2022-39 RV Bijlage 1 - Gewijzigd Chw-bestemmingsplan Herijking Nuenen-West - Toelichting
Tekst van het document
Uit paragraaf 5.1.2 blijkt dat in het plangebied sprake is van geluidbelasting als gevolg van wegverkeer. De geluidbelasting is bepaald in het akoestisch onderzoek dat als bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd is. Uit dat onderzoek blijkt dat in zeven bouwvelden de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het verkeer op Europalaan en de N270 (Eisenhowerlaan) overschreden wordt. Voor deze overschrijding kan een hogere waarde vastgesteld worden.
Het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet biedt de mogelijkheid om hogere waarden vast te laten stellen in het Chw-bestemmingsplan, in plaats van in een separaat besluit dat door het college van burgemeester en wethouders genomen wordt. In dit geval wordt gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De regels van dit Chw-bestemmingsplan (artikel 20) bevatten de hogere grenswaarden die met dit Chw-bestemmingsplan vastgesteld worden. De navolgende tabel laat ook zien welke hogere grenswaarden met dit Chw-bestemmingsplan vastgesteld worden.
Het vaststellen van deze hogere grenswaarden is noodzakelijk omdat tussen de Europalaan, de parallelweg en de woningen weinig ruimte is om een geluidwal of –scherm te plaatsen. Een geluidscherm langs de Europalaan stuit op bezwaren van stedenbouwkundige aard. Daarnaast liggen er ter hoogte van de woningen aan de Europalaan meerdere kruisingen. Langs een kruising kan geen geluidscherm worden toegepast vanwege de verkeersveiligheid. Het terugbrengen van de intensiteiten of de maximumsnelheid op de Europalaan en de N270 is ongewenst vanwege de regionale functie van deze wegen. Maatregelen die de verkeersstromen wijzigen, zullen niet ad hoc worden genomen, maar zijn een onderdeel van een groter geheel. Daarnaast ligt er op de Europalaan reeds een geluidreducerend wegdek. Het aanpassen van het wegdek op de N270 is pas
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herijking Nuenen West effectief indien hier een stuk van enkele honderden meters zal worden vervangen. Deze maatregel zal effect hebben op slechts enkele woningen binnen het bouwplan. De kosten van het vervangen van het wegdek wegen in dit geval niet op tegen de baten. De kosten van het realiseren van 3 geluidschermen ten noorden van de Europalaan van de Vorsterdijk tot aan de Kapperdoesweg bedragen ongeveer € 1.125.000,-. Gezien de hoge kosten van een effectieve afscherming ten opzichte van het aantal woningen dat hierbij gebaat is, zijn geluidschermen of -wallen langs de Europalaan financieel niet doelmatig. Een effectief geluidscherm of aarden wal langs de N270 dient enkele honderden meters lang te zijn om ervoor te zorgen dat de geluidbelasting op de woningen aan de zuidzijde van het plan te verlagen tot onder de voorkeursgrenswaarde. Deze maatregel is derhalve in dit geval niet doelmatig en stuit op overwegende bezwaren van financiële aard. Uit voorgaande beschouwing volgt dat bronmaatregelen niet doelmatig zijn. Overdrachtsmaatregelen stuiten langs de Europalaan op bezwaren van stedenbouwkundige aard. Langs de N270 zijn overdrachtsmaatregelen niet doelmatig.
Gecumuleerde geluidbelasting Een onderdeel van de procedure voor het vaststellen van hogere waarden is het inzichtelijk maken van de gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle relevante geluidbronnen (wegverkeer, railverkeer, industrie en luchtvaart). Een geluidbron is relevant indien de ten hoogste toelaatbare waarde voor de betreffende bron wordt overschreden.
De berekeningswijze voor de gecumuleerde geluidbelasting is vastgelegd in het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (Rmg). Bij de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting wordt voor wegverkeer de aftrek ex artikel 110g Wgh niet toegepast.
Er geldt geen wettelijke norm voor de gecumuleerde geluidbelasting. Conform artikel 110a lid 6 Wgh, wordt een hogere waarde verleend indien is gebleken dat deze gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een naar oordeel van het bevoegd gezag onaanvaardbare geluidbelasting.
De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer bedraagt in dit geval ten hoogste 66 dB exclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. Het bevoegd gezag acht de gecumuleerde geluidbelasting aanvaardbaar. Een wettelijke toets aan een grenswaarde is niet aan de orde. In paragraaf 5.9 is de gecumuleerde geluidbelasting inzichtelijk gemaakt en heeft gecumuleerde geluidbelasting mede als basis gediend voor een oordeel over de leefomgevingskwaliteit.
Binnengeluidwaarde Voor alle woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld, dient met behulp van een gevelgeluidweringonderzoek te worden vastgesteld of deze woningen aan de wettelijke geluidgrenswaarde voor het binnenniveau van 33 dB kunnen voldoen. Voor nieuwe woningen is de wettelijke grondslag hiervoor terug te vinden in artikel 3.3 van het Bouwbesluit 2012. Dat voldaan moet worden aan deze geluidwaarde moet aangetoond worden in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen.
Gelet op het voorgaande worden met dit Chw-bestemmingsplan de hogere grenswaarden als genoemd in tabel 5.2 en tabel 5.3 vastgesteld. De bouwvlakken die in die tabellen genoemd worden zijn getoond in het akoestisch onderzoek.
Tabel 5.2 overzicht hogere waarden Europalaan
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Herijking Nuenen West
Tabel 5.3 overzicht hogere waarden Eisenhowerlaan (A270/N270)
Voor de nieuwe woningen in Nuenen West is nog geen bouwplan bekend. Het onderzoek naar de wettelijke geluidgrenswaarde voor het binnenniveau moet uitgevoerd worden in het kader de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen. Uit het onderzoek moet in ieder geval blijken dat voldaan wordt aan de wettelijke geluidgrenswaarde voor dat binnenniveau. Aanvullend daarop is bij woningen waarvoor een hogere grenswaarde van 53 dB of meer (incl. aftrek ex artikel 110g Wgh) als gevolg van wegverkeer verleend wordt, de eerdergenoemde geluidluwe gevel/buitenruimte vereist. Tevens dienen verblijfsruimten zoveel mogelijk (doch ten minste 1 ruimte) aan de geluidluwe zijde te zijn gelegen.
