CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-06 RV Bijlage 1a - Toelichting bestemmingsplan

Gemeenteraad 17 februari 2022, gemeente NuenenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Eeneind 201825.501 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het bestemmingsplan voor de bedrijventerreinen (Eeneind I en Eeneind II) en het tankstation geeft weinig ruimte aan nieuwe ontwikkelingen, het is gericht op het actualiseren van de vigerende plannen. Nieuw ruimtebeslag is daarbij niet aan de orde, wel wordt op onderdelen een verruiming van de gebruiksmogelijkheden nagestreefd.

Direct ten noorden van de spoorlijn is aan de zuidrand van de woonkern Eeneind nog 1 woningbouwkavel gelegen. De betreffende woningbouwmogelijkheid maakt deel uit van de verleende vrijstelling voor de ontwikkeling van de woningbouwlocatie Eeneind Oost. De betreffende vrijstelling is op 30 juni 2009 verleend

bestemmingsplan Eeneind 2018

31

en maakte de bouw van maximaal 51 woningen mogelijk. De toegestane woningbouw is inmiddels vrijwel geheel gerealiseerd, 1 woning moeten nog gebouwd worden. Gelet op de verleende vrijstelling wordt de nog in te vullen woningbouwmogelijkheid wederom in het bestemmingsplan opgenomen. Daarbij is één aanpassing doorgevoerd. De betreffende woningbouwmogelijkheid is op een andere locatie gesitueerd.

De meest zuidoostelijk kavel is de afgelopen planperiode onverkoopbaar gebleken, er is niet of nauwelijks interesse getoond in deze kavel. De omvang van de kavel in relatie tot de enigszins geïsoleerde ligging van de kavel zijn hier mede debet aan. Derhalve is ervoor gekozen deze kavel niet langer op te nemen en te vervangen door een nieuwe (kleinere) kavel aan de Hoge Mikkert. De vervallen kavel krijgt daarbij een groenbestemming en komt beschikbaar voor spelen en bewegen. Voor de nieuwe kavel aan de Hoge Mikkert wordt een gedeelte van de hier aanwezige groenbestemming omgezet in een woonbestemming.

Bij de situering van de nieuwe woning hebben de volgende overwegingen een rol gespeeld. De nieuwe woning vormt de beëindiging van de rij woningen Hoge Mikkert 1-13. Deze beëindiging krijgt gestalte door een verdraaiing van de richting van de voorgevel, waardoor deze door de voorgevelrooilijn steekt. Daarmee kadert de nieuwe woning het doorzicht op subtiele wijze in en markeert tevens de hier optredende verandering in verkavelingsrichting. De beëindiging krijgt daarnaast ook gestalte door een grotere goothoogte aan de voorzijde van de woning, op 1½ bouwlaag. De woning kent een asymmetrische doorsnede, met aan de achterzijde een goothoogte op 1 bouwlaag, voor voldoende bezonning van de achtertuin. De oppervlakte van de woonkavel bedraagt ca. 320 m².De breedte van de kavel aan de straatzijde bedraagt 13 m. Aan de achterzijde loopt deze op tot ca. 17 m. De woning is gepositioneerd in de zuidoosthoek van de woonkavel. Aan de zuidzijde (straatzijde) en oostzijde (zijde groenstrook) wordt de woning omgeven door 'voortuin'. De bijbehorende bouwwerken (garage) zijn aan de westzijde gepositioneerd. De resterende gronden aan de noordzijde vormen de achtertuin. Door een haag en/of opgaande beplanting wordt de achtertuin van het omliggende groen afgeschermd. Tussen de bestaande woonkavel Hoge Mikkert 13 en de nieuwe woonkavel wordt een pad vrijgehouden (breedte ca.

1.20 m) om het achterterrein van de woning Hoge Mikkert 13 bereikbaar te houden. Via dit 'achterpad' is ook het achterterrein van de nieuwe woning bereikbaar. Vanuit de achterliggende groenstrook zijn de achterterreinen bij deze woningen verder niet bereikbaar. De groene berm voor de woningen Hoge Mikkert 1-13 wordt voor de nieuwe woning langs doorgetrokken en de hoek om, daarmee de meerzijdige oriëntatie benadrukkend. Door de vorm van de woonkavel vormt deze een scharnier tussen de richtingen van Hoge Mikkert west en oost. De westelijke en zuidelijke perceelsgrenzen alsmede de bijbehorende bouwwerken volgen nog de richting van Hoge Mikkert west. De oostelijke en noordelijke perceelsgrenzen pikken de richting op van het oostelijke deel van Hoge Mikkert. Zo ook het hoofdgebouw. Door de asymmetrische doorsnede refereert de woning ook naar de in het zicht van Hoge Mikkert gelegen woning Grote Heiakker 1. Ook deze woning heeft vergelijkbare goothoogten op 1 en 1½ bouwlaag. De zichtlijn in oostelijke richting over dit deel van Hoge Mikkert is gericht op de woning Grote Heiakker 1. In westelijke richting komt de nieuwe woning in de zichtlijn te liggen. De in het zicht liggende oostgevel van de nieuwe woning wordt dan ook als een representatieve gevel vormgegeven (met gevelopeningen). De woning heeft zicht op het naastgelegen speelterrein.

Uiteraard wordt ook de aan de straat gelegen gevel representatief vormgegeven, daarmee de meerzijdige oriëntatie gestalte gevend. Qua materiaalen kleurgebruik wordt voor de woning aangesloten op de bestaande woningen aan Hoge Mikkert (en Grote Heiakker). Derhalve uitgevoerd in roodbruine baksteen en donkere dakpannen.

Met de gedraaide ligging deels door de voorgevelrooilijn heen en de hogere goothoogte aan de straatzijde markeert de nieuwe woning ook de ligging van het kruispunt met De Hofstad, waar de verandering in richting

32

bestemmingsplan Eeneind 2018

van het tracé van de Hoge Mikkert gestalte krijgt.

Voor de nieuwe woningbouwmogelijkheid aan Hoge Mikkert zijn aanvullende onderzoeken uitgevoerd. De uitgevoerde onderzoeken zijn bij de aan de orde zijnde milieuaspecten in het bestemmingsplan meegenomen.

