BP herziening Buitengebied Stad van Gerwen 9 9a-b - Bijlagen bij toelichting - Bijlage 14 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Stad van Gerwen 9 A-B
Gemeente Nuenen
Ruimtelijke ordening & Paardenhouderij Van Santvoort Advies B.V. Paterslaan 2a 5701 NZ Helmond 049 252 5552 www.vansantvoort.nl/advies
Colofon: Opgesteld door:
Van Santvoort Advies B.V. Berg 2-4 5671CC Nuenen
Locatie:
Stad van Gerwen 9 A-B, 5674PH Nuenen
Kenmerk:
BCO100241
Datum:
20-06-2023
Versie:
1
Pagina | 2 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
Inhoudsopgave 1. 1.1
Algemeen .................................................................................................................................... 4 Inleiding ......................................................................................................................................................... 4
1.2
Plaats van de inrichting ................................................................................................................................. 4
1.3
Voorgenomen activiteit ................................................................................................................................ 5
1.4
Tijdslijn ........................................................................................................................................................... 6
2.1
Motivering activiteit .................................................................................................................... 7 Doel van de activiteit .................................................................................................................................... 7
2.2
Omvang van de activiteit .............................................................................................................................. 7
2.3
Problemen bij niet uitvoering van het plan ................................................................................................. 7
2.4
Milieugevolgen .............................................................................................................................................. 7
2.5
Alternatieven ................................................................................................................................................. 7
3.1
Motivering activiteit .................................................................................................................... 8 Huisvesting dieraantallen bestaande situatie .............................................................................................. 8
3.2
Huisvesting dieraantallen aangevraagde situatie ........................................................................................ 8
3.3
Grondstoffen ................................................................................................................................................. 8
3.4
Eind- en nevenproducten ............................................................................................................................. 8
3.5
Afvalproducten .............................................................................................................................................. 8
4.1
Milieu- en omgevingsaspecten .................................................................................................... 9 Bodem ............................................................................................................................................................ 9
4.2
Geluid ............................................................................................................................................................. 9
4.3
Luchtkwaliteit ................................................................................................................................................ 9
4.4
Geur .............................................................................................................................................................10
4.5
Externe veiligheid ........................................................................................................................................11
4.6
Waterhuishouding .......................................................................................................................................11
4.7
Cultuurhistorie en Archeologie ..................................................................................................................11
4.8
Natuur ..........................................................................................................................................................13
4.9
Verkeer en parkeren ...................................................................................................................................16
2.
3.
4.
5.
Conclusie ................................................................................................................................... 22
Pagina | 3 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
1. Algemeen In dit hoofdstuk worden de inrichting, de omgeving en de voorgenomen plannen toegelicht. 1.1 Inleiding Initiatiefnemers zijn eigenaren van en woonachtig op Stad van Gerwen 9, 9 A-B te Nuenen. Paardenhouderij Initiatiefnemers wensen om de bestaande rundveehouderij te beëindigen en een paardenhouderij te realiseren. Het betreft een bedrijfsmatige paardenhouderij, die gericht is op het houden, stallen of africhten van paarden, al dan niet in combinatie met de handel in paarden. Het is gewenst om 35 volwassen paarden en 10 opfok paarden te houden. Ten behoeve van de paardenhouderij worden een rijhal met onder andere paardenstallen en een binnenbak, paardenweide, buitenbak, longeercirkel en stapmolen gerealiseerd. Voor de vestiging van de paardenstal wordt de bestaande rundveestal hergebruikt en uitgebreid. Agrarische cultuurgronden Het bedrijf beschikt over ruim 22,5 hectare agrarische cultuurgrond. Dit zal in gebruik blijven voor akkerbouw. De bestemming van die gronden hoeft voor dit gebruik niet te worden gewijzigd, maar er zal wel stalling van machines en werktuigen plaatsvinden op de agrarische bedrijfslocatie aan de Stad van Gerwen 9A-B. Langgevelboerderij Stad van Gerwen 9 A-B In het verleden diende de langgevelboerderij op Stad van Gerwen 9 A-B als bedrijfswoning.
Doordat deze in verouderde staat verkeerde is op Stad van Gerwen 9 een nieuwe bedrijfswoning opgericht. De langgevelboerderij is daarbij vergund als bed & breakfast. Na een grondige verbouwing is deze in gebruik genomen als mantelzorgwoning. Nu is het de bedoeling om het westelijke deel van de langgevelboerderij opnieuw in gebruik te nemen als bedrijfswoning bij de paardenhouderij/akkerbouw. In het oostelijke gedeelte van de langgevelboerderij wordt een bed & breakfast gevestigd. Burgerwoning Stad van Gerwen 9 De woning aan de Stad van Gerwen 9, die in de huidige situatie bestemd is als bedrijfswoning, wordt herbestemd tot burgerwoning. Hierdoor wordt deze woning losgekoppeld van het agrarisch bedrijf. Om dit mogelijk te maken zal gebruik worden gemaakt van de Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant. Overige zaken Het gekoppelde bouwvlak aan de overzijde van de weg zal worden opgeheven. Tevens worden de kuilvoerplaten gesaneerd. Om te zorgen voor kwaliteitsverbetering in het gebied worden twee percelen die nu nog in gebruik zijn als agrarische cultuurgronden ingericht als natuur. Daarnaast worden zowel de beoogde burgerwoning als de paardenhouderij zorgvuldig landschappelijk ingepast. Om de realisatie van het initiatief planologisch vast te leggen dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd.
Het vollegrondsteeltbedrijf en de bed & breakfast betreft reeds vergunde activiteiten. De ontwikkeling van de paardenhouderij betreft een activiteit betreft, voorkomend in kolom 1 van de D-lijst van het Besluit m.e.r.. Derhalve dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling van de paardenhouderij plan MER-plichtig is. De drempelwaarde voor het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren ligt op 100 paarden en pony’s (categorie D.14). Het initiatief blijft hier met de realisatie van een paardenhouderij voor 35 volwassen paarden en 10 paarden in opfok ver onder. Er geldt derhalve geen m.e.r.plicht. Wel dient er door het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan het besluit op het ontwerpbestemmingsplan een m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genomen. Hiervoor is deze vormvrije m.e.r.beoordeling opgesteld, op basis waarvan een besluit kan worden genomen. 1.2 Plaats van de inrichting De inrichting bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Nuenen, in het gehucht Stad van Gerwen. De inrichting is landelijk gelegen, in de buurt van diverse (agrarische) bedrijven en burgerwoningen. De locatie ligt tevens dichtbij het Wilhelminakanaal. De inrichting beslaat in totaal 6 percelen welke kadastraal bekend zijn als gemeente Nuenen, sectie A, nummers 1310, 2485, 3461, 3972, 3973 en 3974.
