B6 GGDBZO - Wijziging Gemeenschappelijke Regeling
Tekst van het document
Gemeenschappelijke Regeling GGD Brabant-Zuidoost
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre.
overwegende dat: •
ingevolge artikel 14 van de Wet publieke gezondheid de gemeenten zorgen voor de instelling en instandhouding van gemeentelijke gezondheidsdiensten
•
het voor een optimale behartiging van deze taak wenselijk is dat zij samenwerken
•
zij daartoe een openbaar lichaam hebben ingesteld
•
zij aan dat openbaar lichaam de behartiging van de in deze regeling aan te geven belangen, taken en bevoegdheden hebben opdragen en middelen ter beschikking hebben gesteld
•
er aanleiding is de gemeenschappelijke regeling te wijzigen
•
die aanleiding gelegen is in de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022 , het feit dat de minister de GGD Brabant Zuidoost heeft aangewezen als de organisatie die in onze regio verantwoordelijk is voor de ambulancezorg en het herstel van enige technische of redactionele onvolkomenheden
•
uitgangspunt van de Gemeenschappelijke regeling blijft dat het bestuur en het beheer van het openbaar lichaam zo moeten zijn ingericht dat de gemeentebesturen zoveel mogelijk betrokken blijven bij die belangenbehartiging
•
het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur daarbij het beleid van de GGD Brabant-Zuidoost gestalte geven en de uitvoering ervan controleren, waarbij de bedrijfsvoering bij de directie ligt
•
de financiële risico's voor de gemeenten door een adequate bedrijfsvoering daarbij zo laag mogelijk moeten blijven
gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen
Besluiten De gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost voor een zesde maal te wijzigen, waarna deze als volgt luidt: Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost.
Hoofdstuk 1
Algemene Bepalingen
Begripsbepalingen Artikel 1 1.
In deze regeling verstaat onder: a.
wet: Wet gemeenschappelijke regelingen
b.
regeling: Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost
c.
gemeente(n): aan de regeling deelnemende gemeente(n)
d.
college: college van burgemeester en wethouders van een gemeente
e.
raad: raad van een gemeente
f.
werkgebied: gebied van de aan deze regeling deelnemende gemeenten
g.
Brabant-Zuidoost: de regio die bestaat uit het gebied van de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre
h.
Gedeputeerde Staten: het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant
i.
geneeskundige hulpverlening: geneeskundige hulpverlening zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s
j.
gezamenlijke taken; een taak die door de GGD voor alle gemeenten uitvoert en die wordt gefinancierd op basis van de inwonerbijdrage
k.
contracttaken: taken die de GGD op contract- of subsidiebasis uitvoert voor individuele gemeenten, rijk of derden
l.
pijler: een inhoudelijk samenhangend pakket van GGD taken, waarbinnen in de begroting gezamenlijke taken en contracttaken zijn opgenomen
2.
Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, wordt in die artikelen in plaats van 'de gemeente', 'de raad', 'burgemeester en wethouders' en 'de burgemeester' respectievelijk gelezen: 'de GGD', 'het Algemeen Bestuur', 'het Dagelijks Bestuur' en 'de voorzitter'
Algemeen Artikel 2 1.
Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, genaamd GGD Brabant-Zuidoost.
2.
De GGD Brabant-Zuidoost is een regionaal samenwerkingsverband van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten: Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid
3.
Het openbaar lichaam is gevestigd in Eindhoven
4.
Onderdelen van de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam kunnen in verschillende deelnemende gemeenten gevestigd zijn of zijn ondergebracht bij een ander openbaar lichaam
Hoofdstuk 2
Belang, Doel, Bevoegdheden en Taken
Belang en Doel
Artikel 3 De GGD heeft tot doel een bijdrage te leveren aan de publieke gezondheidszorg en de Ambulancezorg, alsmede aan de bestrijding van onwettig schoolverzuim.
Taken
Artikel 4 1.
Het openbaar lichaam is belast met: a.
Het ontwikkelen en in stand houden van een dienst voor de uitvoering van de publieke gezondheidszorg en de ambulancezorg
b.
Uitvoering van taken welke bij of krachtens de wet Publieke Gezondheid zijn opgedragen aan de colleges en op grond van die wet bij de GGD dienen te worden belegd.
In het bijzonder is de GGD belast met: •
het adviseren van gemeenten over hun beleid op het gebied van gezondheidspreventie, gezondheidsbevordering en –bescherming, waaronder het signaleren en monitoren van gezondheidsrisico’s in de fysieke en sociale omgeving en advisering over bestuurlijke beslissingen op andere beleidsterreinen
•
gezondheidsbescherming door middel van Algemene infectieziekten bestrijding, TBC-bestrijding, SOApreventie, SOA-curatie en Seksualiteitshulpverlening, Medisch-milieukundige zorg en Technische Hygiënezorg
•
het bewaken van de publieke gezondheid bij rampen en crisis (crisisteam en crisisplan, psychosociale hulpverlening bij ingrijpende gebeurtenissen)
• c.
het bieden van gezondheidszorg aan personen boven de 65 jaar
Uitvoering van taken welke bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift zijn opgedragen aan de GGD. In het bijzonder betreft dit het houden van toezicht op kinderopvang & peuterspeelzalen.
d.
e.
Uitvoering van wettelijk voorgeschreven taken die de colleges opdragen aan de GGD. Dit betreffen: •
het bieden van gezondheidszorg aan jongeren van 0-18 jaar
•
het uitvoeren van het rijksvaccinatieprogramma
•
het uitvoeren van de ambulancezorg
•
het leveren van sleutelfunctionarissen voor GHOR-functies bij rampen en crisis
•
het verrichten van lijkschouwingen
•
het afgeven van euthanasieverklaringen
•
het toezicht houden op tattoo- & piercingshops
Het houden van toezicht op schoolverzuim en het registeren van leerplichtige leerlingen in de leeftijd van 5 tot 18 jaar, alsmede het, binnen het kader van de DSP-wet (zoals gedefinieerd in de begrippenlijst van de verordening Bestuurscommissie bestrijding schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten Zuidoost Brabant), begeleiden van jongeren in de leeftijd van 18 tot 27 jaar die niet meer leerplichtig zijn en geen startkwalificatie hebben, het begeleiden van jongeren van 16 tot 27 jaar bij de overgang van school naar duurzaam werk, het bieden van passende ondersteuning en maatwerk, het samenwerken met onderwijsinstellingen, doorstroompunten en regionale ketenpartners, ter uitvoering van de bevoegdheden die voortvloeien uit de Leerplichtwet 1969, artikelen 8.19 en 8.22 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikelen 9.2.1, 9.2.4 en 9.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikelen 146 en 147 van de Wet op de expertisecentra, en ook uit opvolgende, vervangende of aanvullende bepalingen in deze of andere relevante wet- en regelgeving, voor zover deze betrekking hebben op dezelfde taken en bevoegdheden.
