2026-18 RIB Bijlage Update Beethoven Wonen - Regeling specifieke uitkering woningbouwversnelling MRE
Tekst van het document
15
Staatscourant 2025 nr. 22720
9 juli 2025
bouw van de eerste woning binnen twee jaar naar de beschikkingsdatum. Deze eis is eruit gehaald. Hier zijn meerdere redenen voor. Uit de reacties blijkt dat dit voor veel projecten haalbaarder is. Om die reden is ervoor gekozen om de startbouwdeadline voor de laatste woning op 31 december 2030 te zetten. De verwachting is dat een latere deadline drempelverlagend zal zijn voor het doen van een aanvraag. Het loslaten van de deadline voor de startbouw van de eerste woningen beperkt bovendien de administratieve lasten voor gemeenten en vergemakkelijkt de monitoring van projecten. Het aanhouden van één startbouwdatum, startbouw van de laatste woning, is tevens eerlijker voor verschillende projecten. Bij de bouw van een flatgebouw is de start van de eerste woning ook de start van de laatste woning. Bij de bouw van grondgebonden woningen kan de eerste woning veel eerder worden gebouwd dan de laatste woning. Door enkel de startbouwdatum van de laatste woning te monitoren wordt dit verschil weggenomen. Ten slotte zou de eerste startbouwdeadline in latere tranches problematisch worden, omdat de verplichte start binnen twee jaar steeds dichter bij de uiterste startdatum van 31 december 2030 zou komen te liggen, waardoor de uitvoerbaarheid van projecten in het gedrang zou komen. Om voor subsidie in aanmerking te komen moeten dus beide onderstaande deadlines worden gehaald.
1) Startbouw van de laatste woning uiterlijk op 31 december 2030. 2) Realisatie van alle woningen uiterlijk op 31 december 2033.
10. Overgangsrecht en inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit is niet overeenkomstig de vaste verandermomenten en de standaard invoeringstermijn van drie maanden tussen bekendmaking en inwerkingtreding. Dit wordt ondervangen door de aanvraagperiode pas op 15 september 2025 te starten. Er zitten daarmee ruim twee maanden tussen de bekendmaking van de regeling en de datum waarop MRE-gemeenten daadwerkelijk hun aanvraag kunnen indienen bij RVO. MRE-gemeenten hebben hierdoor ruim twee maanden om hun aanvraag voor te bereiden als zij deze meteen op 15 september 2025 willen indienen. Ook is de maand september al in een vroeg stadium gecommuniceerd met de 21 MRE-gemeenten, zodat zij hier in hun planning rekening mee kunnen houden. RVO heeft tot slot aangegeven ongeveer twee maanden nodig te hebben om zich voor te bereiden op de uitvoering van deze regeling. Hiervoor kan de periode tot aan 15 september 2025 worden benut.
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsbepalingen Dit artikel bevat een aantal begripsbepalingen. Een aantal daarvan wordt hieronder extra toegelicht. Afgebakend projectgebied De aanvraag dient betrekking te hebben op een project met een afgebakend gebied. Er is sprake van een afgebakend projectgebied indien de verschillende elementen binnen het project een logische samenhang hebben. Er kan op verschillende manieren sprake zijn van samenhang binnen een projectgebied: financieel, geografisch of organisatorisch. In de aanvraag moet onderbouwd worden dat sprake is van samenhang op ten minste twee van de genoemde soorten. Organisatorische samenhang kan worden gemotiveerd met overkoepelende projectdocumentatie. Hieruit blijkt bijvoorbeeld dat het gehele gebied waarvoor een aanvraag wordt ingediend wordt vastgelegd in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan (niet zijnde een omgevingsvisie) of dat sprake is van een interne projectorganisatie die het gehele gebied als scope heeft met bijbehorende budgetten en mandaat. Geografische samenhang kan worden aangetoond door kaartmateriaal en een beschrijving. Hieruit blijkt bijvoorbeeld dat de woningbouw in een aaneengesloten gebied wordt gerealiseerd.