Het bouwvlak aan de overzijde van de weg ligt op een gedeelte van perceel nummer 3978. Pagina | 4 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
In de directe omgeving van de inrichting zijn geen Natura-2000 gebieden. De aangewezen gebieden bevinden zich op grotere afstand: ▪ Strabrechtse Heide & Beuven, afstand circa 11 km; ▪ Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, afstand circa 11,5 km. Navolgende afbeelding geeft de ligging van de locatie weer.
Afbeelding 1 – Luchtfoto inrichting (bron: https://www.ruimtelijkeplannen.nl) 1.3 Voorgenomen activiteit De wens is ontstaan om de locatie her te ontwikkelen van rundveehouderij tot bedrijfsmatige paardenhouderij. Het vollegrondsteeltbedrijf wordt voortgezet als nevenactiviteit. Tevens wordt de bed & breakfast weer als zodanig in gebruik genomen. De beoogde bedrijfsactiviteiten op Stad van Gerwen 9A-B bestaan uit de volgende: ▪ bedrijfsmatige paardenhouderij met bijbehorende voorzieningen voor 35 volwassen paarden en 10 opfok paarden; ▪ 19 hectare akkerbouw op de overige cultuurgronden; ▪ Bed & breakfast met 2 kamers in het oostelijke gedeelte van de langgevelboerderij. Ten behoeve van de paardenhouderij is het gewenst om de bestaande rundveestallen midden op het perceel om te bouwen tot rijhal met onder andere paardenstallen en een binnenpiste. De rundveestallen zijn grotendeels onderkelderd. Deze mestkelders worden afgedekt en blijven dienen als fundering voor de paardenstal. Een groot gedeelte van de opbouw zal eveneens worden hergebruikt. Alleen aan de voorzijde van de stal wordt een gedeelte gesloopt, zodat de voorgevel van het gebouw in één lijn komt te liggen. Tevens zullen de asbesthoudende daken worden vervangen. De rijhal wordt in oostelijke richting uitgebreid over de bestaande sleufsilo. In totaal krijt de rijhal een oppervlakte van circa 1.750 m2.
In stal aan de westzijde van het perceel worden eveneens de putten afgedicht. Dit gebouw wordt in gebruik genomen als berging/opslag ten behoeve van het agrarisch bedrijf. Hier zijn verder geen bouwkundige werkzaamheden voor nodig. De werktuigenloods ten behoeve van het vollegrondsteeltbedrijf en kleine opslagvoorziening blijven als zodanig in gebruik.
Pagina | 5 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
Tevens is het beoogd om een buitenbak met eb- en vloedsysteem (20 x 60 m), stapmolen en longeercirkel te realiseren. De mestopslag komt in/naast de bestaande loods. Deze kan zowel buiten, als overdekt worden gerealiseerd. Dit zijn zeer reguliere voorzieningen voor een paardenhouderij. In navolgende afbeelding is de beoogde situatie opgenomen.
Afbeelding 2 – Schets beoogde situatie inrichting
1.4 Tijdslijn Zodra de procedure rondom de vormvrije m.e.r.-beoordeling is afgerond zal de bestemmingsplanwijziging worden opgestart. Na afronding van de bestemmingsplanprocedure zullen de benodigde omgevingsvergunningen bouwen milieu worden aangevraagd.
Pagina | 6 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
2. Motivering activiteit In dit hoofdstuk worden de beoogde plannen gemotiveerd. 2.1 Doel van de activiteit Initiatiefnemer heeft een emotionele binding met de locatie en wilt graag zijn bedrijf hier vestigen. Hij is zelf al werkzaam in de paardensector. Derhalve is de wens ontstaan om de locatie her te ontwikkelen tot paardenhouderij. Om de paardenhouderij aan de Stad van Gerwen 9 A-B te ontwikkelen dient de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ te worden vervangen door de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – paardenhouderij’. Daarnaast dient het bouwvlak van vorm veranderd te worden om tot een doelmatig gebruik van de locatie te komen. 2.2 Omvang van de activiteit Het bestaande bouwvlak van de rundveehouderij aan de Stad van Gerwen 9, 9 A-B heeft een omvang van circa 14.840 m2 en betreft een gekoppeld bouwvlak waarvan een gedeelte aan de overzijde van de weg is gelegen. Het gedeelte van het bouwvlak aan de overzijde van de weg komt te vervallen. Het bouwvlak ten behoeve van de paardenhouderij krijgt een omvang van circa 11.665 m2. Ten behoeve van de paardenhouderij is het gewenst om de bestaande rundveestallen midden op het perceel om te verbouwen/herbouwen tot rijhal van circa 1.750 m 2 met onder andere paardenstallen en een binnenpiste. Daarnaast is het gewenst een buitenbak (1.200 m2), longeercirkel en stapmolen te realiseren.
Het plan is reeds voorgelegd aan het college middels een principeverzoek. In haar principebesluit d.d. 19-04-2022 heeft het college aangegeven medewerking te willen verlenen middels een partiële herziening. 2.3 Problemen bij niet uitvoering van het plan Als het plan niet wordt uitgevoerd kunnen de beoogde bedrijfsactiviteiten niet uitgevoerd worden. De realisatie van de beoogde bebouwing maakt het mogelijk een professionele paardenhouderij te ontwikkelen. Daarbij maken de binnenpiste en buitenbak het mogelijk de paarden gedurende elk jaargetij en bij elke weersomstandigheid te trainen. De stapmolen en longeercirkel zijn noodzakelijk om de paarden voldoende van beweging te garanderen hetgeen tegemoetkomt aan de gestelde welzijnsrichtlijnen omtrent de beweging van paarden. 2.4 Milieugevolgen De ontwikkeling brengt een positief effect op het milieu teweeg. De locatie beschikt over vergunning in het kader van de Wet Milieubeheer voor het houden van 94 melkkoeien, 64 jongvee en 100 vleeskalveren (d.d. 13-06-2004). Dit veebestand zal, middels intern salderen, worden vervangen door 35 volwassen paarden en 10 opfok paarden. De resterende stikstof zal middels extern salderen worden verkocht. Doordat voor paarden geen fijnstofemissiefactoren zijn vastgesteld, komt de fijnstofemissie van de rundveehouderij volledig te vervallen. Hetzelfde geldt voor geur.
