2022-31 RV Bijlage 2 - Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026 ODZOB
Tekst van het document
BEGROTING 2023 EN MEERJARENRAMING 2024-2026 Versie 10 maart 2022
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026 Versie 10 maart 2022
In opdracht van
Dagelijks Bestuur Omgevingsdienst ZuidoostBrabant Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant Postbus 8035 5601 KA Eindhoven
Auteur
Kees van Daal
Projectnummer
Z.235103/D.895215
Datum
10 maart 2022
Status
Definitief
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
2
Inhoudsopgave
1
INLEIDING ................................................................................................................................................. 4
2
BELEIDSBEGROTING .................................................................................................................................. 5
3
4
5
6
2.1
Uitgangspunten ........................................................................................................................................ 5
2.2
Omgevingswet .......................................................................................................................................... 5
2.3
Regionale operationele kaders ................................................................................................................. 5
2.4
Toekomstbestendige veehouderij ............................................................................................................. 6
2.5
Governance .............................................................................................................................................. 7
PROGRAMMAPLAN ................................................................................................................................... 9 3.1
Programma lokale dienstverlening .......................................................................................................... 9
3.2
Programma regionale samenwerking .................................................................................................... 10
3.3
Algemene dekkingsmiddelen .................................................................................................................. 11
3.4
Kosten overhead ..................................................................................................................................... 11
3.5
Heffing vennootschapsbelasting ............................................................................................................ 11
3.6
Onvoorzien ............................................................................................................................................. 12
PARAGRAFEN .......................................................................................................................................... 13 4.1
Weerstandsvermogen en risicobeheersing ............................................................................................ 13
4.2
Financiering ............................................................................................................................................ 15
4.3
Bedrijfsvoering........................................................................................................................................ 17
4.4
Verbonden partijen................................................................................................................................. 18
FINANCIELE BEGROTING ......................................................................................................................... 19 5.1
Overzicht van baten en lasten ................................................................................................................ 19
5.2
Toelichting op het overzicht van baten en lasten ................................................................................... 19
5.3
Opbouw gemiddeld uurtarief ................................................................................................................. 23
5.4
Uiteenzetting financiële positie en de toelichting .................................................................................. 24
5.5
Meerjarenraming en de toelichting ........................................................................................................ 27
BIJLAGEN ................................................................................................................................................ 28 6.1
Specificatie bijdrage per deelnemer ....................................................................................................... 28
6.2
Overzicht baten en lasten per taakveld .................................................................................................. 29
6.3
Overzicht baten en lasten (exploitatie) .................................................................................................. 30
6.4
Risico-inventarisatie ............................................................................................................................... 31
6.5
Lijst van afkortingen ............................................................................................................................... 32
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
3
1
INLEIDING
Voor u ligt de begroting 2023 met de bijbehorende meerjarenraming 2024 – 2026 van de ODZOB. Deze begroting is enerzijds gebaseerd op de uitgangspunten uit de kadernota 2023 en toont anderzijds relevante voortschrijdende (financiële) inzichten. De begroting bestaat uit:
De beleidsbegroting met de ontwikkelingen en uitdagingen die relevant zijn voor de ODZOB.
Het programmaplan dat ingaat op de (nieuwe) programma’s lokale dienstverlening en regionale samenwerking en daarnaast een toelichting geeft op ontwikkelingen in de overhead.
De presentatie van de verplichte paragrafen, voor zover deze voor de ODZOB van toepassing zijn.
De financiële begroting die nader ingaat op de ontwikkelingen van baten en lasten en de uiteenzetting van de financiële positie. Tevens wordt hier ingegaan op de meerjarenraming.
Bijlagen: de specificeerde bijdrage per deelnemer, het exploitatieoverzicht van baten en lasten, de geactualiseerde risico-inventarisatie en het overzicht van baten en lasten per taakveld.
De in de diverse tabellen gepresenteerde realisatiecijfers over 2021 betreffen voorlopige, nog door de accountant te verifiëren cijfers. Deze kunnen derhalve nog bijgesteld worden.
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
4
2
BELEIDSBEGROTING
2.1
Uitgangspunten
De ODZOB voert werkzaamheden uit op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarnaast worden er specialistische (advies)taken uitgevoerd. De ODZOB werkt zowel samen met de deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling als met andere organisaties op het gebied van de fysieke leefomgeving. Gezamenlijk verbeteren we de kwaliteit van de fysieke leefomgeving: veiliger, gezonder en minder overlast. Verwacht wordt dat onderstaande thema’s in 2023 een grote impact hebben op de uitvoering van bovenstaande werkzaamheden. Vandaar dat er hier extra aandacht aan wordt besteed. Dit overzicht geldt daardoor niet als een uitputtend overzicht van te verwachten beleidsmatige ontwikkelingen. 2.2
Omgevingswet
Maatschappelijke opgave en doel De Omgevingswet heeft tot doel het vergroten van de inzichtelijkheid en het gebruikersgemak, het versnellen van de besluitvorming, meer lokale afwegingsruimte en een samenhangende benadering. Wettelijk kader De Omgevingswet betekent een algehele stelselherziening voor de wet- en regelgeving, die gaat over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De herziening heeft een grote impact op de manier van werken, de cultuur, het juridisch en technisch instrumentarium en heeft grote gevolgen voor de bevoegde gezagen en organisaties die bij de wet betrokken zijn. Rol en inzet van de ODZOB De invoering van de wet was voorzien op 1 juli 2022. Inmiddels is duidelijk dat deze datum verschuift naar een later moment; als alternatieve datums zijn 1 oktober 2022 en 1 januari 2023 genoemd. Een besluit daarover volgt in de loop van dit jaar. Dit laat onverlet dat er veel inzet gepleegd moet worden om belangrijke aanpassingen in werkwijzen, cultuur, instrumentarium en ICT-systemen door te voeren. Tevens worden onze medewerkers opgeleid en voorbereid op de aanstaande veranderingen. Vanaf 2023 komt de nadruk te liggen op de nazorg. Deze nazorg heeft onder andere betrekking op:
De formele start van een transitieperiode tot 2029.
Ondersteuning aan deelnemers passend bij individuele ambities van die deelnemers.
De voortzetting van de samenwerking met (keten-)partners, collega Brabantse omgevingsdiensten en de koepelorganisatie ODNL (in elk geval in 2023 en 2024).
De omzetting van de systematiek van inrichting naar milieubelastende activiteit is een complexe en arbeidsintensieve opgave die gedurende meerdere jaren extra inzet vraagt.
Naar verwachting leidt de inwerkingtreding van de Omgevingswet vooral in de beginperiode tot een meer dan gebruikelijke juridische inzet, zoals advisering, bezwaar en beroep. 2.3
Regionale operationele kaders
Maatschappelijke opgave en doel Het toezicht is er op gericht om via het bevorderen van de naleving van regels de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving te bewaken en te bevorderen.
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
5
Wettelijk kader De wettelijke basis is de Omgevingswet, en in samenhang daarmee het Omgevingsbesluit. Relevante regels zijn in hoofdzaak opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit kwaliteit leefomgeving, soms in samenhang met een vergunning. Verder is bijvoorbeeld een aantal Europese verordeningen relevant. Er zijn voor de omgevingsveiligheid relevante regels opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving en andere besluiten, met andere bevoegdheden waarop de Veiligheidsregio en de Arbeidsinspectie het toezicht uitvoeren. Rol en inzet van de ODZOB Voor toezicht & handhaving, vergunningverlening, bodem en asbest zijn afspraken gemaakt over een “nieuwe manier van werken” die door het algemeen bestuur zijn vastgesteld. Dit zorgt voor een uniforme en meer risicogerichte benadering voor alle deelnemers. In 2023 zal het werken volgens deze kaders meer gemeengoed zijn. Op basis van periodieke monitoring en evaluatie wordt deze vorm van regionale samenwerking verder ontwikkeld. 2.4
Toekomstbestendige veehouderij
Maatschappelijke opgave en doel Rijk en provincies zetten zich samen met de veehouderijsector in om stalsystemen te (laten) innoveren. Hierbij is het streven om, zonder gebruik van luchtwassers, hoge emissiereducties van ammoniak, geur, methaan en fijnstof te behalen door het toepassen van bronmaatregelen. Centraal in het Rijks- en provinciale beleid voor de veehouderij staat de omschakeling naar een kringlooplandbouw. Wettelijk kader In samenhang met de landelijke aanpak werkt de provincie Noord-Brabant de stikstofdoelen en maatregelen uit in het Brabantse ontwikkelaanpak stikstof (BOS). De komende jaren wordt de (integrale) gebiedsgerichte aanpak rondom Natura 2000 gebieden belangrijk. Met de komst van de Omgevingswet dient gezondheid een volwaardige plaats te krijgen in omgevingsvisies en omgevingsplannen van gemeenten, o.a. door het opnemen van omgevingswaarden en normen die hierop betrekking hebben. Voor de veehouderij betreft dit vooral de aspecten geur, fijnstof en endotoxinen. Rol en inzet van de ODZOB De komende jaren gaan nog veel veehouders stoppen. Het vinden van passende nieuwe functies op die locaties is een flinke uitdaging, zeker in situaties met hoge achtergrondconcentraties van geur of fijnstof. Middelen zijn beschikbaar voor stoppende veehouders, vooralsnog op vrijwillige basis. Al deze veranderingen en innovaties gaan de VTH-taakuitvoering beïnvloeden.