Financiële samenhang kan worden aangetoond als het project is ondergebracht in een integrale businesscase en/of gebieds-/grondexploitatie en daarmee een sterke onderlinge afhankelijkheid heeft doordat opbrengsten en kosten van het gehele gebied met elkaar worden verrekend. Het voldoen aan één van de drie soorten samenhang is onvoldoende omdat daarmee niet noodzakelijkerwijs een logische samenhang is van de verschillende elementen binnen een project. Tegelijkertijd is
16
Staatscourant 2025 nr. 22720
9 juli 2025
een eis dat een aanvraag alle drie de soorten van samenhang heeft te strikt. Het voldoen aan twee soorten van samenhang geeft een balans tussen enerzijds het aantonen van een logische samenhang van de elementen binnen een project waardoor een rijksbijdrage is gelegitimeerd. Anderzijds geeft dit gemeenten wel flexibiliteit omdat er ook locaties in aanmerking komen waarbij niet voldaan wordt aan één van de drie soorten samenhang. Betaalbare woning Het begrip betaalbare woning bestaat uit drie categorieën woningen: 1) sociale huurwoningen, 2) middenhuurwoningen en 3) betaalbare koopwoningen. Voor deze begrippen en de daarbij in aanmerking te nemen huur- of koopgrenzen is aangesloten bij bestaande begrippen en grenzen in de vigerende wet- en regelgeving. De bovengrens voor een sociale huurwoning betreft maximaal de huurtoeslaggrens (in 2025: € 900.07 per maand). Dat bedrag wordt met ingang van 1 januari van elk jaar geïndexeerd op grond van de Wet op de huurtoeslag. Voor een middenhuurwoning geldt als bovengrens de maximale huurprijs behorende bij de liberalisatiegrens, de grens tussen het gereguleerde huursegment en het vrije huursegment. In artikel 2, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte staat bij welk puntenaantal deze grens ligt. Op dit moment ligt de liberalisatiegrens op 186 punten, waarbij een huurprijs hoort van € 1.184,82 per maand (prijspeil 2025).
Met de 10% nieuwbouwopslag uit artikel 8a, vierde lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte is dit € 1.303,30 per maand. De nieuwbouwopslag kan alleen toegepast worden als de bouw van de woonruimte voor 1 januari 2028 is gestart. De bedragen worden elk jaar gewijzigd overeenkomstig de Wet op de huurtoeslag (artikel 12, tweede lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte). Er is gekozen voor een dynamische verwijzing naar artikel 2, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte, omdat de mogelijkheid van een verschuiving van de liberalisatiegrens is opgenomen in de Voorjaarsbesluitvorming.7 Door het gebruik van een dynamische verwijzing hoeft deze regeling niet te worden gewijzigd op het moment dat de liberalisatiegrens zou verschuiven. Voor de derde categorie, betaalbare koopwoningen, geldt een bovengrens van € 405.000 (prijspeil 2025). Dit volgt uit artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014. De koopprijs wordt met ingang van elk jaar gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex (zie artikel 7, vierde lid, van de Huisvestingswet 2014). Studenteneenheid Een studenteneenheid wordt gedefinieerd als de onzelfstandige woonruimte, bedoeld voor de huisvesting van studenten. Voor de definitie van onzelfstandige woonruimte wordt verwezen naar artikel 1, tweede lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte.
Op grond van dit artikellid is een zelfstandige woning een woonruimte die voldoet aan de omschrijving in artikel 7:234 BW en die wordt bewoond door óf maximaal twee personen óf drie of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding hebben. Op het moment dat de woning niet voldoet aan deze criteria, is sprake van een onzelfstandige woonruimte. Omdat de huurprijs voor onzelfstandige woonruimten altijd wordt gereguleerd op basis van het WWSO, is ervoor gekozen om bij de definitie van een studenteneenheid geen maximale huurprijs op te nemen. MRE-gemeenten De specifieke uitkering op grond van deze regeling kan enkel worden aangevraagd door het college van burgemeester en wethouders van een MRE-gemeente. Een MRE-gemeente is een gemeente die is aangesloten bij de gemeenschappelijke regeling Metropoolregio Eindhoven 2024. Hieronder vallen de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen c.a., Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre.
Artikel 3 Activiteiten waarvoor een specifieke uitkering kan worden verstrekt In artikel 3 zijn voorwaarden gesteld aan de projecten waarvoor een aanvraag kan worden ingediend en waar op grond van deze regeling aan getoetst wordt. Een aantal worden hieronder extra toegelicht. Een project dat in de uitvoerende fase zit (ook wel: de bouwfase) komt op grond van het eerste lid, onderdeel b niet voor een specifieke uitkering in aanmerking. Zulke woningbouwprojecten hebben
7
17
Kamerstukken II 2024/25, 36 725, nr. 1, p. 208.