5.2
Archeologie en cultuurhistorie
De rijke geschiedenis en cultuurhistorie van Nuenen-West en de omgeving hebben er ook voor gezorgd dat er veel waardevolle objecten in de grond verborgen zitten. In de afgelopen jaren zijn er diverse onderzoeken uitgevoerd om mogelijke archeologische vondsten in beeld te brengen en te beschermen. Deze onderzoeken zijn samengevat in bijlage 11. Locaties waar mogelijk archeologische resten aanwezig zijn, moeten eerst nader onderzocht worden voordat er werkzaamheden plaats kunnen vinden. Dit onderzoek vindt plaats op basis van het archeologiebeleid voor Nuenen West. Dit beleid is beschreven in paragraaf 4.3.
46
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herijking Nuenen West
5.2.1
Onderzoeksgeschiedenis
Een inventariserend veldonderzoek uit 2007 (ADC ArcheoProjecten) bijvoorbeeld uit dat het plangebied bestaat uit dekzandruggen, dekzandvlakten en laagtes hiertussen. De bodem onder het plangebied bestaat in zijn geheel uit enkeerdgronden. Als deze gronden ontstaan zijn door plaggenbemesting, dan hebben zij een hogere archeologische waarde. De samenvatting van de reeds uitgevoerde onderzoeken leidt tot een overzicht van gronden in het plangebied met een (middel)hoge, lage of ontbrekende verwachting. Deze verwachtingen zijn als volgt in te delen en te omschrijven: Hoge verwachting – historische kern: Dit zijn de voorheen als archeologisch waardevol aangeduide gebieden. Deze gebieden zijn gebaseerd op de historische bebouwing die in 1832 in het gebied aanwezig was en waarvan de oorsprong vermoedelijk teruggaat de late middeleeuwen. Hoge verwachting: Dit zijn de gronden die gerelateerd zijn aan de dekzandruggen zoals deze waren opgenomen op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart van Nuenen uit 2009. Deze gronden zijn aangevuld met de gronden waarvan de bodemopbouw bij nader onderzoek nog redelijk tot goed intact bleef. Uit eerder uitgevoerde proefsleuvenonderzoeken blijkt dat ondanks eventuele verstoring door agrarische grondbewerkingen er nog wel archeologische resten aanwezig zijn.
Alleen door middel van proefsleuvenonderzoek is echter vast te stellen wat de fysieke en inhoudelijke kwaliteit is van de mogelijk aanwezige resten in deze zones. Middelhoge verwachting: Deze categorie bestaat uit de lager gelegen gronden (vlakten en dalen) zoals deze waren opgenomen op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart van Nuenen uit 2009. Deze gronden zijn aangevuld met de laaggelegen gebieden waarvan met eerder onderzoek de archeologische waarde aangetoond is. Gebieden zonder archeologische verwachting: Dit zijn de gebieden waar archeologische resten reeds zijn opgegraven of waar die na onderzoek vrijgegeven zijn. Gronden waarvan vaststaat dat archeologische waarden verstoord zijn, zijn ook onderdeel van deze categorie.
Figuur 5.1 Archeologische verwachtingenkaart voor Nuenen West zoals vastgesteld op 27 september 2018
Op gronden waar sprake is van een kans op het aantreffen van archeologische resten zullen deze zich naar verwachting minimaal 50 centimeter onder het maaiveld bevinden. Het gaat daarbij vooral om sporen van (paal)kuilen, greppels en vondsten van aardewerk, natuursteen en in mindere mate metaal. Conform het advies van de ODZOB (bijlage 11) wordt voor gronden met een middelhoge of hogere
Toelichting (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Herijking Nuenen West archeologische verwachting een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd.
De reeds uitgewerkte bouwvelden zijn voorafgaand aan de werkzaamheden onderzocht. Voor de rest van het gebied is een archeologische verwachtingenkaart opgesteld. Op deze kaart is aangegeven op welke locaties mogelijk archeologische resten aanwezig zijn. Op de kaart wordt onderscheid gemaakt tussen locaties met hoge, middelhoge of lage archeologische verwachting. Deze kaart vormt het uitgangspunt voor het verdere onderzoek ten behoeve van archeologie. Bouwlocaties waar een hoge of middelhoge archeologische verwachting geldt moeten nader onderzocht worden, om de aanwezigheid van archeologisch waardevolle objecten veilig te stellen of de aanwezigheid daarvan uit te sluiten. Voor deze locaties wordt een Programma van Eisen (PvE) ten behoeve van een proefsleuvenonderzoek opgesteld. Deze PvE's worden opgesteld als de bouwplannen voor de verschillende bouwvelden in het plangebied concreet worden gemaakt. Voor de voorgenomen ontwikkeling van gronden tussen de Europalaan en het Wettenseind zijn twee PvE's opgesteld. Deze PvE's zijn als bijlage 12 en als bijlage 13 deze toelichting gevoegd. 5.2.2
Proefsleuvenonderzoek
Na goedkeuring van het PvE voor het proefsleuvenonderzoek door het bevoegd gezag kan archeologisch onderzoek op de desbetreffende gronden uitgevoerd worden. In ieder geval worden in het Chw-bestemmingsplan eventueel aanwezige archeologische waarden in de bodem van het plangebied beschermd door een dubbelbestemming. Blijkt uit het proefsleuvenonderzoek dat er geen behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, dan is daarmee het aspect archeologie voldoende onderzocht en geldt enkel de wettelijke meldingsplicht conform artikel 5:10 uit de Erfgoedwet 2016 bij het aantreffen van toevalsvondsten. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. 5.2.3
Cultuurhistorische waardevolle bebouwing en monumenten
De ontwikkeling Nuenen-West vindt plaats in een gebied met een bijzonder karakter. Paragraaf 2.1 beschrijft dit karakter. In dit gebied liggen verschillende monumenten en cultuurhistorisch waardevolle gebouwen die dit bijzondere karakter benadrukken en een relatie leggen met de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied. Deze cultuurhistorisch waardevolle objecten krijgen bescherming in het onderhavige Chw-bestemmingsplan.
In het plangebied komen geen rijksmonumenten voor, maar zijn er gemeentelijke monumenten aanwezig: Dubbestraat 2; Dubbestraat 46 (voorheen 12); Vorsterdijk 10; Wettenseind 1; Wettenseind 11. Gemeentelijke monumenten zijn terreinen en/of onroerende goederen die door hun schoonheid, betekenis voor de wetenschap of door hun cultuurhistorische waarde van algemeen belang zijn. Dergelijke monumenten worden op gemeentelijk niveau beschermd en zijn geregistreerd op een lijst met gemeentelijke monumenten. De gemeentelijke monumenten zijn beschermd via de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' binnen de bestemming 'Wonen'. In aanvulling op de gemeentelijke monumenten zijn in het plangebied de volgende cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig:
48
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herijking Nuenen West Boord 7; Boord 19; Boord 23-25; Boord 51; Dubbestraat 5; Dubbestraat 6; Dubbestraat 30-32; Opwettenseweg 197; Vorsterdijk 14; Wettenseind 7; Wettenseind 9. Cultuurhistorische waardevolle objecten zijn gebouwen en bouwwerken die weliswaar geen gemeentelijk monument zijn, maar door de cultuurhistorische waarde die zij vertegenwoordigen wel bescherming verdienen. Deze objecten zijn beschermd via de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding cultuurhistorisch waardevolle bebouwing' binnen de bestemming 'Wonen'.
