CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-06 RV Bijlage 1a - Toelichting bestemmingsplan

Commissie Ruimte 1 februari 2022, gemeente NuenenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Eeneind 201825.501 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In het geval een planvoornemen strekt tot het realiseren of wijzigen van bronnen van luchtverontreiniging, die leiden tot een toename van de hoeveelheid luchtverontreiniging, dient onderzoek naar de exacte gevolgen voor de luchtkwaliteit uitgevoerd te worden. Jaarlijks wordt de luchtkwaliteit voor Nuenen in kaart gebracht via de nsl-monitor. Daarbij is de concentratie NO2, PM10 en PM2,5 berekend voor diverse punten langs de belangrijkste doorgaande en ontsluitingswegen. Voor het plangebied zijn dit de A270, Collse Hoefdijk en Geldropsedijk. Uit de kaarten bij deze monitoring blijkt dat binnen Eeneind de luchtkwaliteit in de berekende jaren 2015, 2020 en 2030 voldoet aan de daarvoor geldende normen. De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan Eeneind 2017. Het voorliggende plan betreft een plan met een beheersmatig karakter. Nieuwe ontwikkelingen die in betekenende mate bij kunnen dragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zijn slechts in zeer beperkt mate voorzien. Dit betreft enkele de nog niet gebouwde woning aan Hoge Mikkert. De mogelijk gemaakte gebruikswijzigingen op de bedrijventerreinen, leiden niet tot een groter areaal aan bedrijfspercelen. In de "Beknopte milieukundige onderbouwing Hoge Mikkert naast 13, Nuenen" (Tritium Advies, 2021) is ook gekeken naar het aspect luchtkwaliteit.

Daarin wordt navolgende conclusie getrokken. Middels voorliggend planvoornemen wordt een extra woning mogelijk gemaakt. Het gaat in dit geval niet over

bestemmingsplan Eeneind 2018

53

bedrijventerreinen, infrastructuur of woningbouwprojecten met meer dan 1500 woningen. Het project draagt dan ook ‘niet in betekende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. Wel moet worden voldaan aan een goed woon- en leefklimaat, daarom is gekeken naar de NSLmonitoringstool. Daaruit blijkt dat ter plaatse van het plangebied een goede luchtkwaliteit is gegarandeerd. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De beknopte milieukundige onderbouwing is als bijlage bij de toelichting beschikbaar.

7.8

Geurhinder en gezondheid

Voor nieuwe ontwikkelingen is het van belang te weten of al dan niet sprake is van geurhinder en effecten voor de gezondheid veroorzaakt door veehouderijen in de omgeving. Het voorliggende bestemmingsplan betreft een plan met een beheersmatig karakter. Nieuwe ontwikkelingen betreffen enkel het overnemen van een enkele vigerende woningbouwmogelijkheid en het mogelijk maken van gebruikswijzigingen op de bedrijventerreinen.

Indien in de toekomst toch de ontwikkeling van een geurgevoelige ontwikkeling en/of ontwikkelingen gevoelig op het punt gezondheid aan de orde komt, zal deze via een planherziening mogelijk gemaakt moeten worden, waarbij dan de aspecten geurhinder en gezondheid afgewogen dienen te worden. Overigens is het aantal bedrijven dat geurhinder veroorzaakt in en in de omgeving van het plangebied beperkt. Binnen het plangebied is geen sprake van agrarische bedrijvigheid. Buiten het plangebied is op een afstand van circa 250 m aan de Collseweg een kleinschalige veehouderij gelegen. Gelet op de veebezetting van dit bedrijf en de aanwezige afstand is deze veehouderij niet relevant voor ontwikkelingen binnen het plangebied. Geurhinder en gezondheid zijn derhalve niet relevant voor de planvorming.

