Bijlage Beleid voor- en vroegschoolse educatie (VVE) 2026
Tekst van het document
Beleid Voor- en vroegschoolse educatie Nuenen 2026
1
I nh o ud s op ga v e Inleiding
Error! Bookmark not defined.
Context Beleid voor- en vroegschoolse educatie Bookmark not defined. Landelijk Kader
5
Landelijke ontwikkelingen
9
Gemeentelijke ontwikkelingen Beleidskader
Error!
10
12
Visie 11 Doelgroep 12 Kwalitatief dekkend aanbod Voorschoolse educatie 13 Spreiding
13
Doelgroepdefinitie
Error! Bookmark not defined.
Indiceren en toeleiden 15 Ambitie en focus binnen gemeente Nuenen
16
1.
Ouderbetrokkenheid
16
2.
Doorgaande lijn 17
3.
Preventie en vroegsignalering
4.
Bevorderende activiteiten integratie/segregatie
2
18 18
Overige factoren die bijdragen aan gelijke kansen
19
Zorg en- ondersteuningsstructuur 20 Samenwerkings- en resultaatsafspraken 20 Monitoring en evaluatie Financiën
22
22
Kostprijs VE en subsidieregeling voorschoolse educatie
22
Reguliere peuteropvang en financiële tegemoetkoming
23
Tot slot
23
3
1 . In le id i ng Dit beleidskader Voor- en vroegschoolse educatie Nuenen beschrijft de wijze waarop de gemeente, met haar partners, invulling geeft aan •
Het bestrijden van onderwijsachterstanden en;
• Het stimuleren van onderwijskansen Het gemeentelijk beleid voor Voor- en vroegschoolse educatie heeft als doel onderwijsachterstanden van kinderen vroegtijdig te signaleren en te bestrijden. Dit gebeurt in ieder geval door: 1. Het realiseren van een aanbod van voorschoolse educatie (VE); een speciaal voorschools aanbod voor peuters tussen minimaal 2,5 en 4 jaar met een (risico op een) onderwijsachterstand. 2. Ondersteunen en stimuleren van overige interventies die helpend zijn bij het voorkomen van onderwijsachterstanden; Gemeenten hebben de verplichting om in ieder geval Voorschoolse Educatie (VE) in te richten: een speciaal voorschools aanbod voor peuters tussen minimaal 2,5 en 4 jaar die vanwege vroegtijdig gesignaleerde signalen ontwikkelachterstanden laten zien. Naast dit wettelijk verplichte onderdeel omschrijft het ook de overige onderdelen van het beleid voor Voor- en vroegschoolse educatie die onderwijskansen vergroten voor de kinderen in Nuenen en is opgesteld als kader voor alle betrokken partijen. Het betreft onder andere: •
Herijken van de doelgroep en de doelgroepdefinitie voor voorschoolse educatie;
•
Vergroten van kansengelijkheid door barrières weg te nemen en samenwerking te bevorderen tussen kinderopvang, onderwijs en ondersteunende partijen;
•
Een doorgaande lijn voor kinderen van 0-7 jaar, zodat zij in een zo stimulerend mogelijke omgeving kunnen opgroeien en ontwikkelen;
•
Het inrichten van een passende overlegstructuur.
Het betreft een integraal beleid, passend bij het huidige wettelijke kader, de landelijke en gemeentelijke ontwikkelingen, de gemeentelijke ambities en gedragen door de betrokken ketenpartners; onderwijs, kinderopvang en het consultatiebureau.
4
2 . Con te x t Be l e i d v o o r- en v ro egsch oo lse educatie Wat er op landelijk en gemeentelijk vlak afgesproken is en speelt, binnen het sociaal domein en het terugdringen van onderwijsachterstanden, is van belang om een passend gemeentelijk beleid te kunnen voeren. Landelijk Kader Het onderwijsachterstandenbeleid vanuit de Rijksoverheid is erop gericht om gelijke kansen aan kinderen te bieden en (risico op) onderwijsachterstanden zo vroeg mogelijk te signaleren, te voorkomen en terug te dringen. Zowel gemeenten als schoolbesturen maar ook kinderopvang spelen hierbij een belangrijke rol. Rol Gemeente De gemeente heeft de wettelijke verplichting tot het bieden van voldoende voorschools aanbod in volume, spreiding en kwaliteit voor peuters met (een risico op) een onderwijsachterstand. Voorschoolse educatie vindt plaats in de kinderopvang. Het is een aanbod van spelenderwijs leren, waarbij gebruik wordt gemaakt van ontwikkelingsgerichte programma’s. Deze richten zich vooral op taalachterstanden, maar besteden ook aandacht aan de ontwikkelingen op het gebied van rekenen, motoriek en sociaalemotionele ontwikkeling van de kinderen. Het doel is dat de achterstand bij de start van groep drie zo klein mogelijk is. Nadat aan de wettelijke taken is voldaan, beoordeelt de gemeente of aanvullende inzet wenselijk is (zie figuur 1). Dit gebeurt op basis van lokale behoefte.