5.3
Bodem
5.3.1
Onderzoeksopzet
Voor het omgevingsaspect 'bodem' dient onderzocht te worden of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de toekomstige bestemming. Voor dit Chw-bestemmingsplan blijft de bestemming voor het grootste gedeelte van het gebied gelijk. Alleen aan de westzijde van het plangebied wijzigt de bestemming van groen naar wonen. In het kader van de goede ruimtelijke ordening is voor het gehele plangebied een historisch bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 14), om een goed beeld te krijgen van de actuele bodemkwaliteit en de reeds uitgevoerde onderzoeken in beeld te brengen. Dit vooronderzoek kan aantonen of er mogelijke belemmeringen voor de nieuwe bestemming kunnen ontstaan. Dit onderzoek is opgesteld volgens de richtlijnen uit de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, NNI, januari 2009). In het kader van het vooronderzoek zijn alle mogelijke bronnen (gemeente) en archieven (hinderwet, bouw en bodemonderzoeken) geraadpleegd bij de gemeente Nuenen. Derhalve is informatie verzameld over de volgende aspecten van de locatie: historisch gebruik; huidig gebruik; toekomstig gebruik; bodemopbouw en geohydrologie. Voor de afbakening van het plangebied is de plangrens van het Chw-bestemmingsplan aangehouden plus de direct aangrenzende percelen tot maximaal 25 meter vanaf de grens van de onderzoekslocatie.
Binnen deze afbakening zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. 5.3.2
Onderzoeksresultaten
De resultaten van het vooronderzoek zijn in onderstaande tabel per locatie weergegeven.
Tabel 5.4 Resultaten van het vooronderzoek en de relevante conclusies
Toelichting (vastgesteld)
49
bestemmingsplan Herijking Nuenen West
Voor sommige deelgebieden blijkt dat eerder uitgevoerde onderzoeken wijzen op mogelijke bodemverontreiniging of dat er al verontreiniging vastgesteld is.
De locaties in het noorden van het plangebied vallen binnen het gebied dat een uit te werken bestemming krijgt. Op het moment dat hiervoor een uitwerkingsplan opgesteld wordt, kan bepaald worden of de bestemming van de locatie wijzigt of dat er werkzaamheden plaats gaan vinden binnen of in de directe omgeving van de locatie. Nader bodemonderzoek zal in die fase van de planvorming plaatsvinden.
De locaties op het industrieterrein de Pinckart liggen buiten het plangebied, maar bevinden zich wel in de nabijheid van bouwveld D. Bij de uitwerking van dit bouwveld zijn de verdachte locaties nader onderzocht. Binnen het plangebied zijn geen verontreinigingen aangetroffen die een belemmering vormen voor de woonbestemming of vragen om vervolgonderzoek.
50
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herijking Nuenen West
Aan de hand van de definitieve verkaveling van Nuenen West worden de concrete locaties voor vervolgonderzoek naar de bodemkwaliteit bepaald. Dat onderzoek vindt plaats in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor woningbouw.
5.4
Luchtkwaliteit
5.4.1
Wettelijk kader
De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in 'Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. In Titel 5.2 Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan: a. Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden; b. Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10); d. Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd). Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit Gevoelige bestemmingen.
Wettelijke normen De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt. In onderstaande tabel zijn de grenswaarden weergegeven.
Tabel 5.5 Vastgestelde grenswaarden (concentraties in µg/m3)
Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) in Nederland over het algemeen het meest kritisch. Voor deze stoffen is de kans het grootste dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Hierbij moet opgemerkt worden dat de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m3) in Nederland nergens meer dan 18 keer per jaar wordt overschreden. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor en uit metingen over de afgelopen 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Handreiking rekenen aan luchtkwaliteit (actualisatie 2011), juni 2011).
Toelichting (vastgesteld)
51
bestemmingsplan Herijking Nuenen West
Fijn stof (PM2,5) Sinds 1 januari 2015 moet ook aannemelijk worden gemaakt dat voldaan wordt aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 (25 µg/m3). PM10 en PM2,5 zijn sterk aan elkaar gerelateerd. Uitgaande van de huidige kennis over de emissies en concentraties PM2,5 en PM10 kan worden gesteld dat, als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 zal worden voldaan (Velders, G.J.M. et al, Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland; rapportage 2015 (rapport 2015-0119), Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2015). Het risico dat een overschrijding optreedt voor PM2,5 op een locatie waar wel aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan is dan ook verwaarloosbaar klein.
Overige luchtverontreinigende stoffen Voor de overige luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in bijlage 2 Wm (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide en benzeen), geldt dat de ruimte tot de grenswaarden zo groot is dat het aannemelijk is dat als gevolg van een besluit overschrijding van de voor die stoffen vastgestelde grenswaarden redelijkerwijs kan worden uitgesloten (Meijer, E.W., Zandveld. P., Bijlagen bij de luchtkwaliteitberekeningen in het kader van de ZSM/Spoedwet; september 2008 (rapport 2008-U-R0919/B), TNO). 5.4.2
Onderzoek
Voor de herijking van Nuenen West is een luchtkwaliteitonderzoek (bijlage 15) uitgevoerd voor de beoordelingsjaren 2019 en 2030. Dit onderzoek is uitgevoerd conform de regels uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl2007) en volgens de rekenmodule STACKS in het programma Geomilieu. Dit onderzoek is uitgevoerd voor de keuze voor een definitieve ontsluitingsvariant. Naar aanleiding van die keuze is nieuw onderzoek naar de gevolgen van die ontsluitingsvariant voor de luchtkwaliteit uitgevoerd. Bijlage 16 doet verslag van dit onderzoek en is een oplegnotitie bij het onderzoek uit bijlage 15. De resultaten in paragraaf 5.4.3 hebben betrekking op de situatie met de gekozen ontsluitingsvariant.