Voor paarden gelden geen geuremissiefactoren, maar vaste afstanden. De geurcontour van de rundveehouderij komt dus eveneens volledig te vervallen. 2.5 Alternatieven Als het plan niet wordt uitgevoerd zal de rundveehouderij – met bijbehorende milieubelasting – voorlopig worden voortgezet. Op termijn ontstaat er mogelijk een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie, waarvan de gebouwen leeg komen te staan. Verloedering en ondermijning liggen dan op de loer. Het is voor initiatiefnemers, zeker in de huidige markt, financieel niet aantrekkelijk om de paardenhouderij ergens anders te vestigen.
Pagina | 7 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
3. Motivering activiteit In dit hoofdstuk worden de milieugevolgen in beeld gebracht. 3.1 Huisvesting dieraantallen bestaande situatie Momenteel is er op de locatie een rundveehouderij gevestigd. De locatie beschikt over vergunning in het kader van de Wet Milieubeheer voor het houden van 94 melkkoeien, 64 jongvee en 100 vleeskalveren (d.d. 13-06-2004). Deze dieren werden gehouden in de bestaande bedrijfsgebouwen. 3.2 Huisvesting dieraantallen aangevraagde situatie In de beoogde situatie zal het rundvee vervangen worden door 35 volwassen paarden en 10 opfok paarden. Ten behoeve van de paardenhouderij is het gewenst om de bestaande rundveestallen midden op het perceel om te bouwen tot rijhal met onder andere paardenstallen en een binnenpiste. Daarnaast is het gewenst een buitenbak, longeercirkel en stapmolen te realiseren. Er zal gebruik gemaakt worden van intern salderen. 3.3 Grondstoffen De aanvoer van grondstoffen binnen de beoogde bedrijfsvoering zal met name bestaan uit voer, water en elektriciteit. Doordat het aantal dieren afneemt en vervangen wordt door paarden, zullen de grondstoffen voer en water in omvang en samenstelling wijzigen. Het verbruik van elektriciteit zal niet toenemen, daar het elektriciteitsverbruik van de rundveehouderij en de paardenhouderij elkaar op zullen heffen. Energiebeperkende maatregelen worden binnen het bedrijf daar waar mogelijk toegepast.
De huidige stand der techniek is hierbij het uitgangspunt. 3.4 Eind- en nevenproducten Het bedrijf is gericht op het houden, stallen of africhten van paarden, al dan niet in combinatie met de handel in paarden. Dit zijn eindproducten. Paarden produceren vaste mest (nevenproduct). Vaste mest leent zich uitstekend voor de bemesting van landbouwgronden. Bij de afzet van deze mest wordt voldaan aan de regels van de Meststoffenwet en de Wet bodembescherming. De totale mestproductie zal wegens het afnemen van het aantal dieren. De vaste mest wordt opgeslagen in de vaste mestopslag welke beoogd is aan de oostzijde van de werktuigenloods. De mest wordt wekelijks/2-wekelijks afgevoerd door middel van mestwagens naar een mestverwerker. 3.5 Afvalproducten Vanuit de paardenhouderij aan de Stad van Gerwen 9 A-B worden verschillende afvalstoffen geproduceerd zoals bedrijfsafval (huishoudelijk), landbouwplastic, lege emballage van reinigingsmiddelen en diergeneesmiddelen. Aangezien het aantal dieren afneemt ten opzichte van de huidige situatie, nemen de afvalstoffen ook af.
Pagina | 8 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
4. Milieu- en omgevingsaspecten De belangrijkste emissies die binnen de paardenhouderij aan de Stad van Gerwen 9 A-B ontstaan zijn geluid, ammoniak, geur en emissie van fijnstof. 4.1 Bodem In het kader van de voorliggende herziening wordt het bouwvlak gewijzigd. De bestaande gebouwen blijven als zodanig in stand of worden verbouwd/herbouwd ten behoeve van de beoogde paardenhouderij. De gronden die voorzien zijn voor de buitenrijbak, stapmolen en longeercirkel zijn voorheen gebruikt als agrarische productiegrond. Binnen de inrichting vinden nauwelijks activiteiten plaats die negatieve effecten kunnen hebben op de bodem ter plaatse. Enkel de opslag van mest en voer ten behoeve van de beoogde paardenhouderij kunnen eventueel als bodembedreigende activiteit worden aangemerkt. Ten behoeve van de verzorging van paarden kunnen op het bedrijf kleine hoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. De opslag hiervan vindt plaats in afsluitbare (koel)kasten. Door gebruik te maken van reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestopslag, lekbakken en afgesloten kasten wordt het eventuele risico van negatieve effecten op de bodem verwaarloosbaar gemaakt. Door goede oplettendheid, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van bodembeschermende voorzieningen wordt dit risico verder teruggebracht.
In het bestemmingsplan zijn voorschriften opgenomen voor het toepassen van bodembeschermende maatregelen en het behoud van een goede en duurzame bodemkwaliteit. De toepassing van de beschreven technische maatregelen en voorziening zorgt voor een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Derhalve vormt het initiatief geen risico voor de bodemkwaliteit ter plaatse. 4.2 Geluid De beoogde ontwikkeling aan de Stad van Gerwen 9 A-B heeft weinig effect op de omgeving qua geluid. De activiteiten van het bedrijf zullen wijzigen van rundveebedrijf naar paardenhouderij. De geluidsbelasting van deze twee typen agrarische bedrijven op de omgeving is nagenoeg gelijk. Dit heeft er mee te maken dat de activiteiten en het tijdstip waarop deze plaatsvinden overeenkomstig is. Alle akoestisch relevante bedrijfsactiviteiten moeten binnen het bouwvlak plaatsvinden. Het bouwvlak wordt met de beoogde plannen beperkt. Bovendien is er sprake van een afname in verkeersbewegingen van en naar de locatie, zoals wordt toegelicht in paragraaf 4.9. Hierdoor zal de geluidsbelasting van verkeersbewegingen op de omgeving dus afnemen. De beoogde activiteiten zullen dus geen negatief effect hebben op de geluidsbelasting. 4.3 Luchtkwaliteit De regelgeving omtrent de luchtkwaliteit is opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm). De belangrijkste aspecten t.a.v.
de Europese luchtkwaliteitseisen zijn vernoemd in de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderdeel uit van de Wm; hoofdstuk 5, titel 5.2. Rijk, provincies en gemeenten werken samen om de Europese eisen en doelstellingen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit te realiseren. Overheidsinstanties zijn verplicht om bij (ruimtelijke) ingrepen en ontwikkelingen de mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan behoort tot deze categorie, daarom is het noodzakelijk dat de eventuele gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld worden gebracht. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: ▪ Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ Een plan leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ Een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; ▪ Een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Pagina | 9 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
Het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat plannen toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende plan niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke plannen of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage hebben aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toetsing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het plan NIBM. De regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een plan altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het plan NIBM is. In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Met de beoogde ontwikkeling wordt een bestaande rundveehouderij herbestemd tot paardenhouderij.