Staatscourant 2025 nr. 22720
9 juli 2025
een sluitende begroting en kunnen dus ook zonder een rijksbijdrage gerealiseerd worden. Onderdeel d van het eerste lid stelt als voorwaarde dat de MRE-gemeenten een financiële bijdrage van ten minste 25% van het aantoonbare financiële tekort leveren. Om de middelen zo effectief mogelijk te besteden moet er een bepaalde hardheid zijn dat deze additionele financiële middelen beschikbaar komen. Een eventuele bijdrage van de beoogde Realisatiestimulans kan niet worden ingezet als cofinanciering van hetzelfde project waarvoor die bijdrage zal worden toegekend. Dit heeft ermee te maken dat de bijdrage pas beschikbaar wordt na startbouw van de woningen binnen dat project. Nadat de bijdrage van de beoogde Realisatiestimulans door de gemeente is ontvangen, is deze uiteraard wel vrij besteedbaar. De middelen kunnen vanaf dat moment bijvoorbeeld wel worden ingezet als cofinanciering bij een ander project. Op grond van het tweede lid is vereist dat het project niet (alleen) direct op de bouw van woningen is gericht, maar dat hetgeen met het project bewerkstelligd wordt een noodzakelijke voorwaarde is voor het realiseren of versnellen van de bouw van ten minste veertig woningen. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om veertig zelfstandige woningen, veertig onzelfstandige studenteneenheden of een combinatie van beide categorieën. Het gaat om de netto-toevoeging van woningen.
Als er tevens woningen gesloopt worden in het project, dient het aantal gesloopte woningen afgetrokken te worden van het aantal opgeleverde woningen, om zo het totaal aantal toegevoegde woningen te berekenen. Het is mogelijk dat de toevoeging van ten minste veertig woningen in het projectgebied gefaseerd wordt gerealiseerd. Het is wel de bedoeling dat er met een aanzienlijk deel van de woningbouw wordt begonnen en dat de fasering niet te veel wordt uitgespreid. In de beoordeling zal de fasering van de woningbouw ook meegenomen worden onder de hardheid van het project. Binnen een project moet 50% van de woningen een betaalbare woning of een studenteneenheid zijn. Binnen de vereiste 50% is de verhouding tussen betaalbare zelfstandige woningen en studenteneenheden niet relevant. Binnen een project kan worden gekozen voor 50% betaalbare zelfstandige woningen, 50% onzelfstandige studenteneenheden, of een combinatie daarvan (bijvoorbeeld 40% betaalbare zelfstandige woningen en 10% studenteneenheden).
Artikel 4 Uitkeringsplafond Er is € 122,5 miljoen beschikbaar voor specifieke uitkeringen aan MRE-gemeenten die voldoen aan de voorwaarden en procedures uit deze regeling. Dit bedrag is inclusief btw. De middelen zullen beschikbaar worden gesteld in verschillende tranches, met één tranche per jaar tot en met 2028. Op grond van het derde lid stelt de minister een uitkeringsplafond vast voor de verschillende tranches. Dit uitkeringsplafond wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 5 Hoogte van de specifieke uitkering Het aantoonbare financiële tekort ontstaat voor een gemeente als de bouw van betaalbare woningen in een gebiedsontwikkeling niet kostendekkend is, en waardoor een woningbouwproject niet of onvoldoende betaalbaar kan starten. Het aantoonbare financiële tekort en de financiële bijdrage van minimaal 25% van dit financiële tekort worden in kaart gebracht door de bij de aanvraag ingediende haalbaarheidsstudie, waaronder een begroting. Hieruit blijkt ook het maximaal mogelijke kostenverhaal dat is betrokken en de mate waarin de mogelijkheden voor planoptimalisatie zijn benut. Publieke opbrengsten, die zijn verbonden aan het project, worden in mindering gebracht op het aantoonbare financiële tekort. Een voorbeeld van zo’n publieke opbrengst is de beoogde Realisatiestimulans. Het bedrag waarvoor een specifieke uitkering kan worden aangevraagd is het resterende financiële publieke tekort, dus het totale financiële publieke tekort minus de publieke opbrengsten en minus de financiële bijdrage van minimaal 25%. Daarnaast bedraagt de hoogte van de specifieke uitkering minimaal € 125.000. Dit betekent dat projecten enkel in aanmerking komen voor een specifieke uitkering op grond van deze regeling als hun aantoonbaar financieel tekort minus de substantiële financiële bijdrage en de publieke opbrengsten minimaal € 125.000 bedraagt.