Uitgangspunten Voor de berekening van de effecten op luchtkwaliteit is uitgegaan van een gefaseerde ontwikkeling van Nuenen West. Het totale woningbouwprogramma en de reeds gebouwde en totaal te vergunnen woningen (1.615 woningen) van Nuenen West zijn meegenomen in de berekening. Ook de school die in twee fasen (fase 1: realisatie van 1.303 m2 bvo en fase 2: realisatie van 1.755 m2 bvo) ontwikkeld wordt is meegenomen in het luchtkwaliteitsonderzoek. In het luchtkwaliteitonderzoek en de oplegnotitie zijn alle wegen meegenomen waarop sprake is van een relevante wijziging van de verkeersgegevens als gevolg van het voorgenomen plan. Het gaat daarbij om de wegen in en direct rondom het plangebied en de wegen waarover het verkeer van en naar het plan wordt afgewikkeld. In hoofdzaak zijn dit de nieuwe ontsluitingswegen in het plangebied, Europalaan, Geldropsedijk, Boord en de 'inprikkers' die de ontsluiting van de woningen op de Europlaan en Geldropsedijk -Wettenseindverzorgen. 5.4.3
Resultaten
In onderstaande tabel zijn de hoogst gemeten waarden voor de fijnstof (PM10, PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) weergegeven.
Tabel 5.6 Hoogst berekende jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide en fijnstof Jaargemiddelde concentratie [µg/m3] 2019
52
wettelijke norm [µg/m3]
2030
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herijking Nuenen West
NO2
22,6
15,1
40,0
PM10
19,7
16,3
40,0
PM2,5
12,2
9,3
40,0
Uurgemiddelde concentratie stikstofdioxide De grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 mag maximaal 18 keer per jaar worden overschreden. Uit de berekeningen blijkt dat deze grenswaarde in geen van de onderzochte situaties meer dan 18 keer wordt overschreden.
Uurgemiddelde concentratie fijnstof (PM10) Er is eveneens berekend hoeveel keer per jaar de grenswaarde voor de 24-uursgemiddelde concentratie PM10 (50 µg/m3) wordt overschreden (maximaal 35 keer). Voor 2019 bedraagt het aantal overschrijdingsdagen maximaal 11. In 2030 is er maximaal sprake van 6 overschrijdingsdagen. Uit de rekenresultaten blijkt dat de grenswaarde voor de 24-uursgemiddelde concentratie PM10 niet meer dan 35 keer per jaar wordt overschreden. Tevens zijn in het kader van het uitwerkingsplan voor de basisschool in Nuenen West luchtkwaliteitsberekeningen uitgevoerd voor de huidige situatie (2017, jaar van opstellen uitwerkingsplan) en de toekomstige situatie (2030). Ter plaatse van de school (en in het gehele plangebied) wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Dat houdt in dat de ontwikkeling en het gebruik van de school niet leiden tot onevenredige aantasting van de luchtkwaliteit. Tabel 5.7 toont de resultaten van het luchtkwaliteitsonderzoek naar de school.
Tabel 5.7 Resultaten luchtk waliteitsonderzoek basisschool
In het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is een basisschool ook aangemerkt als een gevoelige bestemming. Krachtens dit besluit is onderzoek naar de luchtkwaliteit altijd nodig als een gevoelige bestemmingen binnen 300 meter van de rand van een rijksweg of binnen 50 meter van de rand van een provinciale weg ligt. De nieuwe basisschool ligt op meer dan 300 meter van een rijksweg en op meer dan 50 meter van een provinciale weg. Omdat de school niet ligt binnen de genoemde afstanden tot een weg en omdat de normen voor luchtkwaliteit niet overschreden worden, is er ter plaatse van school sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.4.4
Conclusie
Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen belemmering vormt voor verdere besluitvorming. Omdat op alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de grenswaarden kan eveneens worden geconcludeerd dat sprake is van een “goede ruimtelijke ordening”.
Toelichting (vastgesteld)
53
bestemmingsplan Herijking Nuenen West
5.5
Ecologie
Bestemmingsplannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot onder andere de Wet natuurbescherming. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op onder andere flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties vanuit de actuele natuurwetgeving. Dit is gedaan door een actualisatie uit te voeren van de eerdere natuurtoetsen en een nieuwe inventarisatie van de aanwezige natuurwaarden op te stellen (Antea Group, oktober 2017). De onderzoeken naar beschermde soorten dateren van 2017. De bevindingen uit deze onderzoeken zijn verwerkt in een ontheffingsaanvraag en een soortenmanagementplan dat dateert uit 2019. Bij deze verwerkingen zijn de onderzoeken naar beschermde soorten geactualiseerd. In de volgende paragraaf is beschreven hoe het soortenmanagementplan de ontwikkeling van Nuenen West begeleidt en inzichten over beschermde soorten actueel houdt. Het soortenmanagementplan wordt iedere twee jaar van een update voorzien, daarmee wordt geborgd dat er gedurende de gehele ontwikkeling een actueel inzicht in de effecten van de ontwikkeling van Nuenen West op beschermde flora en fauna bestaat.
De ontwikkeling van Nuenen West verloopt gefaseerd en per fase wordt een ontheffing aangevraagd en worden indien nodig maatregelen ten behoeve van flora en fauna genomen. De algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming dwingt ook af dat indien nodig passende maatregelen genomen worden om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. 5.5.1
Natuurtoets
Allereerst is er voor het plangebied een bureauonderzoek (bijlage 17) uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. De bureaustudie is aangevuld met verschillende terreinbezoeken en een aanvullende natuurtoets uit 2019 (zie bijlage 18) en 2020 (zie bijlage 19). Hieruit is gebleken dat de in tabel 5.8 genoemde soorten aanwezig zijn in het plangebied van Nuenen West.
Tabel 5.8 Overzicht van de aanwezige beschermde soorten en de consequenties voor het plan o.b.v. onderzoeken uit 2019 en 2020
54
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herijking Nuenen West
In het plangebied is een steenuil aanwezig. De steenuil heeft een nestplaats en foerageergebied in het plangebied. Het onderzoek naar de steenuil is uitgevoerd in het kader van een andere ruimtelijke procedure. In het soortenmanagementplan (bijlage 21) wordt beschreven hoe omgegaan wordt met de steenuil. De ontwikkeling van Nuenen-West leidt tot aantasting van leefgebied van de eekhoorn. Het betreft de kap van enkele bomen waarin nesten van de eekhoorn aanwezig zijn. Daarnaast vormen de omliggende tuinen en verruigde terreinen foerageergebied van de eekhoorns. Het verlies van dit leefgebied van de eekhoorn wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuw leefgebied in het Dommeldal aan de overzijde van de Vorsterdijk. Het nieuwe leefgebied bestaat uit een singelbeplanting van eiken en hazelaars, die behalve voedsel en verblijfplaatsen, ook de verbinding legt met potentieel geschikt leefgebied in het Dommeldal. De aanleg van de houtsingel legt de verbinding tussen het bestaande leefgebied en het nieuwe leefgebied. De aanleg van de beplanting is voorzien in winter – voorjaar 2021, de voorbereidende werkzaamheden zijn in gang gezet. Een ontheffing voor de handeling met effect op de eekhoorn is aangevraagd. De aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied maakt dat er vervolgonderzoek en mogelijk mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn.
