2025-50 RIB Bijlage Voortgang Beethovenregeling - Eerste informatie Regeling Bouwversnelling MRE-GREX
Tekst van het document
Eerste informatie “Regeling Bouwversnelling MRE” (GREX) Disclaimer: de regeling is nog in uitwerking/afstemming binnen VRO en zal naar verwachting in de week van 26 mei in een publieke internetconsultatie gaan. Ondanks dat onderstaande informatie zo zorgvuldig mogelijk uit de huidige concept regeling is overgenomen, zal de definitieve versie in deze consultatie (naast een meer uitgebreide toelichting) ook nog andere wijzigingen bevatten. Deze laatste versie vormt de basis voor de sessie op 4/6. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Bouwversnelling MRE. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op 1 september 2025. Doel regeling Deze regeling heeft tot doel om door middel van een specifieke uitkering aan MRE-gemeenten bij te dragen aan het verlagen van de publieke onrendabele top van een gebiedsontwikkeling, waardoor: a. het mogelijk maken en versnellen van de bouw van in totaal 17.000 extra zelfstandige woningen in de Metropoolregio Eindhoven bovenop de in de Woondeal afgesproken aantallen; en b. het realiseren van 2.280 extra studenteneenheden in de Metropoolregio Eindhoven. Voorwaarden en subsidiabele activiteiten 1. De minister kan op aanvraag van een college van een MRE-gemeente een specifieke uitkering verstrekken aan die gemeente voor bijdragen in projecten die: a.
bijdragen aan het realiseren of het versnellen van de bouw van betaalbare woningen; b. nog niet in de uitvoerende fase zijn (lees, waarvan de startbouw nog niet is aangevangen); c. noodzakelijk zijn voor het behalen van de woningbouwambities uit de Woondeal en daar bovenop 17.000 extra woningen en 2.280 extra studentenwoningen; d. binnen twee kalenderjaren kunnen starten met de eerste bouwwerkzaamheden; en e. door de gemeente zelf worden voorzien van een financiële bijdrage van ten minste 25% van het aantoonbare financiële publieke tekort op de publieke grondexploitatie. 2. De specifieke uitkering wordt slechts toegekend indien: a. de projecten gericht zijn op het uitvoeren van activiteiten op het gebied van: 1◦. infrastructurele ontsluiting; 2◦. verlaging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden; 3◦. bodemsanering in een afgebakend projectgebied; 4◦. uitplaatsing van activiteiten die hinder veroorzaken voor woningbouw; of 5◦. inrichting van de openbare ruimte in een afgebakend projectgebied; en 6◦. Minimaal 40 woningen gaan realiseren. b. concretisering voorwaarde minimaal 50% deel betaalbaar. Uitkeringsplafond 1. In totaal is ten hoogste € 122.500.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen. 2. Het bedrag wordt over meerdere jaren in tranches beschikbaar gesteld.
Hoogte van de uitkering De uitkering bedraagt ten minste € 125.000 en ten hoogste het aantoonbare financiële tekort van een MRE-gemeente op de voor het project noodzakelijke publieke investeringen van de activiteiten zoals hierboven genoemd, verminderd met de publieke opbrengsten verbonden aan het project en de cofinanciering. Minimale inhoud aanvraag a. een omschrijving van het project waarvoor een specifieke uitkering wordt aangevraagd, bestaande uit: 1◦. een toelichting op de geografische afbakening van het project; 2◦. een omschrijving van de wijze waarop het project voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3; 3◦. een kwantitatief overzicht van het te realiseren woningbouwprogramma; en 4◦. de verwachte begin- en einddatum van het project, inclusief een toelichting op de haalbaarheid van deze verwachte begin- en einddatum; en
b. een haalbaarheidsstudie, bestaande uit: 1◦. een begroting en prognose van publieke kosten en opbrengsten, waarmee het aantoonbare financiële publieke tekort wordt onderbouwd (lees: grondexploitatie); 2◦. een toelichting op de kosten en opbrengsten, zoals opgenomen in de begroting en prognose, waaronder in ieder geval een toelichting op de noodzaak, toerekenbaarheid en proportionaliteit van de activiteiten van de gemeente ten behoeve van de te realiseren woningen; 3◦. een overzicht van de stand van zaken van het project op het moment waarop de aanvraag is ingediend, waarin wordt ingegaan op de fasering van de woningbouw, de organisatie van het project en de zekerheid van een tijdige realisatie; en 4◦. een omschrijving van de wijze waarop het project uitgevoerd wordt en welke partijen daarbij betrokken zijn; Beoordeling aanvragen 1. De rangschikking vindt plaats op basis van de mate waarin de aanvragen voldoen aan de voorwaarden, die wordt bepaald op grond van de behaalde scores bij een gezamenlijke weging van de volgende criteria: a. noodzaak; b. effectiviteit; en c. efficiëntie. 2. De scores en de weging van de criteria worden bepaald conform bijlage 1, met dien verstande dat de totaalscore van de aanvraag het gewogen gemiddelde van de scores op die criteria is. 3.