Dit heeft te maken met de uitvoeringskosten van de regeling en de kosten die gemaakt worden bij de beoordeling van aanvragen. De inzet van een toetsingscommissie is niet proportioneel bij aanvragen kleiner dan € 125.000.8
Artikel 6 Aanvraag Het beschikbare bedrag van € 122,5 miljoen zal in meerdere tranches beschikbaar worden gesteld. Het 8
18
Ministerie van Financiën, Raamwerk uitvoering subsidies 2020.
Staatscourant 2025 nr. 22720
9 juli 2025
eerste lid van artikel 6 maakt de aanvraagperiode voor de eerste tranche in 2025 bekend. Met betrekking tot de andere tranches heeft de minister op grond van het tweede lid de bevoegdheid om de openingsdata en sluitingsdata van de aanvraagperiode vast te stellen. Deze data zullen uiterlijk zes weken voorafgaand aan de opening van het aanvraagtijdvak bekend worden gemaakt in de Staatscourant. Het derde lid bevat de onderdelen waaruit een aanvraag van een gemeente ten minste moet bestaan. Als één of meerdere van de hier gevraagde gegevens niet wordt aangeleverd bij de aanvraag, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Dat is geregeld in artikel 7, eerste lid, waaruit blijkt dat alleen volledige aanvragen deel uitmaken van de rangschikking. Tevens is in artikel 4:5, eerste lid, onder a en c, Awb geregeld dat een bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking.
Een aantal van de indieningseisen wordt hier extra toegelicht: In de aanvraag dient te worden ingegaan op de vormgeving van het project (onderdeel a), door het omschrijven van de geplande activiteiten, de partijen die de activiteiten organiseren en uitvoeren en de wijze waarop dit bijdraagt aan het doel van deze regeling. Op grond van onderdeel a moet onder andere kwalitatief en kwantitatief worden omschreven op welke wijze het project voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3. Ook worden eventuele faseringen beschreven, inclusief welke fase betrekking heeft op de aanvraag voor een specifieke uitkering. In het kwantitatieve overzicht van het woningbouwprogramma wordt het aantal te bouwen woningen, de fasering van de woningbouw en in welke prijscategorie de woningen worden gerealiseerd in kaart gebracht. De verwachte begindatum, bedoeld in onderdeel a, onder 4°, betreft het ontgraven van de grond ten behoeve van de funderingswerkzaamheden van het gebouw; óf indien de funderingswerkzaamheden (met name heiwerk) plaatsvinden vóór het ontgraven van de grond, de start van het heiwerk van het gebouw; óf indien het tot de leveringsomvang van de Ondernemer behoort, het boren c.q. slaan van een zich onder het perceel van het onderhavige gebouw bevindende bron ten behoeve van (bijvoorbeeld) een WKO installatie.
De einddatum betreft de oplevering van de laatste woning binnen het betreffende project. Onderdeel b ziet op de haalbaarheidsstudie. De haalbaarheidsstudie bevat een begroting met de raming van de kosten per maatregel, inclusief onderbouwing. De specifieke uitkering is namelijk niet hoger dan het aantoonbare financiële tekort, minus de publieke opbrengsten en de eigen financiële bijdrage van de gemeente. In een begroting neemt een gemeente een overzicht op van de kosten van de publieke maatregelen en de publieke inkomsten uit bijvoorbeeld het wettelijke kostenverhaal. Uit de begroting moet het resterende financiële tekort blijken en op welke manier de betrokken medeoverheden de additionele financiële bijdrage van ten minste 25% borgen. Bijvoorbeeld door een voorgenomen besluit van het college van burgemeesters en wethouders. Voor het woningbouwproject wordt de fasering in de (ruimtelijke ordenings)procedures voorzien van een verwachte aanvangsdatum die per fasering wordt opgenomen en tevens wordt inzichtelijk gemaakt in welke fase het project zich ten tijde van de aanvraag bevindt. Ook wordt de hardheid van de realisatie van de planning en bijkomende risico’s in kaart gebracht.