5
Figuur 1: inzet OAB- middelen; wettelijke taak gemeente en overige ‘mogelijke’ inzet bij nog beschikbare middelen. Bron: Innovatie nul13
Rol schoolbesturen In de aanpak van onderwijsachterstanden hebben ook de schoolbesturen een wettelijke taak. Ze hebben de verplichting om vroegschoolse educatie aan te bieden (vroegschools is de periode van groep een en twee). De Rijksoverheid geeft de wettelijke kaders en stelt rijksmiddelen beschikbaar voor de uitvoering van het onderwijsachterstandenbeleid binnen het onderwijs. De onderwijsbesturen ontvangen naast de lumpsum dus aanvullende middelen die ingezet worden in het basisonderwijs om onderwijsachterstanden te bestrijden (extra aandacht in het onderwijs). Hierdoor is elke school waar sprake is van achterstandsproblematiek in staat een eigen onderwijsachterstandenbeleid te voeren. Rol Kinderopvang Kinderopvang vervult binnen het beleid voor Voor- en vroegschoolse educatie een eigen pedagogische opdracht, die aanvullend en gelijkwaardig is aan die van het onderwijs. Binnen het landelijke kader van voor- en vroegschoolse educatie richt de
6
kinderopvang zich op de brede ontwikkeling van jonge kinderen. Daarbij gaat het niet alleen om het versterken van (voorwaardelijke) taalvaardigheden, maar ook om spelend leren, welbevinden, betrokkenheid, autonomie, sociaal-emotionele ontwikkeling en het bieden van een veilige en stimulerende omgeving. Voorschoolse educatie (VVE) is daarmee een pedagogische methodiek die bijdraagt aan een stevige ontwikkelingsbasis voor kinderen, passend bij hun leeftijd en ontwikkelingsfase. Deze brede ontwikkelingsdomeinen vormen een essentiële basis voor duurzaam leren en schoolsucces op de langere termijn. In de samenwerking met onderwijs, jeugdgezondheidszorg en andere partners wordt de kinderopvang daarom niet uitsluitend gezien als uitvoerder van gemeentelijk of onderwijskundig beleid, maar als volwaardige pedagogische partner met eigen professionele expertise en verantwoordelijkheid. Kwaliteit Er is wettelijk een aantal minimale eisen vastgelegd waaraan de voor- en vroegschoolse educatie moet voldoen. Door deze eisen wordt een minimaal kwaliteitsniveau gewaarborgd. De kwaliteitseisen zijn vastgelegd in het Besluit Basisvoorwaarden Kwaliteit Voorschoolse Educatie1. Toezicht Kwaliteitszorg vindt plaats door middel van inspecties. Hierin hebben de Onderwijsinspectie en de GGD een rol.
De Onderwijsinspectie houdt toezicht op de locaties en scholen met VVE en op het beleid voor Voor- en vroegschoolse educatie van gemeenten. Op de website van de Onderwijsinspectie staat het kader voor voorschoolse educatie en primair onderwijs dat de richtlijn vormt voor de kwaliteit van uitvoering2. De GGD inspecteert kinderopvanglocaties op basis van wet- en regelgeving met betrekking tot kinderopvang en voorschoolse educatie.
1 wetten.nl - Regeling - Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie - BWBR0027961
(overheid.nl) (Artikel 5) 2 www.onderwijsinspectie.nl
7
De wettelijke verplichtingen van de verschillende partijen op een rij:
• Gemeenten Gemeenten zijn op grond van de Wet op het primair onderwijs (WPO) verantwoordelijk om een kwalitatief goed voorschools aanbod te realiseren voor alle kinderen met een risico op een taalachterstand in een gemeente (art. 163 WPO). Gemeenten moeten zorg dragen voor: -
Het ondersteunen van het primair onderwijs in afstemming en meedenken in het bevorderen van gelijke kansen waarbij de organisatie van de onderwijsactiviteiten bij de scholen ligt. (art. 158 WPO).
-
Zorg dragen voor voldoende voorzieningen voor voorschoolse educatie in aantal en spreiding (art. 159 WPO).
-
Minstens jaarlijks zorg dragen voor het maken van afspraken over de doelgroepdefinitie, toeleiding, organisatie van de doorgaande lijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie en de te willen behalen resultaten van vroegschoolse educatie (art.160 WPO).
-
Voorkomen van segregatie en bevorderen integratie, bestrijden van onderwijsachterstanden en afstemming met gezagsorganen kinderopvang en school over inschrijvings-en toelatingsprocedures (art. 161 WPO).