Doordat de ontwikkeling van Nuenen West stapsgewijs plaatsvindt en sommige delen pas over enkele jaren verder uitgewerkt worden, is er voor gekozen het vervolgonderzoek eveneens te faseren en te koppelen aan de verdere uitwerking. Op die manier wordt er steeds een actueel beeld gegeven van de aanwezige natuurwaarden en kunnen er passende maatregelen getroffen worden op het moment dat dit nodig is. Deze gefaseerde uitwerking is
Toelichting (vastgesteld)
55
bestemmingsplan Herijking Nuenen West opgenomen in het Soortenmanagementplan (SMP, zie ook bijlage 21), dat vanuit de beleidsregel 'landschap, ecologie en biodiversiteit' is voorgeschreven. De werkwijze met het SMP is gekozen omdat de uitvoering van de fasen binnen het project niet op voorhand in de tijd te plaatsen is. Daarom worden de onderzoeken, mitigerende maatregelen en ontheffingsaanvragen afgestemd op de uitvoeringsplanning van fasen die zeker binnen een bepaalde periode worden gerealiseerd. De ecologische onderzoeken worden in de tussentijd wel voor het volledige plangebied uitgevoerd. Per te realiseren deelfase worden de aangetroffen soorten actueel in beeld gebracht en waar nodig opgenomen in een ontheffingsaanvraag inclusief mitigerende maatregelen voor de betreffende deelfase en deelgebied. Het SMP zorgt er voor dat er gedurende de gehele looptijd van de ontwikkeling een actueel beeld is van beschermde soorten in en rondom het plangebied en dat eventueel benodigde ontheffingen en mitigerende of compenserende maatregelen tijdig genomen kunnen worden. Tevens wordt hiermee geborgd dat er ten aanzien van beschermde soorten altijd een overzicht/'totaalplaatje' is, zodat gericht gestuurd kan worden in het kader van de totale ontwikkeling. De aanwezigheid van soorten in vaste verblijfplaatsen en leefgebied wordt met het SMP van jaar tot jaar gevolgd.
In afstemming op de voortschrijdende planning van de gefaseerde ontwikkeling van het project Nuenen West wordt voor elke concrete deelfase geanalyseerd voor welke soorten ontheffing wordt aangevraagd en welke mitigerende maatregelen daar bij horen. Onderdeel van het project Nuenen West is dat, vooruitlopend op de woningbouwontwikkeling, reeds buiten het plangebied biotopen worden ingericht die nieuw leefgebied gaan vormen voor de betreffende ontheffingplichtige soorten. Deze inrichting vindt plaats in het kader van de groen-blauwe mantel, en is gebaseerd op de gebiedsvisie ‘Dommelpark: een robuust waterpark van recreatieve waarde' uit januari 2020 en door het college van burgemeester en wethouders op 18 februari 2020 vastgesteld. (bijlage 22).
Voor Fase 1 voor de deelfase 2019-2020 is op basis van de natuurtoets uit 2020 (bijlage 18) en het nader onderzoek naar beschermde soorten uit 2020 (bijlage 19) een activiteitenplan (bijlage 23) opgesteld en een aavraag om een ontheffing van de Wet natuurbescherming (bijlage 24) gedaan. Voor de deelfasen ná 2020 worden –afhankelijk van de concrete uitvoeringsfasering– afzonderlijke ontheffingsaanvragen opgesteld. Voorafgaand vindt een inventarisatie plaats van de concreet aanwezige ontheffingplichtige soorten, en worden de bijbehorende mitigerende maatregelen beschreven. Voor de ontwikkeling van deze fasen wordt dus nieuw ecologisch onderzoek uitgevoerd. De mitigerende maatregelen voor de fasen na 2020 worden voornamelijk gerealiseerd in natuurlijk ingerichte gebieden (daarnaast ook binnen NNB), waarbij wordt aangesloten bij de biotopen die in het kader van de ontwikkelingsvisie ‘Dommelpark uit de verf’ (concept d.d. 17 november 2018) zijn voorzien. Het inrichtingsplan dat op basis van de ontwikkelingsvisie is opgesteld wordt –na vaststelling- opgenomen in het Soortmanagementplan Nuenen West.
Gebiedsbescherming Naast de voornoemde soortenbescherming bestaat natuurbescherming ook uit gebiedsbescherming. Op basis van de Wet natuurbescherming moet worden bepaald of een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden. Op basis van een uitspraak van de Raad van State dd. 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603), is het niet meer mogelijk om het Programma Aanpak Stikstof (de PAS) te gebruiken als toestemmingsbasis voor activiteiten en ontwikkelingen. Dit betekent dat de mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie per project / activiteit zelfstandig dienen te worden beschouwd en verantwoord. In de notitie in bijlage 25 is binnen de nieuwe uitgangspunten en kaders aangegeven of er mogelijk significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie door Nuenen West kunnen zijn. Hieronder worden de conclusies van het onderzoek weergegeven. Ten zuiden van Nuenen West liggen de Strabrechtse Heide & Beuven, op circa 6,1 km ten zuiden, en Leenderbos, Groote Heide & De Plateux, op circa 6,2 km ten zuiden van de zuidelijke grens van Nuenen West. Op grotere afstand liggen de gebieden Kempenland West (circa 15 km ten westen) Groote Peel (circa 21 km ten zuidoosten) en Deurnsche Peel & Mariapeel (circa 22 km ten oosten).