Indien meerdere aanvragen gelijk scoren bij de weging én bij overschrijding van het budget, worden die aanvragen onderling gerangschikt op grond van de behaalde score bij het criterium effectiviteit. 4. Indien na toepassing van het voorgaande nog steeds meerdere aanvragen gelijk scoren worden die aanvragen onderling gerangschikt op grond van de hoogte van de gevraagde bijdrage per woning, waarbij de aanvraag met de laagste bijdrage per woning het hoogst eindigt. Uitkeringsbeschikking 1. De minister beslist binnen acht weken na het sluiten van het aanvraagtijdvak over de toekenning van een specifieke uitkering voor een aanvraag. 2. De beslissing wordt genomen nadat advies is ingewonnen van een Toetsingscommissie van het Besluit Woningbouwimpuls 2020. 3. De beschikking tot toekenning van een specifieke uitkering vermeldt in ieder geval: a. het bedrag van de specifieke uitkering; b. de wijze van verantwoording over de besteding van de specifieke uitkering; c. de periode waarvoor de specifieke uitkering wordt verstrekt; en d. de wijze waarop kan worden aangetoond dat de activiteiten binnen het project zijn verricht. 4. Aan een uitkering kunnen in de uitkeringsbeschikking nadere verplichtingen worden verbonden. Afwijzingsgronden 1. De minister wijst een aanvraag voor een specifieke uitkering af, indien: a. het project niet voldoet aan de vereisten; of b.
het project bij de weging op de criteria uit bijlage 1 lager dan een 5,5 scoort. 2. De minister kan een aanvraag voor een specifieke uitkering afwijzen, indien: a. het bedrag van de aangevraagde specifieke uitkering dusdanig hoog is dat de toekenning ervan bij de rangschikking tot een overschrijding van het gehele budget. b. het bedrag van de aangevraagde specifieke uitkering in verhouding tot de andere aanvragen in die aanvraagperiode dusdanig hoog is dat het toekennen van de aanvraag er naar zijn mening toe zou leiden dat het bedrag van het uitkeringsplafond ontoereikend is om het doel van deze regeling, te realiseren; en c. de toekenning van de aanvraag ernaartoe zou leiden dat de spreiding van de beschikbare middelen over de verschillende MRE-gemeenten onevenwichtig is. Verplichtingen voor de ontvanger van de uitkering 1. Binnen een project waarvoor een specifieke uitkering is toegekend: a. starten de eerste bouwwerkzaamheden uiterlijk binnen twee jaren na de datum van de uitkeringsbeschikking; b. starten de eerste bouwwerkzaamheden ten aanzien van alle woningen binnen het project voor 31
december 2030; c. is de laatste woning uiterlijk op 31 december 2033 gerealiseerd; d. wordt de minister door het college van de MRE-gemeente geïnformeerd over de start van de bouwwerkzaamheden en de realisatie van de woning op een in de uitkeringsbeschikking opgenomen wijze. 2. Het college van een MRE-gemeente die een specifieke uitkering op basis van deze regeling heeft ontvangen informeert de minister op verzoek over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is toegekend. 3. Het college van een MRE-gemeente die een specifieke uitkering op basis van deze regeling heeft ontvangen verleent op verzoek van de minister medewerking en verstrekt informatie ten behoeve van de voortgang en evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de toegekende specifieke uitkering. Terugvordering 1. Als uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de specifieke uitkering niet volledig is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, kan de specifieke uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. 2. De minister doet binnen een jaar na de ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de ontvanger van de specifieke uitkering.