• Kinderopvang Alle kinderopvanglocaties moeten voldoen aan de Wet Kinderopvang en de kwaliteitseisen uit het Besluit kwaliteit kinderopvang. Daarnaast is op de voorschoolse locaties met een VVE-aanbod ook het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie van toepassing. • Basisscholen Scholen richten het onderwijs zodanig in dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de
8
beheersing van de Nederlandse taal, waarin ook door middel van vroegschoolse educatie kan worden voorzien (artikel 8, lid 9 WPO). • JGZ De jeugdgezondheidszorg (JGZ/consultatiebureau) heeft op basis van de Wet Publieke Gezondheid de taak om te signaleren of een kind een (risico op een) onderwijsachterstand heeft als gevolg van onvoldoende taalaanbod in de eigen omgeving of andere factoren. De basis waarop de JGZ indiceert is de zogenaamde doelgroep definitie. Iedere gemeente bepaalt zelf de geldende criteria voor deze definitie. De JGZ geeft op basis daarvan een indicatie voor voorschoolse educatie af, waarmee kinderen recht hebben op dagdelen VE in de kinderopvang. Verder gelden vanuit de WPO de volgende verplichtingen voor de partijen gezamenlijk3: • Afspraken VVE Gemeenten (college van burgemeester en wethouders) voeren tenminste jaarlijks overleg over en dragen zorg voor het maken van afspraken met kinderopvang en scholen over: •
vaststellen doelgroep voorschoolse educatie,
•
wijze van toeleiden naar voor- en vroegschoolse educatie en
•
de organisatie van een doorlopende leerlijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie. Deze afspraken worden gemaakt met het oog op een zo groot mogelijke deelname. Gemeenten (college van burgemeester en wethouders) voeren tenminste jaarlijks overleg en dragen zorg voor het maken van afspraken met scholen over: • De resultaten van vroegschoolse educatie Bovenstaande afspraken hebben zoveel mogelijk het karakter van meetbare doelen. Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken. Landelijke ontwikkelingen Al langere tijd is zowel bij het ministerie van SZW (reguliere kinderopvang) als het ministerie van OCW (voor- en vroegschoolse educatie) het gesprek gaande over kinderopvang als een basisvoorziening. Men heeft het dan over twee dagen kinderopvang (0-4 jarigen) zonder dat ouders hier een bijdrage voor betalen. De
9
stelselherziening kinderopvang (bijna gratis voor werkende ouders en overheveling naar instellingen) wordt naar verwachting medio 2027 doorgezet. Hervormingsagenda Jeugd 2023 – 2028 De hervormingsagenda is ontstaan vanwege de groeiende vraag naar jeugdhulp en de bijbehorende kosten. Deze agenda heeft als doel knelpunten in de jeugdzorg structureel aan te pakken, het jeugdzorgstelsel financieel houdbaar te maken voor de toekomst en ‘veilig, ontspannen en inclusief opgroeien’ te bevorderen, met perspectief op een goede toekomst voor elk kind. De verbinding tussen voorschoolse voorzieningen (de brede pedagogische basis voor jonge kinderen vóór de start op de basisschool, waaronder reguliere kinderopvang, peuteropvang, voorschoolse educatie en andere ontwikkelgerichte voorzieningen die bijdragen aan vroege ondersteuning en het voorkomen van achterstanden), onderwijs en jeugdhulp is cruciaal om de ontwikkeling van kinderen en jongeren ononderbroken te laten verlopen. Deze samenwerking is dan ook essentieel om ervoor te zorgen dat kinderen en jongeren de juiste ondersteuning krijgen, ongeacht of ze zich bij de voorschoolse voorzieningen, het onderwijs of de zorg bevinden. Inzetten op samenwerking, korte lijntjes en kinderen sneller, maar ook direct op de juiste plek voor passende ondersteuning is een speerpunt voor gemeente Nuenen.
Gemeentelijke ontwikkelingen Met het vaststellen van het nieuwe lokale beleidskader “Gelijk in kansen, verschil in aandacht” eind 2024 heeft de gemeenteraad van Nuenen een koerswijziging ingezet ten opzichte van de eerdere visie “Persoonlijk en dichtbij”. Waar het oude beleidsstuk vooral gericht was op het verbeteren van dienstverlening en het verkleinen van de afstand tussen overheid en inwoner, legt het nieuwe kader de nadruk op gelijke ontwikkelkansen en passende aandacht voor kwetsbare groepen. Dit betekent dat onderwijsachterstanden en taalontwikkeling belangrijke speerpunten zijn wat weer gekoppeld is aan participatie en zelfredzaamheid. Het huidige beleidskader is nu actueel en sluit aan bij landelijke ontwikkelingen en kiest bewust voor lokale samenwerking en maatwerk. Het legt een sterke verbinding tussen het sociaal domein en het onderwijs, waarbij taalontwikkeling wordt gezien als een sleutel voor volwaardige deelname aan de samenleving. Concreet vertaalt dit zich naar
10
een intensieve inzet op voorschoolse educatie (VVE), vroegtijdige signalering van risico’s en het realiseren van een doorlopende leerlijn van peuteropvang naar basisschool. In tegenstelling tot de oude visie, die vooral ging over nabijheid en persoonlijke benadering, is het nieuwe beleidskader inhoudelijk veel scherper op het voorkomen van achterstanden en het creëren van gelijke kansen. Het stelt duidelijke doelen, koppelt deze aan monitoring en samenwerking met partners, en benadrukt het belang van integratie en het tegengaan van segregatie. Daarmee vormt “Gelijk in kansen, verschil in aandacht” een stevig fundament voor het huidige beleid voor Voor- en vroegschoolse educatie van Nuenen en geeft richting aan een integrale aanpak waarin elk kind een eerlijke start krijgt en later volwaardig kan meedoen in de samenleving. Samenwerking Recht doen aan de behoeften van de doelgroepkinderen gaat verder dan je eigen organisatie. Een goede samenwerking tussen de verschillende schakels waar kinderen mee te maken krijgen, is van groot belang. Samenwerking tussen consultatiebureau en voorschoolse voorziening, tussen voorschoolse voorziening en basisonderwijs en (wanneer van toepassing) tussen CMD en Jeugdhulp en voorschoolse voorziening/onderwijs is vereist. In Nuenen kiezen we ervoor om ook de organisaties die zorg verlenen hier meer bij te betrekken.