4.3

Behoud herkenbaarheid ruimtelijke structuur

Door de organische structuren binnen de woonbebouwing in Eeneind is sprake van een herkenbare ruimtelijke structuur van de woonomgeving. In deze ruimtelijk structuur zijn de vrijstaande, halfvrijstaande en geschakelde woningen duidelijk herkenbaar afgewisseld door de aanwezige (open) ruimte tussen de woningen. Het is wenselijk dat deze ruimtelijke structuur behouden blijft om het hoogwaardige woonklimaat te blijven waarborgen. Derhalve zijn de bouwvlakken afgestemd op de bestaande ruimtelijke situatie. Wel is als uitzonderingssituatie onder voorwaarden de mogelijkheid geboden om het hoofdgebouw van de woningen in zijwaartse richting uit te breiden, zonder dat dit ten kosten gaat van de ruimtelijke structuur en het hoogwaardige woonklimaat.

bestemmingsplan Eeneind 2018

33

34

bestemmingsplan Eeneind 2018

Hoofdstuk 5 5.1

Functionele karakteristiek

Algemeen

In functioneel opzicht valt het plangebied in drie delen uiteen: Ten noorden van de spoorlijn de woonkern Eeneind. De woonfunctie domineert hier in de vorm van overwegende vrijstaande woningen. Alleen in de meest recente bebouwing aan de oostzijde komt in beperkte vorm aaneengesloten bebouwing voor. Het aantal woningen in Eeneind is beperkt, met als gevolg dat voorzieningen nagenoeg ontbreken. Tussen spoorlijn en Collseweg een menggebied van overwegend kleine bedrijven met (bedrijfs)woningen. Dit gebied heeft zich ontwikkeld vanuit het station langs de oude routes Kruisakker en Eeneind. Langs Eeneind ligt een kleine concentratie van halfvrijstaande woningen en een horecabedrijf. Voor het overige domineert het karakter van kleinschalig bedrijventerrein (maximaal milieucategorie 3). Bijzonder is de oude stationsomgeving, waar de karakteristieke gebouwen thans een woonfunctie hebben. Ten zuiden van de Collseweg en op delen van het gebied ten oosten van de Collse Hoefdijk bevinden zich grootschalige bedrijventerreinen, waar bedrijven tot categorie 4 voorkomen.

5.2

Woongebied

Zoals in 5.1 is beschreven betreft het woongebied vooral in het gebied ten noorden van de spoorlijn. Dit is een woonwijk voor circa 800 inwoners met enkele groenvoorzieningen. Ten zuiden van de spoorlijn en ten noorden van de Collseweg zijn ook woningen gelegen, dit zijn (voormalige) bedrijfswoningen in kleinere aantallen.

5.3

Voorzieningen

Qua voorzieningen ten noorden van de spoorlijn is alleen het gemeenschapshuis gevestigd aan de Spijkert, welke een maatschappelijk karakter heeft. Verder is er nog een horeca gelegenheid aanwezig in Eeneind, in de vorm van een bar met bijbehorende zaal (Schellens).

5.4

Bedrijven

Het grootste gedeelte van Eeneind bestaat uit bedrijven, door de aanwezigheid van de bedrijventerreinen Eeneind I en Eeneind II. Eeneind I is een kleinschalig bedrijventerrein met bedrijven van maximaal milieucategorie 3, waar Eeneind II een grootschalig bedrijventerrein betreft met bedrijven van maximaal milieucategorie 4.

5.5

Kantoren

Er zijn enkele kantoren gevestigd op het bedrijventerrein Eeneind I, in het gebied tussen de spoorlijn en de Collseweg. Verspreid over het bedrijventerrein Eeneind II zijn meerdere kantoren gevestigd.

bestemmingsplan Eeneind 2018

35

5.6

Groen en recreatie

In het openbare gebied is kenmerkend voor een dorp weinig openbaar of buurtgroen. De relatie met het landschap is belangrijker. Ten noorden van het spoor is een groen buffer gevormd tussen het woongebied en de Collse Hoefdijk en Geldropsedijk. Verder zijn er nog enkele groene pleinen verspreid door het gebied. Kenmerkend voor Eeneind is begeleiding van de oude structuur met zware laanbeplanting. Vlakbij Eeneind ligt het Laco strandbad en ook de relatie van Landgoed Gulbergen biedt in toenemende mate recreatieve uitloop mogelijkheden.

5.7

Functionele ontwikkelingen

5.7.1 Wonen in combinatie met bedrijvigheid Op Eeneind I wordt wonen naast bedrijvigheid toegestaan. Dit moet op zo'n wijze gebeuren dat de naastgelegen bedrijven zo min mogelijk belemmerd worden in het uitoefenen van hun bedrijf en bewoners geen hinder ondervinden. In dit gebied met functiemenging wordt daarbij uitgegaan van de gebruikelijke milieucategorie indeling (1, 2, 3.1, 3.2, 4.1, enz.). De in dit gebied toegelaten activiteiten uit de Bedrijvenlijst betreffen de milieucategorieën 2, 3.1 of 3.2. Dit betreft bedrijfsactiviteiten, die over het algemeen aanvaardbaar worden geacht in gebieden met een overwegend woonkarakter (milieucategorie 2) of in gemengde gebieden met burger- en bedrijfswoningen of op bedrijventerreinen met bedrijfswoningen (milieucategorieën 3.1 en 3.2). In hoofdzaak gaat het om: kleinschalige, meestal ambachtelijke bedrijvigheid; bedrijven waarbij de productie en/of laad- en los-werkzaamheden noodzakelijkerwijs alleen in de dagperiode plaatsvindt; activiteiten die hoofdzakelijk inpandig plaatsvinden Zie hiervoor ook bijlage 1 bij de regels. 5.7.2 Bedrijvigheid op Eeneind II De laatst gerealiseerde uitbreiding van het bedrijventerrein Eeneind, zijnde Eeneind II Zuid, maakt geen onderdeel uit van het plangebied.

Bij de opstelling van het bestemmingsplan voor dit gebied is deenuit de VNG-publicatie gefilterd naar bedrijven die wenselijk zijn binnen de gemeente Nuenen. Deze filtering wordt doorgevoerd naar bedrijventerrein Eeneind II. Dit betekent dat naast bedrijven van categorie 3 of 4 ook beperkt bedrijven van categorie 2 worden toegestaan. Het betreft veelal bedrijven die in een reguliere woonomgeving minder wenselijk zijn en waarvoor een bedrijventerrein als de meest geschikte locatie wordt gezien (zie bijlage 1 van de regels). De toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein, zijnde Business Park Nuenen (Eeneind West), maakt eveneens geen deel uit van het plangebied.