7.9

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D. Er bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde die in onderdeel D is opgenomen, wordt overschreden. De ontwikkelingen in het onderhavige bestemmingsplan vormen geen activiteit die voorkomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zodat geen m.e.r.-plicht geldt. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt een stedelijke ontwikkeling van woningen vermeld onder D 11.2. Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied betreft en 2000 of meer woningen omvat. Omdat in het onderhavige geval niet wordt

54

bestemmingsplan Eeneind 2018

voldaan aan deze criteria (het plan maakt enkel de bouw van 6 extra woningen mogelijk) is geen m.e.r.-beoordeling nodig. Wanneer toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu, geldt de verplichting voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling ook voor activiteiten waarvan de drempelwaarde niet wordt overschreden. In deze gevallen moet gemotiveerd worden of een m.e.r.-beoordeling al dan niet nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten, daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. De in de toelichting van dit bestemmingsplan beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De conclusie van alle in de toelichting beschreven onderzoeksresultaten is dat nadelige milieugevolgen als gevolg van de plannen zijn uitgesloten.

bestemmingsplan Eeneind 2018

55

56

bestemmingsplan Eeneind 2018

Hoofdstuk 8 8.1

Waterhuishouding

Beleid

Het beleid ten aanzien van het aspect water komt in diverse beleidsdocumenten terug op verschillende schaalniveaus. Zo is er op zowel nationaal als provinciaal niveau een waterplan van kracht, dat uiteindelijk geland is in een waterbeheerplan van het verantwoordelijke waterschap, in dit geval De Dommel. Daarnaast beschikt het waterschap over andere relevante plannen met betrekking tot het aspect water. Deze plannen worden hieronder besproken. 8.1.1 Waterbeheerplan de Dommel Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Het waterbeleid van Waterschap De Dommel is neergelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol water - samen meer waarde geven aan water' en is gebaseerd op Europese, nationale en provinciale regelgeving. Het waterbeheerplan is een strategisch document, afgestemd op de Europese Kaderrichtlijn Water, het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal Waterplan. Hierin staan de doelen en de wijze om deze te behalen weergegeven. De belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode zijn de volgende:

Voldoende water voor landbouw en natuur: gestreefd wordt naar voldoende water voor alle functies. Niet te veel en niet te weinig. Verdroging is een probleem voor zowel landbouw als natuur. De focus lag al op de aanpak van verdroging van natuurgebieden, maar wordt nu verbreed omdat ook de landbouw in toenemende mate kampt met verdroging. Dit vraagt om een integrale aanpak. Juist door de samenhang binnen een gebied als uitgangspunt te nemen en met alle stakeholders naar oplossingen te zoeken. Kringloopdenken: het kringloopdenken wint steeds meer terrein in de maatschappij, ook op watergebied. Duurzaam ontwikkelen is van belang: voldoende en schoon water voor nu en later door op een andere manier met het water om te gaan. Van lineair naar circulair. Schoon regenwater niet meer op het riool, grondstoffen halen uit het afvalwater, slootmaaisel gebruiken als organische stof voor de aangrenzende landerijen en gezuiverd afvalwater van bedrijven als aanvulling van het grond- en oppervlakte water. Dit is een nieuwe manier van werken. Wateroverlast en hittestress: steeds vaker zien we foto's in de media van straten die blank staan na een hevige stortbui. Een direct gevolg van de klimatologische omstandigheden en steeds verder gaande verstening. Perioden van te veel (en te weinig) water doen zich steeds vaker voor.

In de stedelijke omgeving is er voor plotselinge wateroverlast alleen een uitweg via het riool. Zoveel water kan het riool niet aan, waardoor straten en pleinen onder water komen te staan en riolen overstorten op het oppervlaktewater. Tegelijkertijd hebben steden in toenemende mate te kampen met hittestress. Op zomerse dagen wordt het zo warm dat mensen hier last van krijgen in hun functioneren. De gemeente gaat over de riolering en de inrichting van de leefomgeving. Het waterschap over de zuivering van het rioolwater. Gemeente en waterschap moeten op zoek naar de beste oplossing voor de watervraagstukken in de bebouwde omgeving. De vraag is hoe stedelijke inrichting en water met elkaar verbonden kunnen worden. Dat biedt volop kansen; water als inspiratiebron voor stedelijke vernieuwingen een hoogwaardige leefomgeving. Steeds meer ongewenste stoffen in het water zoals medicijnen: van elk medicijn dat we inslikken komt een deel in het riool terecht. Omdat we steeds meer medicijnen tot ons nemen, is hierdoor een potentiële bedreiging voor de waterkwaliteit ontstaan. Het waterschap is belast met de zuivering van het rioolwater, maar het medicijnvrij maken van rioolwater vergt vergaande technische aanpassingen en miljoeneninvesteringen. Het probleem bij de bron aanpakken betekent dat ook partijen als de farmaceutische industrie, verzorgingstehuizen en apothekers aan zet zijn.