De ODZOB moet ervoor zorgen dat dit proces goed begeleid wordt door vroegtijdig inbreng te leveren en te letten op de uitvoerbaarheid van nieuwe regelgeving, zowel die van het Rijk als van de provincie en gemeenten. Gemeenten krijgen beleidsruimte om innovaties te vergunnen en hebben daar deskundige ondersteuning bij nodig. Met pilots wordt kennis en ervaring opgedaan over het werken met doelvoorschriften in vergunningen en meetsensoren in stallen voor toezicht en handhaving.
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
6
2.5
Governance
In deze paragraaf wordt ingegaan op een drietal ontwikkelingen die de positie van de ODZOB en de relatie met de deelnemers gaat beïnvloeden. Deze ontwikkelingen komen, na voorbereiding in 2022, tot wasdom in 2023. Meerjarenvisie Maatschappelijke opgave en doel Na de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2022 treedt een nieuw algemeen bestuur aan. Het (oude) dagelijks bestuur van de ODZOB biedt een overdrachtsdocument aan met de stand van zaken en toekomstige ontwikkelingen voor het nieuwe bestuur. Aan het nieuwe bestuur wordt, als opvolger van het concernplan 2019-2022, een meerjarenvisie 2023-2027 voorgelegd. Dit is voorzien voor het eerste kwartaal van 2023. Na vaststelling door het algemeen bestuur bepaalt deze visie de ODZOB-koers. Rol en inzet van de ODZOB De voorbereiding op de meerjarenvisie vindt plaats in 2022. Dit vergt gedegen afstemming met stakeholders binnen en buiten de ODZOB. Niet in de laatste plaats zullen de (nieuwe) AB-leden hierbij betrokken worden. De scope van de meerjarenvisie betreft vooral inhoudelijke thema’s. Het is niet de insteek om bedrijfsvoeringsaangelegenheden hier in op te nemen. Opvolging rapport Commissie Van Aartsen Maatschappelijke opgave en doel In maart 2021 heeft de Commissie Van Aartsen het rapport “Om de leefomgeving - Omgevingsdiensten als gangmaker voor het bestuur” uitgebracht.
De commissie concludeerde dat omgevingsdiensten hun werk niet goed genoeg kunnen doen. Dat leidt tot gezondheidsschade, economische schade en bestuurlijke schade. Om dit op te lossen moeten omgevingsdiensten onafhankelijker kunnen werken. Daarbij zijn tien aanbevelingen gedaan om te komen tot een effectief, slagvaardig en toekomstgericht VTH-stelsel. In december 2021 verscheen een hoofdlijnennotitie van de minister over de versterking van het VTH-stelsel waarin de probleemanalyse en aanbevelingen ondersteund worden. Rol en inzet van de ODZOB Het is onduidelijk wanneer het nieuwe kabinet opvolging geeft aan de uitgebrachte adviezen. De gevolgen van deze adviezen voor omgevingsdiensten in het algemeen en de ODZOB in het bijzonder gaan naar verwachting hun effect hebben vanaf 2023. Dit geldt ook voor het door ODNL geopperde idee om een, door het Rijk te financieren, Impulsprogramma VTH 2030 in het leven te gaan roepen. Wet gemeenschappelijke regelingen Maatschappelijke opgave en doel De Wet gemeenschappelijke regelingen wordt aangepast om de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken. Het gaat daarbij om de kaderstellende en controlerende rol van gemeenteraden en provinciale staten bij de uitvoering van taken in gemeenschappelijke regelingen.
Dit is nodig omdat de legitimiteit van gemeenschappelijke regelingen gebaseerd is op het beginsel van verlengd lokaal bestuur. Dat betekent dat het bestuur van het samenwerkingsverband geen eigen democratische legitimiteit heeft, maar dat de politieke controle op het bestuur gevoerd door het samenwerkingsverband uiteindelijk berust bij de betrokken deelnemers.
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
7
De nieuwe wet probeert hieraan tegemoet te komen door meer ruimte te geven voor keuzes over de werking van een gemeenschappelijke regeling. Bijvoorbeeld door te kiezen voor een gemeenschappelijke adviescommissie of door het verruimen van de participatiemogelijkheden van burgers en belanghebbenden bij de besluitvorming in gemeenschappelijke regelingen. Wettelijk kader Zowel de Eerste als de Tweede Kamer hebben ingestemd met deze wetswijziging. De nieuwe wet treedt, naar verwachting, in werking op 1 juli 2022. Rol en inzet van de ODZOB De belangrijkste opgave vanuit de wijziging van de Wgr voor de ODZOB is om de gemeenschappelijke regeling aan te passen aan de nieuwe bepalingen. Inclusief een afstemming met het eigen bestuur en de besturen van de andere gemeenschappelijke regelingen. Overheden krijgen tot 2 jaar na inwerkingtreding de tijd om dit alles te regelen. Om de huidige bepalingen uit de gemeenschappelijke regeling te wijzigen is instemming van alle betrokken raden en staten noodzakelijk. Naast wijzigingen die volgen uit de Wgr worden ook nog enkele andere aspecten meegenomen in de nieuwe regeling. Dit leidt tot de derde wijziging van de GRODZOB. Hierin worden tevens enkele wijzigingen doorgevoerd om onvolkomenheden recht te zetten die aan het licht kwamen na de vaststelling van de tweede wijziging van de GR-ODZOB.
De doorlooptijd van de besluitvorming over de te wijzigen gemeenschappelijke zal grotendeels 2022 beslaan, waardoor er vanaf 2023, naar verwachting, sprake zal zijn van een nieuwe governance. Verder vindt in 2022 de evaluatie plaats van de huidige dienstverleningsovereenkomst (DVO) waarin de samenwerkingsafspraken tussen de ODZOB en haar deelnemers zijn vastgelegd. Momenteel is nog niet duidelijk of er een nieuwe DVO in de plaats zal komen van de huidige, of dat er wordt overgegaan tot het werken met algemene leveringsvoorwaarden, zoals andere omgevingsdiensten inmiddels al doen.
