Bestemmingsplan Nuenen-Zuidoost herziening De Mijlpaal, Bijlage 4 toelichting
Tekst van het document
PVE EN PROEFSLEUVENONDERZOEK BRABANTRING 1 TE NUENEN GEMEENTE NUENEN C.A.
PvE en Proefsleuvenonderzoek Brabantring 1 te Nuenen In de gemeente Nuenen c.a.
Opdrachtgever
Rho adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven
PvE nummer
15565.004
Versienummer
C1
Status
Concept
Datum
23 juli 2021
Vestiging
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
De heer dr. A.C. Mientjes
Paraaf
Autorisatie
De heer B.C. Tunker MA
Paraaf
© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Econsultancy Programma van Eisen
Programma van Eisen Locatie
Brabantring 1
Projectnaam
Brabantring 1 Nuenen
Plaats binnen archeologisch proces ● IVO – Proefsleuven (IVO-P) o IVO – Overig (IVO-O) o Opgraven o IVO-P - variant Archeologische Begeleiding o Opgraven - variant Archeologische Begeleiding Opsteller
Naam, adres, telefoon, e-mail
datum
paraaf
Auteur
De heer dr. A.C. Mientjes Senior KNA-archeoloog, Senior KNAprospector (reg. nr. 91455703) Econsultancy b.v. Vestiging Limburg Rijksweg Noord 39, 6071 KS Swalmen T: 0475-504961 M: 06-40752031 E: mientjes@econsultancy.nl
23-07-2021
Opdrachtgever
Naam, adres, telefoon, e-mail
datum
paraaf
datum
paraaf
datum
Paraaf
Rho adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven De heer S. van Bogget T: 040-3032313 E: stefan.vanbogget@rho.nl Goedkeuring bevoegde overheid
Naam, adres, telefoon, e-mail
● Gemeente
Gemeente Nuenen c.a. Jan van Schijnveltlaan 2 5671 CK Nuenen Postbus 10000 5670 GA Nuenen Contactpersoon: Mevrouw P. Jansen T: 040-2631631 E: p.jansen@nuenen.nl
o Provincie o Rijk o Overig o RCE1 bij beschermd monument, projectvergunning, als adviseur bij Grote Projecten Adviseur namens de bevoegde overheid
Naam, adres, telefoon, e-mail Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) Postbus 985 5600 AZ Eindhoven Contactpersoon:
1
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Econsultancy Programma van Eisen
Mevrouw drs. R. Berkvens T: 088-3690638 M: 06-15829049 E: r.berkvens@odzob.nl Kennisgeving Depothouder /eigenaar
Naam, adres, telefoon, e-mail
datum
Paraaf
Provinciaal Depot Bodemvondsten (PDB) Provincie Noord-Brabant Contactpersoon: De heer R. Louer Waterstraat 16 5211 JD ´s-Hertogenbosch T: 073-6812812 M: 06-18303225 E: rlouer@brabant.nl
Econsultancy Programma van Eisen
INHOUDSOPGAVE 1
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED ...................................................... 1
2
AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK........................................................ 2 2.1 2.2 2.3
Aanleiding ......................................................................................................................... 2 Motivering ......................................................................................................................... 2 Besluit ............................................................................................................................... 2
3
EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK .................................................................................... 3
4
ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING ...................................................................................... 3 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9
5
DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING.................................................................................. 12 5.1 5.2 5.3 5.4
5.5 6
Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context ........................................ 3 Archeologische verwachting, aard en ouderdom van de vindplaatsen ............................ 9 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) ......................................................... 10 Structuren en sporen ...................................................................................................... 10 Anorganische artefacten ................................................................................................. 10 Organische artefacten .................................................................................................... 10 Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten...................... 10 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen .................................................. 11 Gaafheid en conservering .............................................................................................. 11
Doelstelling ..................................................................................................................... 12 Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders ................................................. 12 Vraagstelling ................................................................................................................... 12 Onderzoeksvragen ......................................................................................................... 12 5.4.1 Bodemopbouw en landschap ........................................................................... 12 5.4.2 Sporen, structuren, vondsten en paleo-ecologische resten: ............................ 12 5.4.3 Waardebepaling: .............................................................................................. 13 5.4.4 Conclusie, evaluatie, aanbevelingen: ............................................................... 13 Aanbeveling .................................................................................................................... 13
STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN ........................................................................ 14 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11 6.12 6.13 6.14 6.15
Strategie ......................................................................................................................... 14 Methoden en technieken ................................................................................................ 14 Omgang kwetsbare vondsten en monsters .................................................................... 17 Structuren en grondsporen ............................................................................................. 17 Lichten ............................................................................................................................ 19 Aardwetenschappelijk onderzoek ................................................................................... 19 Anorganische artefacten ................................................................................................. 19 Organische artefacten .................................................................................................... 20 Archeozoölogische en -botanische resten ..................................................................... 20 Overige resten ................................................................................................................ 21 Omgang met en berging van kwetsbaar vondstmateriaal ..............................................