Voor paarden zijn geen emissiefactoren voor wat betreft de uitstoot van fijnstof vastgesteld. Wel dient bepaalt te worden of de (eventuele) toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed heeft op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. De verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet is beschreven in paragraaf 4.9. Hieruit blijkt dat de weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van het agrarisch bedrijf aan de Stad van Gerwen 9 A-B afneemt. Volledigheidshalve is de totale verkeersgeneratie van de beoogde paardenhouderij, het vollegrondsteeltbedrijf, de bed & breakfast en de bedrijfswoning ingevoerd in de NIBM-tool. Uit de berekening van de NIBM-tool blijkt dat bij een dagelijkse afname van 42 verkeersbewegingen van en naar de inrichting de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is, zie Afbeelding 3.
Afbeelding 3 – Uitsnede NIBM-tool
De beoogde ontwikkeling heeft dus een positief effect op de luchtkwaliteit in de omgeving omdat de bestaande rundveehouderij wordt beëindigd en herbestemd tot paardenhouderij. Er is dus een afname in fijnstofemissies. 4.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een omgevingsvergunning milieu aan een agrarisch bedrijf waar vee wordt gehouden. De beoogde ontwikkeling voorziet in de oprichting van een nieuwe paardenhouderij. Er is reeds een rundhouderij toegestaan (juridisch-planologisch en milieukundig). De geuremissie van de rundhouderij komt volledig te vervallen. Conform artikel 5 in de Wgv is voor paardenhouderijen (dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld) een minimale afstand voorgeschreven van 50 meter (binnen bebouwde Pagina | 10 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
kom) en 25 meter (buiten bebouwde kom) tussen de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Doordat er voor paarden geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld zal de geurbelasting op omliggende geurgevoelige objecten afnemen. Het aantal dieren binnen de inrichting neemt af van 94 melkkoeien, 64 jongvee en 100 vleeskalveren tot 35 volwassen paarden en 10 opfok paarden. Het initiatief zal hierdoor positief effect hebben op de geurbelasting naar de omgeving toe. 4.5 Externe veiligheid Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft tot doel het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving. Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijk risico in kaart gebracht wat derden lopen bij een eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. Mensen die niets met een activiteit van gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen te maken hebben, maar hier wel de dupe van worden bij een ramp. Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in externe veiligheid voor inrichtingen, voor transport van gevaarlijke stoffen en voor luchthavens.
Het externe veiligheidsbeleid stelt twee doelstellingen centraal: Plaatsgebonden risico (PR): De bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; Groepsrisico (GR): De bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers. Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), besluit externe veiligheid transportleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Met het initiatief worden geen risicovolle objecten en/of risicovolle activiteiten aan het plangebied toegevoegd. Hierdoor zal er geen negatief effect voor omwonenden en de omgeving ontstaan voor wat betreft externe veiligheid. 4.6 Waterhuishouding Voorzieningen zoals de wasplaatsen en de mestplaat worden conform de voorwaarden uit het Activiteitenbesluit uitgevoerd met bezinkputten en percolaatopvangputten, ter voorkoming dat vuilwater wordt geloosd op de drukriolering. Het huishoudelijk afvalwater en het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard blijven geloosd worden op het gemeentelijk riool.
Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinig hemelwater geloosd wat afkomstig is van de dagen en erfverharding. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m 3 niet-verontreinigd hemelwater per m 2 verhard oppervlak. Onder afschot van daken en erfverharding wordt dit hemelwater geloosd op omliggende (perceel)sloten. Het niet-verontreinigde hemelwater wordt dus zonder problemen geloosd. Het bestaand bebouwd oppervlak bedraagt circa 3.615 m2. Met het planvoornemen wordt het bebouwd oppervlak teruggebracht tot circa 3.515 m2. Dit betekent dat er sprake is van een afname in bebouwd oppervlak van circa 100 m2. Het hemelwater wat terecht komt op de buitenrijbak wordt via het eb- en vloedsysteem opgevangen en gereguleerd. Het water wordt vastgehouden in natte periodes en vrijgegeven in droge periodes. Hiervoor hoeft dus niet te worden voorzien in en retentievoorziening. De stapmolen en longeercirkel worden voorzien van een zandbodem, zodat het water hier kan blijven infiltreren in de bodem. Aangezien er geen sprake is van een toename in verhard oppervlak van meer dan 500 m 2 is een retentievoorziening niet noodzakelijk en vormt het aspect water geen belemmering voor het initiatief. 4.7 Cultuurhistorie en Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening.
Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. De rijksoverheid wil dat er in de monumentenzorg ook aandacht is voor de omgeving waarin het monument staat. Hierbij is het belangrijk dat er niet alleen aandacht voor het monument zelf is, maar ook voor de omgeving. De uitvoering hiervan is vastgelegd in de Momo (modernisering monumentenzorg). Belangrijkste punt uit de Momo voor het initiatief is dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen
Pagina | 11 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
rekening gehouden moet worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en monumenten in de directe nabijheid van de inrichting. Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, afbeelding 4, wordt geconcludeerd dat er binnen de inrichting en in de directe omgeving geen zwaarwegende cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarden. Enkele landschapsvormen over een groter gebied zijn aangewezen als cultuurhistorisch kenmerk. Het plan laat de landschappelijke karakteristiek in groter verband ongemoeid, waarmee aantasting van cultuurhistorische waarden is uitgesloten.
Afbeelding 4 – Cultuurhistorische brabant.maps.arcgis.com/apps/)
waardenkaart
Noord-Brabant
(bron:
https://noord
Archeologie Gemeenten hebben de wettelijke taak om verantwoord om te gaan met het archeologisch erfgoed (zorgplicht). De gemeente Nuenen heeft hiervoor een beleidsplan opgesteld, dat is overgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nuenen’. In hoofdlijnen komt het erop neer dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is in gebieden met een middelhoge en hoge verwachtingswaarde en in gebieden met archeologische resten. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nuenen’ zijn binnen de beoogde bouwvlakken de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2 archeologische waarde’, ‘Waarde – Archeologie 3a hoe verwachting’ en ‘Waarde – Archeologie 5 lage verwachting’ opgenomen. Uit bijbehorende regels blijkt dat binnen ‘Waarde – Archeologie 2 archeologische waarde’, zonder een vergunning met aanvullend onderzoek, geen gebouwen of bouwwerken mogen worden gerealiseerd met een diepte van meer dan 30 centimeter, bij een oppervlakte van meer dan 100 m2. Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3a hoge verwachting’, zonder een vergunning met aanvullend onderzoek, geen gebouwen of bouwwerken mogen worden gerealiseerd met een diepte van meer dan 30 centimeter, bij een oppervlakte van meer dan 500 m2.
Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 5 lage verwachting’ mogen, zonder een vergunning met aanvullend onderzoek, geen gebouwen of bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 10.000 m2 worden gerealiseerd. Een vergunning met aanvullend onderzoek is binnen deze dubbelbestemmingen niet benodigd voor vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Een vergunning met aanvullend onderzoek is eveneens niet nodig voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden binnen het bestaande bouwvlak, dan wel binnen de gestelde grenzen van de dubbelbestemming.
Pagina | 12 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
De aanwezige bebouwing binnen het plangebied blijft grotendeels als zodanig behouden. Alleen de bestaande rundveestal wordt herbouwd/verbouwd tot paardenstal. De gewenste paardenstal is gelegen ter plaatse van gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2 archeologische waarde’. De geplande bodemingrepen voor de herbouw/verbouw zullen de grens van 100 m2 buiten bestaande funderingen echter niet overschrijden. De bestaande rundveestal is grotendeels onderkelderd tot een diepte van 1,75 meter. Deze mestkelders blijven in ieders geval behouden. Gronden rondom oudere mestkelders zijn ernstig verstoord door het doen van afgravingen t.b.v. de bouwwerkzaamheden. Dit gebeurde destijds niet rechtstandig, maar met enkele meters speling. Een groot gedeelte van de opbouw zal eveneens worden hergebruikt. Alleen aan de voorzijde van het object wordt een gedeelte gesloopt, zodat de voorgevel van het gebouw in één lijn komt te liggen. Sanering vindt uitsluitend bovengronds dan wel rechtstandig ondergronds plaats. Hiervoor worden dus nier meer gronden geroerd dan bij de bouw reeds zijn verstoord. De paardenstal wordt in oostelijke richting uitgebreid over de bestaande sleufsilo. Dit gedeelte van het gebouw wordt niet onderkelderd, dus bodemingrepen reiken maximaal tot funderingsdiepte. De bestaande sleufsilo ligt ook minimaal tot op funderingsdiepte.
Bovendien geldt hetzelfde als voor de mestkelders. Ten behoeve van de aanleg zijn de bodemverstoringen ruimer geweest dan de bestaande afmeting van de sleufsilo. De gronden tussen de bestaande rundveestal en de sleufsilo zijn voorzien van erfverharding. Hierdoor is er minimaal sprake van bodemverstoring in de toplaag. Door het bouwrijp maken van de aangrenzende gronden voor de mestkelders en de sleufsilo is het echter evident dat deze tussenliggende gronden minimaal tot funderingsdiepte zijn verstoord. Hierdoor overschrijden de geplande bodemingrepen voor de herbouw/verbouw van de rundveestal & sleufsilo tot paardenstal de grens van 100 m2 buiten bestaande funderingen niet. Deze gronden zijn minimaal tot funderingsdiepte verstoord. Het beoogde bedrijfsgebouw wordt op deze bestaande kelders en fundamenten ver-/herbouwd. Hierdoor hoeft enkel de onbebouwde grond tussen het bestaande gebouw en de sleufsilo (circa 50 m2) te worden geroerd ten behoeve van het nieuwe gebouw. Van deze gronden mag De longeercirkel, stapmolen en buitenbak worden gerealiseerd binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 5 lage verwachting’ en hebben een gezamenlijk oppervlakte van circa 1.600 m2. Dit overschrijdt de grens van 10.000 m2 niet. Bovendien worden dergelijke voorzieningen tegenwoordig voorzien van een eb- en vloedsysteem. Hiervoor wordt een toplaag van zand, drainage zand en een folie geplaatst.
Deze toplaag van 15 centimeter wordt geplaatst boven het maaiveld. Het drainage zand van 25 centimeter wordt geplaatst onder het maaiveld. Hierdoor reikt de diepte van dergelijke voorzieningen niet verder dan 30 centimeter beneden maaiveld en blijven eventuele archeologische waarden in tact. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande elektriciteitsleidingen en riolering. Hiervoor zijn dus geen werken en/of werkzaamheden voorzien. De aanleg van het landschappelijk inpassingsplan vindt grotendeels binnen het bestaande bouwvlak plaats, waardoor voor het uitvoeren van de werken en werkzaamheden geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De landschapsbomen die buiten het bouwvlak worden aangelegd behoeven slechts grondbewerking tot 20 centimeter beneden maaiveld. Bovendien is hier de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ van toepassing en beslaat deze bodemingreep gezamenlijk met de oppervlakte ten behoeve van de longeercirkel, stapmolen en buitenbak niet meer dan 10.000 m2. Hieruit kan worden geconcludeerd dat (potentieel) aanwezige archeologische waarden niet onevenredig zijn of zullen worden geschaad. 4.8 Natuur Bij iedere ontwikkeling dienen de eventuele gevolgen ten aanzien van de natuurbescherming inzichtelijk gemaakt te worden. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden.
Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en Fauna wet (soortenbescherming) en de Boswet vervangen. De strekking van de wet blijft gelijk: de beschermde gebieden en soorten mogen niet aangetast worden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Pagina | 13 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
Gebiedsbescherming De bescherming op gebiedsniveau wordt beschreven aan de hand van wetgeving ten aanzien van Natura 2000gebieden, het Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Natura 2000-gebieden In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld vanaf een bepaalde referentiedatum. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Wanneer er vanuit een bedrijf stikstof neer slaat op een Natura 2000-gebied (hierna te noemen: stikstofdepositie) kan dit een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen Natura-2000 gebieden.
De aangewezen gebieden bevinden zich op grotere afstand: ▪ Strabrechtse Heide & Beuven, afstand circa 11 km; ▪ Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, afstand circa 11,5 km. Dat er vanuit een bedrijf stikstof neerslaat op Natura 2000-gebieden hoeft niet automatisch te betekenen dat er een vergunning in het kader van de Wnb nodig is. Uit de uitspraak van de Raad van State van 20 januari 2021 blijkt dat bij intern salderen geen vergunningplicht in het kader van de Wnb geldt. Bij intern salderen leidt de wijziging of uitbreiding van een activiteit niet tot een toename in stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is de geldende natuurvergunning, of bij het ontbreken daarvan, de milieuvergunning waarover het bedrijf beschikte vóórdat de Vogel- of Habitatrichtlijn van toepassing werd op betrokken natuurgebieden. Daarom kunnen significante gevolgen worden uitgesloten en is er geen natuurvergunning meer nodig. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft in een Kamerbrief van 22 februari 2021 aangegeven dat een AERIUS-berekening bepalend is om vast te stellen of bij een wijziging of uitbreiding van een activiteit sprake is van intern salderen.
