zal ongewijzigd in het nieuwe bestemmingsplan worden overgenomen en geborgd.

13

5. KENMERKEN VAN DE POTENTIËLE EFFECTEN 5.1. Inleiding De (vormvrije) m.e.r. beoordeling zal moeten ingaan op de vraag of de ontwikkeling leidt tot belangrijke negatieve gevolgen voor milieu, natuur en cultuurhistorisch erfgoed. In voorgaande hoofdstukken is beschreven wat de kenmerken van de activiteit is en met welke kwetsbaarheid vanuit het plangebied en de omgeving rekening zal moeten worden gehouden. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van het potentieel effect van de nieuwe ontwikkeling op het plangebied en de omgeving. Conform de Europese criteria wordt daarbij gekeken naar het effectgebied, waarschijnlijkheid en de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. Er wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de negatieve effecten. Het is evident dat nieuwe ontwikkelingen ook een positief effect kan hebben op milieu, natuur en cultuurhistorisch erfgoed. Voorbeelden hiervan zijn het reiniging van de bodem van verontreiniging, het verwijderen van achtergebleven munitie/explosieven en het archeologisch onderzoek of zelfs het blootleggen van cultuurhistorische waarden. Verder zullen investeringen met oog voor duurzaamheid worden gerealiseerd.

5.2. Effectgebied Bij het effectgebied gaat het om de impact van de gevolgen en welk effect, waar waarneembaar is. De nieuwe ontwikkeling heeft, zo blijkt uit voorgaande hoofdstukken, slechts een beperkte invloed op het gebied zelf als ook op de omgeving. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten voor de situatie en de kwaliteit van de ondergrond, de netwerken en het grondgebruik. Wel is er enig effect is te verwachten van de intensivering van het gebied. Daarbij gaat het om de relatie met het omliggende gebied, toename van het percentage verhard oppervlak (water en groen) en de verkeeraantrekkende werking met effect op het wegverkeer op de omliggende wegen (geluid, lucht en veiligheid). 5.2.1. Verkeersaantrekkende werking Het verdichten van het plangebied zorgt voor een toename van het verkeer met gevolgen voor de lokale milieukwaliteit. Het effect van verdichting op de toename van het verkeer en milieudruk wordt bepaald door de mate waarin functies verkeer aantrekken. De verwachte verkeersaantrekkende werking van de nieuwe ontwikkeling heeft beperkte gevolgen voor de lokale luchtkwaliteit en akoestische situatie ter plaatse. 5.2.2.

Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende 14

mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Met betrekking tot woningbouw geldt de normering van maximaal 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling of 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg. Met het onderhavige bestemmingsplan wordt hieraan voldaan. De invulling van het plangebied valt onder de regeling NIBM. Gelet op de aard van het initiatief en het gebied waarin werkzaamheden zullen plaatsvinden, ligt het niet in de rede dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van een m.e.r.-beoordeling rechtvaardigt. 5.2.3. Geluid In het kader van de Wet geluidhinder en in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bekeken of de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen (woningen) binnen de te ontwikkelen locatie kunnen worden gerealiseerd. Verkeerslawaai is de enige geluidbron waarmee mogelijkerwijs rekening gehouden dient te worden. Railverkeerslawaai, industrielawaai of luchtverkeerslawaai spelen ten deze geen rol van betekening. Rondom de locatie is enkel sprake van 30 km wegen. Op basis van ervaringsgegevens mag worden aangenomen dat hierdoor geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaatsvindt. 5.2.4.

Bodem Middels bodemonderzoek is vastgesteld dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouwplannen op de onderzoekslocatie. De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek. 5.2.5. Water De voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor een afname van verharding t.o.v. de huidige situatie. De effecten op grond- en oppervlaktewaterkwantiteit zijn te verwaarlozen. De het onverharde gedeelte van de locatie is van voldoende omvang om op eigen terrein tot voldoende waterberging te kunnen komen. 5.2.6. Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van een risico-opleverende activiteit met gevaarlijke stoffen. Het kan daarbij gaan om industriële activiteiten, transportroutes of buisleidingen. Gelet op de ligging van transportroutes, buisleidingen en relevante inrichtingen, vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen. De locatie van het plangebied waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft ligt niet binnen de invloedsfeer van risicovolle inrichtingen en niet binnen de invloedsgebied van het vliegveld. Het plangebied ligt eveneens niet binnen het invloedsgebied van wegen, spoor-, waterwegen of buisleidingen waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd.