Tevens worden bedrijven van een lichtere milieucategorie met een perceeloppervlak van meer dan 1.000 m2 en een bedrijfsoppervlakte van meer dan 300 m2 toegestaan indien er geen gevolgen zijn voor bedrijven in de omgeving (betreft bijvoorbeeld groothandel of verhuurbedrijf). Dergelijke 'lichtere' bedrijven worden bij voorkeur in het centrum of in een woonwijk gesitueerd, echter wanneer de omvang van deze bedrijven genoemde maten te boven gaat, is vestiging op het bedrijventerrein toegestaan.

Autohandel c.q. autoverkoop vestigt zich bij voorkeur op de perifere detailhandelslocatie in Nuenen-Zuidwest of op reeds bestaande locaties die hiervoor specifiek zijn bestemd. Op deze locaties hebben zich in het verleden verspreid over de bedrijventerreinen diverse autohandelsbedrijven gevestigd. Het is niet wenselijk dat dergelijke bedrijven zich zonder meer kunnen vestigen op de bedrijventerreinen. In veel gevallen levert dit

36

bestemmingsplan Eeneind 2018

namelijk problemen op zoals een te hoge parkeerbelasting. Nieuwvestiging wordt onder voorwaarden toegestaan zolang de omvang van het bedrijfsperceel meer dan 1.000 m2 bedraagt en voertuigen voor de verkoop bij voorkeur inpandig worden gestald en in ieder geval achter de voorgevelrooilijn. Op het voorterrein is dat ruimte voor parkeren van bezoekers en eventueel personeel. 5.7.3 Catering in combinatie met detailhandel Gezien het feit dat bij bedrijven op bedrijventerreinen ook steeds vaker gewerkt wordt volgens een 24-uurs economie groeit de behoefte om in de directe nabijheid ook (simpele) lunch- of diner-mogelijkheden te hebben. Gezien het feit dat Eeneind II op grotere afstand van centrumvoorzieningen bestaat hieraan behoefte zonder dat hierdoor het centrum wordt ontwricht. Het voorstel is om catering in combinatie met detailhandel in lunch of diner gerelateerde producten (bijvoorbeeld een broodjeszaak) toe te staan onder de voorwaarden dat sprake is van beperkte openingstijden (bijvoorbeeld van 10 tot 14 uur en van 16 tot 20 uur) en er geen gevolgen zijn voor bedrijven in de omgeving, het verkeer en het parkeren (vrijstelling). 5.7.4 Internethandel Internetdetailhandel kent allerlei (verschijnings)vormen met verschillende ruimtelijke consequenties.

De eerste vorm is de internetwinkel waar de consument niet fysiek naar toe gaat; transacties gaan online en de goederen worden per post bezorgd. Dit type internet - detailhandel past prima binnen bestaande bestemmingen en wordt op het bedrijventerrein zonder meer toegestaan. De tweede en derde vorm van internetdetailhandel zijn vormen waar bij de consument de winkel daadwerkelijk fysiek bezoekt. De ene gaat om zuivere afhaalpunten (pick-up points). De consument kan daar goederen afhalen en eventueel retourneren, maar er worden geen producten tentoongesteld. Deze afhaalpunten kunnen een winkelgebied versterken, wanneer ze in of bij bestaande centra gevestigd worden. Afhaalpunten op een bedrijventerrein zijn niet wenselijk, aangezien die locaties meestal niet berekend zijn op en/of niet ingericht zijn voor de bijbehorende verkeersstromen. Binnen Eeneind worden hiertoe dan ook geen mogelijkheden geboden. 5.7.5 Burgerwoningen Op de locatie Eeneind Oost kan gebaseerd op een verleende vrijstelling, nog 1 burgerwoning gebouwd worden (zie paragraaf 4.2). Daarbij is wel een 'kavelruil' doorgevoerd omdat de resterende kavel aan de Kleine Heiakker niet verkoopbaar is gebleken. Voor de nieuwe kavel aan de Hoge Mikkert zal dit niet het geval zijn. De betreffende burgerwoning vormt de afronding van de woonbuurt Eeneind Oost.

Deze woningbouwmogelijkheid is opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. 5.7.6 Bedrijfswoningen In het eerste ontwerpbestemmingsplan zijn de percelen Collse Hoefdijk 21 en 23 evenals in het vigerende bestemmingsplan Eeneind uit 2008 bestemd als Bedrijventerrein, zonder aanduiding voor bedrijfswoning of woning. Ook in voorgaande bestemminsplannen, teruggaande tot 1975, hebben deze percelen steeds een bedrijfsbestemming gehad zonder de mogelijkheid van (bedrijfs)wonen. Het is niet mogelijk de percelen een woonbestemming te geven. Gezien de bedrijven- en milieuzonering die conform het geldende bestemmingsplan moet worden gehanteerd voor het bedrijventerrein waarop de percelen liggen, zijn hier bedrijven in de categorie 4.2 toegestaan, kan een goed leefklimaat niet worden gegarandeerd en kunnen bestaande bedrijven worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. De provincie heeft daarom in het verleden aangegeven nieuwe (bedrijfs)woningen op bedrijventerreinen zo veel mogelijk te weren.

bestemmingsplan Eeneind 2018

37

Er is een inventarisatie uitgevoerd naar de milieucategorie van de bedrijven in de omgeving van de Collse Hoefdijk 21 en 23. Dat zijn allen bedrijven tot en met categorie 3.2. In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 19 september 2018 no. 201709944/1/R1 is bepaald dat de afstand van bedrijven in categorie 3.2 tot bedrijfswoningen 30 meter mag zijn. Hierbij acht de Afdeling het van belang dat voor een bedrijfswoning op een bedrijventerrein in het algemeen een grotere milieubelasting aanvaardbaar kan worden geacht dan voor een burgerwoning. Hiermee wordt het mogelijk de woningen aan te duiden als 'bedrijfswoning' en wordt (deels) recht gedaan aan de huidige situatie en de ligging op het bedrijventerrein. Voor de panden Collse Hoefdijk 21 en 23 wordt om die reden op de verbeelding een aanduiding 'bedrijfswoning' opgenomen. Via het overgangsrecht kunnen deze gebruikt blijven worden als burgerwoning, maar tevens bestaat dan de mogelijkheid dat deze woningen te zijner tijd ook overeenkomstig de bedrijfsbestemming als bedrijfswoning gebruikt gaan worden. Op die manier zou er een einde komen aan de situatie waarin deze woningen steeds onder het overgangsrecht vallen.

Tevens wordt op de verbeelding de maximale toegestane bedrijfscategorie aangepast naar categorie 3.2 voor het gebied gelegen aan De Huufkes 7 tot en met 23 oneven en Collse Hoefdijk 21 tot en met 25.