Artikel 7 Rangschikking van aanvragen Uit artikel 7, eerste lid, blijkt dat de minister enkel volledige aanvragen, die voldoen aan de vereisten in artikel 3 en 6, beoordeelt. Alleen deze aanvragen maken deel uit van de rangschikking. In het tweede lid is bepaald dat die rangschikking wordt opgesteld op grond van de mate waarin aan de voorwaarden voor de verlening van de specifieke uitkering in artikel 3 is voldaan. De rangschikking vindt plaats op basis van behaalde scores bij de weging van de in het tweede lid gestelde criteria. Aan de hand van de beoordelingscriteria geeft de Toetsingscommissie Woningbouwimpuls een score aan een aanvraag en beoordeelt zij zodoende in welke mate de aanvraag voldoet aan de doelen van de deze regeling. In het derde lid wordt verwezen naar de bijlage met daarin een nadere toelichting op de drie hoofdcriteria en het beoordelingskader met de nadere uitwerking van deze criteria. Het is aan de toetsingscommissie om tot een score voor het hoofdcriterium te komen. In het vierde lid is geregeld hoe de positie op de ranglijst wordt bepaald indien twee of meer aanvragen dezelfde scores hebben behaald en een toekenning van die aanvragen gezamenlijk ertoe zou leiden dat het uitkeringsplafond van het betreffende aanvraagtijdvak wordt overschreden. In dat geval zal de deelscore op effectiviteit doorslaggevend zijn.
Ter voorbeeld: vier aanvragen behalen een gelijke totaalscore. Eén van de vier aanvragen behaalt de hoogste score op het criterium effectiviteit,
19
Staatscourant 2025 nr. 22720
9 juli 2025
diens positie op de ranglijst staat daarmee vast. De overige drie aanvragen behalen een lagere, maar aan elkaar gelijke score op dat criterium. Dan is het dus nog niet mogelijk om die drie aanvragen onderling te rangschikken. Voor die situatie biedt het vijfde lid uitkomst. In dat lid is bepaald dat indien er na toepassing van het voorgaande nog steeds meerdere aanvragen gelijk scoren, de positie op de rangschikking van die aanvragen onderling bepaald wordt door de gevraagde bijdrage per gerealiseerde woning in de aanvraag. Dat is het gevraagde uitkeringsbedrag, gedeeld door het aantal toegevoegde woningen. Met woning wordt hier bedoeld: zelfstandige woningen en onzelfstandige studenteneenheden. Het zesde lid gaat tot slot over de situatie dat het uitkeringsplafond van een tranche wordt overschreden. In dat geval is het mogelijk om de aanvraag toch toe te wijzen en het restant van de specifieke uitkering ten laste te brengen van het uitkeringsplafond van het eerstvolgende aanvraagtijdvak. Ter illustratie: een MRE-gemeente vraagt € 350.000 euro aan voor een project. Echter, er is nog maar € 200.000 over van het budget voor de desbetreffende tranche van de regeling. De minister kan er dan voor kiezen om de aanvraag toch toe te kennen en de overgebleven € 150.000 in mindering te brengen op het uitkeringsplafond van de daaropvolgende tranche.
In dit geval kan de specifieke uitkering in twee keer uitbetaald worden aan de MRE-gemeente.
Artikel 8 Uitkeringsbeschikking In het eerste lid is de beslistermijn voor de minister geregeld. De opgenomen beslistermijn van dertien weken beslaat de maximale termijn. De minister kan pas beslissen op de aanvraag, nadat de Toetsingscommissie Woningbouwimpuls advies heeft uitgebracht (tweede lid).