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
8
3
PROGRAMMAPLAN
De ODZOB streeft naar de succesvolle uitvoering van de opgedragen werkzaamheden op het gebied van de fysieke leefomgeving; zowel voor deelnemers als niet-deelnemende organisaties. Zoals in de kadernota 2023 is toegelicht, worden in de begroting 2023 de volgende programma’s onderscheiden:
Lokale dienstverlening
Regionale samenwerking
Het bestaande principe van basis- en verzoektaken blijft bestaan. De nieuwe programmatische indeling leidt niet tot meer- of minderkosten; wel tot een andere opbouw van de programma’s. Voor de deelnemers van de ODZOB heeft dit nieuwe ordeningsprincipe als voordeel dat duidelijker blijkt bij welke werkzaamheden de relatie opdrachtgever-opdrachtnemer leidend is en bij welke werkzaamheden samenspraak en afstemming met andere deelnemers noodzakelijk is. Hoewel de verdere uitwerking van dit nieuwe ordeningsprincipe plaatsvindt in 2022, is inmiddels een eerste beweging in gang gezet die past in dit gewijzigd perspectief. In de laatste AB-vergadering van 2021 stelde het algemeen bestuur een tweetal ‘technische’ (per saldo financieel neutrale) begrotingswijzigingen vast. Hierbij verschoven middelen voor de voorbereiding op de Omgevingswet en voor de samenwerking op het gebied van Omgevingsveiligheid van lokale dienstverlening naar regionale samenwerking. In onderstaand overzicht zijn de baten, lasten en saldi per programma weergegeven. Programmaplan
* bedragen x 1€ Omschrijving
Baten
Lasten
Saldo
Programma Lokale dienstverlening
23.502.763
16.486.683
7.016.081
Programma Regionale samenwerking
2.097.749
1.619.081
478.667
Algemene dekkingsmiddelen
0
0
0
Overhead
0
7.484.748
-7.484.748
Heffing VPB
0
10.000
-10.000
Bedrag onvoorzien
0
0
0
25.600.512
25.600.512
0
Mutatie reserves
0
0
0
Totaal toevoeging en ontrekking aan reserves
0
0
0
25.600.512
25.600.512
0
Saldo van baten en lasten vóór mutatie reserves Toevoeging en ont rekking reserves
Saldo van bat en en last en na mut at ie reserves
3.1
Programma lokale dienstverlening
Wat willen we bereiken? In algemene zin wil de ODZOB bijdragen aan een veilige en gezonde leefomgeving. De ODZOBdoelstellingen komen goeddeels overeen met die van (het collectief van) de eigenaren, maar laten nog enige ruimte voor verdere verbetering. Wat gaan we daar voor doen? Onder dit programma vallen de werkzaamheden die de ODZOB uitvoert voor zowel haar deelnemers, als voor overige publieke organisaties. Kenmerkend hierbij is de een-op-een relatie tussen de ODZOB (als opdrachtnemer) en de opdrachtgever. De ODZOB richt zich op vergunningverlening, toezicht, handhaving en advies op inhoudelijke thema’s als milieu, bodem, water, landbouw, duurzaamheid, asbest, bouwen, omgevingsveiligheid en ruimtelijke ordening.
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
9
Wat mag het kosten? In onderstaand overzicht worden de baten en lasten, onderverdeeld naar basis- en verzoektaken getoond. De inhoudelijke toelichting volgt in paragraaf 5.2 Raming van bat en en last en; Programma Lokale dienst verlening Omschrijving
Realisatie 2021
* bedragen x 1€ Begroting 2022
Begroting 2023
Bat en1) Basistaken
8.907.454
6.987.200
10.516.766
Verzoektaken
13.658.907
13.777.244
12.985.997
Totaal baten
22.566.361
20.764.444
23.502.763
Basistaken
5.760.748
4.879.296
7.377.285
Verzoektaken
9.182.813
9.621.593
9.109.397
Totaal lasten
14.943.561
14.500.888
16.486.683
Tot aal saldo van bat en en last en
7.622.800
6.263.555
7.016.081
Last en
1)
De gerealiseerde baten 2021 zijn w eergegeven excl. in rekening gebrachte externe programmakosten zijnde € 583.197, -.
3.2
Programma regionale samenwerking
Wat willen we bereiken? Ook bij dit programma wil ODZOB bijdragen aan een veilige en gezonde leefomgeving. Consensus tussen de deelnemers is hierbij van groot belang. In gezamenlijkheid wordt het collectief programma vastgesteld door het algemeen bestuur. Gemeentegrens-overstijgende ontwikkelingen, bundeling van expertise en schaalvoordelen liggen vaak ten grondslag aan onderdelen van dit programma. Het programma regionale samenwerking is breder dan het voorheen gebruikte collectief programma. Wat gaan we daar voor doen? Dit programma bestaat momenteel uit de volgende subprogramma’s: Samen Sterk in Brabant (SSiB)
Omgevingsveiligheid
Programma Omgevingswet
Overige collectieve taken
De (provinciebrede) regie en uitvoering van Samen Sterk in Brabant is belegd bij de collega’s van de ODBN. De financiële bijdrage vanuit onze regio loopt via de (begroting van de) ODZOB. De regionale werkzaamheden voor de Omgevingsveiligheid maken vanaf 2022 onderdeel uit van het programma. Dit geldt eveneens voor het ODZOB-programma Omgevingswet, dat tot en met 2022 gericht is op de voorbereiding op de inwerkingtreding en vanaf 2023 gericht is op de verdere uitwerking (ook wel aangeduid als nazorg) nadat deze nieuwe wet daadwerkelijk van kracht is geworden. Het bestuurlijk vastgestelde Collectieve Programma maakt onderdeel uit van de overige collectieve taken. Vanaf 2022 is hier een herijkt afwegingskader op van toepassing. Dit leidt tot een scherpere afbakening tussen structurele programmaonderdelen en projecten met een beperkte doorlooptijd. Wat mag het kosten? In volgende overzicht worden de baten en lasten, onderverdeeld naar de subprogramma’s getoond.
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
10
Raming van bat en en last en; Programma Regionale samenwerking Omschrijving
Realisatie 20211)
* bedragen x 1€ Begroting 2022
Begroting 2023
Bat en Samen Sterk in Brabant (SSIB)
322.200
329.288
Omgevingsveiligheid
130.064
132.925
Programma Omgevingswet
406.295
415.233
921.771
1.005.822
1.220.302
1.218.171
1.864.380
2.097.749
Lasten
1.031.889
1.474.789
1.619.081
Totaal lasten
1.031.889
1.474.789
1.619.081
186.281
389.592
478.667
Toevoegingen aan reserves
0
0
0
Onttrekkingen aan reserves
0
50.000
0
1.031.889
339.592
478.667
Overige collectieve taken Totaal baten
296.400
Last en
Tot aal saldo van bat en en last en
Gerealiseerd result aat 1)
In de realisatie 2021 zijn de subprogramma's Omgevingsveiligheid en programma Omgevingsw et ondergebracht onder programma dienstverlening. Derhalve geen w aarde in de kolom realisatie 2021.
3.3
Algemene dekkingsmiddelen
Onderstaand het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen. Deze post betreft de opbrengsten uit doorbelaste garantiesalarissen. Zoals voorgesteld in de kadernota 2023 worden deze kosten vanaf 2023 niet langer doorbelast aan de oorspronkelijke latende organisaties. Algemene dekkingsmiddelen
* bedragen x 1€ Realisatie 2021
Begroting 2022
Baten
62.331
50.000
0
Lasten
nvt
nvt
nvt
62.331
50.000
0
Omschrijving
Saldo Algemene dekkingsmiddelen
3.4
Begroting 2023
Kosten overhead
Het Besluit begroten en verantwoorden (Bbv) hanteert als definitie voor de overhead: “alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces”. Hierop zijn de overheadfuncties van de ODZOB beoordeeld. Dat heeft er toe geleid dat het accountmanagement is ondergebracht bij het primaire proces. Daarnaast is de overhead kwalitatief en kwantitatief verstevigd, zoals is toegelicht in het traject grip op de samenwerking. Wat mag het kosten? Overhead
* bedragen x 1€ Omschrijving
Realisatie 2021
Begroting 2022
Begroting 2023
Baten
0
0
0
Lasten
7.033.025
6.743.147
7.484.748
Saldo Overhead
-7.033.025
-6.743.147
-7.484.748
3.5
Heffing vennootschapsbelasting
Net als andere publieke organisaties valt de ODZOB onder de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen. Een klein deel van de onze activiteiten valt onder de Vpb-plicht. Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
11
Wat mag het kosten? Heffing VPB
* bedragen x 1€ Omschrijving
Realisatie 2021
Begroting 2022
Begroting 2023
Baten
0
0
0
Lasten
1.662
10.000
10.000
Saldo VPB
-1.662
-10.000
-10.000
3.6
Onvoorzien
Vanaf de begroting 2022 beschikt de ODZOB niet meer over een post onvoorzien. Onderstaand overzicht is enkel opgenomen voor het volledige beeld. Wat mag het kosten? Onvoorzien
* bedragen x 1€ Omschrijving
Realisatie 2021
Begroting 2022
Begroting 2023
Baten
0
0
0
Lasten
0
0
0
Saldo Onvoorzien
0
0
0
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
12
4
PARAGRAFEN
Het Bbv schrijft voor dat in de beleidsbegroting ingegaan dient te worden op een zevental verplichte paragrafen. Voor de thema’s lokale heffingen, onderhoud kapitaalgoederen en grondbeleid geldt dat deze niet van toepassing zijn voor de ODZOB. Vandaar dat daar niet nader op ingegaan wordt. 4.1
Weerstandsvermogen en risicobeheersing
Om adequaat en effectief te kunnen reageren op onvoorziene situaties met een onbekende impact dient de ODZOB te beschikken over een financiële buffer. Hierdoor kan de ODZOB risico’s opvangen zonder dat dit leidt tot een extra financiële bijdrage van de deelnemers. De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen en mogelijkheden waarover de ODZOB kan beschikken om onvoorziene kosten te dekken; dit betreft de algemene reserve. Het weerstandsvermogen is de verhouding tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en de risico’s (benodigde weerstandscapaciteit) die de ODZOB loopt. Om het weerstandsvermogen te kunnen duiden is inzicht nodig in de aard en omvang van risico’s en in de beschikbare weerstandscapaciteit. Het weerstandsvermogen komt tot uitdrukking in de verhouding (ratio) tussen de beschikbare en de benodigde weerstandscapaciteit.