38

bestemmingsplan Eeneind 2018

Hoofdstuk 6 6.1

Verkeersstructuur

Lokale ontsluitingsstructuur

De lokale ontsluitingsstructuur in de gemeente Nuenen c.a. wordt in hoofdzaak bepaald door de Europalaan, Smits van Oyenlaan en de A270, die elk ook een bovenlokale functie vervullen. De Europalaan fungeert als de belangrijkste verbindingsas met Eindhoven en in de richting van Tilburg en 's-Hertogenbosch. De A270 verbindt Nuenen met zowel Eindhoven als Helmond.

6.2

Duurzaam Veilig

Duurzaam Veilig of eigenlijk Duurzaam Veilig Verkeer is een initiatief van de verschillende Nederlandse overheden om de verkeersveiligheid van het wegverkeer te vergroten. In het kader van Duurzaam Veilig worden geleidelijk door het hele land een aantal maatregelen ingevoerd. Het eerste traject aan maatregelen houdt het volgende in: categorisering van wegen (zie hierna); uitbreiding van 30 km/uur gebieden en introductie van 60 km/uur gebieden; uniformering rotondes, zie CROW publicatie 126; voorrang fietser van rechts; bromfietser op de rijbaan. Vanuit het duurzaam veilig concept zijn alle wegen in Nederland opnieuw gecategoriseerd: Stroomwegen zijn bedoeld voor een continue, ongestoorde verkeersafwikkeling met een relatief hoge snelheid, de autosnelwegen en de autowegen; Gebiedsontsluitingwegen hebben als functie enerzijds stromen en anderzijds uitwisselen, voorbeeld zijn de wegen tussen plaatsen onderling; Erf toegangswegen is het toegankelijk maken van erven, binnen de bebouwde kom 30 km/uur, buiten de bebouwde kom 60 km/uur. Vanuit duurzaam veilig zijn de Geldropsedijk, Collse Hoefdijk en de Collseweg (gedeeltelijk) aan te merken als gebiedsontsluitingswegen. De Collseweg (gedeeltelijk), Kruisakker en Eeneind zijn erftoegangswegen type A. De overige wegen in het gebied zijn erf toegangswegen type B.

De volgende maatregelen vanuit het verkeersveiligheidsplan zijn van belang bij het opstellen van de nieuwe bestemmingsplannen: Het realiseren van de functionele indeling van het wegennet en bijbehorende categorisering zal leiden tot reconstructies Eventueel overnemen van indeling openbare ruimte in minimaal verkeersruimten en verblijfsgebieden. (Overigens globaal regelen.) De nieuwe situaties of toekomstige verkeerssituaties dienen op de juiste wijze in het bestemmingplan te worden opgenomen c.q. mogelijk gemaakt.

6.3

Langzaam verkeer

In de kern Eeneind vallen de langzaamverkeersroutes in 't algemeen samen met het stelsel van erftoegangswegen.

bestemmingsplan Eeneind 2018

39

6.4

Openbaar vervoer

Door het plan gebied lopen geen busroutes en er is geen treinstation.

6.5

Parkeervoorzieningen

Ten aanzien van parkeren is in de gemeente Nuenen c.a. geen gemeentelijk parkeerbeleid voorhanden.

6.6

Reclame-uitingen

Reclame-uitingen zijn uitsluitend toegestaan aan lichtmasten en bij abri's. In het gemeentelijk reclamebeleid is vastgelegd waar deze vormen van reclame zijn toegestaan. Andersoortige reclame-uitingen worden niet toegestaan.

6.7

Gedenktekens

Wegbeheerders worden meer en meer geconfronteerd met verzoeken van burgers om een gedenkteken langs een weg te plaatsen, zo ook de gemeente Nuenen c.a.. De gemeente heeft een beleidskader geformuleerd voor het plaatsen van gedenktekens in de berm van wegen op locaties waar een dodelijk ongeval heeft plaatsgevonden. De gemeente wil het plaatsen van gedenktekens langs de weg onder bepaalde voorwaarden toestaan. De gemeente houdt hierbij rekening met de veiligheid van de weggebruiker. De voorkeur gaat uit naar een gedenktegel. Gedenktekens worden gezien als ‘straatmeubilair’, waarvoor in beginsel geen vergunning noodzakelijk is.

40

bestemmingsplan Eeneind 2018

Hoofdstuk 7 7.1

Milieuaspecten

Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies (zoals bijvoorbeeld woningen): ter plaatse van deze gevoelige functies een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. In de VNG brochure "Bedrijven en milieuhinder" staat voor diverse instellingen vermeld welke afstand tot hindergevoelige bestemmingen gehouden moet worden, teneinde een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Bedrijventerrein Eeneind is van oorsprong geen gezoneerd bedrijventerrein. Op het bedrijventerrein ten zuiden van de Collseweg komen bedrijven voor tot en met categorie 4. In de zone tussen spoorbaan en de Collseweg, waar een sterke menging met (bedrijfs)woningen aanwezig is, komen bedrijven voor tot en met categorie 3. In het bestemmingsplan zal voor het bedrijventerrein wel een milieuzonering worden opgenomen tussen mogelijk overlast veroorzakende bedrijfsactiviteiten en woningen. Dit betekent dat nabij woonbebouwing uitsluitend bedrijven in de lichtere categorieën toegestaan zijn. Naarmate de afstand tot de woonbebouwing groter wordt, zijn zwaardere categorieën toegestaan (maximaal categorie 4).

In de "Beknopte milieukundige onderbouwing Hoge Mikkert naast 13, Nuenen" (Tritium Advies, 2021) is specifiek voor de woningbouwlocatie aan de Hoge Mikkert beoodeeld in hoeverre aan de richtafstanden uit Bedrijven en milieuzonering wordt voldaan. Daarbij wordt geconcludeerd dat op basis van de richtafstanden kan worden aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de aanwezige bedrijven niet in hun mogelijkheden beperkt als gevolg van de toevoeging van het nieuwe gevoelige object. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor het onderhavige initiatief. De beknopte milieukundige onderbouwing is als bijlage bij de toelichting beschikbaar.