Ten behoeve van de uitvoering van deze taken is de GR GGD bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van jongeren in de leeftijd van 5 tot 27 jaar voor zover dit noodzakelijk is. De GR GGD is tevens bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de ouders van deze jongeren, voor zover deze verwerking functioneel en noodzakelijk is in het kader van overdracht, vroegsignalering of samenwerking met onderwijsinstellingen, doorstroompunten en andere regionale ketenpartners” f.
“Ten behoeve van de uitvoering van de taken genoemd in artikel 4, eerste lid, onder a tot en met d van deze gemeenschappelijke regeling is de GR GGD bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van kinderen tot 18 jaar. Tevens is zij bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de ouders van deze kinderen, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van deze taken en plaatsvindt binnen de kaders van de AVG”
g.
“Het uitvoeren van het programma ‘Nu Niet Zwanger’ als onderdeel van het gezamenlijke basisaanbod, bekostigd uit de inwonersbijdrage”
2.
Het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam kan daarnaast op verzoek van één of meer gemeenten en van niet aan de regeling deelnemende gemeenten dan wel van derden opdrachten aannemen voor de uitvoering of ondersteuning van taken mits die passen binnen de doelstelling van de GGD en dat gebeurt op een budgettair neutrale wijze voor de andere deelnemende gemeenten
3.
Wijziging van het takenpakket als benoemd in het eerste lid, onder d, ten gevolge van gemeentelijke besluitvorming, verplicht tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling
4.
Er is ruimte voor lokale accenten in de uitvoering van taken door de GGD. Het Dagelijks Bestuur bepaalt de voorwaarden waaronder aan de lokale accenten invulling kan worden gegeven
Bevoegdheden
Artikel 5 1.
Het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur hebben uitsluitend verordenende en regelgevende bevoegdheden met betrekking tot de aangelegenheden die de bedrijfsvoering van het openbaar lichaam betreffen
2.
Het Algemeen Bestuur respectievelijk het Dagelijks Bestuur kunnen afzonderlijk of te samen, ieder voor zover zij bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van het openbaar lichaam
3.
Het Algemeen Bestuur is bevoegd te besluiten tot de oprichting van of deelname in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperaties en verenigingen, dan wel de ontbinding daarvan of beëindiging van deelneming daaraan op voorwaarde dat de raden van de deelnemende gemeenten vooraf in
de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorgenomen besluit aan het Algemeen Bestuur kenbaar te maken 4.
Het Dagelijks Bestuur is bevoegd met een of meer colleges van al dan niet deelnemende gemeenten of met bestuursorganen van andere openbare lichamen samenwerkingsovereenkomsten te sluiten met betrekking tot ondersteunende dienstverlening voor taken waarmee het openbaar lichaam belast is
5.
Voor zover nodig worden de collegebevoegdheden betreffende uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder a tot en met d, en het tweede lid, onder verantwoordelijkheid van de colleges opgedragen aan het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam op basis van een door elk college afzonderlijk vast te stellen extern mandaatbesluit
6.
De colleges dragen met hun bevoegdheden die horen bij het uitvoeren van de taken als bedoeld in artikel 4 lid 1, sub e, alsmede alle voorbereidings- en uitvoeringshandelingen die daarmee gepaard gaan, met het vaststellen van de 3e wijziging van de gemeenschappelijke regeling, over aan het Dagelijks Bestuur(delegatie)
Hoofdstuk 3
Bestuursorganen
Organen Artikel 6 Het openbaar lichaam kent de volgende bestuursorganen: a.
het Algemeen Bestuur
b.
het Dagelijks Bestuur
c.
de voorzitter
d.
de door het bestuur ingestelde commissies
HOOFDSTUK 4
ALGEMEEN BESTUUR
Samenstelling
Artikel 7 1.
De colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten wijzen ieder uit hun midden een lid van het Algemeen Bestuur aan. Ook wijzen zij uit hun midden ieder een plaatsvervangende lid aan die het door hen benoemde lid bij ontstentenis vervangen
2.
De leden van het Algemeen Bestuur worden aangewezen voor een zittingsduur van 4 jaar en treden af op de dag waarop in het kader van een nieuwe zittingsperiode van de gemeenteraad een nieuw geïnstalleerd college een besluit neemt tot aanwijzing van het lid en plaatsvervangend lid van het Algemeen Bestuur. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen
3.
Wanneer het lidmaatschap van het college van burgemeester en wethouders eindigt, eindigt ook het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het Algemeen Bestuur
4.
Een lid van het Algemeen Bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Dit gebeurt door mededeling aan het Algemeen Bestuur
5.
Indien tussentijds de plaats van een lid vacant komt, wijst het daartoe bevoegde college zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan
6.
Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van één van de deelnemende gemeenten dan wel door of vanwege het Dagelijks Bestuur van het lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt. Met ambtenaar worden voor de toepassing van dit lid gelijkgesteld zij die in dienst van één der deelnemers dan wel van het lichaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn
Werkwijze
Artikel 8 1.
Het Algemeen Bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. Dit reglement, en de daarin aangebrachte wijzigingen, worden aan de colleges van de deelnemende gemeenten gezonden. De artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 26 en 28 t/m 33 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing
2.
Het Algemeen Bestuur vergadert minimaal twee maal per jaar. Meerdere vergaderingen kunnen ingelast worden wanneer de voorzitter of het Dagelijks Bestuur dit nodig acht en wanneer ter voldoening aan het bepaalde in artikel 12, tweede lid van deze regeling een of meer leden van het Dagelijks Bestuur moeten
worden benoemd of wanneer tenminste 5 leden van het Algemeen Bestuur, onder opgave van redenen, dit schriftelijk verzoeken 3.
De vergaderingen van het Algemeen Bestuur zijn openbaar. De vergadering kan met gesloten deuren plaatsvinden wanneer ten minste 5 van de aanwezige leden hierom verzoekt of de voorzitter dit nodig acht en het Algemeen Bestuur hiertoe besluit. Voor het overige is ten aanzien van de openbaarheid artikel 23 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing
4.
In een vergadering met gesloten deuren van het Algemeen Bestuur kan niet worden beraadslaagd of worden besloten over: a.
de vaststelling en wijziging van de begroting
b.
de vaststelling van de jaarrekening
c.
de vaststelling van het liquidatieplan
d.
de vaststelling of wijziging van verordeningen
e.
de vaststelling of wijziging van een gemeenschappelijke regeling tussen het openbaar lichaam en andere openbare lichamen, alsmede het toetreden tot en het uittreden uit een dergelijke regeling
f.
de oprichting van of deelname in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperaties en verenigingen, dan wel de ontbinding daarvan of beëindiging van deelneming daaraan
5.
Op verzoek van de voorzitter geschiedt de in artikel 19 tweede lid Gemeentewet bedoelde openbare kennisgeving voor zijn vergaderingen op de gebruikelijke wijze
6.