𝑅𝑎𝑡𝑖𝑜 𝑤𝑒𝑒𝑟𝑠𝑡𝑎𝑛𝑑𝑠𝑣𝑒𝑟𝑚𝑜𝑔𝑒𝑛 =
𝐵𝑒𝑠𝑐ℎ𝑖𝑘𝑏𝑎𝑟𝑒 𝑤𝑒𝑒𝑟𝑠𝑡𝑎𝑛𝑑𝑠𝑐𝑎𝑝𝑎𝑐𝑖𝑡𝑒𝑖𝑡 𝐵𝑒𝑛𝑜𝑑𝑖𝑔𝑑𝑒 𝑤𝑒𝑒𝑟𝑠𝑡𝑎𝑛𝑑𝑠𝑐𝑎𝑝𝑎𝑐𝑖𝑡𝑒𝑖𝑡
Indien deze ratio kleiner is dan 1, betekent dit dat de potentiele impact van de geïnventariseerde risico’s groter is dan de beschikbare weerstandscapaciteit. Het deel dat de ODZOB niet zelfstandig kan afdekken dient door de deelnemers in hun eigen weerstandsvermogen te worden afgedekt. Naar verwachting bedraagt de ratio ultimo 2021 0,69 en per ultimo 2022 0,37. Hierbij is rekening gehouden met de meest actuele inzichten over mutaties in de algemene reserve en potentiele risico’s. In 4GR-verband is afgesproken dat de streefwaarde van de algemene reserve wordt gebaseerd op het totaal van de baten in de begroting, zodat deze streefwaarde eenvoudig herkenbaar is. In het geval van de ODZOB betekent dit, uitgaande van een batentotaal tussen de €20 miljoen en €30 miljoen, dat de streefwaarde van de algemene reserve ligt tussen de €1,2 mln. en €1,5 mln. De algemene reserve bedraagt ultimo 2021 ruim € 1,9 mln. en daalt per ultimo 2022 naar € 1,0 mln. Daarmee is de omvang van de algemene reserve niet meer in overeenstemming met de regionale richtlijn, en zeker onvoldoende groot om gekwantificeerde risico’s af te kunnen dekken. De afgelopen jaren heeft het algemeen bestuur enkele besluiten genomen waarbij de algemene reserve als dekkingsbron is gekozen voor incidentele (project)kosten. Dit heeft gevolgen voor de hoogte van de algemene reserve en daarmee voor het weerstandsvermogen.
Daarnaast (b)lijkt de verwachtingswaarde van het risicoprofiel van de ODZOB eerder te stijgen dan te dalen. Gevolg hiervan is dat het weerstandsvermogen onder druk komt te staan en uitkomt op een niveau dat doorgaans als te laag c.q. ongewenst wordt beschouwd. In samenspraak met de 4GR in regio Zuidoost-Brabant worden de financiële kaders (inclusief het risicomanagement) in 2022 herijkt. Het resultaat daarvan zal aan het bestuur van iedere GR worden voorgelegd. Voor de ODZOB en haar deelnemers is het van belang om de huidige kaders tegen het licht te houden en nieuwe afspraken te maken over de verhouding tussen de verwachtingswaarde van de risico’s en de beoogde hoogte van de algemene reserve.
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
13
Risicomanagement is het effectief omgaan met de kansen en bedreigingen die de continuïteit (van de bedrijfsvoering) van de organisatie kunnen beïnvloeden. Hiervoor is het van belang dat er een continu proces wordt ingericht van identificeren, prioriteren en beheersen. Vandaar dat tweemaal per jaar de risico-inventarisatie wordt geactualiseerd. De meest recente inventarisatie is opgenomen in bijlage 6.3. De risico’s met de hoogste potentiële impact kennen een verwachtingswaarde van ruim € 2,7 mln. en de risico’s met een minder grote impact hebben een totale verwachtingswaarde van ruim € 0,6 mln. Op basis van de geactualiseerde inventarisatie wordt bepaald of er beheersmaatregelen nodig zijn (activiteiten heroverwegen, procedures aanpassen, activiteiten uitbesteden of verzekeringen afsluiten). Om een beeld te presenteren over de financiële positie van de ODZOB worden hier enkele kentallen gepresenteerd. Deze zijn afgeleid van de in paragraaf 5.4.2 getoonde geprognotiseerde balans. Kengetallen Realisatie 2021
Raming 2022
Begroting 2023
Mjr 2024
Mjr 2025
Mjr 2026
Netto schuldquote
-11,7%
-3,0%
-3,1%
-3,4%
-2,7%
-3,0%
Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen Solvabiliteitsratio
-11,7% 27,5%
-3,0% 13,5%
-3,1% 15,2%
-3,4% 15,4%
-2,7% 15,6%
-3,0% 15,9%
Structurele exploitatieruimte
0,0%
0,0%
0,0%
0,0%
0,0%
0,0%
Grondexploitatie
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Belastingcapaciteit
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Netto schuldquote De netto schuldquote toont de schuldenlast ten opzichte van de eigen middelen. Het geeft een indicatie in welke mate de rentelasten en aflossingen op de exploitatie drukken. Een negatieve waarde duidt er op dat er per saldo geen sprake is van een schuld. Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen Dit kengetal is gelijk aan de ongecorrigeerde versie omdat de ODZOB geen leningen verstrekt. Solvabiliteitsratio De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin aan de financiële verplichtingen kan worden voldaan. Het betreft het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal. Het eigen vermogen bestaat uit de alle reserves en het exploitatieresultaat. Structurele exploitatieruimte De structurele exploitatieruimte wordt bepaald door het saldo van de structurele baten en lasten en het saldo van de structurele mutaties op de reserves te delen door de totale baten. Grondexploitatie en belastingcapaciteit Deze kengetallen zijn niet van toepassing op de ODZOB. Beoordeling van de onderlinge verhouding tussen de kengetallen in relatie tot de financiële positie. De kengetallen van de ODZOB sluiten aan bij wat verwacht kan worden bij een gemeenschappelijke regeling. Het huidige beleid waarbij de algemene reserve gemaximeerd wordt op basis van de geraamde baten betekent dat er niet expliciet gestuurd wordt op de solvabiliteit van de ODZOB.
Indien het risicoprofiel van de ODZOB een grotere betekenis krijgt in de streefwaarde van de algemene reserve zal dit leiden tot een verbetering van de solvabiliteit. De structurele exploitatieruimte heeft voor de ODZOB slechts een beperkte betekenis. Deelnemers mogen verzoektaken slechts onder voorwaarden en in beperkte mate verminderen. Daarnaast wordt in de begroting uitgegaan van een kostendekkend gemiddeld uurtarief, waardoor baten en lasten in principe structureel in evenwicht zijn.
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
14
4.2
Financiering
In deze paragraaf worden de ontwikkelingen en uitgangspunten gepresenteerd met betrekking tot kasgeldlimiet, rente, geldleningen en beleid ten aanzien van treasury. Rentevisie Gezien de geringe invloed van de renteontwikkeling op de begroting heeft de ODZOB geen lange termijn rentevisie opgesteld. Rentetoerekening In onderstaand overzicht wordt in beeld gebracht welke relasten en renteresultaat er verwacht wordt en wordt inzicht gegeven op welke wijze rente wordt toegerekend aan investeringen en projecten.