21 Dateringstechnieken en overig wetenschappelijk onderzoek ........................................ 21 Bouwstenen .................................................................................................................... 21 Complexiteit .................................................................................................................... 21 Beperkingen.................................................................................................................... 21 15565.004
7
EVALUATIE, UITWERKING EN CONSERVERING ................................................................. 22 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7
8
RAPPORTAGE ......................................................................................................................... 25 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5
9
Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eindrapport ...................... 25 Procedure toetsing standaard-/conceptrapport door de bevoegde overheid ................. 25 Inhoud standaard-/evaluatierapport................................................................................ 25 Kwaliteit .......................................................................................................................... 26 Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport .................... 26
(DE)SELECTIE EN CONSERVERING ..................................................................................... 27 9.1 9.2 9.3
10
Evaluatiefase .................................................................................................................. 22 Structuren, grondsporen en vondstspreidingen ............................................................. 22 Analyse aardewetenschappelijke gegevens .................................................................. 23 Anorganische artefacten ................................................................................................. 23 Organische artefacten .................................................................................................... 23 Archeozoölogische en -botanische resten ..................................................................... 24 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) .............................................. 24
Selectie materiaal voor uitwerking .................................................................................. 27 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering....................................................... 27 Selectie materiaal voor conservering ............................................................................. 28
DEPONERING .......................................................................................................................... 28 10.1 Eisen betreffende depot ................................................................................................. 28 10.2 Te leveren product .......................................................................................................... 28 10.3 E-depot ........................................................................................................................... 29
11
RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN ............................................................. 29 11.1 11.2 11.3 11.4
12
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE ........................................ 30 12.1 12.2 12.3 12.4
13
Personele randvoorwaarden .......................................................................................... 29 Overlegmomenten .......................................................................................................... 29 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie ........................................................ 30 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen ........................................................... 30
Wijzigingen tijdens het veldwerk ..................................................................................... 30 Belangrijke wijzigingen ................................................................................................... 31 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk ..................................... 31 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering .......................................... 31
AANVULLENDE EISEN ............................................................................................................ 32 13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk ....................................................... 32 13.2 Uitvoeringscondities veldwerk ........................................................................................ 32 13.3 Ontplofbare oorlogsresten (OO) en veldgraven ............................................................. 32
LITERATUUR EN BIJLAGEN ............................................................................................................. 34
15565.004
1
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED
Projectnaam
15565.004
Provincie
Noord-Brabant
Gemeente
Nuenen c.a.
Plaats
Nuenen
Toponiem
Brabantring 1
Kadastrale gegevens
Gemeente Nuenen, sectie F, perceelnummers 1752, 4333, 4360 en 4406
Kaartbladnummer
51G
Centrum x,y–coördinaat
X: 166.417 / Y: 386.164
Archeologische beleidskaart Nuenen c.a.2
Het plangebied ligt in een zone met een middelhoge archeologische verwachting; westzijde van het plangebied (parkeerplaats) ligt mogelijk in een verstoorde zone
CMA/AMK-status
n.v.t.
Archis-monumentnummer
n.v.t.
Archis-waarnemingsnummer
n.v.t.
Oppervlakte plangebied3
Circa 7.880 m2
Oppervlakte onderzoeksgebied4
Circa 7.880 m2
Huidig grondgebruik
Schoolterrein (met schoolgebouw) en parkeerplaats
Voorgenomen bodemingrepen
Bouw gezondheidscentrum en onderkomen woongroep
NAP-hoogte maaiveld
Circa 17,5 meter +NAP
Grondwatertrap
Onbekend (niet gekarteerd vanwege ligging in bebouwde kom)
2 Berkvens, 2009. 3 Het gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen. 4 Het gebied waarop dit onderzoek betrekking heeft.
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 1 van 36
2 2.1
AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK Aanleiding
Op de planlocatie, aan de Brabantring 1 te Nuenen, gemeente Nuenen c.a., zullen een gezondheidscentrum en een onderkomen voor een woongroep worden gerealiseerd. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa 3.100 m2 worden bebouwd.5 Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. De verwachte verstoringsdieptes in het kader van de ontwikkelingsplannen waren op het moment van het opstellen van het hier nu voorliggende Programma van Eisen nog niet bekend. Het onderzoek komt voort uit het gemeentelijk selectiebesluit om in te stemmen met het door Econsultancy gegeven advies voor een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase. 2.2
Motivering
Bij het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld.6 Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit het (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum laag en voor de perioden Neolithicum tot en met de LateMiddeleeuwen hoog. Op de Nieuwe tijd is een hoge verwachting van toepassing voor het aantreffen van archeologische resten gerelateerd aan agrarisch gebruik en/of infrastructuur. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), blijkt dat een deel van het plangebied is verstoord. In het westen van het plangebied (parkeerplaats) was de ondergrond compleet verstoord tot minimaal 130 centimeter beneden het maaiveld. Op het voormalige schoolterrein was de bovengrond verstoord tot 50 à 120 centimeter beneden het maaiveld. Onder deze verstoorde bovengrond werd een enkeerdgrond met daaronder een (deel van) een podzolbodem aangetroffen. De top van de intacte dekzandafzettingen, de C-horizont, werd aangetroffen op circa 150 à 180 centimeter beneden het maaiveld. Ondanks dat aanzienlijk verstoorde pakketten zijn aangetroffen tot een diepte van tussen de 50 en 120 meter beneden het maaiveld, is geconcludeerd dat de onderzijde van het plaggendek en de dekzandafzettingen nog relatief intact aanwezig zijn binnen het gehele plangebied.
Als gevolg is de hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische vondsten uit het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen gehandhaafd en is de verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de Nieuwe tijd naar laag bijgesteld. Op grond van de resultaten van het bureau- en verkennend booronderzoek heeft Econsultancy geadviseerd om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVOP), karterende en waarderende fase. 2.3
Besluit
De bevoegde overheid (gemeente Nuenen c.a.) heeft ingestemd met het advies van Econsultancy om een vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase. De bevoegde overheid heeft besloten dat het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd dient te worden waar binnen het plangebied de bodem dieper dan 50 centimeter beneden
5 Het gezondheidscentrum ten noorden van het voormalige schoolgebouw (basisschool de Mijlpaal) zal een oppervlakte heb-
ben van circa 700 m2. De woongroep zal worden aangelegd op de locatie van het voormalige schoolgebouw en iets ten zuiden daarvan, en zal een oppervlakte hebben van circa 2.400 m2. 6 Reynaert en Stiekema, 2021.
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 2 van 36
het maaiveld zal worden verstoord of waar dit mogelijk wordt gemaakt op basis van het bestemmingsplan Nuenen Zuidoost (vastgesteld 27-09-2018).7 3
EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK
Soort onderzoek
Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek
Uitvoerder
Econsultancy bv
Uitvoeringsperiode
Juli 2021
Rapportage
Reynaert, J.A.M., en M. Stiekema, 2021: Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Brabantring 1 te Nuenen, gemeente Nuenen c.a. (Econsultancy rapportnr. 15565.002) Swalmen.