Visie De gemeente streeft naar een Nuenen waar iedereen zich thuis voelt en kan bijdragen aan een sociale en sterke gemeenschap. Men ondersteunt onze inwoners om hun eigen kracht te ontwikkelen en te benutten, zodat iedereen volwaardig kan deelnemen aan het leven in Nuenen Binnen deze visie zijn er vier leidende principes die van toepassing zijn op het beleid voor Voor- en vroegschoolse educatie : 1. Inwoner staat centraal – integrale aanpak: 2. Wij denken vanuit oplossingen – positieve gezondheid: 3. Uitbreiden van de sociale basis ter bevordering van de zelf- & samenredzaamheid: 4. Kwalitatief goed aanbod met rechtmatige verstrekking:
11
2 . Be le ids k a d e r Het beleid voor voor- en vroegschoolse educatie heeft als hoofddoel onderwijsachterstanden van kinderen vroegtijdig te signaleren en te bestrijden. Gemeenten spelen een belangrijke rol bij het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden en het kader hiervoor wordt gevormd vanuit de visie van het sociaal domein binnen Nuenen.
Figuur 1: inzet OAB- middelen; wettelijke taak gemeente. Bron: Innovatie Nul13
Doelgroep Aansluitend op deze visie hebben de samenwerkende partijen (kinderopvang, onderwijs, GGD en gemeente) binnen het beleid voor voor- en vroegschoolse educatie de ambitie om meer te ontschotten. Het doel is om een passend aanbod en een juiste zorg- en ondersteuningsstructuur te bieden aan kinderen van 0 tot 7 jaar in Nuenen, of er nu wel of geen VVE- indicatie afgegeven is. Iedere samenwerkingspartner heeft hierin eigen (wettelijke) taken en verantwoordelijkheden. Ook zijn de betrokken partijen van mening dat het bestrijden van onderwijsachterstanden meer is dan het voorkomen en inlopen van een taalachterstand en dat het van belang is óók deze ouders, van de kinderen die (ook) op andere gebieden vastlopen, goed te bereiken en waar nodig preventief/ vroeg signalerend door te verwijzen voor de juiste hulp en ondersteuning. De gemeente heeft daarnaast de ambitie om alle peuters, zowel geïndiceerd en nietgeïndiceerd, binnen de gemeente Nuenen goed in beeld te hebben.
12
K wa lit a ti e f de k k e n d aa n bo d Vo o rschoo lse educatie Een kwalitatief dekkend aanbod binnen de voorschoolse educatie is er om de ontwikkeling van jonge kinderen waarbij er een verhoogd risico is op onderwijsachterstanden zo goed mogelijk te bereiken en te ondersteunen. Dit omvat ook een goede spreiding van locaties en het juist indiceren en toeleiden vanuit de GGD. Het kwalitatieve aanbod omvat goed opgeleide pedagogisch medewerkers, een geschikte VVE-methode en het bieden van een veilige, stimulerende leeromgeving. Het doel is om alle kinderen een goede start te geven, ongeacht hun achtergrond, zodat ze optimaal voorbereid zijn op de basisschool. Spreiding Het is een gemeentelijke taak om te zorgen voor een evenwichtige spreiding van voorzieningen en ondersteuning voor (voor-)schoolse educatie. Kinderen met een onderwijsachterstand moeten, ongeacht waar zij wonen, toegang hebben tot VVE of kinderopvang met een beredeneerd aanbod. Daarbij geldt dat we bij voorkeur inzetten op VVE-aanbod, tenzij dit voor ouders aantoonbaar niet passend is. De gemeente bewaakt deze spreiding door samen met kinderopvangorganisaties, scholen en samenwerkingsverbanden te monitoren waar de behoefte het grootst is en waar lacunes ontstaan.
In de uitvoeringsagenda wordt, in afstemming met de partners, een verdere invulling gegeven aan de afspraken over de in- en doorstroom van kinderen en het (vroegschoolse) aanbod.