De beperkte rentelast wordt toegerekend aan de overhead. Dit omdat vrijwel alle activa van de ODZOB aan dit taakveld zijn gerelateerd. Aangezien er geen rentebaten worden verwacht, is het resultaat nul. Kasgeldlimiet Ter beperking van het renterisico op de netto-vlottende schuld (schulden met een looptijd van minder dan één jaar) heeft de wetgever de kasgeldlimiet vastgesteld. Zo wordt voorkomen dat fluctuaties van de korte rente direct een relatief grote impact hebben op de rentelasten tijdens een boekjaar. Voor gemeenschappelijke regelingen bedraagt de kasgeldlimiet 8,2% van het begrotingstotaal. Het saldo van vlottende schulden en vlottende middelen wordt afgezet tegen het begrotingstotaal. Voor de ODZOB komt dit neer op een saldo in 2023 van maximaal € 2,1 mln. Uit onderstaande tabel blijkt dat de ODZOB binnen deze norm blijft.
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
15
Kasgeldlimiet
* bedragen x 1 €
Omschrijving
ultimo 2021
ultimo 2022
ultimo 2023
1 Vlottende schuld - opgenomen gelden < 1 jaar - schuld in rekening-courant - door derden gestorte gelden < 1 jaar - overige schulden / overlopende passiva - overlopende passiva Totaal
687.930 7.932.415 8.620.345
687.930 7.782.415 8.470.345
687.930 7.632.415 8.320.345
2 Vlottende middelen - contante gelden in kas - tegoeden rekening courant - overige uitstaande tegoeden < 1 jaar - overlopende activa Totaal
7.581.210 1.439.842 2.247.084 11.268.136
6.071.462 1.439.842 1.648.530 9.159.834
6.013.761 1.439.842 1.648.530 9.102.133
3 Toets kasgeldlimiet 3.1 Totaal netto vlottende schuld (1 -/- 2) 3.2 Toegestane kasgeldlimiet
-2.647.791 1.853.587
-689.489 1.859.664
-781.788 2.099.242
4.501.378
2.549.153
2.881.030
22.604.724 8,20% 1.853.587
22.678.824 8,20% 1.859.664
25.600.512 8,20% 2.099.242
Ruimte (3.2 -/- 3.1) Berekening toegestane kasgeldlimiet Begrotingstotaal Normpercentage Norm
Renterisiconorm Ter beperking van het renterisico op vaste schuld heeft de wetgever de renterisiconorm vastgesteld. De renterisiconorm schrijft voor welk deel van de lange termijn leningen (> 1 jaar) maximaal vernieuwd mag worden in een begrotingsjaar. Voor gemeenschappelijke regelingen is dit vastgesteld op 20% van het begrotingstotaal. Bij de ODZOB is in 2023 geen sprake van herfinanciering en daardoor wordt er voldaan aan de norm. Renterisiconorm Variabelen 1 2 3
Renteherzieningen Aflossingen Renterisico (1+2)
4
Renterisiconorm
5a Ruimte onder risiconorm (4 > 3) 5b Overschrijding risiconorm (3 > 4) Berekening renterisiconorm (4) Begrotingstotaal Percentage 20% Minimumbedrag conform regeling
* bedragen x 1 € 2022
2023
2024
2025
0 0 0
0 0 0
0 0 0
0 0 0
5.120.102
5.120.102
5.037.056
5.037.056
5.120.102 n.v.t.
5.120.102 n.v.t.
5.037.056 n.v.t.
5.037.056 n.v.t.
25.600.512 5.120.102 2.500.000
25.600.512 5.120.102 2.500.000
25.185.279 5.037.056 2.500.000
25.185.279 5.037.056 2.500.000
Leningen en kredietfaciliteiten De ODZOB financiert haar activiteiten voornamelijk door de werkzaamheden op voorschotbasis te factureren. Enkel voor de verzoektaken buiten de werkprogramma’s moet zelf financiering geregeld worden. Hiervoor beschikt de ODZOB over een kredietfaciliteit tot maximaal € 1,8 mln. waar tot op heden overigens nog geen gebruik van gemaakt is. Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
16
4.3
Bedrijfsvoering
Grip op de samenwerking Het rekenkameronderzoek uit 2020 concludeerde onder meer dat de bijdrage van de ODZOB aan regionale beleidsdoelen en beoogde maatschappelijke effecten onduidelijk was. Mede daardoor werd de verantwoording in het Collectief Programma als onvoldoende ervaren. Dit alles wordt versterkt doordat er in de regio uiteenlopende opvattingen leven over de rol en taakopvatting bij majeure trajecten als de Omgevingswet, de transitie veehouderij en de energietransitie. Gevolg hiervan is dat het verstevigen en bestendigen van de relatie van de ODZOB met haar partners meer aandacht krijgt. De onderlinge samenwerking tussen de ODZOB-deelnemers is uiteraard ook van belang. De sturing op dit aspect ligt in eerste aanleg bij de colleges van onze deelnemers, maar kan uiteraard rekenen op support vanuit de ODZOB. In de loop van 2021 zijn de aangedragen verbeterlijnen voor collectieve taken, beleidseffectiviteit, doelmatigheid, governance, strategische rolneming ODZOB en onderscheid tussen opdrachtgever en eigenaar verder uitgewerkt. De ODZOB kijkt daarbij met een kritische blik naar het functioneren van de eigen organisatie en naar de in de loop der jaren geëvolueerde samenwerkingsafspraken. Grip op de samenwerking kent verschillende verschijningsvormen.
Onder aanvoering van een in 2022 te benoemen bestuurlijke aanjager wordt bekeken welke concrete handvatten de nieuwe Wgr biedt. Eenduidige mandaten en gestroomlijnde processen die passen in het gedachtengoed van de Omgevingswet brengen de ODZOB in positie om van meerwaarde te zijn voor de regio en het milieu. Duidelijk is geworden dat het eerder in gang gezette organisatieontwikkelingstraject een impuls nodig had. Het principe van zelforganisatie komt beter tot groei bij een andere wijze van sturing. Om grip op de organisatie te (be)houden is enkel het accepteren van een andere structuur onvoldoende; er moet ook aandacht zijn voor de wijze waarop medewerkers het beste uit zichzelf kunnen halen. Om te zorgen dat de ODZOB de betrouwbare en professionele partner blijft voor onze deelnemers zijn enkele weeffouten die in de eerste jaren na de oprichting van de ODZOB zijn ontstaan hersteld. Vandaar dat in deze begroting uren zijn geraamd voor de gemeentelijke gerelateerde werkzaamheden. Tevens wordt uitgegaan van een (beperkte) kwalitatieve en kwantitatieve impuls van de overhead. De ODZOB is niet enkel een club van doeners, maar heeft ook enige (strategische) denkkracht nodig om, samen met de regio, de geschetste uitdagingen aan te gaan. De vraag naar expertise waar de ODZOBprofessionals over beschikken is ongekend groot.
Deze experts verdienen een professionele support vanuit de bedrijfsvoering. Hierdoor blijft de ODZOB in staat haar meerwaarde te tonen. Het jaar 2022 komt in het teken te staan van de daadwerkelijke transitie naar een verbeterde grip op de samenwerking. Een afzonderlijk voorstel aan het algemeen bestuur over deze transitie kan daarbij niet ontbreken. De scope hiervan is een nieuw en duurzaam fundament onder de samenwerking. In dit hoofdstuk worden de afzonderlijke trajecten toegelicht. Organisatieontwikkeling en kwaliteitsmanagement De ODZOB heeft het realiseren van kwaliteit hoog geprioriteerd. De dienst investeert in voldoende capaciteit met de juiste kwaliteit. Het blijvend voldoen aan de VTH-kwaliteitscriteria is hier onlosmakelijk mee verbonden. De ODZOB heeft in 2021 een organisatieverandering ingezet. Het onderwerp kwaliteit heeft daarbij een expliciete plaats in de organisatie gekregen. Verantwoordelijkheid voor de inhoud van de producten en de daaraan gekoppelde kwaliteit van de inhoud ligt binnen de teams in het primaire VTH-proces. De teams worden hierin ondersteund door de kwaliteitsregisseur.