7.2

Geluidhinder

De ten behoeve van voorliggend plan relevante normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer. Het betreft normen voor (spoor)wegverkeerslawaai en industrielawaai. In deze wetgeving wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan met ontheffing tot een maximale hoogte mag worden afgeweken. Wegverkeerslawaai Conform de Wet geluidhinder is er aan weerszijden van een weg met een voorgeschreven snelheid van 50 km/uur of meer een onderzoekszone aanwezig.

bestemmingsplan Eeneind 2018

41

Tabel: onderzoekszones conform artikel 74 Wet geluidhinder

Indien er in de onderzoekszone van een weg ontwikkelingen plaatsvinden waarbij zogenaamde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen, scholen en verpleegtehuizen) worden geprojecteerd, dient onderzocht te worden of de geluidsbelasting als gevolg van deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. Is dit het geval dan dient er een hogere grenswaarde procedure doorlopen te worden zodat het college van B&W een hogere grenswaarde kan verlenen. Het college mag maximaal een hogere grenswaarde verlenen van 63 dB bij gemeentelijke en provinciale wegen en 53 dB bij autowegen en autosnelwegen.

In beginsel heeft iedere weg een geluidszone, maar geldt dat niet voor de volgende wegen: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Het overgrote deel van de lokale wegen is gelegen in een 30 km/zone of woonerf. Voor deze wegen geldt geen zonering. Daarnaast wordt het plangebied doorkruist door enkele 80 km/uur wegen en is de A270 niet ver van het plangebied gelegen.

Bij een vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in de zone van bestaande wegen niet getoetst te worden (art. 76 lid 3 Wgh). Van een bestaande situatie is sprake als weg en woningen reeds bestaan (of mogelijk zijn gemaakt) op 1 maart 1986 (het tijdstip waarop het onderdeel 'bestaande situaties' in werking is getreden). Echter het plan voorziet ook in een enkele nog niet gerealiseerde woningbouwmogelijkheid op de locatie Eeneind Oost. In 2009 is hiervoor vrijstelling verleend, alsmede zijn hogere grenswaarden vastgesteld. Gelet op de ouderdom van het besluit zijn deze mogelijk niet meer actueel. Het doorlopen van een hogere grenswaardeprocedure en het uitvoeren van een daarvoor benodigd akoestisch onderzoek is thans noodzakelijk.

5-jaarlijks wordt voor Nuenen de gemiddelde geluidbelasting van de woningen in kaart gebracht op de EU-geluidkaarten. Uit de meest recente kaarten bij deze rapportage (peiljaar 2016) blijkt dat binnen Nuenen Zuidoost deze geluidsbelasting voldoet aan de daarvoor geldende normen. Enkel langs de doorgaande wegen en hoofdontsluitingswegen binnen de wijken vinden overschrijdingen plaats, deze reiken echter niet verder dan de groenvoorzieningen en de voortuinen bij de woningen langs deze wegen.

Het bepaalde in de Wet geluidhinder omtrent wegverkeerslawaai vormt dan ook geen randvoorwaarde ten aanzien van de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

Spoorwegverkeerslawaai

42

bestemmingsplan Eeneind 2018

De spoorlijn Eindhoven-Venlo doorkruist het plangebied. Conform de Wet geluidhinder is er aan weerszijden van verscheidene door de regeling geluidplafondkaart milieubeheer aangewezen spoorwegtrajecten een zone aanwezig. Een spoorweg die is aangegeven op de geluidplafondkaart, heeft een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de spoorweg tot de breedte naast de spoorweg als aangegeven in onderstaande tabel, afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond op het betrokken referentiepunt:

Tabel Geluidproductieplafond conform artikel 1.4a Besluithinder

Indien er in de zone een bestemmingsplanwijziging plaatsvindt waarbij zogenaamde geluidsgevoelige bestemmingen worden geprojecteerd dient onderzocht te worden of de geluidsbelasting t.g.v. het spoorwegtraject de voorkeursgrenswaarde van 55 dB overschrijdt. Is dit het geval dan zal er een hogere grenswaarde procedure doorlopen moeten worden. Het college van B&W kan dan een hogere grenswaarde, tot maximaal 68 dB, verlenen.

Geluidskaart Spoor

De spoorlijn Eindhoven-Venlo doorsnijdt het plangebied. Conform het Geluidregister Spoor bedraagt het geluidsproductieplafond van deze spoorlijn ter hoogte van Nuenen ten hoogste 74,2 dB (referentiepunten 18616 t/m 18678). De onderzoekszone bedraagt derhalve 900 meter, waardoor deze zich over het plangebied uitstrekt. Onderhavig bestemmingsplan voorziet zoals eerder aangegeven verder ook niet in de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige functies. Echter voorziet het plan nog wel in de verplaatsing van een nog niet gerealiseerde woningbouwmogelijkheid ten noorden van het spoor binnen de onderzoekszone. Het uitvoeren van een benodigd akoestisch onderzoek is derhalve noodzakelijk.

bestemmingsplan Eeneind 2018

43

Industrielawaai Hoofdstuk 5 van de Wet geluidhinder bepaalt dat rondom industrieterreinen waarop bepaalde krachtens de Wet milieubeheer aangewezen inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (de zogenaamde grote lawaaimakers) een geluidszone moet worden vastgesteld. Deze geluidszone beslaat een gebied rondom het bedrijventerrein waarbuiten door de op het terrein gevestigde inrichtingen gezamenlijk geen hogere geluidsbelasting dan 50 dB(A) op de in de buurt aanwezige gevoelige bestemmingen mogen veroorzaken. Binnen de gemeente Nuenen c.a. is geen sprake van een geluidszonering van de inrichtingen op het bedrijventerrein. Destijds is het bedrijventerrein in combinatie met het aanwezige woon- en leefklimaat gerealiseerd en dit wordt nu geactualiseerd. Het aspect industrielawaai is derhalve niet van toepassing.

Akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai Voor de nog te bouwen woning aan de Hoge Mikkert akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer en railverkeer. Het onderzoek was noodzakelijk, omdat de nieuw te bouwen woning is gelegen binnen de in de Wet geluidhinder vastgelegde geluidzone van de gezoneerde wegen Collse Hoefdijk, Refelingse Heide en Geldropsedijk en binnen de zone van de spoorweg Eindhoven-Venlo. In dit 'Akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai Hoge Mikkert te Nuenen (Tritium Advies, 2021) worden de volgende conclusies getrokken: Voor de spoorlijn Helmond - Eindhoven geldt dat de voorkeursgrenswaarde voor spoorweglawaai van 55 dB nergens wordt overschreden. Voor de 30 km/uur weg Hoge Mikkert geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woning overschrijdt. Voor de gezoneerde wegen Collse Hoefdijk en Refelingse Heide geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woning overschrijdt. Voor de Geldropsedijk geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 4 dB overschrijdt.