Dit is een voorbeeld van hoe

bestemmingsplan Eeneind 2018

57

het waterschap ook met andere partners zoekt naar duurzame oplossingen. Dit geldt ook voor andere ongewenste stoffen in het water, zoals gewas- en beschermingsmiddelen en nieuwe stoffen zoals microplastics en nanodeeltjes. Vergroten waterbewustzijn: het waterbewustzijn in Nederland is laag (volgens het OESO-rapport van maart 2014 'Water governance in the Netherlands: fit for the future'). Het is van belang dat gebruikers zich bewust zijn van de waarden van het water en de inspanningen die hiervoor nodig zijn. Dit begint in de eigen leefomgeving. 8.1.2 Keur 2015 Op 26 februari 2015 heeft het dagelijks bestuur van Waterschap De Dommel in zijn vergadering vastgesteld de 'Keur Waterschap De Dommel', de algemene regels behorende bij de 'Keur Waterschap De Dommel 2015', de beleidsregels voor Waterkering, Waterkwantiteit (inclusief hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater), de beleidsregel Agrarische beregening uit grondwater bij schaarste, de beleidsregel Actualiseren grondwatervergunningen, het model bedrijfswaterplan en de passende beoordeling beregeningsbeleid. De keur, de algemene regels en de beleidsregels zijn met ingang van 1 maart 2015 in werking getreden.

Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Binnen het plangebied zijn een aantal gebied aangewezen als beschermd gebied waterhuishouding of attentiegebied.

Uitsnede keurkaart met beschermde gebieden

In het oranje zijn de beschermde gebieden waterhuishouding zichtbaar op de uitsnede keurkaart. Daarnaast

58

bestemmingsplan Eeneind 2018

is in het blauw het attentie gebied weergegeven. In de omgeving van het plangebied zijn ook enkele A-watergangen gelegen.

De A-watergang, de beschermde gebieden en de attentiegebieden worden in het bestemmingsplan aangeduid en van een passende regeling voorzien met daaraan gekoppeld een vergunningenstelsel. Tevens wordt opgenomen dat het waterschap betrokken wordt bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 8.1.3 Beleidsregel hydrologische uitgangspunten De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².

Op basis van de Keur en de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen' wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 2.000 m². Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Vuilwater mag daarbij ook niet worden geloosd op de omliggende gronden.

Bij toename van verhard oppervlak tussen de 2.000 en 10.000 m2 dienen compenserende maatregelen te zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening. Toename of afkoppelen van verhard oppervlak tot 10.000 m2 heeft een beperkte invloed op het waterhuishoudkundig systeem. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Het planvoornemen zorgt niet voor de toename van verhard oppervlak, dus de beleidsregel hydrologische uitgangspunten zal niet voor belemmeringen zorgen betreffende dit bestemmingsplan. 8.1.4 Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan(vGRP) Per 1 januari 2008 is de Wet gemeentelijke watertaken in werking getreden. Deze wet verplicht de gemeente om naast haar al bekende taak van rioleringszorg (GRP) ook de zorg voor de afvoer van hemelwater en de zorg voor grondwater in stedelijk gebied op zich te nemen. Dit betekent een verbreding van haar takenpakket. Vóór 2013 moet de gemeente haar nieuwe zorgtaken, hemelwater en grondwater, in een GRP verwerkt hebben. Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) is daarom vertaald in een verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP).

bestemmingsplan Eeneind 2018

59

Op 23 juni 2011 is de gemeenteraad van Nuenen akkoord gegaan met het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2011-2015 (vGRP). De doelen vastgelegd in het vGRP zijn: Een goede inzameling en transport van stedelijk afvalwater; Inzameling, transport en/of verwerking van afvloeiend hemelwater, voor zover dit redelijkerwijs niet kan door particulieren; Voorkomen van structureel nadelige gevolgen van te hoge of te lage grondwaterstanden, voor zover dit onder de gemeentelijke zorgplicht valt.