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
17
Het tonen van eigenaarschap, het aandacht hebben voor kwaliteit, het bewust zijn van de omgeving waarin gewerkt wordt, het integraal samenwerken met andere specialismen en het optimaal inzetten van de grote variëteit aan talenten in onze organisatie is geen vanzelfsprekendheid. Deze doelen kunnen enkel worden gerealiseerd met ieders medewerking en een voortdurende aandacht hiervoor. Informatiegestuurd werken Zoals in de kadernota 2023 al werd aangegeven moeten er nog stappen worden gezet om de mogelijkheden die informatiegestuurd werken biedt ten volle te benutten. Dat betekent dat er in 2022 een fundament gelegd moet worden, waar in 2023 op verder gebouwd kan worden. Insteek is om de focus van de uitvoering te richten op het effect van de inzet en niet op de inzet zelf. Dat betekent onder meer dat data-analyse een onderdeel wordt van het primaire proces, naast de klassieke rol van de toezichthouder. De voorbereiding die vooraf gaat aan de uitvoering wordt hierdoor steeds belangrijker. Dit sluit aan bij het gedachtengoed Regionaal Operationeel Kader (ROK). Het informatiegestuurd werken, dat overigens een veel bredere scope heeft dan het enkel toezicht en handhaving, moet uitgroeien tot een niet meer weg te denken proces. Anders kan de ODZOB het niet waarmaken om op een juiste wijze betekenisvol te zijn voor haar deelnemers.
Informatiemanagement In 2020 is gestart met de implementatie van het nieuwe VTH- en zaaksysteem, met bijbehorende koppeling aan het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Dit nieuwe systeem helpt de ODZOB om te gaan werken volgens de principes die de nieuwe wet met zich meebrengt. Een andere doelstelling betreft het verbeteren van de uitwisseling van informatie (data en documenten) tussen deelnemers en de ODZOB. Na de beoogde oplevering medio 2022 zal 2023 nog in het teken staan van de verdere optimalisatie van het gebruik van dit systeem. De steeds complexer wordende omgeving waarin de ODZOB werkzaam is vraagt om een (strategische) meerjarige doorkijk. Vandaar dat in 2022 een meerjarenplan dienstverlening wordt opgesteld. Hierin worden niet afzonderlijke informatie-gerelateerde projecten samengebracht, maar wordt nadrukkelijk ook naar de onderlinge samenhang hiervan gekeken. Vanaf 2023 worden onderdelen uit dit meerjarenplan in uitvoering genomen. 4.4
Verbonden partijen
Sinds 2018 is de ODZOB aangesloten bij het Bureau Inkoop en Aanbestedingen Zuidoost-Brabant (Bizob). Deze stichting heeft zich ontwikkeld tot een expertisecentrum op het gebied van inkoop en aanbestedingen, waar inmiddels meer dan 35 publieke organisaties bij aangesloten zijn. De ODZOB heeft een indirect bestuurlijk belang (via vertegenwoordiging in de Vergadering van Aangeslotenen) en een financieel belang in de Bizob, vandaar dat Bizob hier als verbonden partij wordt gepresenteerd. De ODZOB heeft geen voornemens om zich aan andere organisaties te verbinden.
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
18
5
FINANCIELE BEGROTING
5.1
Overzicht van baten en lasten
Overzicht van bat en en last en
* bedragen x 1€ Realisatie 2021
Begroting 2022
Begroting 2023
Baten
Lasten
Saldo
Baten
Lasten
Saldo
Baten
Lasten
Saldo
Programma Programma Lokale dienstverlening
23.149.559
15.526.758
7.622.800
20.764.444
14.500.888
6.263.555
23.502.763
16.486.683
7.016.081
- Basistaken 1)
8.923.426
5.776.720
3.146.706
6.987.200
4.879.296
2.107.904
10.516.766
7.377.285
3.139.481
- Verzoektaken 2)
14.226.132
9.750.038
4.476.094
13.777.244
9.621.593
4.155.651
12.985.997
9.109.397
3.876.600
1.218.171
1.031.889
186.281
1.864.380
1.474.789
389.592
2.097.749
1.619.081
478.667
24.367.729
16.558.648
7.809.081
22.628.824
15.975.677
6.653.147
25.600.512
18.105.764
7.494.748
Programma Regionale samenwerking Totaal Programma's Algemene dekkingsmiddelen
62.331
0
62.331
50.000
0
50.000
0
0
0
Overhead
0
7.033.025
-7.033.025
0
6.743.147
-6.743.147
0
7.484.748
-7.484.748
Heffing VPB
0
1.662
-1.662
0
10.000
-10.000
0
10.000
-10.000
Bedrag onvoorzien Saldo van baten en lasten vóór mutatie reserves
0
0
0
0
0
0
0
0
0
24.430.060
23.593.335
836.725
22.678.824
22.728.824
-50.000
25.600.512
25.600.512
0
Mutatie reserves
0
-209.240
209.240
0
-50.000
50.000
0
0
0
Totaal toevoeging en ontrekking aan reserves
0
-209.240
209.240
0
-50.000
50.000
0
0
0
Saldo van baten en lasten na mutatie reserves
24.430.060
23.384.095
1.045.965
22.678.824
22.678.824
0
25.600.512
25.600.512
0
Toevoeging en ont rekking reserves
1)
De gerealiseerde baten 2021 zijn incl. € 15.973, - aan in rekening gebrachte externe projectkosten.
2)
De gerealiseerde baten 2021 zijn incl. € 567.225, - aan in rekening gebrachte externe projectkosten.
5.2
Toelichting op het overzicht van baten en lasten
De baten van de ODZOB bestaan voornamelijk uit de vergoeding voor werkzaamheden uit de lokale werkprogramma’s van de deelnemers en de deelnemersbijdragen voor de regionale samenwerking, waaronder het collectief programma. De door de ODZOB uitgevoerde activiteiten worden verrekend op basis van gerealiseerde uren tegen het toepasselijke tarief uit de producten- en dienstencatalogus (PDC). Daarnaast worden directe (project)kosten voor derden één op één doorbelast. De begroting 2023 is gebaseerd op de ramingen uit werkprogramma’s voor 2022 en het collectief programma 2022. Tevens is rekening gehouden met onderstaande ontwikkelingen in het VTH-domein.
Bevoegdheidsverschuiving bodemtaken van provincie naar gemeenten Vanaf 2023 maken de taken die voortvloeien uit de Wet bodembescherming (Wbb) onderdeel uit van de gemeentelijke werkprogramma’s. Daarbij wordt uitgegaan van een beleidsneutrale overgang van deze taken naar de gemeenten. Omdat een deel van deze taken terechtkomt bij gemeenten in onze buurregio Brabant-Noord betekent dit per saldo een afname van het opdrachtvolume van circa € 140.000.
Gesloten bodemenergiesystemen Als gevolg van de energietransitie neemt het opdrachtvolume dat samengaat met de groei van gesloten bodemenergiesystemen (meldingen en toezicht) substantieel toe ten opzichte van 2022. Hierbij gaat het om ongeveer € 220.000.
Wet kwaliteitsborging bouwen Vanaf 2023 is de Wet kwaliteitsborging bouwen (Wkb) van toepassing op de (gemeentelijke) bouwtaken. Dit heeft gevolgen voor de gemeenten die de bouwtaak als verzoektaak bij de ODZOB ingebracht hebben. De verwachte daling van het opdrachtvolume komt uit op bijna € 490.000.
De doorontwikkeling van het Regionaal operationeel kader (ROK) Bij de vaststelling van het ROK hebben deelnemers afgesproken om uiterlijk in 2023 te voldoen aan dit kader, inclusief het beschikbaar stellen van voldoende middelen. De stijging ten opzichte van 2022 bedraagt circa € 470.000 en is verwerkt in de begroting. Hiermee is het plafond bereikt voor de middelen voor het ROK toezicht en handhaving.
Positionering en versteviging accountmanagement De uren van het accountmanagement maken niet langer onderdeel uit van de overhead. Hierdoor neemt het aantal declarabele uren toe en daalt het gemiddeld uurtarief. De werkzaamheden van het accountmanagement richten zich grotendeels op de individuele relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer; dit betreft ongeveer € 234.000.
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
19
Daarnaast worden werkzaamheden uitgevoerd die niet toewijsbaar zijn aan individuele deelnemers, maar die ten goede komen aan de regio (of een deel daarvan). Deze uren zijn ondergebracht in het programma regionale samenwerking en komen uit op circa € 190.000.