Bewaarplaats vondsten/documentatie
Econsultancy Swalmen
4 4.1
ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context
Locatie, recente ingrepen en verstoringen Het plangebied, circa 7.880 m2, ligt aan de Brabantring 1, ongeveer 1 kilometer ten zuiden van de kern van Nuenen in de gemeente Nuenen c.a. (zie figuur 1 en 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 17,5 meter +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Nuenen, sectie F, perceelnummers 1752, 4333, 4360 en 4406. Volgens de topografische kaart van Nederland, 51G (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 166.417 / Y: 386.164. Het plangebied is momenteel in gebruik als schoolterrein en parkeerplaats (zie figuur 3). In het oosten van het plangebied bevindt zich het pand van de voormalige basisschool de Mijlpaal. Het terrein direct rondom dit pand behoort tot het voormalige schoolterrein. Een deel van dit terrein is verhard, een ander deel is in gebruik als grasveld, moestuin, zandbak of braakliggend terrein. In het westen van het plangebied bevindt zich een parkeerplaats. Op deze parkeerplaats, in de zuidwestelijke hoek van het plangebied, ligt het pand van de Hoge Brake 72a. Dit pand is momenteel in gebruik als apotheek. In het plangebied is een gezondheidscentrum en onderkomen voor een woongroep gepland (zie figuur 4). Het bestaande schoolgebouw zal worden gesloopt en de huidige parkeersituatie zal iets worden aangepast.
Het gezondheidscentrum zal worden aangelegd ten noorden van het voormalige schoolgebouw en zal een oppervlak van circa 700 m 2 innemen. De woongroep zal worden aangelegd op de locatie van het voormalige schoolgebouw en iets ten zuiden daarvan. Voor de woongroep zal een oppervlakte van circa 2.400 m 2 worden bebouwd. De diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw was op het moment van het opstellen van het hier nu voorliggende Programma van Eisen onbekend.
7 Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Berkvens, R., 2021: Advies Archeologische Monumentenzorg 2021 - nr. 203. Beoordeling
van een archeologisch rapport. Omgevingsdienst Zuidoost Brabant, Eindhoven.
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 3 van 36
Fysiek-landschappelijke, geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken Samenvattend zijn de volgende aardwetenschappelijke gegevens bekend van het plangebied (zie tabel I). Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie8
Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (code Bx6)
Geomorfologie9
Niet gekarteerd vanwege bebouwing (vermoedelijk dekzandrug (code3B53) of dekzandvlakte (code 2M51))
Bodemkunde10
Niet gekarteerd vanwege bebouwing (vermoedelijk hoge zwarte enkeerdgronden (code zEZ21))
Grondwatertrap
VII
Geologie Het plangebied bevindt zich binnen een gebied met aan het maaiveld afzettingen van de Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden (code Bx6). Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 116.000 tot 11.700 jaar gelden) had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland, waaronder ook de omgeving van het plangebied, een pakket dekzand afgezet. De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge dekzand. Het Oude dekzand is tijdens het Pleniglaciaal (circa 73.000 tot 14.700 jaar geleden) afgezet in horizontaal gelaagde pakketten. Door verspoeling komen er vaak fluvioperiglaciale afzettingen in de vorm van lemige of (zwak) grindige banden in het Oude dekzand voor. Het Jonge dekzand is tijdens het Laat-Glaciaal (circa 14.700 tot 11.700 jaar geleden) afgezet in de vorm van dekzandruggen. Het Jonge dekzand is uitsluitend eolisch afgezet en bevat daardoor geen leem- en grindfractie. Het Jonge dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel waaronder ook het Oude dekzand valt. Onder de Formatie van Boxtel liggen de Pleistocene afzettingen van de Formatie van Sterksel, respectievelijk Rijn en Maas afzettingen bestaande uit rivierzand en -grind.
In het Holoceen (vanaf circa 11.700 jaar geleden) zijn in (lokale) beekdalen in de omgeving van Nuenen afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. Het dichtstbijzijnde beekdal van de Dommel ligt op circa 1,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. De Hooidonkse beek, een zijbeek van de Dommel, ligt op circa 800 meter ten westen en 1 kilometer ten oosten van het plangebied. Deze zijbeek splitst net ten noorden van Nuenen en stroomt zowel ten westen als ten oosten rondom het dorp. geomorfologie (zie figuur 5) Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Nuenen bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd. Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt op een dekzandrug (code 3B53) of een dekzandvlakte (code 2M51). Circa 700 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een dekzandrug. Rondom deze dekzandrug ligt een gebied dat gekarteerd wordt als een dekzandvlakte. Ten zuiden van de dekzandrug, circa 500 meter 8 De Mulder et al., 2003. 9 Wageningen Environmental Research, 2017. 10 Stichting voor Bodemkartering, 1981.
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 4 van 36
ten westen van het plangebied, ligt een gebied met dekzandwelvingen. Het beekdal van de Hooidonkse beek, een zijbeek van de Dommel, is op de geomorfologische kaart aangegeven als een dalvormige laagte, welke is gelegen op circa 800 meter ten westen en 1 kilometer ten oosten van het plangebied. Uitgaande van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ligt het plangebied in een wat lager gelegen deel van het landschap, net ten zuiden van een hoger gelegen dekzandrug (zie figuur 6).11 De gemiddelde maaiveldhoogte binnen het plangebied is circa 17,5 meter + NAP. De top van de dekzandrug, circa 750 meter ten noordoosten van het plangebied, ligt op circa 19,3 meter +NAP. Uitgaande van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ligt het plangebied waarschijnlijk op een dekzandvlakte. bodem (zie figuur 7) Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Nuenen bevindt, is de bodemopbouw niet gekarteerd. Uit extrapolatie van bodemgegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt binnen een gebied met “hoge zwarte enkeerdgronden, leemarm en zwak lemig, fijn zand” (code zEZ21). Tevens is de grondwatertrap ter plekke van het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom van Nuenen.
Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen.