8.2

Oppervlakte- en grondwater

Oppervlaktewater is binnen het plangebied beperkt aanwezig. In de directe omgeving is oppervlakte op grotere schaal aanwezig in de vorm van onder andere de Kleine Dommel. De binnen het plangebied aanwezige A-watergangen worden planologisch beschermd in dit plan. De meest zuidelijke punt van het plangebied grenst aan het Eindhovens Kanaal. Langs dit kanaal ligt een waterkering, waarop de Keur van het waterschap van toepassing is. De regelgeving in de Keur is erop gericht om alle ontwikkelingen op, in of nabij een kering, die de stabiliteit en/of het waterkerende vermogen kunnen aantasten tegen te gaan. In artikel 3.4 van de Keur staat de navolgende bepaling. Het is verboden zonder vergunning gebruik te maken van compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone A en overige waterkeringen, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: a. b. c. d. e.

bouwwerken aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of te verwijderen; beplanting in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen; ontgravingen uit te voeren of ophogingen aan te brengen; te boren of te sonderen; kabels en leidingen aan te leggen, te hebben, te onderhouden, te wijzigen of te verwijderen.

Het plangebied is op de Grondwaterkaart van Nederland gelegen binnen grondwatertrap V. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In grondwatertrap V ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand op maximaal 40 centimeter, gemeten vanaf het maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt hier dieper dan 120 centimeter. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterwingebied, bodembeschermingsgebied of boringsvrije zone. In het plangebied bevinden zich geen zuiveringstechnische voorzieningen van het Waterschap.

8.3

Riolering

Voor de riolering wordt gestreefd naar gescheiden stelsels. Bij het gescheiden stelsel wordt (relatief schoon) hemelwater niet geloosd op de rioolwaterzuivering. Dit heeft een aantal voordelen. Bij een gemengd stelsel zal bij grote neerslag overstort plaatsvinden van vervuild water op oppervlaktewater, bij een gescheiden stelsel zal dit minder vaak voorkomen. Ook kan het schone hemelwater worden geïnfiltreerd in de bodem. Bij nieuwe ontwikkelingen zullen de mogelijkheden voor een gescheiden stelsel onderzocht worden. Daartoe worden de groenzones in het gebied mede bestemd voor waterberging. Binnen het plangebied zijn twee gemengde overstorten aanwezig, gelegen aan de westkant ten noorden en ten zuiden van het spoor. In verband met de aanwezigheid van deze overstorten bestaat de mogelijkheid dat

60

bestemmingsplan Eeneind 2018

geurhinder optreedt. In verband daarmee wordt een stankcirkel gehanteerd rond de overstorten met een straal van 50 m. Binnen deze 'milieuzone - geurzone' mogen geen nieuwe geurgevoelige objecten worden gebouwd, alsook moet herbouw en uitbreiding van bestaande geurgevoelige objecten hieraan getoetst worden.

8.4

Waterberging

In de "Beknopte milieukundige onderbouwing Hoge Mikkert naast 13, Nuenen" (Tritium Advies, 2021) zijn de wateraspecten voor de woningbouwkavel aan de Hoge Mikkert nader bekeken. Bij nieuwe woningen moet rekening worden gehouden met de Keur van Waterschap de Dommel 2015. Bij een toename van het verhard oppervlak, waarvan hier sprake is, geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. In principe dient er 60 mm retentie gerealiseerd te worden, dat wil zeggen 600 m³ per hectare verhard oppervlak. Het perceel voor woningbouw aan de Hoge Mikkert heeft maximaal 320 m² verhard oppervlak, bestaande uit daken en erfverharding. Hiermee is de volgende rekensom gemaakt om de waterberging te dimensioneren: 320 m2 x 0,06 = 19,2 m3 Om de ontwikkeling hydrologisch neutraal uit te kunnen realiseren dient op het perceel een waterberging gemaakt te worden met een inhoud van 19,2 m3. Dit is echter een worst-case benadering. In de praktijk zal niet het gehele perceel worden voorzien van erfverharding. Wanneer het perceel slechts voor 50% verhard zal worden, is slechts de helft van de retentie benodigd. Wanneer er in het plangebied een waterberging wordt gerealiseerd die is gedimensioneerd volgens de formule zoals die volgt uit de regels van het waterschap, dan vormt de waterhuishouding geen belemmering voor het planvoornemen.