Gerelateerde gemeentelijke werkzaamheden De beraadslaging over de kadernota 2023 leidde tot het inzicht dat de in het verleden ontstane weeffout en de daaruit voortvloeiende ongelijkheid tussen de gemeentelijke en provinciale gerelateerde taken hersteld dient te worden. Vandaar dat nu uren zijn toegevoegd aan de gemeentelijke werkprogramma’s. Hierbij gaat het om ongeveer € 715.000.
Nazorg inwerkingtreding Omgevingswet In de kadernota 2023 is toegelicht dat er na de (inmiddels opnieuw verschoven) start van de Omgevingswet middelen nodig zijn voor het vervolg op de voorbereiding; de nazorg. Hierbij gaat het om circa € 415.000 voor zowel 2023 als voor 2024.
Het volume van de vastgestelde werkprogramma’s 2022 komt uit op € 18,25 mln. Daar komen bovenstaande ontwikkelingen en de indexering van de kosten nog bij, waardoor het totaal van het programma individuele dienstverlening oploopt naar € 19,68 mln. Het geraamd volume van opdrachten buiten de werkprogramma’s (inclusief niet-deelnemers) komt uit op € 3,82 mln. Hierdoor komt het totaal van dit programma uit op € 23,50 mln. Het programma regionale samenwerking (voorheen het collectief programma) sluit op een bedrag van € 2,10 mln. De totale geraamde baten komen hierdoor uit op € 25,60 mln. De lasten bestaan grotendeels uit personeelsgerelateerde kosten, waaronder salarissen en kosten externe inhuur. In de kostenramingen is rekening gehouden met:
De meest recente inzichten omtrent formatie en bezetting, actuele loonkosten en inzichten over salarisontwikkeling voortvloeiend uit de nieuwe Cao voor 2021 en 2022 (welke nog niet waren meegenomen in de kadernota 2023).
De benodigde externe inhuur wordt afgeleid van de totale benodigde capaciteitsinzet, rekening houdend met de verwachte inzet van medewerkers met een vast dienstverband.
De garantiesalarissen (voortvloeiend uit gemaakte afspraken bij de oprichting van de ODZOB) worden vanaf 2023 niet meer doorbelast aan de oorspronkelijke ‘latende’ organisaties.
De overige personele kosten hebben deels een variabel karakter (bewegen mee met de geraamde bezetting) en deels een vast karakter en zijn geactualiseerd op basis van onderliggende contracten en verwachte kostenstijgingen.
De afschrijvingen zijn gebaseerd op zowel de lasten die voortvloeien uit eerdere investeringen als uit nieuwe c.q. vervangingsinvesteringen.
De prijsindexcijfers uit de Macro Economische Verkenning 2022, voor het begrotingsjaar 2023.
Indexering t arieven index
gewicht
gewogen
Lonen
2,3
82%
1,9
Prijzen
1,6
18%
0,3
100%
2,2
Totaal
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
20
De totale kostenraming sluit op een bedrag van bijna € 25,59 mln. In onderstaand overzicht worden deze kosten op hoofdlijnen gepresenteerd. Hierbij wordt enerzijds de kostentoerekening naar de programma’s getoond en anderzijds het onderscheid naar de belangrijkste kostenrubrieken. Vervolgens wordt een toelichting gegeven op de ontwikkelingen per kostensoort. Last en naar kost ensoort en programma
POST
Personeel
* bedragen x 1€ Programma Lokale dienstverlening
Programma Regionale samenwerking
Overhead
Totaal
16.190.092
1.104.558
5.391.073
22.685.724
Uitbesteding
0
0
193.000
193.000
Kapitaallasten
0
0
289.000
289.000
296.590
20.235
1.611.675
1.928.500
16.486.683
1.124.793
7.484.748
25.096.224
0
494.288
0
494.288
16.486.683
1.619.081
7.484.748
25.590.512
Organisatiekosten TOTAAL LASTEN (vóór programmakosten) Externe programmakosten TOTAAL LASTEN
Personeel Om te komen tot de realisatie van 245.000 declarabele uren moet de ODZOB over een passende hoeveelheid personeel beschikken. Voor 2023 wordt uitgegaan van 1.350 declarabele uren per medewerker in het primaire proces. Dit komt neer op bijna 227 fte, die als volgt zijn verdeeld.
Primair proces
181,4 fte
Overhead
45,4 fte
Totaal
226,8 fte
(20% van het totaal)
Gemiddelde bezet t ing POST
* aantal in fte's Realisatie 2021
Begroting 2022
Begroting 2023
Dienstverband
180,9
164,1
195,7
Inhuur / payroll Totaal
36,7
41,0
217,6
205,1
31,1 226,8
De flexibele schil komt uit op circa 14 % van de totale bezetting en is in lijn met de begroting 2022. Duidelijk mag zijn dat het werven van voldoende personeel, vast of tijdelijk, geen eenvoudige opgave zal zijn en dat daarvoor bovengemiddelde inspanningen geleverd moeten worden. De personele kosten (in totaal bijna € 22,68 mln.) bestaan uit de volgende categorieën:
Salarissen eigen personeel
Externe inhuur
Opleidingen
Reis- en verblijfskosten
Overige personele kosten
De geraamde salariskosten stijgen in 2023 naar bijna € 18,36 mln. Dat is ruim € 2,00 mln. hoger dan in 2022. Ook de kosten voor externe inhuur stijgen, namelijk van € 2,66 mln. naar € 3,26 mln. Deze stijgingen wordt grotendeels veroorzaakt door de hogere bezetting. Daarnaast stijgen de gemiddelde personele kosten harder dan de prijsindexcijfers die tijdens Prinsjesdag 2021 werden gepresenteerd. De raming voor de opleidingskosten stijgt in 2023 vanwege het hoger aantal fte (van € 0,30 mln. naar bijna € 0,35 mln.). Het budget voor reis-en verblijfskosten (€ 0,38 mln.) blijft gelijk aan dat van 2022. De overige personele kosten stijgen van € 0,28 mln. naar € 0,34 mln. Dit vloeit voort uit hogere budgetten voor werving & selectie, thuiswerkfaciliteiten en de werkkostenregeling (Wkr).
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
21
Uitbesteding Onder uitbesteding vallen de kosten voor extern onderzoek en advies. Het grootste deel van dit budget betreft advieskosten over inkoop (Bizob) en kosten voor de externe accountant. In totaal gaat het om € 0,19 mln. In 2022 was het budget € 0,16 mln. Kapitaallasten Kapitaallasten bestaan uit rente en afschrijvingen. Bij de ODZOB gaat het in praktische zin enkel om afschrijvingen omdat er nauwelijks sprake is van een externe financieringsbehoefte (met daaruit voortvloeiende rentekosten) voor deze investeringen. De kapitaallasten nemen in 2023 ten opzichte van 2022 af. De raming voor 2023 komt uit op € 0,29 mln. De gepresenteerde afschrijvingen vloeien voort uit een combinatie van eerder gedane investeringen en nieuwe c.q. vervangingsinvesteringen. Alle investeringsplannen worden in 2022 geactualiseerd. Niet in de laatste plaats omdat het huurcontract van het huidige kantoorpand loopt tot eind 2025 waardoor tijdig moet worden vastgesteld of, en zo ja welke, gevolgen dit heeft voor toekomstige investeringen. Zie hiervoor ook het investeringenoverzicht in paragraaf 5.4.4. Organisatiekosten De organisatiekosten hebben betrekking op onder andere kantoorkosten, IT-gerelateerde kosten, huur- en servicekosten en aanverwante zaken. De totale raming voor 2023 bedraagt € 1,93 mln. en dat is hoger dan in 2022, toen de raming uitkwam op € 1,83 mln.