De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.12 Regionale archeologische context (zie figuur 8 en 9) Volgens de beleidskaart van de gemeente Nuenen c.a. ligt het plangebied in een zone met een middelhoge archeologische verwachting. De parkeerplaats in het westen van het plangebied ligt deels in een zone welke op de beleidskaart is aangegeven als een mogelijk verstoorde zone.13 In en nabij (straal van circa 800 meter) het plangebied liggen geen Archeologische Monumenten (AMK-terreinen). Ter plekke van het plangebied zijn tot nu toe geen archeologische onderzoeken uitgevoerd. Volgens het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst
11 AHN. 12 Doesburg et al., 2007. 13 Berkvens, 2009.
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 5 van 36
voor het Cultureel Erfgoed (RCE) 14, zijn binnen een straal van circa 800 meter rondom het plangebied in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal dertien archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend), proefsleufonderzoeken, archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden en opgravingen. Het meest relevant zijn het booronderzoek uitgevoerd aan de Hoge Brake, circa 250 meter ten westen van het plangebied, en het gravend onderzoek aan de Luistruik, circa 750-800 meter ten noorden van het plangebied. Plangebied Hoge Brake (Archis3 onderzoeksmeldingsnr. 2342085100) In 2011 heeft Synthegra BV een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), uitgevoerd aan de Hoge Brake, op circa 250 meter ten westen van het plangebied. Binnen het plangebied werden enkeerdgronden verwacht, maar deze zijn bij het booronderzoek niet aangetroffen. In plaats daarvan bleek dat de bovenste 55 à 165 centimeter van de bodem verstoord en/of opgebracht was. Rondom de Hoge Brake zijn meerdere gebieden ontgrond. Mogelijk dat ook binnen het onderzochte terrein in het verleden (illegale) ontgrondingen hebben plaatsgevonden. Uit het booronderzoek bleek tevens dat er binnen het terrein Brabantse leem aanwezig was.
Hierdoor zal er in het plangebied in het verleden vaak sprake zijn geweest van wateroverlast, omdat het infiltrerende regenwater stagneerde op de leem. Door deze wateroverlast waren de gronden niet geschikt voor bewoning. Op grond van de resultaten van het onderzoek werd geen vervolgonderzoek geadviseerd.15 Plangebied Luistruik (Archis3 onderzoeksmeldingsnrs. 2053328100, 2201030100 en 4648326100) SOB research heeft in 2004 een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Luistruik, gelegen op circa 800 meter ten noorden van het plangebied. Uit dit onderzoek bleek dat binnen het plangebied archeologische sporen aangetroffen zouden kunnen worden en dat het bodemprofiel grotendeels intact aanwezig was. Op basis van deze resultaten is door SOB research in 2008 een proefsleuvenonderzoek binnen het plangebied uitgevoerd. Bij dit onderzoek werden zeven vindplaatsen aangetroffen.
Het betreft enkele waterkuilen en paalkuilen uit de IJzertijd (vindplaats 1), een boomstamwaterput en enkele bewoningssporen uit de Late-Prehistorie - Romeinse tijd (vindplaats 2 en 3), een kuil met fragmenten Romeinse dakpan en maalsteen (vindplaats 4), enkele paalkuilen en een greppel van onduidelijke datering (vindplaats 5), een nederzettingsterrein uit de VolleMiddeleeuwen (vindplaats 6) en paalkuilen die vermoedelijk onderdeel zijn van een nederzetting uit de IJzertijd (vindplaats 7). Alle vindplaatsen zijn als behoudenswaardig aangemerkt en zijn in drie verschillende fases opgegraven.16 De eerste fase van de opgravingen vond plaats in 2008 en is uitgevoerd door SOB research. Tijdens deze fase is vindplaats 1, een IJzertijd vindplaats, opgegraven. Bij de opgravingen werden een drietal waterkuilen, twee spiekers en enkele losse sporen uit de IJzertijd aangetroffen. Daarnaast werd er ook een woonhuis, twee bijgebouwen, een waterput en een waterkuil uit de Volle-Middeleeuwen (11e12e eeuw) aangetroffen. Fase 2 is uitgevoerd in 2014 door BAAC en was gericht op vindplaatsen 2, 3 en 4. Tijdens deze fase zijn enkele kuilen uit de Volle-Middeleeuwen, verschillende plattegronden van bijgebouwen, en mogelijk een hoofdgebouw, en een waterkuil uit de IJzertijd - begin Romeinse tijd en een waterput uit de Karolingische tijd aangetroffen.
Daarnaast werden er ook nog enkele recente greppels gevonden.17 De derde, en laatste fase, is uitgevoerd door VUhbs Archeologie in 2018. Deze fase was gericht op de overige drie vindplaatsen, namelijk vindplaats 5 tot en met 7. Het onderzoek rondom vindplaatsen 5 en 7 heeft geen extra informatie opgeleverd. Wel heeft de opgraving meer
14
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. Kremer en Nillesen, 2011. 16 Ras en Gazenbeek, 2007; Van Wilgen, 2010; Wesdorp, 2020. 17 Wattenberghe, 2011; te Kiefte, 2016; Wesdorp, 2020. 15
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 6 van 36
inzicht geleverd in de middeleeuwse nederzetting van vindplaats 6. Bij het onderzoek zijn twee mogelijke hoofdgebouwen, twee bijgebouwen en enkele waterputten aangetroffen. De bijgebouwen worden geïnterpreteerd als smidsen vanwege de grote hoeveelheid slakmateriaal dat rondom de gebouwen is aangetroffen. Naast de sporen uit de Volle-Middeleeuwen zijn er ook enkele greppels uit de Nieuwe tijd aangetroffen. Deze komen overeen met de kavelgrenzen van 1817.18 Uit de resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied weinig archeologische resten zijn aangetroffen. Dit is mede veroorzaakt door verstoring van de ondergrond of door ongunstige woonomstandigheden, zoals de aanwezigheid van leem en de hiermee gerelateerde hoge waterstand. Op circa 800 meter ten noorden van het plangebied zijn bij opgravingen wel meerdere archeologische resten aan het licht gekomen. In het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) 19, staan uiteindelijk negen vondstmeldingen geregistreerd in een straal van circa 800 meter rondom het plangebied. De vondsten laten zien dat menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden vanaf het Mesolithicum tot en met de Nieuwe tijd.