13
Doelgroep definitie Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft in opdracht van het ministerie van OCW een indicator ontwikkeld om onderwijsachterstanden te voorspellen en hiermee het beschikbare budget zodanig over de gemeenten en scholen te verdelen, dat het geld terecht komt op de plekken waar de achterstanden het grootst zijn. De WPO bepaalt dat de gemeente in overleg met schoolbesturen en kinderopvangaanbieders vaststelt welke kinderen in een gemeente in aanmerking komen voor voorschoolse educatie. De gedachte hierachter is dat de gemeente het beste zicht heeft op de samenstelling van de bevolking in de gemeente. De gemeente is daarbij vrij om zelf te bepalen hoe zij de definitie vormgeeft. In het model van het CBS, op basis waarvan de hoogte van de OAB-middelen worden bepaald, worden omgevingskenmerken gebruikt die volgens onderzoek het risico van een kind op een onderwijsachterstand voorspellen. De omgevingskenmerken die hierin meegenomen worden zijn: • opleidingsniveau van de ouders • herkomst van de ouders • verblijfsduur van de moeder in Nederland • wel of niet in de schuldsanering. In Nuenen wordt gewerkt met de volgende doelgroep definitie die in lijn ligt met de indicatoren vanuit het CBS. De JGZ-professional (jeugdverpleegkundige/jeugdarts) kijkt breed naar de ontwikkeling van de kinderen, de risico’s op achterstanden en de omgevingsfactoren.
Indicatoren voor de doelgroep zijn: • Opleidingsniveau ouder(s): max basisonderwijs/ (v)so-zmlk of max lbo/vbo, praktijkonderwijs. • Land van herkomst van ouder(s)/Verblijfsduur in Nederland/ Nederlands niet de thuistaal. • Het consultatiebureau, voorschoolse voorziening of basisonderwijs constateert dat er een (risico is op een) taal/spraak ontwikkelingsachterstand. Naast deze drie indicatoren speelt de professionele inschatting van de jeugdverpleegkundige/jeugdarts en die van de kinderopvang, als het kind al deelneemt aan kinderopvang, een rol bij het afgeven van een verwijzing VVE. Verwijzing is altijd maatwerk. Bij het criterium ‘achterstand op spraak-taal’ blijft ook de professionele inschatting van het consultatiebureau een rol spelen. De beslissing wordt gemaakt op basis van
14
(verhoogd risico op) ontwikkelingsachterstand en onder stimulatie. Een kind dat voldoet aan de genoemde criteria, maar bij wie op geen enkele manier zorgen zijn over het verdere verloop van dit ontwikkelgebied (spraak/taal) en bij wie ook geen verhoogd risico wordt ingeschat, hoeft niet (met voorrang) te worden verwezen naar VVE. Denk hierbij aan bijvoorbeeld kinderen van expats, waarbij er bij de observatie een (logische) taalachterstand is, maar er geen zorgen zijn over het verloop om deze achterstand binnen de reguliere weg op tijd weer in te lopen. Indiceren en toeleiden Sinds 1 augustus 2020 moeten gemeenten een VE-aanbod realiseren van ten minste 960 uur per (geïndiceerde) peuter over een periode van 1,5 jaar voordat zij naar de basisschool gaan. De gemeente Nuenen heeft het doel dat (geïndiceerde) peuters zoveel mogelijk gebruik maken van het aantal aangeboden uren per week (16 uur) en zo vroeg mogelijk starten. De wettelijke kaders gaan uit van VE voor peuters in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar. Er is een ambitie om 90% bereik van de VVE doelgroep (geïndiceerde peuters, binnen een VVE aanbod) te hebben binnen de gemeente Nuenen. Om dit te bereiken worden ook afspraken gemaakt over de thema’s indiceren en toeleiden. Ook in de uitvoeringsagenda zijn extra acties omschreven om het bereik nog verder te verhogen.
15
A m bit ie e n f o c u s b i n n e n gemeen te N uen en In de eerste helft van 2025 zijn werksessies gehouden met de voorschoolse kinderopvangaanbieders, het basisonderwijs en de jeugdgezondheidzorg. In de sessies is opgehaald wat er al goed gaat of juist verbeterd moet worden om te zorgen voor betere onderwijs- en ontwikkelkansen voor kinderen in Nuenen. De informatie van de betrokken samenwerkingspartners heeft geleid tot het herijkte beleid met de wettelijke kaders als uitgangspunt. De ambities worden geconcretiseerd in de uitvoeringsagenda. De komende beleidsperiode legt de gemeente Nuenen (naast haar wettelijke taak) samen met haar partners de nadruk op de volgende thema’s. Deze worden verder uitgewerkt en vastgelegd in de uitvoeringsagenda:
Figuur 2: inzet OAB- middelen; overige inzet bij nog beschikbare middelen. Bron: Innovatie Nul13
1. Ouderbetrokkenheid Onder ouderbetrokkenheid verstaan we actieve participatie door ouders om ‘de algehele ontwikkeling en het leerproces van hun kinderen te versterken door effectieve ontwikkelingsstimulering en ondersteunend gedrag te vertonen’. Ouders spelen de belangrijkste rol in de ontwikkeling van het kind. Opvoedingsgedrag van ouders, de omgeving van het gezin en de informele educatie door ouders zijn van zeer grote en bepalende invloed op de ontwikkeling en het schoolsucces van kinderen. Om optimale ontwikkelingskansen te stimuleren voor doelgroepkinderen is het dus belangrijk dat ouders de ontwikkeling van hun kind stimuleren in de thuissituatie. Nuenen wil ook haar verantwoordelijkheid nemen in het versterken van de ouderbetrokkenheid en de
16
informatievoorziening aan ouders. Hierin worden ouders niet gezien als klant of belanghebbende, maar als partner. In de uitvoeringsagenda wordt, in afstemming met de partners, een verdere invulling gegeven aan de mogelijke interventies en afspraken over ouderbetrokkenheid van ouders.