Derden kunnen worden uitgenodigd om als adviseur de vergaderingen van het Algemeen Bestuur bij te wonen
Besluitvorming
Artikel 9 1.
Bij het nemen van besluiten door het Algemeen Bestuur tot vaststelling van de jaarrekening en tot vaststelling van de begroting en begrotingswijzigingen geldt de volgende stemverhouding:
2.
•
het lid aangewezen door de raad van gemeenten tot 20.000 inwoners heeft één stem
•
het lid aangewezen door de raad van gemeenten vanaf 20.000 inwoners heeft twee stemmen
•
het lid aangewezen door de raad van de gemeente Helmond heeft drie stemmen
•
het lid aangewezen door de raad van de gemeente Eindhoven heeft vijf stemmen Bij de overige besluitvorming door het Algemeen Bestuur vindt stemming plaats op basis van gewone stemwaardering (één stem per gemeente)
3.
De besluitvorming vindt plaats bij volstrekte meerderheid van stemmen. Het bepaalde in artikel 28 tot en met 32 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing
4.
Het Algemeen Bestuur vergadert en besluit slechts indien meer dan de helft van het aantal stemgerechtigde leden van het Algemeen Bestuur aanwezig is
5.
Jaarlijks wordt een vergaderschema vastgesteld van de data waarop begroting en rekening worden behandeld
6.
Indien het vereiste aantal leden als bedoeld in het vierde lid niet aanwezig is bij een vergadering, kan de voorzitter een nieuwe vergadering beleggen, welke binnen twee weken dient plaats te vinden
7.
Het Algemeen Bestuur kan bij toepassing van het zesde lid over alle onderwerpen met uitzondering van de begroting, een begrotingswijziging en de jaarstukken, beraadslagen en besluiten nemen ongeacht het aantal aanwezige leden
Bevoegdheden
Artikel 10 1.
Aan het Algemeen Bestuur behoren met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstelling van het openbaar lichaam alle bevoegdheden, die bij deze regeling niet aan het Dagelijks Bestuur of de voorzitter zijn opgedragen
2.
Het Algemeen Bestuur kan de uitoefening van door hem te bepalen bevoegdheden volgens door hem te stellen regels overdragen aan het Dagelijks Bestuur of aan een commissie als bedoeld in artikel 25 van de wet, met uitzondering van: a.
Het vaststellen van de meerjarige beleidsvisie
b.
het vaststellen en wijzigen van de begroting
c.
het vaststellen van de jaarrekening
d.
het stellen van regels over het aangaan van geldleningen, het uitlenen van geld, of de directe regeling van hetgeen verder de geldmiddelen van het openbaar lichaam aangaat
e.
het nemen van besluiten over het instellen van commissies, als bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de wet
f.
het oprichten en deelnemen in een rechtspersoon als bedoeld in artikel 31a van de wet
g.
het benoemen van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de secretaris
h.
het benoemen van de directeur publieke gezondheid en de directeur
i.
het regelen van de gevolgen van toetreding of uittreding van een college tot respectievelijk uit de regeling alsmede het verbinden van nadere voorwaarden daaraan
j.
het doen van een voorstel aan de colleges tot wijziging van de regeling
k.
het vaststellen van een liquidatieplan bij opheffing van het openbaar lichaam
Geheimhouding
Artikel 11 Het Algemeen Bestuur kan in een vergadering met gesloten deuren, op grond van de belangen, genoemd in artikel 5.1 van de Wet Open Overheid, omtrent het in die vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan het Algemeen Bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Deze wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen, totdat het Algemeen Bestuur haar opheft.
HOOFDSTUK 5
DAGELIJKS BESTUUR
Samenstelling
Artikel 12 1.
Het Dagelijks Bestuur bestaat inclusief de voorzitter uit zeven leden
2.
De leden van het Dagelijks Bestuur worden door en uit de leden van het Algemeen Bestuur aangewezen in de eerste vergadering van het Algemeen Bestuur in nieuwe samenstelling
3.
De samenstelling is aldus dat de leden van het Dagelijks Bestuur qua stemgewicht nimmer de meerderheid mogen vormen in het Algemeen Bestuur
4.
In afwijking van het bepaalde in lid 2 kan het Algemeen Bestuur derden aanwijzen die deel uitmaken van het Dagelijks Bestuur. Derden mogen geen meerderheid vormen in het Dagelijks Bestuur
5.
De zittingsperiode van de leden van het Dagelijks Bestuur is gelijk aan de zittingsperiode van de colleges van burgemeester en wethouders. De leden kunnen opnieuw worden benoemd. Zij blijven hun functie waarnemen totdat voorzien is in hun opvolging
6.
Het lidmaatschap eindigt zodra een lid ophoudt lid te zijn van het Algemeen Bestuur dan wel ontslag neemt als lid van het Dagelijks Bestuur
7.
Het lid van het Dagelijks Bestuur dat ontslag neemt blijft in functie tot de eerstvolgende vergadering van het Algemeen Bestuur
8.
Een lid kan worden ontslagen indien hij het vertrouwen niet meer bezit van het Algemeen Bestuur
9.
Indien tussentijds een plaats van een lid openvalt, wordt zo spoedig mogelijk een nieuw lid aangewezen
Taak Dagelijks Bestuur
Artikel 13 1.
Het Dagelijks Bestuur stelt in zijn eerste vergadering na zijn verkiezing een portefeuilleverdeling vast en deelt zijn besluit hierover mee aan het Algemeen Bestuur
2.
Het Dagelijks Bestuur stelt voor de uitvoering van zijn taken een reglement van orde vast. Op het houden van de orde van de vergadering van het Dagelijks Bestuur zijn de artikelen 52, 53 en 54 tot en met 60 van de Gemeentewet, voor zover daarvan niet bij of krachtens de wet wordt afgeweken, van overeenkomstige toepassing
Bevoegdheden Dagelijks Bestuur
Artikel 14 1.
Het Dagelijks Bestuur oefent de taken en bevoegdheden die in deze gemeenschappelijke regeling aan het Dagelijks Bestuur zijn opgedragen uit
2.
Het Dagelijks Bestuur is in het bijzonder belast met: a.
het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het Algemeen Bestuur hiermee is belast
b.
beslissingen van het Algemeen Bestuur voor te bereiden en uit te voeren
c.
regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam
d.
ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan, met uitzondering van de directeur publieke gezondheid en de directeur
e.
het benoemen van de ambtelijk secretaris van het bestuur
f.
tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 31a van de wet
g.
te besluiten namens het openbaar lichaam, het Dagelijks Bestuur of het Algemeen Bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het Algemeen Bestuur, voor zover dat het Algemeen Bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist
h.
het voorstaan van de belangen van het openbaar lichaam bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor het openbaar lichaam van belang is
i.
de zorg voor het beheer van inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam
j.
de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding
3.
Het Dagelijks Bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit
Vergaderingen Dagelijks Bestuur
Artikel 15 1.