Het merendeel van de vondsten is te dateren in de Vroege- en LateMiddeleeuwen. Een groot deel hiervan is gerelateerd aan de opgravingen in het plangebied Luistruik. Enkele vondsten uit de IJzertijd zijn ook bij deze opgravingen aan het licht gekomen. Vondsten uit het Mesolithicum zijn beperkt tot een enkele vuursteen afslag, gevonden circa 800 meter ten zuidoosten van het plangebied. Cultuurlandschappelijke en historisch-geografische kenmerken De naam Nuenen, Nuenhem of Nuynhem is een zogeheten Frankische heimnaam, ontstaan tussen de 5e en de 8e eeuw. Het achtervoegsel ‘hem’ betekent heim of woonplaats. Het voorvoegsel ‘nuen’ of ‘nuyn’ betekent ‘nieuw’. De naam zou dus verwijzen naar een nieuwe woonplaats. De oude woonplaats zou misschien Gerwen geweest kunnen zijn. Gerwen is gelegen ten noorden van Nuenen en zou in de Frankische tijd, tussen de 5e en 8e eeuw, zijn ontstaan. Hertog Jan II van Brabant verleende op 4 december 1300, ook wel bekend als ‘Sint-Barbaradag’, aan de inwoners van Nuenen-Gerwen de gebruiksrechten van de gemeenschappelijke gronden, bestaande uit heide, hooilanden en moerassen. Hiermee werd de basis gelegd voor wat aanvankelijk de gemeente Nuenen-Gerwen en vanaf 1821 de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten zou worden.
In Tabel II hieronder staat de situatie ter plekke van plangebied beschreven zoals weergegeven op verschillende oude kadastrale en topografische kaarten (zie figuur 10 tot en met 15). Tabel II.
Historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kadastrale minuut20
1817
Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, sectie C, blad 04
1:2.500
Grootste deel in gebruik als bouwland, door westen van het plangebied loopt een weg
Ten oosten van het plangebied loopt een weg. Rest van de omgeving is in gebruik als bouwland. Gebied staat bekend als De Refelingsche Erven
18
Wesdorp, 2020. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 20 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 19
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 7 van 36
Militaire topografische kaart21 (nettekening)
1850-1864
51 Eindhoven
1:50.000
-
Ten noorden van het plangebied ligt het gehucht Refeling. Ten zuiden ligt de Refelingsche Heide
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1900
670 Nuenen
1:50.000
Door het noordwesten van het plangebied loopt een weg. Plangebied is deels in gebruik als bouwland, deels als heide
Ten noorden van het plangebied bouwland en gehucht Refeling, ten zuiden heidegebied
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1912
670 Nuenen
1:50.000
-
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1929
670 Nuenen
1:50.000
Hele oostelijke deel in gebruik als bouwland. Weg in het noordwesten, stuk heide in het zuidwesten
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1943
670 Nuenen
1:50.000
-
-
Topografische kaart
1953
51G
1:25.000
Weg in het westen, rest van het plangebied in gebruik als bouwland
Gehele omgeving van het plangebied in gebruik als bouwland
Topografische kaart
1963
51G
1:25.000
-
-
Topografische kaart
1973
51G
1:25.000
-
-
Topografische kaart
1984
51G
1:25.000
Plangebied bebouwd met schoolgebouw
Gehele omgeving in gebruik als woonwijk. Waterloop ten zuiden van het plangebied, doorgaande weg ten noorden
Topografische kaart
1991
51G
1:25.000
-
-
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied aan het begin van de 19e eeuw voor het grootste deel in gebruik was als bouwland. Door het westen van het plangebied liep een (onverharde) weg, welke richting het noorden naar het gehucht Refeling liep. De directe omgeving van het plangebied staat op de kadastrale minuut bekend als de Refelingsche erven. Ten zuiden van het plangebied ligt een heidegebied, bekend als de Refelingsche heide. Deze situatie verandert nauwelijks gedurende de 19 e eeuw en is ook aan het begin van de 20e eeuw nog grotendeels hetzelfde. Op de kaart van 1900 is te zien dat een deel van het plangebied in gebruik is als bouwland, terwijl het andere deel nog onontgonnen heidegebied is. Gedurende de eerste helft van de 20e eeuw wordt de omgeving van het plangebied steeds meer ontgonnen. Omstreeks 1953 is het plangebied volledig in gebruik als bouwland. Het plangebied en de directe omgeving blijft in gebruik als bouwland tot het eind van de 20 e eeuw. Omstreeks 1984 is te zien dat de complete omgeving van het plangebied is opgenomen in de bebouwde kom van Nuenen en onderdeel uitmaakt van een woonwijk. Het oostelijk deel van het plangebied is vanaf deze periode in gebruik als schoolterrein. Het westelijk deel is een parkeerplaats.
Ten zuiden van het plangebied ligt een waterloop en ten noorden loopt de Brabantring. Deze situatie is gelijk aan de huidige situatie binnen en rondom het plangebied. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van resten uit de Tweede Wereldoorlog en ontplofbare oorlogsresten ter plekke van het plangebied.22
21
Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).
22 Beobom ruimingskaart; VEO Bommenkaart.
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 8 van 36
4.2
Archeologische verwachting, aard en ouderdom van de vindplaatsen
Uit de landschappelijke ligging op een dekzandvlakte, blijkt dat het plangebied vanaf het (Laat-)Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum gunstig voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waargenomen uit de IJzertijd tot en met de Late-Middeleeuwen. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.23 Het plangebied was niet gelegen binnen een dergelijke gradientzone. Er geldt een lage archeologische verwachting voor het (Laat-)Paleolithicum en het Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie.
Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.24 Door de locatie op een dekzandvlakte was het plangebied gunstig voor landbouwers. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor alle periodes vanaf het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen. Op basis van de historische kaarten blijkt dat het plangebied aan het begin van de 19 e eeuw in gebruik was als bouwland en deels als heidegebied. Door het westen van het plangebied liep tevens een (onverharde) weg. Vermoedelijk was het plangebied gedurende de Nieuwe tijd niet bewoond. Sporen van agrarisch gebruik of restanten van de weg worden wel nog binnen het plangebied verwacht. Voor de Nieuwe tijd geldt daarom een hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische sporen gerelateerd aan agrarisch gebruik en/of infrastructuur. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog voor alle periodes vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Deze archeologische resten worden verwacht onder het plaggendek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het plaggendek.
Hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het plaggendek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Aan en direct beneden het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 centimeter beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.
23 24
Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005.
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 9 van 36
4.3
Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)
Begrenzing en oppervlakte van de totale vindplaats (dus ook buiten het plangebied) De gemiddelde omvang van bewoningssporen is enkele honderden vierkante meters. Landbouwarealen kunnen enkele duizenden vierkante meters omvatten met daarin sporen van greppels van enkele tientallen tot honderden meters lang. Infrastructuur bestaat uit lijnelementen van onbepaalde lengte en breedte. De omvang van resten van rituele handelingen, begravingen en resten van strijd zijn doorgaans beperkt tot puntvondsten. Begrenzing en oppervlakte van (het deel van) de vindplaats binnen het plangebied Idem, met een maximum van 7.880 m2 (totale omvang plangebied). 4.4
Structuren en sporen
De gemiddelde omvang van bewoningssporen is enkele honderden vierkante meters. Landbouwarealen kunnen enkele duizenden vierkante meters omvatten met daarin sporen van greppels van enkele tientallen tot honderden meters lang. Infrastructuur bestaat uit lijnelementen van onbepaalde lengte en breedte. De omvang van resten van rituele handelingen, begravingen en resten van strijd zijn doorgaans beperkt tot puntvondsten. 4.5
Anorganische artefacten
Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast aardewerk en natuursteen ook allerhande gebruiksvoorwerpen van ander materiaal (glas, keramisch bouwmateriaal, leem, etc.) verwacht worden. Metaal zal door de relatief droge en zure bodemomstandigheden waarschijnlijk slecht zijn geconserveerd. 4.6
Organische artefacten
Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen ook vergankelijke objecten van organisch materiaal verwacht worden, zoals been, dierlijk en menselijk botmateriaal, hout, textiel en leer. Als algemene vuistregel kan worden gesteld dat in die gebiedsdelen waar in een gedeelte van het jaar de gemiddeld laagste grondwaterspiegel dieper is dan 120 centimeter beneden het maaiveld en de bodem sterk ontkalkt is, weinig of geen goed geconserveerde organische artefacten in onverkoolde toestand worden verwacht. In deze gebiedsdelen zijn die enkel bewaard in verkoolde toestand, maar de mate van conservering zal wisselend zijn. In die gebiedsdelen waar de laagste grondwaterspiegel hoger is dan 120 centimeter beneden het maaiveld, kunnen organische artefacten daarentegen goed geconserveerd zijn - al dan niet in verkoolde toestand. Verder is de conservering van organisch materiaal in het algemeen beter in diep ingegraven grondsporen, al dan niet in gebiedsdelen met een ontkalkte bodem. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied (dekzandvlakte, nabij dekzandrug) is het niet waarschijnlijk dat niet-verkoold organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. 4.7
Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten
Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of organisch afval worden aangetrof-
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 10 van 36
fen. Waar het grondwater permanent aanwezig is, zijn archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en -botanische resten in het algemeen redelijk tot goed geconserveerd. Gezien de archeologische context worden in het algemeen veel van dergelijke resten verwacht, maar of dit daadwerkelijk het geval is, is afhankelijk van factoren als geomorfologie, textuur van de bodem, ontwatering, aanwezigheid van waterkerende lagen en datering. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied (dekzandvlakte, nabij dekzandrug) is het niet waarschijnlijk dat niet-verkoold organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. 4.8
Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen
Bij het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) zijn met behulp van een Edelmanboor (diameter zeven centimeter) vijf boringen tot maximaal 2,10 meter beneden het maaiveld gezet (zie figuur 16). Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat een deel van het plangebied is verstoord. Op de parkeerplaats in het westen van het plangebied was de ondergrond verstoord tot minimaal 130 centimeter beneden het maaiveld. Op het voormalige schoolterrein was de bovengrond verstoord tot circa 50 à 120 centimeter beneden het maaiveld. Onder deze verstoorde bovengrond werd een enkeerdgrond met daaronder een (deel van een) podzolbodem aangetroffen. De verstoringen binnen het plangebied zijn waarschijnlijk te relateren aan de aanleg van de parkeerplaats, het schoolgebouw en het bijbehorende schoolplein. Op het schoolterrein is het verstoorde pakket circa 50 à 120 centimeter dik, waarbij de dikte van het pakket toeneemt richting het zuiden. De onderkant van het plaggendek en de top van de dekzandafzettingen, waarin de archeologische vondsten uit het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen worden verwacht, zijn echter over het gehele schoolplein vrijwel onverstoord. De top van de intacte dekzandafzettingen, de C-horizont, werd aangetroffen op circa 150 à 180 centimeter beneden het maaiveld.
De funderingen van het schoolgebouw en de bijgebouwen zijn aangelegd op circa 70 à 80 centimeter beneden het maaiveld en in het diepste gedeelte op 125 centimeter beneden het maaiveld. De top van de dekzandafzettingen zal bij de bouw van de school dus niet zijn verstoord. De hoge verwachting voor het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen kan hier behouden blijven. Resten uit de Nieuwe tijd, die tot 30 centimeter beneden het maaiveld werden verwacht, zullen wel zijn verstoord. Als gevolg kan de verwachting voor de Nieuwe tijd naar laag worden bijgesteld. 4.9
Gaafheid en conservering
Structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten. Door de landschappelijke ligging en naar alle waarschijnlijkheid lage grondwaterspiegel zal eventueel aanwezig organisch vondstmateriaal - archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten - niet tot slecht geconserveerd zijn. Deze resten zullen waarschijnlijk alleen worden aangetroffen in verkoolde toestand en/of in diepe en vochtige sporen. Over de precieze gaafheid en conservering van de mogelijk aanwezige structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten kan niet veel worden gezegd. Het (restant van het) plaggendek kan aanwezige archeologische resten hebben beschermd tegen (sub)recente verstoringen, zoals (diep)ploegen en woelen. Dit zal het proefsleuvenonderzoek moeten uitwijzen.