2. Doorgaande lijn Een doorgaande (leerlijn) binnen de voor- en vroegschoolse educatie is de structurele verbinding tussen voorschoolse educatie (VE) en het basisonderwijs, met als doel een soepele overgang voor kinderen en het voorkomen van ontwikkel- en taalachterstanden. Binnen het beleid voor voor- en vroegschoolse educatie van Nuenen betekent dit dat kinderopvangorganisaties en basisscholen intensief samenwerken om programma’s, pedagogische aanpak en ontwikkeldoelen op elkaar af te stemmen. De doorgaande lijn zorgt ervoor dat de ondersteuning die een kind in de voorschoolse fase krijgt, wordt voortgezet en verdiept in groep 1 en 2 van de basisschool. Hierbij is deskundigheidsbevordering van kinderopvang en onderwijs, elkaar beter leren kennen, samenwerking en afstemming tussen de professionals van beide sectoren van groot belang. Maar ook de overdracht en verbinding tussen consultatiebureau en voorschoolse voorziening en van de voorschoolse voorziening naar groep 1 en 2 van het basisonderwijs, voor VVE-kinderen zo laagdrempelig mogelijk maken en daardoor werken aan een inhoudelijke doorgaande lijn, is een duidelijke ambitie. Door een duidelijke warme overdracht van doelgroep peuters vanuit het consultatiebureau naar de kinderopvang, kan de kinderopvang het (VE-)aanbod makkelijker aan laten sluiten op de individuele behoefte van het kind.
Vervolgens moet de overgang van de voorschool naar de vroegschools soepel verlopen, zodat zowel een peuter bij de voorschoolse voorziening als een kleuter op de basisschool een passend aanbod krijgt en zich verder kan ontwikkelen. Voor een doorgaande leer- en ontwikkellijn is het van belang dat relevante informatie over het kind en zijn omgeving, met toestemming van de ouders, wordt overgedragen. Zo kan het onderwijs voortborduren op de kennis en ervaring van de aanbieder van voorschoolse educatie en wordt voorkomen dat er tijd verloren gaat wanneer er specifieke aandachtspunten zijn. Partijen erkennen het belang van een goede overdracht van consultatiebureau naar kinderopvang en van kinderopvang naar onderwijs. Over de samenwerking en afstemming, warme overdracht en verdere doorgaande lijn zijn en worden dan ook afspraken gemaakt die terug te vinden zijn in de resultaatafspraken en de uitvoeringsagenda.
17
Naast de doorgaande lijn binnen het beleid voor voor-en vroegschoolse educatie is er in Nuenen ook vanuit de LEA (de Lokaal educatie agenda) aandacht voor de doorgaande lijn in de bredere zin: kinderopvang, primair én voortgezet onderwijs werken aan een gezamenlijk afgestemd plan voor de doorgaande lijn eventueel afgestemd op de locatie- of wijk-specifieke situatie.
3. Preventie en vroeg signalering De gemeente Nuenen heeft als doel dat geïndiceerde peuters zoveel mogelijk (streven is 90%) gebruik maken van het aantal aangeboden uren per week (16 uur) en zo vroeg mogelijk starten. De wettelijke kaders gaan uit van VE voor peuters in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar. Door (geïndiceerde) kinderen zo vroeg mogelijk in beeld te hebben kunnen tijdig juiste interventies gedaan worden wat een preventieve werking heeft op mogelijke grotere zorg- en ondersteuningsbehoeften later. In de uitvoeringsagenda wordt, in afstemming met de partners, een verdere invulling gegeven aan dit thema.
4. Bevorderende activiteiten integratie/segregatie De gemeente is wettelijk verplicht (WPO art. 161) jaarlijks te overleggen met schoolbesturen en kinderopvangorganisaties om afspraken te maken over: • Het bevorderen van integratie • Het voorkomen van segregatie In de gemeente Nuenen worden al acties en initiatieven ondernomen die integratie bevorderen, bijvoorbeeld het subsidiëren van niet doelgroep peuters binnen de voorschoolse educatie. In de uitvoeringsagenda komen overige concrete acties te staan die een bijdrage leveren om integratie te bevorderen en segregatie tegen te gaan. Er wordt in elk geval ingezet op het voorkomen van segregatie in de voor- en vroegschools door: •
De in-/doorstroom van doelgroep- en nieuwkomers kinderen een structureel agendapunt tijdens periodiek overleg te laten zijn;
•
Met de partners worden, indien nodig; afspraken te maken over de in-/doorstroom van doelgroep- en nieuwkomerskinderen en het vroegschoolse aanbod.