Wanneer middels het rekenprogramma AERIUS Calculator kan worden aangetoond dat er sprake is van intern salderen, is er voor de ontwikkeling in principe geen vergunning in het kader van de Wnb benodigd. Dit kan eventueel middels een volledige aanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming worden vastgelegd in een zogeheten 'positieve weigering'. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet maakte aanvankelijk een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningplicht mogelijk voor een tijdelijke toename in stikstofemissie gedurende de bouw-, aanleg- en realisatiefase van een project. Op 2 november 2022 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in de zogeheten Porthos-zaak waaruit volgt dat deze bouwvrijstelling in strijd is met het Europees natuurbeschermingsrecht. Het vervallen van de bouwvrijstelling leidt ertoe dat bij alle lopende en toekomstige vergunningsaanvragen eerst moet worden aangetoond dat er in de realisatiefase geen sprake is van stikstofdepositie, om aan te tonen dat er geen schade wordt aangericht aan de nabij gelegen Natura 2000gebieden. Het plan ziet op de herbestemming van een rundveehouderij tot paardenhouderij, waarbij het aantal dieren binnen de inrichting zal afnemen. Hierdoor zal de stikstofemissie - en daarmee ook de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden – dus afnemen.
Er mag worden aangenomen dat het planvoornemen geen significante negatieve effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Om de stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase in kaart te brengen is een stikstofberekening opgesteld met behulp van de AERIUS Calculator 2021 (Bijlage 9 van de toelichting). Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het plan geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Hiermee voldoet het plan op het aspect gebiedsbescherming.
Pagina | 14 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is in 1990 geïntroduceerd als antwoord op de achteruitgang van de natuur en biodiversiteit in Nederland. Het is een netwerk van natuurgebieden waarmee biodiversiteit behouden en versterkt wordt. Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verspreiden. Soorten raken hierdoor niet geïsoleerd en hebben dus minder kans op uitsterven. De NNN bestaat uit: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee. De inrichting is, zoals in onderstaande afbeelding te zien, niet gelegen in een ecologische hoofdstructuur. Doordat de beoogde ontwikkelingen buiten deze zones zijn gelegen blijven de natuurlijke en ecologische waarden van deze gebieden gehandhaafd. Bovendien wordt de inrichting voorzien van een gebiedseigen landschappelijke inpassing en waterberging, waardoor deze waarden worden versterkt.
Afbeelding 5 – Uitsnede kaart Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Iov (bron: https://noordbrabant.tercera-ro.nl/MapVierwer/) Houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. De voorwaarden hiervan zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 hectare of 20 rijbomen gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Er worden geen houtopstanden gekapt. Toetsing aan de drie beschermingsregimes voor houtopstanden is daarmee niet aan de orde. Soortenbescherming In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het
Pagina | 15 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming van beschermde flora- en fauna opgenomen. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes omschreven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing en vrijstelling kan worden verleend. Er zijn drie beschermingsregimes, de soorten op basis van de Vogelrichtlijn, de soorten op basis van de Habitatrichtlijn en de andere soorten genoemd in de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Het plangebied is een agrarische bedrijfslocatie waar al enkele decennia een rundveehouderij gevestigd is. Ten dienst van de bedrijfsvoering zijn enkele gebouwen en andere voorzieningen aanwezig. De omliggende gronden zijn in gebruik als weiland en bestaan zodoende uit grasland. Aangezien het gebruik van de locatie afgelopen jaren bestaat uit het uitvoeren van een rundveehouderij is sprake van continu gebruik van het terrein. In tegenstelling tot niet-agrarische productiebedrijven hebben de ‘producten’ van dit bedrijf, de koeien, 7 dagen per week verzorging nodig.
Dit geeft levendigheid op het terrein, waardoor alleen dier- en plantensoorten die zich in de buurt van de mens en menselijke activiteiten durven/kunnen begeven het terrein als leef- en/ of foerageergebied zullen gebruiken. Aangezien in de toekomstige situatie geen significante wijziging plaatsvindt van de activiteiten binnen het bouwvlak kan er van uit worden gegaan dat het plan in dit deel van het plangebied geen negatieve invloed heeft op planten- en diersoorten. De ontwikkeling bestaat uit de functiewijziging van bedrijfswoning tot burgerwoning en het herbestemmen van rundveehouderij tot paardenhouderij met bedrijfswoning. Deze worden gesitueerd op gronden die op dit moment in gebruik zijn ten behoeve van de huidige rundveehouderij. De weilanden worden ten dienste van de paardenhouderij intensief bewerkt (bemesting en maaien) en begraasd. Het deel van het grasland dat in de beoogde situatie bebouwd gaat worden, fungeert op dit moment mogelijk wel als foerageergebied, als routestructuur en voor enkele kleine soorten als leefgebied voor diersoorten. Door de ontwikkeling verdwijnt slechts een beperkt deel van het weiland. De omliggende gronden blijven als zodanig ingericht. Gezien het ongewijzigde gebruik van de gronden in de directe omgeving blijft er voldoende leefruimte voor diersoorten beschikbaar.
Voor plantensoorten geldt dat de aanwezige planten in dit deel van het plangebied strak door de mens worden gereguleerd. Gezien een aantal wilde planten gezondheidsrisico’s voor paarden met zich meebrengt, is sprake van een zorgvuldig beheer van de gronden. De aanwezigheid van beschermde plantensoorten binnen het plangebied kan dan ook worden uitgesloten. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief geen negatieve effecten zal hebben op de flora- en fauna. Door middel van een flora- en fauna quickscan is in kaart gebracht wat de ecologische waarden en kenmerken binnen het plangebied zijn (BRO, 23-03-2020, Bijlage 4 van de toelichting). Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Wel worden de volgende aanbevelingen gegeven: ▪ Ten aanzien van broedvogels dient het bouwrijp maken van het terrein buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; ▪ Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soort dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Uiteraard geldt in alle gevallen de algemene zorgplicht, indien tijdens werkzaamheden toch soorten worden aangetroffen.
Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfsplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. In het kader van de vogelrichtlijn wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het om de periode 15 maart tot 15 juli. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.9 Verkeer en parkeren In deze paragraaf zijn de aspecten ‘parkeren’ en ‘verkeer’ nader bekeken. Hierbij is gekeken naar de parkeernorm en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Daarnaast is ook de verkeersaantrekkende werking in de bestaande en de beoogde situatie tegen elkaar afgewogen. Pagina | 16 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
Parkeren De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie en het eventueel gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen door verschillende functies. De parkeernorm geeft het totaal aantal parkeerplaatsen aan dat voor een ruimtelijk initiatief, plan of project aangelegd moet worden. De gemeente Nuenen hanteert geen specifiek beleid voor haar parkeernormen. Wanneer geen specifiek beleid is opgesteld wordt gebruik gemaakt van de CROW richtlijnen zoals deze zijn gepubliceerd door de stichting CROW in de publicatie met nummer 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. De parkeernorm kan hieruit worden vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie in combinatie met de stedelijkheidsgraad van de omgeving. Voor de omgeving van het plangebied geldt de norm voor ‘matig stedelijk gebied’. De beoogde plannen voorzien op de functiewijziging van bedrijfswoning tot burgerwoning en het herbestemmen van een rundveehouderij tot paardenhouderij met bedrijfswoning. De paardenhouderij voorziet in het houden van 35 volwassen paarden en 10 opfok paarden. Om aan te sluiten bij de CROW richtlijnen worden de normen voor een bedrijf (arbeidsextensief en bezoekersextensief) aangehouden. Voor een bedrijf (arbeidsextensief en bezoekersextensief) geldt in dat geval een parkeernorm van 0,8 per 100 m 2 bruto vloeroppervlak.
In de beoogde situatie is er 1.750 m2 aan bruto vloeroppervlak voor de paardenhouderij. De oppervlaktes van de berging en de voertuigenloods zijn niet meegenomen, omdat deze slechts door de eigenaren gebruikt worden. Dit houdt in dat er volgens de CROW richtlijnen behoefte is aan 14 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte van het bedrijf zal echter een stuk lager liggen dan de CROW norm, omdat het bedrijf zich primair richt op het houden, stallen of africhten van paarden, al dan niet in combinatie met de handel in paarden (bedrijfsmatige paardenhouderij). Gemiddeld heeft elke pensionklant twee volwassen paarden op locatie in pension staan. Pensionklanten bezoeken hun paard gemiddeld drie keer per week, in tegenstelling tot een manege waar paarden meerdere keren per dag door verschillende ruiters worden bereden. Voor 45 paarden zullen 23 bezoekers gemiddeld drie keer per week aanwezig zijn. Bezoekers komen verspreid over de week. Dit resulteert in een gemiddelde parkeerbehoefte van 8 parkeerplaatsen per etmaal. Bovendien houdt en traint initiatiefnemer ook eigen paarden, daardoor zal het aandeel bezoekers feitelijk nog lager zijn. Om toch uit te gaan van de worstcase-scenario, zal worden aangesloten bij de CROW richtlijn van 14 parkeerplaatsen voor de paardenhouderij. Voor de bed & breakfast wordt aangesloten bij de CROW-norm voor een bungalowpark (huisjescomplex).
Hiervoor geldt een parkeerbehoefte van gemiddeld 2,1 parkeerplaatsen. Het (vollegronds)teeltbedrijf wordt uitgevoerd door de eigenaar zelf. De benodigde machines en werktuigen worden in de werktuigenloods gestald. Hiervoor geldt dus geen aparte parkeerbehoefte vastgesteld. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt op basis van de CROW een parkeerbehoefte van 2,4 parkeerplaatsen. Voor de burgerwoning en de bedrijfswoning geldt dus een parkeerbehoefte van 4,8 parkeerplaatsen. De burgerwoning en bedrijfswoning zullen voorzien zijn van parkeergelegenheid op eigen privé terrein. In totaal geldt er dus een parkeerbehoefte van 20,9 parkeerplaatsen. Aan de voorzijde is ruimte voor minimaal 21 parkeerplaatsen. Er kan geconcludeerd worden dat in het gehele plangebied voldoende ruimte is voor benodigde parkeervoorzieningen. Verkeer Het plangebied is gelegen aan de Stad van Gerwen, een geasfalteerde plattelandsweg in het buitengebied. De ontsluitingsroutes van de Stad van Gerwen lopen in zuidelijke richting via de Nieuwe Dijk en in noordelijke richting via de Kwadestraat. Aangezien met de herbestemming van de bedrijfswoning op Stad van Gerwen 9 naar burgerwoning het feitelijk gebruik niet wijzigt, zal de verkeersaantrekkende werking van de woning gelijk blijven.
Hierna wordt de verkeersgeneratie in de bestaande en beoogde situatie op de Stad van Gerwen 9 A-B inzichtelijk gemaakt. Voormalige situatie Tot op heden werd op de locatie een rundveehouderij i.c.m. een vollegrondsteeltbedrijf geëxploiteerd. Om aan te sluiten bij de CROW richtlijnen worden de normen voor een bedrijf (arbeidsextensief en bezoekersextensief) aangehouden. Voor een bedrijf (arbeidsextensief en bezoekersextensief) geldt in dat geval een verkeersgeneratie Pagina | 17 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
3,9 verkeersbewegingen per 100 m2 bruto vloeroppervlak per dag. In de voormalige situatie was er circa 1.925 m2 aan bruto vloeroppervlak voor de rundveehouderij. Hierin zijn slechts de oppervlaktes van de drie rundveestallen meegenomen. De oppervlaktes van de berging en de voertuigenloods zijn niet meegenomen, omdat deze slechts door de eigenaren gebruikt worden waardoor dit geen extra verkeersgenerate voor de rundveehouderij genereert. Op basis van de CROW richtlijnen resulteert dit in een verkeersgeneratie van 2.253 verkeersbewegingen per maand (75,1 per dag) voor de rundveehouderij. Echter ligt de werkelijke verkeersgeneratie voor de runveehouderij beduidend lager. In onderstaande tabel wordt de werkelijke verkeersgeneratie ten aanzien van de voormalige melkveehouderij weergegeven. Tabel 1: Verkeersgeneratie voormalige situatie rundveehouderij
Activiteit
Frequentie
Omschrijving
Type vervoer
Transportbewegingen (aantal per maand)
Aanvoer krachtvoer
4 x per maand
Zwaar verkeer
8
Aanvoer ruwvoer
5 x per jaar
Zwaar verkeer
8,5
Afvoer melk
3 x per week 2 x per maand
Zwaar verkeer Zwaar verkeer
24
Aan- en afvoer vee Aan- en afvoer drijfmest
3 x per jaar
Zwaar verkeer
3
Kadavers
4 x per jaar
Zwaar verkeer
0,7
Divers aanvoer
3 x per week
Licht verkeer
24
Diverse bezoekers
3 x per dag
Een vrachtwagen rijdt het erf op en af naar de voersilo’s en lost de lading. 5 keer per jaar wordt de kuilvoersilo aangevuld. Om de silo te vullen zijn er 10 transporten en dus 20 verkeersbewegingen per keer nodig. Dit resulteert in 100 transportbewegingen per jaar. De melktankwagen rijdt het erf op en af naar de melktank. Een keer per maand rijdt een vrachtwagen af en aan voor de aan en afvoer van vee. Een trekker met mesttank rijdt het erf op en af naar de pomp put en zuigt de mest in de tank. Dit zijn 6 transporten en dus 12 verkeersbewegingen per keer. Dit resulteert in 36 verkeersbewegingen per jaar. Een vrachtwagen rijdt tot de kadaverplaats en laadt de lading. Een bestelwagen rijdt het erf af en aan voor de levering van diverse goederen. Bedrijf betrekt diverse bezoekers zoals dierenarts, adviseur e.d.