Het Dagelijks Bestuur vergadert minimaal vier maal per jaar en zo dikwijls de voorzitter het nodig oordeelt of tenminste twee leden de voorzitter schriftelijk en met redenen omkleed hierom verzoeken. In het laatste geval wordt de vergadering binnen veertien dagen na een zodanig verzoek gehouden
2.
Besluiten van het Dagelijks Bestuur vinden plaats op basis van gewone meerderheid van stemmen
3.
Het bepaalde in artikel 28, eerste tot en met derde lid, 29, 30 en 59 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing
Geheimhouding
Artikel 16 1.
Het Dagelijks Bestuur kan op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1 van de Wet Open Overheid, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan het Dagelijks Bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens de vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat het Dagelijks Bestuur haar opheft
2.
Op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1 van de Wet Open Overheid, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de voorzitter of een commissie, ten aanzien van de stukken die zij aan het Dagelijks Bestuur overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan, dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel het Algemeen Bestuur haar opheft
HOOFDSTUK 6
DE VOORZITTER EN PLAATSVERVANGEND VOORZITTER.
De voorzitter en plaatsvervanger
Artikel 17 1.
De voorzitter van het openbaar lichaam wordt door en uit het Algemeen Bestuur aangewezen
2.
De voorzitter wordt bij zijn afwezigheid vervangen door een door het Algemeen Bestuur aan te wijzen lid van het Dagelijks Bestuur
3.
De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur en draagt er zorg voor, dat de besluiten van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur naar behoren worden uitgevoerd
4.
De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging na overleg met het Dagelijks Bestuur in rechtsgedingen en bij buitengerechtelijke rechtshandelingen opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon
5.
De voorzitter tekent samen met de secretaris de stukken die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan
HOOFDSTUK 7
SECRETARIS.
De secretaris
Artikel 18 1.
De secretaris wordt aangewezen door het Algemeen Bestuur uit de leden van het Dagelijks Bestuur
2.
Het aangewezen lid is zowel secretaris van het Algemeen als van het Dagelijks Bestuur en wordt bij de uitvoering van zijn taken bijgestaan door een medewerker van het openbaar lichaam
3.
Alle stukken uitgaande van het Algemeen of het Dagelijks Bestuur worden door de secretaris mede ondertekend
4.
De secretaris wordt bij ziekte of ontstentenis vervangen door een door het Dagelijks Bestuur aan te wijzen medewerker van het openbaar lichaam, die als plaatsvervangend secretaris fungeert
5.
Het bepaalde in artikel 12 is op de secretaris van overeenkomstige toepassing
HOOFDSTUK 8
COMMISSIES, WERKGROEPEN, OVERLEG, TEGEMOETKOMING
Bestuurscommissies
Artikel 19 1.
Het Algemeen Bestuur kan, conform artikel 25 van de wet, commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het Algemeen Bestuur stelt vooraf de raden van de deelnemende gemeenten van dit voornemen op de hoogte en stelt hen in de gelegenheid hun wensen en bedenkingen ter kennis van het Algemeen Bestuur te brengen
2.
Een lid van het Dagelijks Bestuur is voorzitter van een commissie als bedoeld in het eerste lid
3.
Bij de instelling wordt in ieder geval geregeld: a.
de samenstelling
b.
de bevoegdheid of bevoegdheden
c.
de werkwijze
d.
de openbaarheid van vergaderingen
e.
het toezicht van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur
f.
de verhouding van de toegekende bevoegdheden tot die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur
g.
de verantwoording aan het Algemeen Bestuur
h.
wanneer de commissie is ingesteld voor bepaalde tijd, wordt tevens de einddatum van de commissie geregeld
Commissies van advies
Artikel 20 1.
Het Algemeen Bestuur kan besluiten commissies van advies in te stellen ten behoeve van de uitvoering van de hen opgedragen taken conform artikel 24 van de wet
2.
De instelling van commissies van advies aan het Dagelijks Bestuur en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschieden door het Algemeen Bestuur op voorstel van het Dagelijks Bestuur
3.
Bij de instelling wordt in ieder geval geregeld: a.
de samenstelling
b.
de bevoegdheid/bevoegdheden
c.
de werkwijze
d.
de openbaarheid van vergaderingen
e.
het toezicht van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur
f.
de verhouding van de toegekende bevoegdheden tot die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur
g. 4.
de verantwoording aan het Algemeen Bestuur Andere commissies van advies aan het Dagelijks Bestuur of aan de voorzitter worden door het Dagelijks Bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld
Werkgroepen, overleg
Artikel 21 Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter kunnen werkgroepen en overlegvormen instellen.
Tegemoetkoming in kosten
Artikel 22 1.
Het Algemeen Bestuur kan voor zijn leden, de leden van het Dagelijks Bestuur, de voorzitter bij verordening een tegemoetkoming in de kosten vaststellen. Deze verordening bevat regels omtrent de hoogte en de toekenning van de tegemoetkoming in de kosten
2.
De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten, mede rekening houdende met de tegemoetkoming in de kosten welke de bestuurder ontvangt uit hoofde van zijn lidmaatschap van een van de deelnemende gemeenten
3.
Ten aanzien van de werkzaamheden en de kosten van de leden van de commissies, ingesteld met het oog op de behartiging van bepaalde belangen, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
4.
De leden van commissies van advies die geen burgemeester, wethouder of raadslid zijn, kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen
5.
De artikelen 96 tot en met 99 van de Gemeentewet, alsmede de op grond daarvan gestelde nadere regelen, zijn alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, wanneer daarin sprake is van een onderverdeling in gemeenteklassen, het bepaalde voor de gemeenteklasse van 50 001-100 000 inwoners van toepassing is
HOOFDSTUK 9
MAJEURE DOSSIERS
Artikel 23 1.
Het Algemeen Bestuur kan aan een dossier de kwalificatie ‘majeur’ toekennen
2.
Het Algemeen Bestuur kan besluiten de besluitvorming over een majeur dossier maximaal 3 maanden aan te houden teneinde de colleges in de gelegenheid te stellen hun gemeenteraden te consulteren
3.
Het Algemeen Bestuur maakt geen gebruik van de mogelijkheden om de colleges om een reactie te vragen als bedoeld in het tweede lid indien, naar het oordeel van het Algemeen Bestuur, om redenen van spoed eerdere besluitvorming noodzakelijk is
HOOFDSTUK 10
INFORMATIE- EN VERANTWOORDINGSPLICHT
Interne inlichtingenplicht en verantwoordingsplicht lid Dagelijks Bestuur
Artikel 24 1.
Het Dagelijks Bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het Algemeen Bestuur verantwoording schuldig over het door het Dagelijks Bestuur gevoerde bestuur
2.
Het Dagelijks Bestuur geeft het Algemeen Bestuur alle inlichtingen die het Algemeen Bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft
3.