18
Vanuit de gemeente worden inspanningen verwacht om een goede spreiding van het VVE-aanbod te realiseren en segregatie tegen te gaan. De gemeente streeft naar de beoogde situatie waarin peutergroepen gemengd zijn en segregatie wordt voorkomen. Hetzelfde geldt voor het primair onderwijs. Daarom blijven we aandacht houden voor de in-/doorstroom van doelgroep- en nieuwkomerskinderen door het te agenderen als structureel agendapunt tijdens periodiek overleg. In de uitvoeringsagenda wordt, in afstemming met de partners, een verdere invulling gegeven aan de afspraken die worden gemaakt over de in-/doorstroom van de kinderen en het (vroegschoolse) aanbod.
Ov e r i ge f a c to r e n d i e b ij dr ag en aa n gelij ke kansen Door breder te kijken dan alleen naar VVE en de wettelijke taak van de gemeente en verschillende benaderingen te combineren, kunnen we een meer integrale aanpak creëren die bijdraagt aan gelijke kansen voor alle kinderen.
Figuur 1: inzet OAB- middelen; Factoren die verder nog bij kunnen dragen aan gelijke kansen bij nog beschikbare middelen. Bron: Innovatie Nul13
19
Zorg en- ondersteuningsstructuur Op locaties en in groepen waar (veel) kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte deelnemen aan het voor- en vroegschoolse aanbod, is het een uitdaging om de kwaliteit van het aanbod voor alle peuters en kleuters hoog te houden. In de begeleiding van de kinderen en in het contact met ouders en eventuele betrokken zorgpartners is extra tijd en aandacht noodzakelijk. De gemeente denkt graag mee over hoe ondersteuning geboden kan worden waar dat nodig is, binnen de bestaande mogelijkheden. Waar kunnen we de verbindingen leggen en korte lijnen met de omliggende zorgstructuur (GGD, huisartsen, CMD, maatschappelijk werk, jeugdhulp en welzijnsorganisaties) in Nuenen creëren. Onderwijs en kinderopvang willen de focus leggen op vroeg signalering en preventie. Door een sterke verbinding en goede afstemming met het sociaal domein wordt ervoor gezorgd dat kinderen en gezinnen tijdig in beeld komen en passende ondersteuning krijgen voordat problemen ontstaan of groter worden. Ondersteuningsroute De insteek van deze ondersteuningsstructuur is dat kinderen zoveel mogelijk verbonden blijven met hun eigen omgeving. Door te verbinden met externe expertise kunnen kinderen in hun eigen omgeving de zorg krijgen die nodig is.
Hierdoor zorgt men ervoor dat de VE-kwaliteit voor alle kinderen op een zo hoog mogelijk niveau blijft en kinderen die (even) wat extra nodig hebben op de juiste plek de juiste zorg of ondersteuning ontvangen. Om de kinderopvanglocaties in deze ondersteuningsstructuur de weg te wijzen, is er een routekaart ontwikkeld: Een ondersteuningsroute waarop de te nemen stappen en de contactgegevens te vinden zijn van partijen die bij veel voorkomende (zorg)vragen de professionals indirect of de kinderen direct verder kunnen helpen aan het begin van de ondersteuningsstructuur.
Sa m en w e r k in g s - en r e s u lta at saf sp raken De gemeente en schoolbesturen hebben in 2024 en 2025 samenwerkings- en resultaatafspraken gemaakt over de voor- en vroegschoolse educatie. Het maken van resultaatafspraken is wettelijk verplicht volgens artikel 160 van de WPO. Bij resultaatafspraken gaat het om streefdoelen en ambities en is geen sprake van een verantwoordingsplicht. Uitkomsten van resultaatafspraken geven input aan
20
alle betrokkenen om de kwaliteit en effectiviteit van VVE structureel te monitoren en verder te ontwikkelen. De resultaatafspraken vormen de basis van de kwaliteitsdialoog tussen de gemeente en de OAB-partners. Zo dragen de resultaatafspraken bij aan een gezamenlijk toekomstbestendig VVE-beleid. De bestuurlijke LEA heeft de volgende resultaatafspraken vastgesteld: 1. In 2026 maakt minimaal 90% van alle (geïndiceerde) peuters gebruik van voorschoolse educatie en zij nemen het gewenst aantal uren af (960 uur in 1,5 jaar). 2. In 2025 werken kinderopvang en primair en voortgezet onderwijs aan een gezamenlijk afgestemd plan voor de doorgaande lijn eventueel afgestemd op de locatie- of wijk specifieke situatie. 3. 90% van de VVE-kinderen is bij de overgang naar groep 3 voldoende in staat om goed te starten met het aanvankelijk leesonderwijs, vastgesteld binnen het eerste half jaar van groep 3 via een door de school gekozen observatie- of toetsinstrument. Daarbij ondersteunende samenwerkingsafspraken: •
Alle kinderen met een VVE-indicatie hebben bij instroom in groep 1 een schriftelijk overdrachtsdocument waarin hun ontwikkelingsvoortgang op taal is beschreven
•
De school werkt in groep 1–2 systematisch met gestructureerde kind besprekingen minimaal gericht op de taalontwikkeling incl. Schriftelijke/digitale vastlegging, zodat de ontwikkeling van VVE-kinderen minimaal twee keer per jaar wordt gevolgd en vastgelegd.