Artikel 9 Afwijzingsgronden In artikel 9 zijn de afwijzingsgronden opgenomen. De weigeringsgrond in het tweede lid, onderdeel b hangt samen met het doel van de regeling, bedoeld in artikel 2. Indien de aanvraag voor een specifieke uitkering ziet op een dusdanig hoog bedrag dat het realiseren van de doelstelling van 17.000 extra woningen en 2.280 studenteneenheden in gevaar komt, kan de minister de aanvraag afwijzen. Het gaat daarbij om projecten met een zeer groot aantoonbaar financieel tekort, waardoor het beschikbaar gestelde bedrag (€ 122.5 miljoen) onvoldoende is om in totaal 17.000 extra woningen en 2.280 studenteneenheden in de MRE te realiseren. Ook kan de minister op grond van het tweede lid, onderdeel c de aanvraag afwijzen als de toekenning zou leiden tot een onevenwichtige spreiding van de beschikbare middelen binnen de regio. Er is onder andere sprake van een onevenwichtige spreiding als de totale omvang van specifieke uitkeringen die zijn toegekend aan een gemeente te veel uit te pas loopt met de woningbouwopgave van deze gemeente.
Artikel 10 Verplichtingen voor de ontvanger van de specifieke uitkering Dit artikel bevat verplichtingen voor de ontvanger van de specifieke uitkering. Er is opgenomen dat uiterlijk op 31 december 2030 met de aanvang van de woningbouw van alle woningen uit de aanvraag moet zijn begonnen en dat de laatste woning uiterlijk op 31 december 2033 moet zijn gerealiseerd. Het moment van aanvang van de woningbouw is het moment van het ontgraven van de grond ten behoeve van de funderingswerkzaamheden van het gebouw; óf indien de funderingswerkzaamheden (met name heiwerk) plaatsvinden vóór het ontgraven van de grond, dan de start van het heiwerk van het gebouw; óf indien het tot de leveringsomvang van de Ondernemer behoort, het boren c.q. slaan van een zich onder het perceel van het onderhavige gebouw bevindende bron ten behoeve van (bijvoorbeeld) een WKO installatie. Het college van de MRE-gemeente die de specifieke uitkering ontvangt moet de minister informeren over de start van de bouwwerkzaamheden aan de laatste woning en de realisatie van de woningen. In de beschikking van de specifieke uitkering zal opgenomen worden hoe deze informatie medegedeeld moet worden. Daarnaast wordt in de uitkeringsbeschikking opgenomen hoe gemeenten om dienen te gaan met vertragingen in het project en wat hier de gevolgen van zijn voor de specifieke uitkering.
Op grond van het tweede lid moet het college van de MR-gemeente de minister informeren op het moment dat het uitvoeren van de activiteiten binnen het project afwijkt van de wijze die is beschreven in de uitkeringsbeschikking. Het derde lid regelt dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die een specifieke uitkering heeft ontvangen op verzoek de minister van informatie dient te voorzien over de voortgang van het project waar de specifieke uitkering voor is verstrekt. De minister kan tevens om periodieke informatie verzoeken. De gevraagde informatie kan bestaan uit een jaarlijkse rapportage
20
Staatscourant 2025 nr. 22720
9 juli 2025
over de voortgang van het project, dat mede wordt gefinancierd met de specifieke uitkering, en indien gewenst aanvullende ad hoc informatie.
Artikel 11 Terugvordering Op de specifieke uitkering is artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet van toepassing. Zie daarvoor ook paragraaf 7 van het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel 12 Toetsingscommissie Woningbouwimpuls In artikel 12 is geregeld dat de reeds ingestelde Toetsingscommissie Woningbouwimpuls belast is met de advisering van de minister over de toepassing van artikel 7, tweede lid, van deze regeling. De Toetsingscommissie Woningbouwimpuls is ingesteld met artikel 7, eerste lid, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020. Dat besluit en de daaronder liggende Regeling Woningbouwimpuls 2020 bevatten bepalingen over de samenstelling, werkwijze en ondersteuning van de toetsingscommissie. Artikel 12 van deze regeling heeft concreet tot gevolg dat de toetsingscommissie de projecten ten aanzien waarvan de MRE-gemeenten een aanvraag hebben ingediend beoordeelt en hierover advies uitbrengt aan de minister. Deze rol van de toetsingscommissie is vergelijkbaar met de rol die deze commissie heeft binnen het Besluit Woningbouwimpuls 2020 en de Regeling Woningbouwimpuls 2020. Wel is de inhoud en de onderlinge weging van de toetsingscriteria verschillend. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, M.C.G. Keijzer
21
Staatscourant 2025 nr. 22720
9 juli 2025