De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt hiermee nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachtsof bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de aanvullende voorwaarden uit het provinciaal beleid. Het verhogen van de geluidwal (met een geluidscherm) (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is tevens niet doeltreffend in onderhavige situatie. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde niet meer wordt overschreden. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet echter overwegende bezwaren van financiële aard. Conform het •"Ontheffingenbeleid Wgh" d.d. 10 februari 1998 van de provincie Noord Brabant kan pas een hogere waarde worden verleend als voldaan wordt aan de hoofdcriteria uit de Wgh en aan de in het beleidsstuk genoemde subcriteria. In onderhavige situatie vormt de woning de nieuwe beëindiging van de rijwoningen aan Hoge Mikkert 1-13.

Derhalve is sprake van het opvullen van een open plaats. Er is geen sprake van een overschrijding van de in het geluidbeleid genoemde grenswaarde van 53 dB (inclusief aftrek artikel 110g Wgh). Derhalve worden er geen aanvullende eisen gesteld met betrekking tot een geluidluwe zijde en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het provinciaal beleid. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.

44

bestemmingsplan Eeneind 2018

Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woning een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Bij het vaststellen van de cumulatieve geluidbelasting ten behoeve van het bepalen van de geluidwering van de gevel, is er bij het spoorweglawaai rekening gehouden met het feit dat er meer dan 30% aan spoorvoertuigen behorende tot de spoorvoertuigcategorieën 4, 5 of 11 op de spoorbaan passeert (Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, artikel 6.5, lid 2). Om deze reden is bij de cumulatie van wegverkeers- en spoorweglawaai voor de geluidbelasting ten gevolge van het spoorwegverkeer het spectrum wegverkeersgeluid aangehouden. Uit de rekenresultaten blijkt dat de woning kan beschikken over een geluidluwe zuid- en westgevel (per lawaaisoort bekeken) de begane grond aan de noord- en oostzijde kan eveneens geluidluw zijn. Aan deze geluidluwe gevel dient een verblijfsruimte te zijn gelegen met een te openen deel. Aan de noord- en oostzijde kan eveneens een geluidluwe buitenruimte worden gesitueerd. Het akoestisch onderzoek is door de Omgevingsdienst Auidoost-Brabant beoordeeld.

De Omgevingsdienst kan instemmen met de uitgangspunten van het rapport en de wijze waarop de geluidbelasting is berekend. Er wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving en aan het gemeentelijk geluidbeleid. De geluidbelasting als gevolg van de berekende wegen en het spoor staat het verlenen van een hogere waarde niet in de weg. Deze hogere waarde procedure dient gelijktijdig met de wijziging van het bestemminsplan doorlopen te worden en ook gelijktijdig ter inzage te liggen. Door het college van burgemeester en wethouders wordt een besluit hogere grenswaarden genomen, waarin de benodigde hogere waarde voor de woning op de locatie Hoge Mikkert worden vastgesteld. Het akoestisch onderzoek is als bijlage bij de toelichting beschikbaar.

7.3

Bodemkwaliteit

Voor nieuwe ontwikkelingen is het van belang te weten of de bodem al dan niet verontreinigd is. Het voorliggende bestemmingsplan betreft een plan met een beheersmatig karakter. Nieuwe functies (bestemmingen) worden niet direct toegestaan. Een uitzondering hierop vormt de woningbouwmogelijkheid aan de Hoge Mikkert. Binnen het plangebied zijn geen locaties bekend, waar sprake is van een bodemverontreiniging. Gezien het beheersmatige karakter, waarbij overwegend geen nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden worden toegelaten, is ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan slechts beperkt bodemonderzoek noodzakelijk. Derhalve is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het onderzoek heeft zich beperkt tot het nog niet bebouwde woningbouwperceel aan de Hoge Mikkert. In het uitgevoerde "Verkennend bodemonderzoek Hoge Mikkert te Nuenen" (Tritium Advies, 2021) worden voor de locatie aan de Hoge Mikkert de volgende conclusies getrokken: Zintuiglijk zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grond geen verontreinigingen zijn aangetoond. Het grondwater blijkt licht verontreinigd te zijn met barium, xylenen en 1,1,2-trichloorethaan.

De aangetoonde lichte verontreinigingen in het grondwater zijn in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen naar mening van Tritium Advies geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van

bestemmingsplan Eeneind 2018

45

toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. Een indicatie van de hergebruiksmogelijkheden is weergegeven in hoofdstuk 5 van het rapport. Het uitgevoerde bodemonderzoek is door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant beoordeeld. Op basis van het onderzoek concludeert de Omgevingsdienst dat de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit afdoende is vastgesteld voor de bestemmingsplanwijziging. Het verkennend bodemonderzoek is als bijlage bij de toelichting beschikbaar.

7.4

Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. 7.4.1 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Strabrechtse Heide & Beuven, ligt op meer dan 4 kilometer. Op dit gebied is, gelet op de afstand en op het conserverend karakter van dit bestemmingsplan, geen externe werking te verwachten.

Natuurnetwerk Nederland

46

bestemmingsplan Eeneind 2018

Ter behoud, versterking en ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden moeten gebieden uit het Natuurnetwerk Nederland beschermd worden. Voor deze gronden geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Daarmee worden werken en werkzaamheden, zoals het kappen van de bomen, het aanbrengen van verhardingen of het vergraven van de bodem, door middel van een omgevingsvergunning afhankelijk gesteld van het oordeel van burgemeester en wethouders.

Natuurbeheerplan Noord-Brabant

Uit het Natuurbeheerplan Noord-Brabant blijkt dat zowel ten oosten als ten westen van Eeneind natuurgebieden liggen. Dit Natuurnetwerk in Brabant (NNB) is gesplitst in een Rijks NNB en een provinciale NNB, welke verschillen op beleidsniveau. Gezien het conserverende karakter van dit actualisatie bestemmingsplan zullen deze gebieden geen uitwerkingen hebben op het planvoornemen. 7.4.2 Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn gedeputeerde staten van de provincie.

Het plangebied omvat naast bebouwde gronden ook enkele groenstroken, met een eventuele ecologische en landschappelijke betekenis. Het bestemmingsplan heeft een beheersgericht karakter, waarbij slechts beperkt

bestemmingsplan Eeneind 2018

47

nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Daarbinnen zijn de nog te bouwen woningen al mogelijk gemaakt in de vigerende bestemmingsregeling. De mogelijk gemaakte gebruikswijzigingen op de bedrijventerreinen hebben nauwelijks of geen ruimtelijke consequenties. De vaststelling van het bestemmingsplan zal geen (negatieve) effecten hebben op eventueel in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied aanwezige waarden.