Licht verkeer
120
4
Voor verkeer van en naar de bedrijfsgebouwen komt dit uit op 192,2 verkeersbewegingen per maand (circa 6,4 per etmaal). Voor licht verkeer komt dit uit op 144 verkeersbewegingen per maand (circa 4,8 per etmaal). Voor zwaar verkeer komt dit uit op 48,2 verkeersbewegingen per maand (circa 1,6 per etmaal). Echter worden dus de verkeersbewegingen op basis van de CROW richtlijnen aangehouden (2.253 verkeersbewegingen per maand). Bedrijfswoning Voor de bedrijfswoning geeft de CROW-brochure een weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 op basis van een vrijstaande woning in het buitengebied. Er wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen licht verkeer per dag, hetgeen leidt tot 246 verkeersbewegingen per maand.
Pagina | 18 Vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie Stad van Gerwen 9 A-B
Mantelzorgwoning De langgevelboerderij aan de Stad van Gerwen 9 A-B is vergund als bed & breakfast en vergunningsvrij in gebruik genomen als mantelzorgwoning. Derhalve wordt voor het feitelijk gebruik aangesloten bij de geldende verkeersgeneratie uit de CROW-publicatie voor een vrijstaande woning in het buitengebied. Hiervoor geldt een weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 verkeersbewegingen per dag. Voor de berekening wordt uitgegaan van 8,2 verkeersbewegingen per gemiddelde weekdag. Dit resulteert in 246 verkeersbewegingen per maand. Vollegrondsteeltbedrijf Aangezien het vollegrondsteeltbedrijf wordt uitgevoerd door de eigenaar zelf en er geen personeel in dienst is, wordt gemiddeld twee keer per dag af en aan gereden met zware motorvoertuigen. Dit komt neer op 120 zware verkeersbewegingen per maand en dus 4 verkeersbewegingen per etmaal. Totaal voormalige situatie In totaal komt dit uit op circa 2.865 verkeersbewegingen per maand (circa 95,5 per etmaal). Voor licht verkeer komt dit uit op 2.745 verkeersbewegingen per maand (circa 91,5 per etmaal). Voor zwaar verkeer komt dit uit op 120 verkeersbewegingen per maand (circa 4 per etmaal). De totale verkeersgenerate is samengevat in de onderstaande tabel. Tabel 2: Verkeersgeneratie voormalige situatie
Activiteit Rundveehouderij Bedrijfswoning Mantelzorgwoning Vollegrondsteeltbedrijf Totaal
Zware transportbewegingen (per maand)
Lichte transportbewegingen (per maand) 2.253 246 246
120 120
2.745
Beoogde situatie De beoogde ontwikkeling omvat het herbestemmen van een bedrijfswoning tot burgerwoning en het herbestemmen van een rundveehouderij tot paardenhouderij met bedrijfswoning. Daar met het herbestemmen van de bedrijfswoning aan de Stad van Gerwen 9 tot burgerwoning het feitelijk gebruik niet wijzigt, verandert ook de verkeersgeneratie niet. Voor wat betreft het agrarisch bedrijf aan de Stad van Gerwen 9 A-B geldt dat de verkeersgeneratie van de rundveehouderij volledig komt te vervallen. Hiermee worden de verkeersbewegingen van de beoogde paardenhouderij met bed & breakfast ruimschoots gecompenseerd. Hierna wordt volledigheidshalve de verkeergeneratie in de beoogde situatie inzichtelijk gemaakt. De beoogde plannen voorzien op de functiewijziging van bedrijfswoning tot burgerwoning en het herbestemmen van een rundveehouderij tot paardenhouderij met bedrijfswoning. Om aan te sluiten bij de CROW richtlijnen worden de normen voor een bedrijf (arbeidsextensief en bezoekersextensief) aangehouden. Voor een bedrijf (arbeidsextensief en bezoekersextensief) geldt in dat geval een verkeersgeneratie van 3,9 verkeersbewegingen per 100 m2 bruto vloeroppervlak. In de beoogde situatie is er 1.750 m2 aan bruto vloeroppervlak voor de paardenhouderij. De oppervlaktes van de berging en de voertuigenloods zijn niet meegenomen, omdat deze slechts door de eigenaren gebruikt worden.
Op basis van de CROW richtlijnen resulteert dit in een verkeersgeneratie van 68,3 verkeersbewegingen per dag en 2.049 verkeersbewegingen per maand voor de paardenhouderij. De verkeersaantrekkende werking van het bedrijf zal echter een stuk lager liggen dan de CROW norm, omdat het bedrijf zich primair richt op het houden, stallen of africhten van paarden, al dan niet in combinatie met de handel in paarden (bedrijfsmatige paardenhouderij). De paardenhouderij voorziet in het houden van 35 volwassen paarden en 10 opfok paarden. In totaal zal er pensionstalling worden geboden aan circa 45 paarden. Gemiddeld heeft elke pensionklant twee volwassen paarden op locatie in pension staan. Pensionklanten bezoeken hun paard gemiddeld 3 keer in de week. Derhalve kan worden uitgegaan van een werkelijke verkeersgeneratie van gemiddeld 140 verkeersbewegingen per week en 560 verkeersbewegingen (licht verkeer) per maand.