Gezien de afstand van de projectlocatie tot aan het meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden en de
56
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herijking Nuenen West omvang van het project, zijn directe effecten (oppervlakteverlies en versnippering) en externe effecten (verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, licht en trillingen, optische verstoringen of verstoringen door mechanische effecten) op voorhand uit te sluiten. Mogelijke verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht vanuit het project is op voorhand niet uit te sluiten, om dit te bepalen is een AERIUS-berekening uitgevoerd, de volledige berekening is meegenomen bij de notitie in bijlage 25. De ontwikkeling van Nuenen West vindt gefaseerd plaats. In theorie zou dan ook voor ieder jaar een separate berekening opgesteld kunnen worden, met daarmee een groot aantal berekeningen. De uitgangspunten per jaar verschillen dan alleen in het feit, dat een groter aantal woningen is gerealiseerd, met daarmee meer verkeer uit de gebruiksfase. Om een overzichtelijk beeld te houden, is er voor gekozen om de worst case situatie(s) te bepalen. De worstcasesituatie, dat wil zeggen de situatie met de meeste stikstofemissies, vindt plaats als de ontwikkeling nagenoeg geheel is afgerond, in het laatste jaar van de ontwikkeling. In dat geval is er immers een maximale verkeersgeneratie vanuit de woningen en daarmee de hoogste stikstofemissie vanuit wegverkeer.
Daarnaast is tijdens deze situatie uitgegaan van de bouwfase van 100 woningen (inclusief bouw- en woonrijp maken). Feitelijk is er, als alle woningen zijn gerealiseerd, geen sprake meer van een bouwfase en zou de gebruiksfase van het totale programma minus de laatste 100 woningen beschouwd moeten worden. Echter, omdat de verkeersmodellering voor Nuenen West uitgaan van het volledig gerealiseerd zijn van de wijk, is dit als worstcaseuitgangspunt genomen. Het rekenjaar is gesteld op 2021. Uit bijlage 25 blijkt dat er twee stikstofdepositieberekeningen zijn uitgevoerd. In recente jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2021:105 van 20 januari 2021) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn namelijk twijfels geuit over gebruik van een specifieke rekenmethode en de bijbehorende 'afkap' van effecten op meer dan 5 kilometer vanaf wegvakken. Om die reden zijn berekeningen uitgevoerd met en zonder deze 'afkap'. Uit beide berekeningen blijft dat met toepassing van het vergunningsvrije intern salderen van de woningbouw met het huidige agrarisch gebruik van gronden geen sprake is van een stikstofdepositie groter van 0,00 mol/ha/jaar. Ecologisch significante effecten zoals verzuring of vermesting van Natura 2000-gebieden kunnen daarom uitgesloten worden.
5.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een van de aspecten die beschreven dient te worden in het kader van de ruimtelijke procedure. In deze paragraaf is het aspect externe veiligheid in relatie tot het plangebied nader beschouwd. 5.6.1
Beleidskader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het wettelijke kader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het huidige beleid voor transportmodaliteiten in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Toelichting (vastgesteld)
57
bestemmingsplan Herijking Nuenen West
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.
Figuur 5.2 Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport
Verantwoordingsplicht In het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals hieronder weergegeven.
Figuur 5.3 Verplichte en onmisbare onderdelen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico
58
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herijking Nuenen West
5.6.2
Beschouwing risicobronnen
In en nabij het plangebied zijn drie relevante risicobronnen aanwezig: de Europalaan (rode lijn in figuur 5.4) waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en een LPG-tankstation (met een rode cirkel aangegeven nabij de Europalaan in figuur 5.4) en een inmiddels verwijderde propaantank (met een rode cirkel aangegeven aan de zuidkant van het plangebied).
Figuur 5.4 Plangebied (lichtblauw) en risicobronnen
Propaantank In het plangebied was een bovengrondse propaantank aanwezig aan het Wettenseind 3. Deze tank had een inhoud van 3 m3 en geen 10-6-contour omdat de tank een inhoud van minder dan 5 m3 heeft. Wel had de propaantank een veiligheidsafstand van 10 meter. De tank is omstreeks 2008 verwijderd, waardoor er geen sprake meer is van een veiligheidsrisico als gevolg van de tank.
LPG-tankstation In het kader van externe veiligheid in de omgeving van het plangebied is het LPG-station aan de Europalaan 2 relevant. De contouren voor het plaatsgebonden risico van het LPG-station bestaan uit het LPG-vulpunt, het LPG-reservoir en de LPG-afleverzuil. Deze vallen deels binnen het plangebied.
Toelichting (vastgesteld)
59
bestemmingsplan Herijking Nuenen West
Figuur 5.5 Ligging LPG-punten en PR 10-6-contouren van het tankstation bij het plangebied
Voor het LPG-tankstation aan de Europalaan 2 gelden op basis van het nieuwe BEVI en REVI de volgende bepalingen. Bij een jaarlijkse vastgelegde doorzet die kleiner is dan 1.000 m³, is de afstand voor het zogenaamde plaatsgebonden risico 35 meter voor het LPG vulpunt, 25 meter voor het reservoir en 15 meter voor de afleverzuil. De gerealiseerde woningen liggen buiten deze wettelijke afstanden; dit is geborgd doordat er in de regels en op de verbeelding een zone is aangegeven waarbinnen geen woningen gerealiseerd mogen worden zie ook bijlage 26.
Het invloedsgebied waarbinnen het groepsrisico beschouwd dient te worden is 150 meter. Ten behoeve van de ontwikkeling van het plan is het groepsrisico berekend.
Het wettelijk vastgestelde invloedsgebied ligt ten zuiden van de Europaweg uitsluitend over het plangebied van Bouwveld D. Voor Bouwveld D is een aparte procedure doorlopen, waarvoor een QRA is opgesteld voor het LPG-tankstation om inzicht te geven in het groepsrisico. Deze QRA is als bijlage 27 opgenomen bij dit Chw-bestemmingsplan en is reeds vastgesteld in het uitwerkingsplan 2. Voor het gebied ten noorden van de Europalaan geldt een uitwerkingsplicht; de wijze waarop met het groepsrisico in dit deel wordt omgegaan, dient in het op te stellen uitwerkingsplan nader te worden ingevuld.
In de QRA voor het vigerende bestemmingsplan (2008) lag de waarde van het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde. Uit de voor bouwveld D uitgevoerde QRA (zie bijlage) blijkt dat het groepsrisico voor het nieuwe Chw-bestemmingsplan afneemt tot onder de oriëntatiewaarde.
Het groepsrisico neemt af doordat de personendichtheid binnen het invloedsgebied van het LPG tankstation afneemt: de scholen die oorspronkelijk gepland stonden in bouwveld D worden hier niet meer gerealiseerd, waardoor er minder personen binnen het invloedsgebied komen. Voor het gebied ten noorden van de Europalaan geldt in dit plan een vergelijkbare woningdichtheid als in het oude bestemmingsplan uit 2008.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg In en nabij het plangebied liggen wegen die deel uitmaken van de gemeentelijke en regionale hoofdinfrastructuur. Over deze weg vindt uitsluitend incidenteel vervoer van LPG en vloeibare
60
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herijking Nuenen West brandstoffen naar het tankstation plaats. De omvang van dit vervoer is echter zodanig beperkt, dat er geen sprake is van een 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ruim onder 10% van de oriëntatiewaarde blijft.