Het Algemeen Bestuur regelt van welke besluiten van het Dagelijks Bestuur in ieder geval kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het Algemeen Bestuur
4.
Daarbij kan het Algemeen Bestuur de gevallen bepalen waarin met ter inzage legging kan worden volstaan. Het Dagelijks Bestuur laat de kennisgeving of ter inzage legging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang
5.
Het Algemeen Bestuur kan een lid van het Dagelijks Bestuur, indien dit lid het vertrouwen van het Algemeen Bestuur niet meer bezit, ontslag verlenen
Meerjarige beleidsvisie
Artikel 25 1.
Het Algemeen Bestuur stelt de colleges en raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid om hun zienswijzen kenbaar te maken m.b.t. het ontwerp van de meerjarige beleidsvisie voordat zij deze visie vaststelt
2.
Het Algemeen Bestuur biedt de raden in het kader van de in het eerste lid genoemde een termijn van minimaal twaalf weken om een zienswijze naar voren te brengen
Passieve informatieplicht
Artikel 26 1.
Het bestuur van het openbaar lichaam verstrekt schriftelijk aan de colleges en de raden de door een of meer leden van die colleges en raden gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang
2.
Deinlichtingen worden in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt en wel door het Dagelijks Bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het Algemeen Bestuur of de voorzitter worden verlangd
3.
De inlichtingen zoals bedoeld in lid 1 en lid 2 worden verstrekt door middel van het toezenden van stukken of het verwijzen naar de vindplaats van stukken via de griffies
Actieve informatieplicht
Artikel 27 Agenda en stukken van de vergaderingen van Algemeen Bestuur worden voorafgaande aan de vergadering via de website van de GGD openbaar gemaakt.
Verantwoordingsplicht lid AB
Artikel 28 1.
Het lid van het Algemeen Bestuur is aan het college die dit lid heeft aangewezen verantwoording schuldig over het door hem in het Algemeen Bestuur gevoerde beleid
2.
Een lid van het Algemeen Bestuur verstrekt aan het college die hem heeft aangewezen de door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen, voor zover zulks niet strijdig is met het openbaar belang
3.
Het college kan een door hem aangewezen lid van het Algemeen Bestuur, indien dit lid het vertrouwen van dat college niet meer bezit, als zodanig ontslag verlenen
4.
Het in het eerste en tweede lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de raden
Overige zienswijzen gemeenteraden
Artikel 29 1.
Buiten de meerjarige beleidsvisie (artikel 25), de begroting (artikel 36) en de wijziging van deze regeling (artikel 51), kan het Algemeen Bestuur besluiten om ten aanzien van andere voorgenomen besluiten de raden in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen
2.
Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoekt. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte
3.
Indien het eerste of tweede wordt toegepast, dan hebben de raden twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven is, stelt het dagelijks bestuur de raden en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt
Informatieplicht rekenkamer(commissies)
Artikel 30 De rekenkamer(commissie)s van de deelnemende gemeenten afzonderlijk en in samenwerking met elkaar worden door het Dagelijks Bestuur in staat gesteld om alle informatie te verkrijgen die voor de wettelijke taakuitoefening nodig is, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 184 Gemeentewet.
HOOFDSTUK 11
AMBTELIJKE ORGANISATIE
De directeur publieke gezondheid
Artikel 31 1.
Het openbaar lichaam heeft een directeur publieke gezondheid die onder verantwoordelijkheid van het Dagelijks Bestuur belast is met de algehele leiding van de het openbaar lichaam en zorg draagt voor een juiste taakvervulling door het openbaar lichaam
2.
Het Algemeen Bestuur beslist over benoeming, schorsing en ontslag van de directeur in overeenstemming met het bestuur van de Veiligheidsregio.
3.
Taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur legt het Algemeen Bestuur vast in een instructie
4.
De directeur publieke gezondheid staat de bestuursorganen en de commissies van het openbaar lichaam bij in de vervulling van hun taak en woont de vergaderingen van de bestuursorganen als adviseur bij. Hij kan medewerkers van het openbaar lichaam aanwijzen, die hem daarin bijstaan
5.
Het Algemeen Bestuur wijst een waarnemer aan die de directeur publiek gezondheid vervangt bij ziekte of ontstentenis
6.
De directeur publieke gezondheid is bestuurder inzake de WOR
Organisatie
Artikel 32 Het Dagelijks Bestuur regelt de taken, bevoegdheden en werkwijze van de ambtelijke organisatie en legt die vast in een organisatiebesluit.
Personeel
Artikel 33 1.
Bij het openbaar lichaam is personeel werkzaam
2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, geschiedt aanstelling, schorsing en ontslag van personeel door het Dagelijks Bestuur
3.
Het Dagelijks Bestuur kan de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden tot het aanstellen, schorsen en ontslaan van personeel van het openbaar lichaam mandateren aan de directeur publieke gezondheid
Rechtspositie personeel
Artikel 34 1.
Voor het personeel van het openbaar lichaam geldt de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties en de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling Ambulancezorg
2.
Het DB kan aanvullend op voornoemde CAO’s personele regelingen vastleggen in een verordening
HOOFDSTUK 12 FINANCIELE BEPALINGEN
Kadernota
Artikel 35 Het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam zendt voor 30 april van het jaar voorafgaande aan waarvoor de begroting dient de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten.
Begroting
Artikel 36 1.
Het Dagelijks Bestuur stelt elk jaar een ontwerpbegroting op van het openbaar lichaam overeenkomstig het bepaalde in artikel 186 tot en met 213 Gemeentewet, alsmede het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten
2.
De ontwerpbegroting gaat vergezeld van een meerjarenraming en geeft inzicht in de kosten per pijler
3.
De ontwerpbegroting wordt, minimaal 12 weken voordat deze wordt vastgesteld door het Algemeen Bestuur, aan de raden van de deelnemende gemeenten gezonden om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze kenbaar te maken
4.
Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting zoals deze aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden
5.
Het Dagelijks Bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede de conclusies die het daaraan verbindt
6.
De inlichtingen zoals bedoeld in lid 5 worden verstrekt door middel van het toezenden van stukken of het verwijzen naar de vindplaats van stukken via de griffies
7.
Het Dagelijks Bestuur stuurt de door het Algemeen Bestuur vastgestelde begroting vóór 15 september van het jaar voorafgaand aan dat jaar waarvoor de begroting dient op aan het college van gedeputeerde staten.
8.
Op begrotingswijzigingen, die: a.
leiden tot aanpassingen in de inwonerbijdrage van gemeenten
b.
het Algemeen Bestuur om andere redenen aan de gemeenten wil voorleggen, is het bepaalde in het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing
Jaarrekening
Artikel 37 1.
Het Dagelijks Bestuur stelt elk jaar de ontwerp jaarrekening van het voorgaande jaar op
2.
Het Algemeen Bestuur stelt de jaarrekening vast vóór 10 juli van het jaar volgend op het verslagjaar
3.