Qua soortenbescherming geldt in ieder geval dat te allen tijde de algemene zorgplicht ex artikel 2 van de Flora- en faunawet van toepassing is. Dit houdt in dat alle handelingen, die nadelig zijn voor de flora en fauna en die niet nodig zijn om het beoogde doel te verwezenlijken, achterwege gelaten moeten worden. 7.4.3 Quickscannatuur flora en fauna Ten behoeve van de woningbouwlocatie aan de Hoge Mikkert is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het doel van de quickscan is om te bepalen of de werkzaamheden en wijzigingen binnen de locatie mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het is noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden. In de "Quickscan flora en fauna Hoge Mikkert te Nuenen" (Tritium Advies, 2021) worden de volgende conclusies getrokken: Beschermde gebieden Het plangebied ligt op circa 60 meter afstand, buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval ligt er een weg en begroeide geluidswal tussen het plangebied en het NNB.

Tevens is het plangebied in een wijk gelegen en betreft het planvoornemen de realisatie van één woning. Er wordt derhalve geen significant negatief effect verwacht van het planvoornemen op het nabijgelegen NNB-gebied. Hierdoor zijn er geen verdere verplichtingen volgens de Omgevingsverordening Noord-Brabant omtrent het NNB. De ingreep vindt plaats op een afstand van 5 kilometer van Natura 2000-gebied “Strabrechtse heide & Beuven”. Vanwege de grote afstand tot het Natura 2000-gebied, de aard van de ingreep (realiseren van een woning in een bestaande wijk) en de aanwezigheid van woningen, infrastructuur en agrarisch landschap tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied kunnen negatieve effecten door trillingen, geluid en visuele verstoring als gevolg van de voorgenomen ingreep op voorhand worden uitgesloten. Bovendien is volgens de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering de stikstof uitstoot tijdens bouwwerkzaamheden beperkt en tijdelijk. Hierdoor wordt de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tijdens de uitvoeringsfase per 1 juli 2021 vrijgesteld voor een natuurvergunningsplicht. In de gebruikersfase wordt er geen significante toename in stikstofdepositie verwacht aangezien het één woning binnen een bestaande straat betreft. Een negatief effect ten gevolge van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is derhalve niet verwacht.

Een AERIUS-berekening en effectenanalyse zijn daarom niet van toepassing. Soorten Er is in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd of ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of het planvoornemen zal leiden tot een verminderde geschiktheid van foerageergebied van beschermde diersoorten waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen van deze dieren niet langer als dusdanig kunnen functioneren. Flora. Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen.

48

bestemmingsplan Eeneind 2018

Vogels. Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Wanneer de werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaatsvinden, kan dit leiden tot het verlaten van nesten met eieren en/of jongen. Daarnaast wordt in dat geval de functionaliteit van de nesten in gevaar gebracht. Dit is een overtreding van artikel 3.1 van de Wnb. De vegetatie binnen het plangebied dient ongeschikt te worden gemaakt door de struiken en bomen te rooien buiten het broedseizoen. Hierdoor wordt het plangebied ongeschikt als broedlocatie. Het broedseizoen loopt in stedelijk gebied globaal van 15 maart tot 15 augustus, afhankelijk van weersomstandigheden en de soorten. Grondgebonden zoogdieren. Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten.

Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen. Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden en akkers en tuinen van woningen. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen. Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten.

Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten. Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen.

Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd en buiten de kwetsbare periode ongeschikt gemaakt wordt als leefgebied voor die soorten. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Eindconclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: • Er zijn geen vervolgstappen in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk;

bestemmingsplan Eeneind 2018

49

• de vegetatie binnen het plangebied dient ongeschikt te worden gemaakt door de struiken en bomen te rooien buiten het broedseizoen; • nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk; • een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk; • indien (bouw)verlichting wordt gebruikt dient deze zo te worden geplaatst dat hij niet op de potentiële vliegroute voor vleermuizen schijnt; • de zorgplicht geldt ten alle tijden. Advies Checklist natuurvriendelijke maatregelen. Bij het ontwerp van de te realiseren woning wordt geadviseerd gebruik te maken van de checklist natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen van de Vogelbescherming en Zoogdiervereniging (Vogelbescherming en Zoogdiervereniging, z.d.). Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over. De quickscan flora en fauna is beoordeeld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant: Beschermde soorten. Er is een quickscan natuur uitgevoerd. De conclusie met betrekking tot beschermde soorten is aannemelijk en verifieerbaar. Nader soortonderzoek en ontheffingsplicht Wnb is daarmee niet aan de orde. Dit onder de voorwaarde, dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden of in ieder geval nadat is vastgesteld dat er geen broedgeval aanwezig is. Daarnaast geldt de algemene zorgplicht voor alle soorten. Verder het advies de nieuwe woning natuurinclusief te maken.

Natura 2000/stikstof. Gezien aard, omvang en effectbereik van het voornemen én de afstand ten opzichte van Natura 2000-gebied, is alleen stikstofdepositie als mogelijk negatief effect relevant. Of er wel of geen negatief effect door stikstofdepositie aan de orde is, dient middels een stikstofberekening met Aerius Calculator inzichtelijk te worden gemaakt. Deze berekening ontbreekt. Echter, gezien aard en omvang van het voornemen én de afstand ten opzichte van Natura 2000-gebied, is de verwachting dat er geen stikstofdepositie > 0,00 mol N/ha/jaar zal worden berekend. Een Aerius-berekening kan in dat geval achterwege blijven. Als er geen stikstofdepositie > 0,00 mol N/ha/jaar wordt berekend, dan is in het kader van een goede ruimtelijke ordening, een vergunningplicht Wnb niet aan de orde. Zo ook is in het kader van de plantoets Wnb geen Passende beoordeling vereist. NNB. Het plangebied ligt buiten en op enige afstand van NNB. Met betrekking tot de externe werking is beoordeeld, dat deze geen significant negatieve effecten veroorzaakt. Deze beoordeling is aannemelijk. Een nee, tenzij-toets NNB met compensatieplicht is dan niet van toepassing. Houtopstanden. Aangegeven is dat bomenkap niet aan de orde is. De 3 beschermingsregimes die bij bomenkap aan de orde kunnen zijn, zijn dan niet van toepassing. Daarmee staat de natuurregelgeving het bestemmingsplanbesluit niet in de weg.

De quickscan flora en fauna is als bijlage bij de toelichting beschikbaar. 7.4.4 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit de aspecten gebieds- en soortenbescherming geen overwegende belemmeringen bestaan ten aanzien van de vaststelling van voorliggend plan.