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 11 van 36
5 5.1
DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING Doelstelling
Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een plangebied, c.q. onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. 5.2
Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders
Het in dit Programma van Eisen omschreven onderzoek is inventariserend van karakter en heeft niet als primair doel voort te bouwen op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. 25 5.3
Vraagstelling
De belangrijkste vraagstelling betreft het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting en het vaststellen van de aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten ter plekke van het plangebied. Bij het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, dienen de onderstaande onderzoeksvragen een rol te spelen. 5.4
Onderzoeksvragen
5.4.1 Bodemopbouw en landschap 1. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van het onderzoeksgebied (geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)? 2. Hoe is de opbouw van het profiel in bodemkundige zin? Is er sprake van een plaggendek, podzol, etc.? Zijn er fases te onderscheiden in de bodemopbouw? Wat zijn de onderscheidende kenmerken daarvan en wat is de waarschijnlijke datering? 3. Zijn er aan de onderkant van het akkerdek ontginningssporen, zoals spitsporen aanwezig? Kan aan de hand van archeologisch vondstmateriaal uit het akkerdek een uitspraak worden gedaan over de ouderdom en/of de vorming ervan? 4. Is er sprake van (sub)recente26 verstoring en postdepositionele processen? 5.4.2 Sporen, structuren, vondsten en paleo-ecologische resten: 5. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven? 6. Indien het onderzoek wel archeologische fenomenen heeft opgeleverd, hoe kan de vindplaats beschreven en geïnterpreteerd worden? Houd daarbij rekening met onderstaande vragen.
Sporen en structuren o Wat is de aard en/of de functie van de sporen? Wat is de relatieve en/of absolute datering van de sporen? Waarop is de datering gebaseerd? In welke mate zijn lagen en sporen op vlakken te koppelen aan profielen? o Wat is de begrenzing, diepteligging en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin, van de vindplaats en sites en wat is de onderlinge samenhang? 27 25 Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. 26 Onder subrecent wordt verstaan: na circa 1900. Onder recent wordt verstaan: na circa 1950.
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 12 van 36
o
Welke structuren zijn te onderscheiden? 28 Wat is het complextype, de constructiewijze en/of de plattegrond en/of het type van de structuren? Wat is de relatieve en/of absolute datering van de structuren? Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site patronen) in de zin van wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, vennen, etc.? o Wat is de inrichting en interne structuur van de vindplaats? Zijn er sites te onderscheiden? Hoe is de horizontale en verticale spreiding van sporen, structuren en sites en wat is hun samenhang? o Indien graven worden gevonden: is sprake van enkele individuele graven of een grafveld? Wat is de aard, conservering en datering van de graven? Vondsten en paleo-ecologische resten o Welke mobiele vondsten zijn gedaan? Om welke materialen, soorten, typen, functies, aantallen, gewichten gaat het en uit welke context komen de vondsten? 29 Wat is de datering van de vondsten en waarop is de datering gebaseerd? o Wat is de aard en conservering van paleo-ecologische resten?30 In welke mate en in welke context zijn ze aangetroffen? 5.4.3 Waardebepaling: 7. In welke mate zijn de archeologische kenmerken van de locatie zichtbaar of herkenbaar en in welke mate is er sprake van belevingswaarde? 8. Wat is de fysieke kwaliteit van de aangetroffen fenomenen? Welke verschillen zijn er t.a.v. dit aspect binnen het onderzoeksgebied? 9.
Wat is de inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen fenomenen en welke verschillen zijn er t.a.v. dit aspect binnen het onderzoeksgebied? 10. Waar en in welke mate is deze locatie geschikt voor paleo-ecologisch en natuurwetenschappelijk onderzoek? Welke methoden zijn het meest kansrijk? 11. Welke waarde is er samenvattend te geven aan het plangebied en de daarin te onderscheiden delen (binnen verticale en/of horizontale grenzen; complextypen, periode, sites)? Beschrijf en beredeneer de verschillen in waarde. 5.4.4 Conclusie, evaluatie, aanbevelingen: 12. Hoe verhouden de conclusies zich tot de resultaten van de eerdere archeologische onderzoeken in het plangebied? In welke mate wijkt de geconstateerde waarde af van de eerder toegekende waarde of van de gespecificeerde verwachting? 13. Welk risico lopen de geconstateerde archeologische waarden door de voorgenomen verstoring? Is behoud of verder onderzoek vanuit het Archeologisch Monumentenzorg-perspectief gewenst? 14. Welke strategische en methodische aanbevelingen kunnen worden gegeven voor vervolgonderzoek, zowel binnen het plangebied als in aangrenzende of naburige percelen? 5.5
Aanbeveling
Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek dient een aanbeveling te worden gedaan betreffende een archeologisch verantwoorde omgang met het plangebied. Met betrekking tot die omgang zijn er drie opties: 27 De volgende definities worden gehanteerd: een vindplaats is een gebied, waarvan de grenzen zowel door archeologische
als niet-archeologische factoren bepaald kunnen zijn, waarbinnen archeologische fenomenen, ongeacht datering of complextype, zijn waargenomen. Een site is een ruimtelijk af te grenzen, specifiek te omschrijven archeologisch functioneel complex met een specifieke datering. Binnen een vindplaats kunnen zich meerdere sites bevinden. 28 Onder structuren worden verstaan al dan niet volledige plattegronden van houten gebouwen of constructies, resten van
stenen gebouwen en karakteristieke, functioneel te onderscheiden grondsporen, zoals hutkommen, waterputten, graven, etc. 29 Deze vraag wordt in een tabel (bijlage) met toelichtende tekst in het rapport beantwoord. 30 Deze vraag wordt in een tabel (bijlage) met toelichtende tekst in het rapport beantwoord.