Het Dagelijks Bestuur stuurt de door het Algemeen Bestuur vastgestelde jaarrekening vóór 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarvoor de jaarrekening geldt op aan het college van gedeputeerde staten en aan de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten
4.
Het Dagelijks Bestuur informeert de colleges tijdig over de gerealiseerde programmakosten en nadere informatie die noodzakelijk is voor de door de deelnemende gemeenten op te stellen jaarrekeningen
Verdeling van de kosten
Artikel 38 1.
1.
De kosten die verband houden met de taken zoals genoemd in artikel 4 worden bestreden uit: a.
inwonerbijdragen van de gemeenten voor het uitvoeren van de gezamenlijke taken
b.
algemene bijdragen van de gemeenten
c.
vergoeding van de gemeenten voor de uitvoering van de contracttaken
d.
vergoeding van niet deelnemende gemeenten en van derden voor de uitvoering van contracttaken;
e.
rijksbijdragen
f.
overige inkomsten De bijdragen van de deelnemende gemeenten als genoemd in het eerste lid, onder a, worden verdeeld naar rato van het aantal inwoners van iedere gemeente, per 1 januari van het direct voorafgaande kalenderjaar, overeenkomstig de aantallen zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek deze openbaar gemaakt heeft
2.
Het Algemeen Bestuur kan besluiten in specifieke gevallen een uitzondering op het principe van verdeling naar inwoneraantal te maken
3.
De algemene bijdragen van gemeenten worden door het Algemeen Bestuur situationeel bepaald en met de betrokken gemeenten overeengekomen
4.
De tarieven voor de vergoeding van uitvoering van contracttaken, als bedoeld in het eerste lid, onder c en d, worden vastgesteld door het Dagelijks Bestuur
5.
De gemeenten betalen bij wijze van voorschot ieder kwartaal telkens een kwart van de verschuldigde jaarlijkse inwonerbijdrage en algemene bijdrage
6.
Bij opzegging van de uitvoering van gezamenlijke taken of van langdurige contracttaken met een substantiële omvang, vergoedt de betrokken gemeente aan de GGD Brabant-Zuidoost het daaruit voortvloeiende financiële nadeel, zoals het Algemeen Bestuur dit situationeel vaststelt
7.
Indien door het Dagelijks Bestuur besloten wordt tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst met een van de deelnemende gemeenten als bedoeld in artikel 5, vierde lid, dan geldt hierbij als uitgangspunt dat hiervoor door de betreffende gemeente enkel in rekening gebracht kunnen worden de toe te rekenen personeelskosten plus gemeentelijke overhead
Verplichte uitgaven
Artikel 39 Wanneer aan het Algemeen Bestuur blijkt dat de raad van een deelnemende gemeente niet voldoet of zal voldoen aan het gestelde in artikel 38, doet het Algemeen Bestuur aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot overeenkomstige toepassing van artikel 194 van de Gemeentewet.
Financiële gegoedheid
Artikel 40 1.
De deelnemende gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan alle verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen
2.
Indien aan het Algemeen Bestuur van het openbaar lichaam blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het Algemeen Bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet
3.
In geval van opheffing van het openbaar lichaam GGD-BZO zijn de deelnemende gemeenten gehouden alle financiële verplichtingen na te komen die voortvloeien uit het door het Algemeen Bestuur vastgestelde liquidatieplan als bedoeld in artikel 46
Financiële voorschriften
Artikel 41 1.
Het Algemeen Bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten vast voor het financieel beleid alsmede het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan
2.
Deze verordening als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval regels over: a.
waardering en afschrijving van activa
b.
algemene doelstellingen en te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening
3.
Het Algemeen Bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financieel beheer en de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst
4.
Het Algemeen Bestuur wijst de accountant aan die belast wordt met de controle op de in artikel 34 genoemde jaarrekening. Het hierover gestelde in artikel 213 van de gemeentewet is van overeenkomstige toepassing
5.
De accountant zendt de accountantsverklaring en een verslag van bevindingen aan het Algemeen Bestuur
6.
Het openbaar lichaam verzekert zich tenminste tegen:
7.
a.
burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade aan personen en goederen
b.
wettelijke aansprakelijkheid voor vermogensschade Als de verzekering een voor rekening van het openbaar lichaam komende schade niet dekt wordt deze gedragen door het openbaar lichaam
HOOFDSTUK 13 ARCHIEF
Artikel 42 1.
Archiefzorg
Het Dagelijks Bestuur is zowel belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam als met de zorg voor de archiefbescheiden die worden gevormd krachtens de gedelegeerde taken
2.
Het Dagelijks Bestuur is gemandateerd om uitvoering te geven aan het zorgdragerschap voor de archiefbescheiden die worden gevormd krachtens de gemandateerde taken
3.
De uitvoering van hetgeen bepaald in lid 1 en 2 geschiedt overeenkomstig een door het Algemeen Bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995, vast te stellen archiefverordening, die aan het college van Gedeputeerde Staten moet worden medegedeeld
4.
Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4 lid 1 van de Archiefwet 1995
Artikel 43 1.
Archiefbeheer
De directeur c.q. secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden als bedoeld in artikel 42, lid 1 en 2, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats
2.
Het Dagelijks Bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden als bedoeld in lid 1, met inachtneming van het bepaalde in de archiefverordening zoals genoemd in artikel 42, lid 3
Artikel 44 1.
Archiefbewaarplaats
Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de gemandateerde taken is aangewezen de archiefbewaarplaats van de deelnemende gemeente(n)
2.
Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van het openbaar lichaam is aangewezen de archiefbewaarplaats van het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven (RHCe)
Artikel 45 1.
Toezicht
Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de gemandateerde taken is belast de archivaris van de deelnemende gemeente(n)
2.
Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam is belast de streekarchivaris van het RHCe
Artikel 46 1.
Terbeschikkingstelling archiefbescheiden
De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken
2.
In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling
Artikel 47 1.
Verantwoording
De archivaris van het RHCe brengt jaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats
2.
De archivaris van de deelnemende gemeente(n) brengt jaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de gemandateerde taken, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats
3.
Het dagelijks bestuur brengt jaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer, als bedoeld in artikel 42, lid 1 en 2 en artikel 43, lid 1
HOOFDSTUK 14 EVALUATIE VAN DEZE REGELING OF HET BELEID
Artikel 48 1.
Het Algemeen Bestuur kan, eventueel op voorstel van individuele leden of op verzoek van een of meerdere colleges of raden, besluiten tot het houden van een evaluatie van deze regeling
2.
Het Algemeen Bestuur bepaalt hierbij wat de concrete vraagstelling is, wat de reikwijdte van de evaluatie is en welke procedure wordt gevolgd
3.
Het Algemeen Bestuur rapporteert aan de colleges en raden het resultaat van de uitgevoerde evaluaties onder vermelding van de daaruit getrokken conclusies
4.