Risicovolle inrichtingen/activiteiten op bedrijventerrein Berkenbos en Pinckart In bijlage 30 is ook aandacht besteed aan de externe veiligheid op en om het bedrijventerrein Berkenbos en Pinckart. Dat bedrijventerrein grenst aan het plangebied. Uit bijlage 30 blijkt dat gevaaraspecten op het bedrijventerrein uitsluitend gebonden zijn aan de op- en overslag van gevaarlijke stoffen tot 10 ton. Het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein staat daarnaast de vestiging van risicovolle inrichtingen niet toe. Wel is er op het bedrijventerrein sprake van één kleine gasflessenopslag aan een bedrijf met het adres Spegelt 50. Deze gasflessenopslag voldoet niet volledig aan de eisen ten aanzien van de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen zoals die gesteld worden in PGS 15. De ontwikkelende partij draagt zorg voor een nieuwe, brandwerende gasflessenopslag. Evenwel geldt dat uit bijlage 30 blijkt dat gevaaraspecten op het bedrijventerrein geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling vormen.
Conclusie risicobronnen Uit het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg volgt geen beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling. Dat geldt ook voor de gevaaraspecten op het naburige bedrijventerrein Berkenbos en Pinckart. Uit de nabijheid van het LPG-tankstation volgt de noodzaak tot een verantwoording van het groepsrisico. Indien het bevoegd gezag het groepsrisico aanvaardt, dan gelden geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Met de komst van de Omgevingswet gaan er nieuwe richtlijnen gelden. Deze zijn omschreven in een circulaire (zie bijlage 26 voor een toelichting op deze circulaire). Bij de toets aan de ciculaire houdt de gemeente vast aan de bestaande verantwoordingsplicht van het groepsrisico, omdat: de kans op een incident erg laag is en het aantal woningen binnen 60 meter van de risicobron beperkt is; het treffen van bouwkundige maatregelen zodanige grote effecten heeft op het stedenbouwkundig plan, de manier waarop de woningen gebouwd moeten worden en dat de daarmee samenhangende kosten en leefbaarheid in/aantrekkelijkheid van de woningen dat deze maatregelen niet in verhouding staan tot de geboekte veiligheidswinst; het treffen van omgevingsmaatregelen ruimtelijk niet inpasbaar is; de woningbouw voor de gemeente van groot belang is, mede om een bijdrage te leveren aan het opvangen van een deel van de regionale woningbehoefte. Omdat uit onderzoek is gebleken dat het treffen van doelmatige maatregelen in deze specifieke situatie niet mogelijk is, heeft de gemeente besloten het (lage) restrisico te aanvaarden. Gelet op voorgaande opsomming leidt de ontwikkeling van Nuenen-West niet tot een conflictsituatie voor het LPG-tankstation. 5.6.3
Verantwoording van het groepsrisico
De voorgaande paragrafen bieden een gedeeltelijk beeld van de algehele veiligheidssituatie rond het LPG-tankstation. In dit hoofdstuk wordt daarom aan de hand van diverse kwalitatieve aspecten nadere duiding gegeven aan het risiconiveau en de optimalisatie van de veiligheidssituatie aan de hand van mogelijke maatregelen. Bovendien is in het kader van een eventuele ruimtelijke procedure verantwoording van het groepsrisico verplicht, conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Deze verantwoording wordt in het kader van de besluitvorming afgelegd door het bevoegd gezag. De volgende indeling is in dit hoofdstuk gehanteerd: Algemene beschouwing veiligheidssituatie.
Toelichting (vastgesteld)
61
bestemmingsplan Herijking Nuenen West Ruimtelijke veiligheidsmaatregelen. Bronmaatregelen. Objectgerelateerde veiligheidsmaatregelen. Zelfredzaamheid. Alarmering. Vluchtwegen. Bestrijdbaarheid. Algemene beschouwing veiligheidssituatie Het LPG-tankstation heeft een wettelijk invloedsgebied van 150 meter. Binnen het invloedsgebied bevinden zich naast de eigen inrichting woningen. Uit berekeningen met de LPG-rekentool die in het kader van het opstellen van het uitwerkingsplan voor bouwveld D uitgevoerd zijn, blijkt dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling de berekende normwaarde toeneemt, maar de oriëntatiewaarde niet overschreden wordt. De berekening met de LPG-rekentool is als bijlage 27 bij deze toelichting gevoegd.
Het maatgevende scenario van het LPG-tankstation is een BLEVE (Boiling liquid expanding vapour explosion (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie)). Een BLEVE kan plaatsvinden bij zowel de opslagtank met LPG (door intrinsiek falen) als bij de LPG-tankwagen (aanstraling door een brand). Een koude BLEVE ontstaat wanneer er een lek in de LPG-tank zit waardoor gas kan ontsnappen. Door een plotselinge drukverandering in de tank stijgt de temperatuur van het gas, waardoor de tank kan ontploffen. Een warme BLEVE ontstaat door een (plas)brand in de nabijheid van een tankwagen beladen met brandbaar of toxisch gas. Door de hitte van de brand loopt de druk in een tankwagen hoog op, terwijl de sterkte van de metalen wand afneemt. Hierdoor kan de wand het begeven en de tank ontploffen. Een BLEVE kan leiden tot een vuurbal en een drukgolf. Slachtoffers kunnen vallen door de warmtestraling en een drukgolf. Alle aanwezige die door de vuurbal worden getroffen, komen vermoedelijk te overlijden. Hiernaast kunnen rondvliegende brokstukken en glasscherven plaatselijk zware schade aanbrengen aan personen en gebouwen.
Door de maatregelen uit de 'Safety Deal hittewerende bekleding op LPG-autogastankwagens' is intrinsiek falen van de ondergrondse tank het maatgevende scenario. Tankauto's zijn voorzien van een hittewerende bekleding die de kans op een warme-BLEVE gedurende ten minste 75 minuten voorkomt. De brandweer is daardoor in staat de tank van de tankauto tijdig te koelen.