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 13 van 36
• behoud in situ; • definitieve opgraving; • vrijgeven. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de gemeente Nuenen c.a. als bevoegde overheid een selectiebesluit te kunnen nemen.
6 6.1
STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN Strategie
In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: De onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVOP), karterende en waarderende fase. Het uitgangspunt is een vindplaatsgerichte benadering. Door middel van het proefsleuvenonderzoek moet zicht worden verkregen in onder andere de aan- of afwezigheid en gaafheid van grondsporen en vondstconcentraties en de aan- of afwezigheid en conservering van paleo-ecologische resten. Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA-archeoloog die ervaring heeft met onderzoek in het Brabants zandgebied. In het veld worden de werkzaamheden continu uitgevoerd door deze Senior KNA-archeoloog, bijgestaan door minimaal een (KNA)archeoloog/(Senior) veldtechnicus. Ter plekke van het plangebied zullen evenredig verspreid door het plangebied drie proefsleuven van 25 bij 4 meter, twee proefsleuven van 15 bij 4 meter, en twee proefsleuven van 10 bij 4 meter worden aangelegd (proefsleuvenplan, zie figuur 17). Hiermee wordt 600 m2, circa 10% van het totale plangebied (circa 7.880 m 2) minus de oppervlakte van de bestaande bebouwing (schoolgebouw, circa 1.600 m2), onderzocht.
De proefsleuven worden dusdanig gepositioneerd binnen het plangebied dat ook betrouwbare uitspraken gedaan kunnen worden over de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden ter plekke van de bestaande bebouwing (schoolgebouw). Omdat het onderzoek uitgevoerd wordt in het kader van de procedure van een bestemmingsplanwijziging zal de bestaande bebouwing nog niet zijn gesloopt tot aan het maaiveld. Daarnaast is de locatie van de proefsleuven rekening gehouden met obstakels aan het maaiveld en ondergrondse kabels en leidingen. Indien noodzakelijk kan er maximaal 250 m² extra proefsleuf aangelegd worden indien van belang en noodzakelijk voor een goede waardenstelling. Deze aanvullende vierkante meters kunnen worden gebruikt om nieuwe proefsleuven aan te leggen of om proefsleuven te verlengen of te verbreden, bijvoorbeeld om een groter deel van een structuur bloot te leggen, een spoor te vervolgen of om de begrenzing van een vindplaats beter in beeld te brengen. Dit gebeurt alleen in overleg en na goedkeuring van de bevoegde overheid. 6.2
Methoden en technieken
Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). Voorwerk • Het schrijven van een Plan van Aanpak (PvA) (KNA-specificatie OS01); dit is een handleiding voor het onderzoek. Het Plan van Aanpak dient ruim vóór aanvang (minimaal 1 week) van het veldonderzoek ter goedkeuring aan de bevoegde overheid te worden voorgelegd.
PvE 15565.004 versie C1
Pagina 14 van 36
• Het doen van de onderzoeksmelding bij het centrale systeem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) door het aanvragen van een OM-nr. (Archis3 onderzoeksmeldingsnummer). • Het definitieve Programma van Eisen wordt door de archeologisch uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek, ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd. Veldwerk • Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een standaard complexiteit. Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS 09. • De proefsleuven wordt laagsgewijs verdiept totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar worden. • Zodra archeologische sporen worden aangetroffen, zal een leesbaar vlak moeten worden aangelegd. • Er wordt in principe uitgegaan van de aanleg van één vlak in de top van de natuurlijke afzettingen (dekzand). Wel dient bij het laagsgewijs verdiepen vanaf het maaiveld zorgvuldig rekening gehouden te worden dat archeologische resten ook op een hoger niveau aanwezig kunnen zijn, bijvoorbeeld binnen het plaggendek. • Voordat er verder verdiept wordt, dienen de sporen in het bovenliggende vlak volledig gedocumenteerd en afgewerkt te zijn. • De bouwvoor wordt gescheiden gehouden van de overige grond en als laatste teruggestort.
• Om tot een goede waardering van de vindplaats te komen, dienen tijdens het proefsleuvenonderzoek sporen te worden gecoupeerd en afgewerkt om de kwaliteit en conservering van de sporen te kunnen inschatten. Een uitzondering vormen duidelijke structuren of een overvloed aan sporen. Indien onduidelijkheid bestaat over het wel of niet couperen dient contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid. • Archeologisch relevante structuren mogen niet worden verwijderd. Deze zullen pas volledig worden onderzocht in het geval van een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving, of indien mogelijk in situ behouden blijven. • Er worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt. • Van de vlakken worden foto’s gemaakt in secties en aan de kopse kanten. • De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld, met name de administratieve zijde daarvan. Dit omvat tevens het digitale gegevensbeheer van de velddocumentatie. De spoorformulieren worden ingevoerd zodat een database ontstaat van de primaire veldgegevens.
• Tijdens het onderzoek wordt voldoende materiaal met diagnostische kenmerken verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de bodemlagen. • Vondsten gedaan bij de aanleg van de proefsleuven worden in vakken van 2 bij 2 meter per bodemlaag verzameld. • Alle vlak-/laagvondsten worden in beginsel driedimensionaal ingemeten, hetgeen met de huidige technieken goed mogelijk is. Bij 5 of meer vondsten per vierkante meter wordt in overleg met de bevoegde overheid gekeken en bepaald of deze verzamelwijze moet worden bijgesteld. Voor vondsten uit grondsporen geldt in principe dat de horizontale ligging bij grondsporen tot 1 meter doorsnede niet verder wordt gespecificeerd. De verticale positie wordt per vulling vastgelegd, behalve als er sprake is van een homogene vulling. In het laatstgenoemde geval wordt de Zwaarde precies bepaald of wordt vastgelegd of materiaal zich bovenin, halverwege of onderin de vulling bevindt. Voor grondsporen met een diameter van 1 meter of meer wordt inzake de vondstverzameling contact opgenomen met de bevoegde overheid. Ditzelfde geldt wanneer