Het Algemeen Bestuur kan in het kader van een specifiek besluit of agendapunt ertoe besluiten om ingezetenen van de gemeenten en belanghebbende te betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid zoals ‘beschreven’ in artikel 10, zevende lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen
HOOFDSTUK 15 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, OPHEFFING
Toetreding
Artikel 49 1.
Toetreding van een college tot de gemeenschappelijke regeling vindt slechts plaats naar aanleiding van de indeling van regio’s als bedoeld in de Wet veiligheidsregio’s of in geval van een samenvoeging van twee of meer regio’s
2.
Het Algemeen Bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan hier nadere voorwaarden aan verbinden
3.
Tenzij bij of krachtens enig wettelijk voorschrift anders is bepaald, vindt toetreding plaats met ingang van 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de voor toetreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden, het college van de toetredende gemeente daartoe heeft besloten en voldoet aan de eventueel door het Algemeen Bestuur aan de toetreding verbonden voorwaarden
Uittreding
Artikel 50 1.
Indien het uittreden van een gemeente leidt tot overdracht van materiaal, materieel of gebouwen van de regeling dan vindt de overdracht ervan plaats tegen boekwaarde op de uittredingsdatum
2.
Over de overdracht van personeel worden in goed overleg afzonderlijke afspraken gemaakt
3.
Indien het uittreden van een gemeente leidt tot een daling van opbrengsten worden de negatieve financiële gevolgen ervan aangemerkt als frictie- en desintegratiekosten, deze worden als volgt over een periode van drie jaar door het uittredend bestuursorgaan gecompenseerd: Het eerste jaar na uittreding voor 100%, het tweede jaar 66% en het derde jaar 33% van deze kosten
4.
De frictie- en desintegratiekosten worden als volgt bepaald, de daling van opbrengsten vermindert met de directe kosten op jaarbasis van de overgedragen taken, materiaal, materieel, gebouwen en personeel
5.
Voor het opgebouwde vermogen (reserves) dat kan worden toegerekend aan de uittredende gemeente vindt compensatie plaats naar rato van de verdeelsleutel
6.
Voorzieningen worden alleen overgedragen voor het onderdeel dat betrekking heeft op overdragen taken, materiaal, materieel, gebouwen en personeel
7.
Op uittreding van een college uit de gemeenschappelijke regeling is artikel 46 van overeenkomstige toepassing
Wijziging
Artikel 51 1.
Een voorstel tot wijziging van deze gemeenschappelijke regeling kan worden gedaan door het Algemeen Bestuur of door de colleges van ten minste zeven van de deelnemende gemeenten
2.
De gemeenschappelijke regeling wordt gewijzigd indien de colleges van de deelnemende gemeenten daartoe, met toestemming van de raden, eensluidend besluiten
3.
Het Algemeen Bestuur stelt dat de colleges en raden van de deelnemende gemeenten, zoals vereist op grond van artikel 1, tweede en derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, in de gelegenheid om bij het college een zienswijze naar voren te brengen over het ontwerp van de onderhavige gewijzigde regeling
4.
Het Algemeen Bestuur biedt de colleges en raden in het kader van de in het derde lid genoemde een termijn van minimaal twaalf weken om een zienswijze naar voren te brengen
Opheffing en liquidatie
Artikel 52 1.
De gemeenschappelijke regeling kan slechts worden opgeheven voor zover de Wet publieke gezondheid hier niet aan in de weg staat
2.
Een besluit tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt niet genomen voordat de colleges van alle deelnemende gemeenten na verkregen toestemming van de raden daarmee hebben ingestemd
3.
Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het Algemeen Bestuur tot liquidatie en treft daarvoor de nodige afspraken. Bij dat besluit kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken
4.
Het liquidatieplan wordt door het Algemeen Bestuur, nadat de raden van de deelnemende gemeenten hun zienswijze hebben kunnen inbrengen, vastgesteld. Voor zover mogelijk wordt het liquidatieplan gelijktijdig met het voorstel tot opheffing, aan de bestuursorganen van de deelnemende gemeenten voor inspraak respectievelijk ter besluitvorming voorgelegd
5.
Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging heeft voor het personeel
6.
Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorg dragen voor de nakoming van de verplichtingen van het openbaar lichaam
7.
Het Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie
8.
De organen van het openbaar lichaam blijven ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie volledig is voltooid
HOOFDSTUK 16 GESCHILLEN, KLACHTEN
Geschillen
Artikel 53 1.
Voordat over een geschil, als bedoeld in artikel 28 van de wet, de beslissing van gedeputeerde staten wordt ingeroepen, legt het Algemeen Bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie
2.
De commissie, genoemd in lid 1 wordt als volgt samengesteld: a.
één lid aan te wijzen door de colleges van de deelnemende gemeenten die in geschil zijn
b.
één lid, aan te wijzen door het Algemeen Bestuur
c.
één lid, aan te wijzen door de leden, bedoeld onder a. en b., met dien verstande, dat bij het ontbreken van overeenstemming tussen hen gedeputeerde staten dat lid aanwijzen
3.
De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen
4.
De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden om partijen tot overeenstemming te brenge
Klachten
Artikel 54 1.
Voor de behandeling van klachten als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt door het Algemeen Bestuur een voorziening getroffen
2.
Voor de behandeling van klachten in tweede aanleg, als bedoeld in titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht, kan het Algemeen Bestuur een voorziening treffen. Bij gebreke daaraan is de Nationale ombudsman bevoegd
HOOFDSTUK 17
SLOTBEPALINGEN
Inwerkingtreding
Artikel 55 Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 met ingang van de eerste dag na de bekendmaking in het gemeenteblad. De bekendmaking van deze regeling geschiedt door het college van de gemeente Eindhoven
Toezending
Artikel 56 De bij de wet voorgeschreven toezending van de wijziging van deze regeling aan gedeputeerde staten geschiedt door het college van de gemeente Eindhoven
Aanhaling
Artikel 57 Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost 2025”
Vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre
Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost - Toelichting
De Wet publieke gezondheid (Wpg) verplicht de colleges van gemeenten die samen een Veiligheidsregio vormen, een gezondheidsdienst in te stellen en in stand te houden voor de uitvoering van taken genoemd in die wet. De colleges hebben daarbij geen vrijheid in de keuze voor de rechtsvorm. De Wpg stelt het verplicht een gemeenschappelijke regeling te treffen waarbij een openbaar lichaam wordt ingesteld.
De functies van de GGD - preventie en acute zorg - zijn bij uitstek overheidstaken, uit te voeren door de gemeentelijke gezondheidsdienst. De gemeente formuleert zijn gezondheidsbeleid en stuurt de GGD vanuit dat kader aan. De GGD moet dan ook genoeg keuzevrijheid bieden en voldoende flexibel zijn om aan te sluiten op de lokale wensen. Maar hij moet ook bedrijfsmatig optimaal kunnen opereren om daarmee de risico's voor de gemeenten te minimaliseren.