15

5.2.7. cultuurhistorisch erfgoed Invloed op cultuurhistorisch erfgoed is uit te sluiten. Binnen het plangebied liggen geen van Rijkswege of gemeentewege beschermde monumenten. Het bouwplan en ligging van het gebied in relatie tot het nabij gelegen beschermd dorpsgezicht wordt in de toelichting bij het bestemmingsplan uitvoerig beschreven met als conclusie dat van enigerlei aantasting van dit beschermde gebied geen sprake is. Uit de Archeologische Waardenkaart Nuenen blijkt, dat het plangebied ligt in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 2.500 m² en dieper gaan dan 0,3 m–mv. De bescherming van de archeologische waarden geschiedt middels een in de regels opgenomen dubbelbestemming “waarde archeologie middelhoog” op dezelfde wijze als in het vigerende bestemmingsplan “Centrum 2012” is opgenomen. 5.3 Waarschijnlijkheid De nieuwe ontwikkeling heeft, zo blijkt uit voorgaande hoofdstukken invloed op het gebied zelf als ook op de omgeving vanwege de intensivering van bebouwing en gebruik in het gebied. De effecten door afname van het percentage verhard oppervlak en de verkeer aantrekkende werking met effect op het wegverkeer op de omliggende wegen (geluid, lucht en veiligheid) zijn waarschijnlijk.

Enige hinder tijdens de realisatiefase is ook waarschijnlijk. Andere effecten zijn minder tot niet waarschijnlijk. 5.4 Duur, frequentie en omkeerbaarheid De gevolgen voor de lucht- en geluidkwaliteit (duur en frequentie) zijn gekoppeld aan de intensivering van het grondgebruik. Er is sprake van de realisatie van woningen. De bouw van de woningen is permanent omdat de functie naar wonen wordt gewijzigd en omdat de gronden worden bebouwd. De ontwikkeling is echter niet van dien aard dat sprake is van significante negatieve effecten op het milieu. 5.5 Conclusie In dit hoofdstuk is ingegaan op de vraag of de ontwikkeling leidt tot belangrijke negatieve gevolgen voor milieu, natuur en cultuurhistorisch erfgoed. Het is een beschrijving van het potentieel effect van de nieuwe ontwikkeling op het plangebied en de omgeving. Het potentieel effect van de nieuwe ontwikkeling op het plangebied en de omgeving is beperkt. De impact op de natuurlijke grondstoffen blijkt nihil. Wel is er enige effect van de nieuwe ontwikkeling te verwachten op de lucht- en geluidkwaliteit. De luchtkwaliteit blijft echter ver onder de geldende grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide. De geluidsbelasting zal vanwege de omliggende 30 km wegen naar verwachting binnen de geldende normen blijven, waardoor vaststelling van hogere waarden niet aan de orde is.

De effecten van het planvoornemen blijven beperkt tot het plangebied en de directe omgeving daarvan. De effecten zijn beperkt en de ontwikkeling stuit niet op bezwaren in relatie tot de aangehaalde milieuaspecten.

16

6. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Deze notitie gaat in op de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn vanwege de aard van het voornemen de kenmerken van de omgeving of de impact van het voornemen op de omgeving, die aanleiding geven om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor het nieuwe bestemmingsplan. Het bevoegd gezag zal moeten nagaan of er – op basis van alle relevante (Europese) criteria – belangrijke negatieve gevolgen zijn voor milieu, natuur en cultuurhistorisch erfgoed. De conclusie zal in het uiteindelijke (ontwerp) besluit in de moederprocedure (bestemmingsplan) moeten worden opgenomen. Bij een vormvrije m.e.r. beoordeling gaat het om een toetsing aan de voorkant van het planproces. Deze beoordeling richt zich primair op het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de aanwezige kwaliteiten binnen het plangebied en de omgeving. Er wordt gekeken naar het effect van een activiteit op het milieu door de activiteit zelf en door de kwetsbaarheid van het gebied en haar omgeving. Conform de Europese criteria wordt daarbij gekeken naar het effectgebied, waarschijnlijkheid en de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. In de voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling zijn deze aspecten belicht. Gezien het vorenstaande en op basis van een vergelijking met het plan met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r.

kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met : 1. de kenmerken van het project, 2. de plaats van het project, en 3. de kenmerken van het potentiële effect, sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Voor een aantal milieuaspecten is echter zeker aandacht nodig om de beoogde aanpassingen op een voor de ruimtelijke ordening en het milieu verantwoorde manier uit te voeren. Zulks zal in het bestemmingsplan nader worden beschreven en daar waar nodig in de regels worden geborgd. In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Op grond van het ontbreken van belangrijke nadelige milieugevolgen en met het treffen van passende maatregelen (o.a.

al in het kader van het bestemmingsplan), is de conclusie gerechtvaardigd dat “belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten” en dat een volledige m.e.r.-procedure, en daarmee het opstellen van een MER, niet nodig is.

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14215204/1