Bijlage 1. Beoordelingscriteria en weging De totaalscore van een aanvraag wordt als volgt bepaald: elk hoofdcriterium krijgt een deelscore op een schaal van 1 tot 10. De totaalscore van een aanvraag is de deelscore noodzaak * 0,33 + deelscore effectiviteit * 0,33 + deelscore efficiëntie * 0,33. 1. Noodzakelijkheid specifieke uitkering In dit criterium staat de beoordeling van de noodzaak van de aangevraagde specifieke uitkering centraal. Daarbij wordt gekeken naar de realiteit en marktconformiteit van het opgevoerde financiële tekort en de gevraagde bijdrage die daaruit voortkomt. De beoordeling van dit onderdeel omvat in hoeverre er daadwerkelijk sprake is van een tekort, hoe dit tekort is onderbouwd, of de gehanteerde uitgangspunten passen bij beleid en marktconform zijn en in welke mate binnen de projectkaders zowel kwalitatief en financieel is geoptimaliseerd. 2. Effectiviteit project Aan de hand van dit criterium wordt bepaald in hoeverre een project aansluit bij de doelstellingen van de regeling. Daarbij wordt gekeken naar de hardheid van de plannen, zoals de huidige status van het proces, de nog te doorlopen planologische procedures en de mate van zekerheid dat het project bij een positief besluit doorgaat, tijdig van start gaat en voortvarend wordt gerealiseerd. 3.
Efficiëntie project Op basis van dit criterium wordt beoordeeld in hoeverre sprake is van een gerichte en doelmatige inzet van financiële middelen. De beoordeling richt zich op de proportionaliteit van de aangevraagde specifieke uitkering ten opzichte van het aantal te realiseren woningen. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de gemiddelde bijdrage per woning, de verhouding tussen de aangevraagde uitkering en de gemeentelijke bijdrage, alsmede de investeringskosten binnen het project die niet kunnen worden toegerekend. Schematische weergave beoordelingskader Criteria ter beoordeling door de Toetsingscommissie
Weging deelscore %
Indicatoren
1. Noodzaak bijdrage
2. Effectiviteit project
3. Efficiëntie project
33%
33%
33%
Realiteitsgehalte tekort
Hardheid: zekerheid tijdig realiseren van woningen
Proportionaliteit van de gevraagde bijdrage
1. Onderbouwing kosten activiteiten en omvang financieel tekort. 2. Aantonen dat alle mogelijkheden tot verhaal zijn uitgeput. 3. De mate waarin het project kwalitatief en financieel is geoptimaliseerd binnen de randvoorwaarden.
1. Planologische status project. 2. Stand van zaken rond consultatie, selectie en/of overeenkomsten met (markt)partijen. 3. Moment van start bouw. 4. De continuïteit van de bouwstroom. 5. Aantonen van voldoende garanties voor het tijdig realiseren van het project waarvoor bijdrage gevraagd wordt. 6. Worden de principes van parallel plannen toegepast?
1. Gevraagde bijdrage per woning. 2. Gevraagde bijdrage per betaalbare woning. 3. Gevraagde bijdrage als % van het financiële tekort. 4. Het financieel tekort als % van de investeringskosten gerelateerd aan project die niet toerekenbaar zijn, zowel de kosten die wel toerekenbaar zijn, als de kosten die niet toerekenbaar zijn.