•
Het uitgangspunt is dat kinderen met een VVE-indicatie bij voorkeur deelnemen aan VVE, tenzij dit aantoonbaar niet passend is voor ouders. In die gevallen wordt in overleg met partners een passend alternatief binnen de kinderopvang gerealiseerd.
21
Mo n itor i n g e n e v a l u at ie De uitvoeringsagenda vormt het centrale instrument waarmee de gemeente de uitvoering van het beleid systematisch organiseert en volgt. In de agenda wordt vastgelegd welke activiteiten en maatregelen wanneer worden opgepakt, hoe de voortgang van deze activiteiten wordt gemonitord, welke resultaten worden behaald en waar eventuele knelpunten ontstaan. Op basis van deze informatie kan de gemeente afwegen of bijsturing nodig is en welke acties daarvoor worden ondernomen. Zo biedt de uitvoeringsagenda een gestructureerde manier om zicht te houden op de effectiviteit van het beleid, de realisatie van doelstellingen en de doorvertaling naar concrete acties, en ondersteunt het daarmee een continue afstemming tussen beleidsvoornemens en uitvoering. Naast de uitvoeringsagenda wordt op basis van de uitkomsten van de Peutermonitor en de overige inhoudelijke verantwoording (nieuwe) plannen gemaakt en bestaande activiteiten aangepast of doorgezet. Dit richt zich op: In hoeverre zijn de afspraken nagekomen? Welke resultaten zijn behaald en wat waren hierbij succesfactoren en knelpunten? Wat betekent dit voor het vervolg?
F ina nc ië n Kostprijs VE en subsidieregeling voorschoolse educatie De gemeente bekostigt voorschoolse educatie via een kind gebonden financieringssystematiek. Dit betekent dat per uur per geïndiceerde peuter subsidie beschikbaar is. Er is sprake van een juridisch gelijk speelveld: alle kinderopvangaanbieders die voldoen aan de gemeentelijke en wettelijke VVE-eisen ontvangen op gelijke basis subsidie. Vanuit de gemeente is bepaald welke kwaliteitselementen onderdeel zijn van het subsidiair uurtarief en deze zijn verwerkt in de kostprijsberekening. Deze berekening gaat uit van een opplus (een extra bedrag per uur per kind) voor VVE-activiteiten boven op het wettelijk normtarief voor kinderopvang dat jaarlijks door de overheid wordt vastgesteld. Hiermee wordt geborgd dat de extra inspanningen en kwaliteitseisen die VVE met zich meebrengt, op een transparante en kostendekkende wijze worden gefinancierd.
22
Reguliere peuteropvang en financiële tegemoetkoming Naast de inzet op voor- en vroegschoolse educatie (VVE) biedt de gemeente ondersteuning aan ouders van peuters die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag. Om de toegankelijkheid van peuteropvang voor deze doelgroep te waarborgen, stelt het college jaarlijks een subsidiabel uurtarief vast, gebaseerd op het landelijk fiscaal maximum. Ouders betalen een inkomensafhankelijke bijdrage, waarbij de gemeente het verschil aanvult tot het vastgestelde uurtarief. De subsidie is beschikbaar voor een beperkt aantal uren per jaar, zodat peuters gedurende een substantieel deel van het jaar gebruik kunnen maken van opvang en educatie. Hiermee draagt de gemeente bij aan gelijke ontwikkelkansen voor alle kinderen, ongeacht de financiële situatie van hun ouders. De gemeente ontvangt voor het beleid voor- en vroegschoolse educatie rijksmiddelen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden. Om aan de wettelijke taak te kunnen voldoen wordt dit daar waar nodig aangevuld met gemeentelijke middelen.
T o t sl o t Het beleid voor- en vroegschoolse educatie Nuenen geeft de kaders aan van het onderwijsachterstandenbeleid in het algemeen en de voorschoolse educatie in het bijzonder. Op onderdelen wordt met betrokken partijen de detaillering van de uitvoering nader bepaald in de uitvoeringsagenda. Afstemming en samenwerking blijven van grote waarde. Het bundelen van expertise vergroot de ontwikkelingskansen van kinderen. Ontmoeting, het met elkaar in gesprek gaan, elkaar kennen en bereid zijn om elkaar te versterken zijn essentiële ingrediënten voor samenwerking. Het gaat hierbij niet alleen om ontmoeting en gerichte samenwerking tussen medewerkers van kindercentra en scholen in de wijk, maar ook om ontmoeting met ouders (ouderbetrokkenheid/ educatief partnerschap) en met andere partijen die activiteiten aanbieden in de wijk. Samen bouw je verder aan gelijke kansen voor ieder kind in Nuenen.
23