De stijging wordt veroorzaakt door:
Telefonie
- € 35.000
IT en automatisering
€ 114.000
Huur en servicekosten gebouw
€ 33.000
Printen/kopiëren
- € 7.000
Abonnementen/lidmaatschappen
€ 18.000
Salarisadministratie
- € 25.000
Totaal
€ 98.000
Externe programmakosten In het programma Regionale Samenwerking zijn externe programmakosten opgenomen die worden bekostigd door de deelnemersbijdragen aan dit programma. De zijn als volgt opgebouwd:
Bijdrage aan SSiB
€ 329.300
Bijdrage Brabantbrede meldkamer
€ 100.000
Contractmanagement meetnet
€ 55.000
Diversen
€ 10.000
Totaal
€ 494.300
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
22
5.3
Opbouw gemiddeld uurtarief
In de kadernota 2023 is het volgende beeld gepresenteerd over het gemiddeld uurtarief voor 2023:
Gemiddeld uurtarief 2022
Indexering 2,2%
€ 2,21
Garantiesalarissen niet doorbelasten
€ 0,21
Herpositionering accountmanagement
- € 1,50
Gepresenteerd gemiddeld uurtarief 2023
€ 101,22
€ 100,30
In de kadernota 2023 is aangegeven dat voortschrijdend inzicht kan leiden tot een bijstelling van dit tarief. Onderstaande ontwikkelingen leiden er inderdaad toe dat het gemiddeld uurtarief voor 2023 stijgt ten opzichte van het eerder gepresenteerde uurtarief. 1.
De nieuwe Cao voor gemeenten en gemeenschappelijke regelingen staat op gespannen voet met de taakstelling (niet-stijgend uurtarief) uit de begroting 2022.
2.
De lopende organisatieontwikkeling vraagt om een beperkte versteviging van de overheadfunctie. Hoewel nog steeds passend binnen het uitgangspunt dat de overhead 20% van de totale capaciteit bedraagt, leidt dit tot een bovengemiddelde salariskostenstijging.
3.
Organisatiekosten: ontwikkelingen op IT-gebied die niet kunnen worden opgevangen binnen de huidige meerjarenbegroting (kantoorautomatisering en bedrijfsvoeringsystemen).
Gepresenteerd gemiddeld uurtarief kadernota 2023
Doorwerking Cao-effecten uit 2022
€ 0,73
Versteviging overheadfunctie
€ 0,15
Organisatiekosten (IT-gerelateerd)
Gemiddeld uurtarief ontwerpbegroting 2023
€ 101,22
€ 0,40 € 102,50
Het gemiddeld uurtarief voor 2023 komt uit op € 102,50 en is als volgt opgebouwd: Berekening gemiddelde uurt arieven
* bedragen x 1€ Direct
Lasten exclusief onvoorzien1) Onvoorzien
Overhead
Totaal
18.105.764
7.484.748
25.590.512
0
0
0
10.000
0
10.000
18.115.764
7.484.748
25.600.512
494.288
0
494.288
0
0
0
17.621.475
7.484.748
25.106.224
244.933
244.933
244.933
71,9
30,6
102,5
Vennootschapsbelasting Totaal lasten -/- Waarvan gedekt uit externe programmakosten -/- Algemene dekkingsmiddelen Kosten 2023 na dekking uit programmakosten en algemene dekkingsmiddelen Aantal declarabele uren2) Gemiddeld uurtarief
1)
Zie bijlage 2 "Overzicht baten en exploitatielasten" voor een nadere onderbouw ing van de lasten;
2)
Aantal directe fte's (181,4 fte) x aantal declarabele uren per directe fte (1.350 uur);
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
23
5.4
Uiteenzetting financiële positie en de toelichting
De financiële positie wordt toegelicht in de volgende overzichten waarin de verwachte ontwikkelingen op de balans zijn weergegeven. Dit voor zowel het begrotingsjaar als voor de meerjarenraming. Geprognotiseerde begin- en eindbalans (Geprognosticeerde) balans per 31-12 ACTIVA
* bedragen x 1 € Realisatie 2021
2022
2023
2024
2025
2026
Vaste activa Immateriële vaste activa Materiële vaste activa Investeringen met een economisch nut
0
0
0
0
0
618.032
629.962
704.663
625.900
818.936
736.250
618.032
629.962
704.663
625.900
818.936
736.250
0
0
0
0
0
0
618.032
629.962
704.663
625.900
818.936
736.250
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
Financiële vaste activa Totaal vaste activa
0
Vlottende activa Voorraden Onderhanden werk Uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan 1 jaar
8.771.285
7.261.537
7.203.836
7.132.599
6.789.563
6.722.249
Vorderingen op openbare lichamen
1.398.862
1.398.862
1.398.862
1.398.862
1.398.862
1.398.862
Uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd korter dan één jaar;
7.331.443
5.821.695
5.763.994
5.692.757
5.349.721
5.282.407
40.980
40.980
40.980
40.980
40.980
40.980
Overige vorderingen Liquide middelen Banksaldi Overlopende activa
249.767
249.767
249.767
249.767
249.767
249.767
249.767
249.767
249.767
249.767
249.767
249.767
2.247.084
1.648.530
1.648.530
1.648.530
1.648.530
1.648.530
De voorschotbedragen die ontstaan door voorfinanciering op uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel, nog te ontvangen van: - Europese overheidslichamen - het Rijk - overige Nederlandse overheidslichamen Overige nog te ontvangen bedragen Vooruitbetaalde bedragen die ten laste van volgende begrotingsjaren komen
0 0 0 1.874.341 372.743
Totaal vlottende activa
11.268.136
9.159.834
9.102.133
9.030.896
8.687.860
8.620.546
TOTAAL ACTIVA
11.886.168
9.789.796
9.806.796
9.656.796
9.506.796
9.356.796
Begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026
24
(Geprognosticeerde) balans per 31-12 PASSIVA
* bedragen x 1 € Realisatie 2021
2022
2023
2024
2025
2026
Vaste passiva Eigen vermogen Algemene reserve
3.265.823
1.319.451
1.486.451
1.486.451
1.486.451
1.486.451
1.905.317
1.004.910
1.004.910
1.004.910
1.004.910
1.004.910
Bestemmingsreserve Resultaat boekjaar voor bestemming
314.541
314.541
481.541
481.541
481.541
481.541
1.045.965
0
0
0
0
0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
Voorzieningen Voorziening voor personeelskosten Vaste schulden
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
3.265.823
1.319.451
1.486.451
1.486.451
1.486.451
1.486.451
687.930
687.930
687.930
687.930
687.930
687.930
687.930
687.930
687.930
687.930
687.930
687.930
Overlopende passiva Verplichtingen die in het begrotingsjaar zijn opgebouwd en die in een volgend begrotingsjaar tot betaling komen, m.u.v van jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume
7.932.415
7.782.415
7.632.415
7.482.415
7.332.415
7.182.415
Overige vooruitontvangen bedragen die ten bate van volgende begrotingsjaren komen
7.193.137
Binnenlandse banken en overige financiele instellingen Totaal vaste financieringsmiddelen Vlottende passiva
Netto vlottende schulden met een rentetypische looptijd korter dan 1 jaar Overige schulden
739.278
Totaal vlottende passiva
8.620.345
8.470.345
8.320.345
8.170.345
8.020.345
7.870.345
TOTAAL PASSIVA
11.886.168
9.789.796
9.806.796
9.656.796
9.506.796
9.356.796
Realisatie 2021
2022
2023
2024
2025
2026
1.045.965 263.499 0 97.787
0 274.213 0 286.143
0 287.978 0 362.679
0 278.763 0 200.000
0 306.964 0 500.000
0 297.686 0 215.000
5. Baten uit bijdragen van andere overheden, de Europese Unie en overigen, die niet op de exploitatie zijn verantwoord en niet al in mindering zijn gebracht bij post 4
0
0
0
0
0
0
6a. Verkoopopbrengsten uit desinvesteringen in (im)materiële vaste activa (tegen verkoopprijs) 6b. Boekwinst op desinvesteringen in (im)materiële vaste activa
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
7. Aankoop van grond en de uitgaven aan bouw-, woonrijp maken e.d. (alleen transacties met derden die niet op de exploitatie staan)
0
0
0
0
0
0
0 0 0
0 0 0
0 0 0
0 0 0
0 0 0
0 0 0
0
0
0
0
0
0
0 1.211.677
0 -11.930
0 -74.701
0 78.763
0 -193.036
0 82.686
EMU-saldo EMU-saldo
* bedragen x 1 €
1. Exploitatiesaldo vóór toevoeging aan c.q. onttrekking uit reserves (zie BBV, artikel 17c) 2. Afschrijvingen ten laste van de exploitatie 3. Bruto dotaties aan de post voorzieningen ten laste van de exploitatie 4. Investeringen in (im)materiële vaste activa die op de balans worden geactiveerd