Ruimtelijke veiligheidsmaatregelen Tegen de warmtestraling en de overdrukeffecten van een BLEVE zijn geen veiligheidsmaatregelen te nemen. Wel kan het gebied waar de nieuwe woningen zo worden ingericht dat eventuele ongevallen optimaal bestrijdbaar zijn en dat mensen weg kunnen vluchten van het ongeval. In de nadere uitwerking van de bouwvelden in Nuenen West wordt hier rekening mee gehouden. In overleg met de brandweer worden op de juiste plekken en conform eisen voldoende bluswatervoorzieningen gerealiseerd. Daarnaast is het voor aanwezigen goed mogelijk om te vluchten, van de risicobron af. De wegenstructuur én de doorgangen voor langzaam verkeer, bijvoorbeeld via voetpaden en parkeerplaatsen, maken het goed mogelijk voor aanwezigen om weg te vluchten bij een eventueel ongeval. Op korte afstanden van de woningen zijn, buiten het invloedsgebied van het tankstation, meerdere grote open ruimten gelegen (brinken in bouwvelden A, C en D, doorgaande wegen) om naar toe te vluchten.
Bronmaatregelen Het is niet mogelijk om bronmaatregelen te nemen om de veiligheid verder te vergroten. Dit omdat de inrichting van het LPG-tankstation reeds voldoet aan alle regels en het LPG-reservoir ook reeds ondergronds gelegen is.
62
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herijking Nuenen West
De LPG-inrichting wordt verder met dit Chw-bestemmingsplan niet gewijzigd en blijft goed bereikbaar door hulpdiensten, waardoor een optimale bestrijdbaarheid van eventuele ongevallen kan blijven bestaan.
Objectgerelateerde veiligheidsmaatregelen In geval van een BLEVE wordt bebouwing in de directe omgeving (binnen circa 150 meter van het LPG-tankstation) verwoest. Veiligheidsmaatregelen aan bebouwing in de verdere omgeving van het LPG-tankstation kunnen de veiligheidssituatie verbeteren. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat een effectieve, maar minder praktische, maatregel het beperken van glasoppervlakken aan de risicozijdes (zijdes richting het LPG-reservoir) is.
Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation in staat zijn zichzelf in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation bevinden zich enkele tientallen woningen. Ten aanzien van reguliere woningbouw (zonder specifieke zorgfunctie) geldt dat de zelfredzaamheid van de aanwezige personen overwegend 'voldoende' zal zijn (en bewoners derhalve in staat zijn zichzelf in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen).
Alarmering Het is belangrijk dat in geval van een calamiteit personen uit het invloedsgebied van het LPG-tankstation vluchten. Personen dienen hiervoor gewaarschuwd te worden. Door aanwezigen periodiek alert te maken op de risico's, gevolgen en effecten van een incident bij het LPG-tankstation, kan de slagvaardigheid in geval van een incident verbeterd worden (risicocommunicatie).
Gerichte crisiscommunicatie met aanwezigen direct na een incident via NL-Alert kan ertoe bijdragen dat alarmering en ontruiming sneller verlopen.
Vluchtwegen De wegenstructuur is in het bebouwde gebied rond het LPG-tankstation dusdanig georganiseerd, dat er in meerdere richtingen gevlucht kan worden (richting het noorden en zuiden via de Dubbestraat en richting het oosten en westen via de Europalaan). De externe ontvluchtingmogelijkheden worden daarmee voldoende geacht.
Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De mate waarin uitvoering aan de bestrijding kan worden gegeven, hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen).
Het ontstaan van een koude BLEVE is niet te bestrijden, omdat de tank meteen explodeert. De branden die door de explosie ontstaan kunnen wel bestreden worden. Vanwege de maatregelen uit de Safety Deal (hittewerende bekleding) wordt een warme BLEVE bij LPG-tankwagens gedurende ten minste 75 minuten voorkomen. De brandweer is daardoor in staat de tank tijdig te koelen.
Ten aanzien van de groepsrisicoverantwoording in het kader van een ruimtelijke procedure, wordt door
Toelichting (vastgesteld)
63
bestemmingsplan Herijking Nuenen West de gemeente advies ingewonnen bij de betreffende veiligheidsregio. Overigens wordt opgemerkt dat de groepsrisicoverantwoording uitsluitend nodig is voor de risico's die het LPG-tankstation veroorzaakt. Verder is er geen sprake van externeveiligheidsrisico's in het plangebied. In het kader van de ruimtelijke procedure voor de woningbouw in bouwveld D is het groepsrisico reeds verantwoord: Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het tankstation met LPG. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen. De toename van het groepsrisico is echter beperkt, er zijn geen mogelijkheden om aan de bron of in het ruimtelijke ontwerp risico's verder te beperken en er zijn goede mogelijkheden voor bestrijdbaarheid en vluchten. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico. Hiermee is het complete groepsrisico voor Nuenen West verantwoord voor zover dit betrekking heeft op gronden die niet bestemd zijn als 'Woongebied - Uit te werken'. In de ruimtelijke procedure voor de uitwerking van plannen voor die gronden wordt een groepsrisicoverantwoording uitgevoerd.
Gekozen wordt voor het in overleg met de brandweer aanbrengen van voldoende bluswatervoorzieningen en het in het ontwerp van de toekomstige bouwvelden waar mogelijk inzetten op het aanbrengen van vluchtroutes (via wegen, paden en brandgangen) naar plekken waar mensen zich veilig kunnen verzamelen (zoals de brinken).
Advies veiligheidsregio De Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost heeft in april 2019 advies over de bestrijdbaarheid van en zelfredzaamheid bij eventuele incidenten op het LPG-tankstation gegeven (zie bijlage 28). De veiligheidsregio heeft geen opmerkingen op de bestrijdbaarheid van en zelfredzaamheid tijdens eventuele incidenten. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico. Hiermee is het complete groepsrisico voor Nuenen West verantwoord voor zover dit betrekking heeft op gronden die niet bestemd zijn als 'Woongebied - Uit te werken'. In de ruimtelijke procedure voor de uitwerking van plannen voor die gronden wordt een groepsrisicoverantwoording uitgevoerd.
5.7
Waterparagraaf
In het plangebied wordt het waterbeheer gevoerd door het waterschap De Dommel. Deze waterparagraaf heeft als doel om de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moet voldoen. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening.
Waterrelevant beleid en regelgeving Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Het PMWP staat voor: voldoende water voor mens, plant en dier; schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's; verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Waterbeheerplan 2016 - 2021 Waterschap de Dommel
64
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Herijking Nuenen West
Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.
Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's: Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen). Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater. Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen. Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven.
Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met alle partners in het gebied wil uitbreiden en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.
Keur Waterschap de Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².