50

bestemmingsplan Eeneind 2018

7.5

Leidingen en energie

Door het plangebied lopen de gebruikelijke nutsleidingen, zoals water, gas, elektriciteit en kabeltelevisie. Daarbij zijn verspreid over het plangebied of de directe omgeving de nodige bijbehorende gebouwen, zoals transformatorstations en trafokasten, aanwezig. Voor het overige zijn er binnen het plangebied geen leidingen gelegen die door middel van het bestemmingsplan beschermd moeten worden.

Door het Ministerie van Defensie is aangegeven dat het plangebied zich binnen het radarverstoringsgebied, behorende bij de radar die staat op de vliegbasis Volkel, bevindt. Ter plaatse gelden beperkingen ten aanzien van de maximale hoogte van windturbines. De maximale hoogte van de tippen van wieken bedraagt 114 meter ten opzichte van N.A.P. Binnen het bestemmingsplan wordt de bouw van windturbines niet mogelijk gemaakt en hoeft derhalve niet te worden voorzien in een nadere regeling.

7.6

Externe veiligheid

7.6.1 Risicocontouren rond inrichtingen Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Voor de eerste doelstelling is het begrip 'plaatsgebonden risico' (PR) van belang. De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6 , die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt.

Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen.

Groepsrisico Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip 'groepsrisico' (GR) centraal. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, transportas waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en van een buisleiding waardoor die stoffen worden vervoerd, is op dat punt onderzoek nodig. Daaruit volgt een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Op grond van artikel 13 BEVI dient bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een

bestemmingsplan Eeneind 2018

51

verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden door het bevoegd gezag. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. 7.6.2 WoningbouwmogelijkheidHoge Mikkert In de "Beknopte milieukundige onderbouwing Hoge Mikkert naast 13, Nuenen" (Tritium Advies, 2021) zijn de risicobronnen rondom de woningbouwlocatie aan de Hoge Mikkert geïnventariseerd. De volgende risicobronnen zijn aangetroffen: Rijksweg A270 Over deze Rijksweg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van deze weg bedraagt 200 meter. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats op een grotere afstand, daarom vormt de Rijksweg A270 geen belemmering voor het planvoornemen. Benzinestation met LPG Op 190 meter afstand is een benzinestation gelegen met LPG, dit is een risicovolle inrichting. Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocountouren en vormt daarom geen belemmering. Wel wordt bij de hierna volgende beperkte verantwoording van het groepsrisico de BLEVE (explosiegevaar) behandeld. Een dergelijke explosie zou kunnen plaatsvinden bij het benzinestation. Spoorlijn Eindhoven – Helmond Zoals uit de risicokaart is gebleken ligt er nabij het plangebied een spoortraject. De afstand van het plangebied tot aan de spoorlijn bedraagt 238 meter.

Er is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied (PAG) bij deze spoorlijn. Omdat dit niet het geval is, en de ontwikkeling plaatsvindt buiten 30 meter van de spoorlijn, is een berekening van het groepsrisico (RBMIIberekening) niet noodzakelijk. Wel wordt het spoortraject voor de volledigheid meegenomen in de beperkte verantwoording voor het groepsrisico die hierna volgt. 7.6.3 Beperkte verantwoording groepsrisico Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. En de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omgang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van het spoor. Zelfredzaamheid Wanneer men zonder de hulp van hulpverleningsdiensten, zelfstandig kan schuilen en/of vluchten voor gevaar is er sprake van zelfredzaamheid. Hoe zelfredzaam personen zijn is van grote invloed op de effecten van een incident, op plekken waar sprake is van een risicovolle bron in de nabijheid. In het plangebied worden geen personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten gehuisvest. Hiermee vormt het planvoornemen geen onverantwoord risico. Toxische gassen Door het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals toxische gassen, over het spoor is er kans op een incident hiermee.

Wanneer er sprake is van de uitstroming van toxische gassen kan het beste binnenshuis worden geschuild. BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) Vanwege het transport van gevaarlijke stoffen (LPG) over het spoor, maar ook bij het nabijgelegen benzinestation, is er kans op een warme of koude BLEVE. Bij een warme BLEVE ontstaat druk op de LPG-tank als gevolg van te hoge temperaturen, hieruit kan een grote vuurexplosie ontstaan. Een koude BLEVE treedt op wanneer de tankwand verzwakt is en inscheurt. Bij een BLEVE is er korte tijd sprake van hevig branden, dit kan ertoe leiden dat de brand op andere objecten in de nabijheid overslaat. Deze andere objecten hebben waarschijnlijk een langere brandduur. Bij een BLEVE is het mogelijk om te vluchten wanneer er sprake is van zelfredzaamheid van de aanwezige personen. Vluchtmogelijkheden Op de projectlocatie zijn voldoende mogelijkheden om te kunnen vluchten in tegengestelde richting van

52

bestemmingsplan Eeneind 2018

de omgeving waar mogelijk een BLEVE kan plaatsvinden. Dit draagt bij aan de veiligheid ter plaatse. Bestrijdbaarheid Gezien de ruime afstand van de risicobronnen is het niet noodzakelijk om maatregelen te treffen voor de bestrijdbaarheid. 7.6.4 StandaardadviesVeiligheidsregio Brabant-Zuidoost Om de omgang met het aspect externe veiligheid makkelijker te maken kan gebruik gemaakt worden van een standaardadvies bij bepaalde ontwikkelingen. Het standaardadvies is meteen een advies voor de verantwoording van het groepsrisico. Hiermee wordt de wettelijke verplichte verantwoording voor het groepsrisico ondervangen. In het advies staan passages over de optimalisatie van de zelfredzaamheid bij en bestrijdbaarheid van incidenten. Bij een ontwikkeling van meer dan 30 meter tot de risicobron, en waarbij minder dan 50 personen in het plangebied aanwezig zijn, kan worden volstaan met het standaardadvies. In de beknopte milieukundige onderbouwing is het standaardadvies van de veiligheidsregio opgenomen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. De beknopte milieukundige onderbouwing is als bijlage bij de toelichting beschikbaar.

7.7

Luchtkwaliteit

Op basis van de Wet luchtkwaliteit, welke onderdeel uitmaakt van de Wet Milieubeheer, gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn middels grenswaarden vastgelegd voor de luchtverontreinigingcomponenten stikstofdioxide (NO2 ), zwevende deeltjes (PM1 0 of fijnstof), zwaveldioxide (SO2 ), lood (Pb), benzeen (C6 H6 ) en koolmonoxide (CO). De grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) en ‘In betekenende mate’ (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde wordt verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11109610/1