De uitgangspunten bij de vormgeving van de bestuurlijke structuur zijn dan ook: •
gemeenten hebben een regierol. Daarnaast moeten zij de GGD zo nodig direct kunnen inzetten
•
er moet ruimte zijn voor gemeenten om de GGD zowel individueel als gezamenlijk aan te sturen
•
de GGD functioneert binnen de (gemeentelijke) kaders als een zelfstandige, professionele organisatie
•
gemeenten moeten kunnen ingrijpen als de GGD de taken niet goed uitvoert
Van belang is dat de GGD een slagvaardige bedrijfsvoering kan voeren, die leidt tot het behalen van de door de gemeenten geformuleerde doelen. Daarbij kunnen de gemeenten inhoudelijke kaders stellen en op afstand toezicht houden op het beheer van de GGD. Het Algemeen Bestuur richt zich vooral op de beleidskaders, de begroting en de rekening. Het Dagelijks Bestuur richt zich vooral op het toezicht op de directie.
In het najaar van 2015 is de Gemeenschappelijke regeling van de GGD Brabant Zuidoost grondig gewijzigd. Aanleiding voor het in procedure brengen van deze wijziging is voornamelijk een herziening van de Wet gemeenschappelijke regelingen. In deze wet zijn per 1 januari 2014 enige duale elementen in de van oorsprong monistische verhouding tussen Dagelijks Bestuur en Algemeen Bestuur doorgevoerd. Ook is de positie van de gemeenteraden/staten ten opzichte van het bestuur van het openbaar lichaam versterkt.
De duale elementen vindt u terug in het opnemen van eigen bevoegdheden van het Dagelijks Bestuur van de GGD in artikel 16 van de GR en in het vestigen van een actieve informatieplicht van leden van het Dagelijks Bestuur richting het Algemeen Bestuur in artikel 27. Ook het Algemeen Bestuur zelf heeft meer explicietere bevoegdheden gekregen.
De versterkte rol van de gemeenteraden komt tot uitdrukking in een uitgebreide inlichtingenplicht van het bestuur van het openbaarlichaam richting GS/colleges en staten/raden. De verantwoording die een lid van het Algemeen Bestuur aan het bestuursorgaan dat hem heeft aangewezen, dient af te leggen, kan in het uiterste geval bovendien resulteren in een ontslag als lid. Dat was al geregeld in de wetswijziging in 2015.
Een ander instrument dat al eerder geïntroduceerd was in de GR om de positie van de raden bij de besluitvorming door het openbaar lichaam, te verstevigen is de voorhangprocedure. Bij dossiers die de kwalificatie majeur verdienen, bijvoorbeeld omdat er politieke implicaties aan verbonden zijn, kan het Algemeen Bestuur ervoor kiezen eerst het gevoelen van de raden/staten in te winnen voordat zij daarover een besluit neemt. Deze procedurestap is in ieder geval al verplicht bij het oprichten of deelnemen in privaatrechtelijke rechtspersonen door het openbaar lichaam en bij het instellen van een bestuurscommissie.
Tot slot was de invloed van de raden op het functioneren van het openbaar lichaam in 2015 al vergroot door een evaluatiebepaling in de Gr op te nemen. Het Algemeen Bestuur zal nadrukkelijker dan nu het geval is het resultaat van uitgevoerde evaluaties rapporteren aan de deelnemers. Via de wetswijziging in 2022 is de positie/invloed van raden versterkt door de verruiming van mogelijkheden om een zienswijze aan raden te vragen, aanscherping van de informatieplicht door het bestuursorgaan en verruiming van de zienswijze termijn.
De overige wijzigingen van de GR dragen een min of meer technisch karakter. Deze wijzigingen zijn ook terug te vinden in de GR van andere openbare lichamen waaraan de colleges/raden deelnemen. De GR van de GGD is gemodelleerd naar de voorbeelden van die uitvoeringsorganisaties. Achterliggende gedachte daarbij is dat een eenduidige redactie van complexe regelingen zoals die van een openbaar lichaam bijdraagt aan een beter begrip van dit soort verbonden partijen.
De gelegenheid is tot slot te baat genomen om enige overige wetstechnische onvolkomenheden te herstellen.
Artikelgewijze toelichting
Artikel 2 - Algemeen Het openbaar lichaam GGD heeft rechtspersoonlijkheid en kan uit dien hoofde zelfstandig aan het rechtsverkeer deelnemen. De wet bepaalt dat in de regeling de vestigingsplaats benoemd moet worden. Het betreft de statutaire vestigingsplaats van het openbaar lichaam. Dit is onder meer van belang voor de inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
Artikel 3 - Belang en doel Doel, belang en taken van de GGD dienen in de GR beschreven te worden. De Wet laat gemeenten vrij hoe zij dat doen en er geldt daarbij slechts één beperking: het openbaar lichaam kan niet zelf besluiten om de taken en bevoegdheden uit te breiden. Hier moet dus altijd een besluit van de deelnemers aan ten grondslag liggen. Het is belangrijk dat de omschrijving van doel en belang en taken afdekt waarvoor men de GGD in stand houdt en dat de omschrijving robuust is, d.w.z. dat de beschrijving enige jaren meekan. Een te algemene beschrijving geeft te weinig sturing, daarentegen is het nadeel van een te concrete beschrijving dat de GR voortdurend moet worden aangepast door verandering in de werkelijkheid. Het gaat om het vinden van een goede balans. Over het algemeen is er draagvlak voor het algemene doel van de GGD: een bijdrage te leveren aan de publieke gezondheidszorg en de ambulancezorg. De GGD is in 2021 door de minister aangewezen als de aangewezen organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de ambulancezorg in de regio BZO (zowel de meldkamer als de rijdienst). Het belang van de GGD kan worden gezien in het bundelen en beschikbaar stellen van (deskundige) menskracht en middelen om de doelstelling te realiseren.
Artikel 4 - Taken Bij de omschrijving van de taken is een onderscheid gemaakt in gezamenlijke taken en contracttaken. Gezamenlijke taken worden zoals het bijvoeglijk naamwoord al suggereert uitgevoerd voor alle deelnemers. In het eerste lid van artikel 4 worden de gezamenlijke taken onderverdeeld in drie categorieën: 1.
gemeentelijke taken die ingevolge de Wpg verplicht aan de GGD belegd dienen te worden
2.
taken die op grond van andere, sectorale wetgeving, aan de GGD zijn toevertrouwd
3.
aan gemeenten wettelijk voorgeschreven taken ten aanzien waarvan de deelnemers besloten hebben die aan de GGD op te dragen. Zij passen binnen de doelomschrijving van artikel 3. De gezamenlijke taken worden overwegend gefinancierd uit de jaarlijkse inwonerbijdrage van de deelnemers en voorts uit algemene bijdragen en rijksbijdragen