De beknopte milieukundige onderbouwing is als bijlage bij de toelichting beschikbaar.

bestemmingsplan Eeneind 2018

61

62

bestemmingsplan Eeneind 2018

Hoofdstuk 9 9.1

Juridische aspecten

Vormgeving juridisch plan

Het bestemmingsplan Eeneind 2018 betreft een actualisatie van de vigerende bestemmingsplannen. Teneinde een breed draagvlak te creëren voor met name de inhoud en vormgeving van het juridisch plan, zijn, alvorens het bestemmingsplan te ontwikkelen, door verschillende gemeentelijke afdelingen, uitgangspunten geformuleerd. De belangrijkste uitgangspunten voor de vormgeving van het juridisch plan luiden als volgt: De verbeelding wordt in kleur opgezet waarbij de kleuren worden ondersteund met een letteraanduiding (bijv. W- Wonen) een en ander afgestemd op de kleur en letteraanduiding in de SVBP2012; De schaal van de kaarten is bij voorkeur 1: 1000; Het aantal afwijkingsmogelijkheden wordt beperkt en de opgenomen afwijkingsbevoegdheden bevatten concrete criteria; Complete bestemmingen: per bestemming worden de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden en gebruiksbepalingen opgenomen in plaats van in de algemene bepalingen; Gebruikte termen in overeenstemming met SVBP en Wabo: in de regels wordt niet langer gesproken over een ontheffing, maar over een ‘omgevingsvergunning om af te wijken’. Zo ook is niet langer sprake van een aanlegvergunning, maar van een ‘omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden’. In het onderhavige bestemmingsplan zijn deze vormgevende uitgangspunten toegepast.

9.2

Inhoud juridisch plan

Ook over de inhoud van het juridisch plan zijn afspraken gemaakt. Als een belangrijk inhoudelijk uitgangspunt geldt de gedachte, dat het vigerend bestemmingsplan de basis vormt van de regeling. De inhoud van de vigerende bestemmingsplannen worden uitsluitend aangepast opgenomen in het beheerplan indien, of uit oogpunt van de harmonisatiegedachte of uit oogpunt van gedateerdheid/afwijking bestaande functie, een aanpassing noodzakelijk is. Over de inhoud van het bestemmingsplan zijn voorts de volgende uitgangspunten geformuleerd: De begripsbepalingen en wijze van meten, zoals opgenomen in het bestemmingsplan en in het standaardbestemmingsplan, vormen de standaard voor alle nieuw te ontwikkelen beheerplannen. De gemeente heeft zorg gedragen voor het opstellen van een standaardbegrippenlijst, die bij elk nieuw bestemmingsplan kan worden aangevuld met nieuwe begrippen; Bij de bestemmingstoekenning is gezocht naar waar mogelijk verzamelbestemmingen. Op deze wijze kunnen functionele wisselingen, voor zover gewenst, op een eenvoudige wijze plaatsvinden.

9.3

Doelstellingen en planopzet

Het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan bestaat uit de regels (voorheen: voorschriften) en de verbeelding (voorheen: plankaart) tezamen. De basis voor de verbeelding is een recente kadastrale ondergrond, aangevuld met de GBKN (Grootschalige Basiskaart Nederland). Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren weergegeven. Voorts zijn diverse aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. De regels zijn opgebouwd als volgt: Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de manier waarop de in het plan genoemde

bestemmingsplan Eeneind 2018

63

maten zijn bepaald; Hoofdstuk 2 bevat de regeling van de afzonderlijke bestemmingen; Hoofdstuk 3 bevat een aantal algemene en aanvullende bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het hele plan; Hoofdstuk 4 bevat de Overgangs- en slotregels.

9.4

Functies algemeen

De indeling in bestemmingen is gebaseerd op de gewenste hoofdfunctie van het gebied. Het grootste deel van Eeneind 2018 heeft een woonfunctie en is bestemd voor woondoeleinden. In het zuidwesten van het plangebied is het bedrijventerrein gelegen. Dit is ook als zodanig bestemd. De verspreid gelegen overige bedrijvigheid is bestemd als 'Gemengd'. Met deze bestemming wordt een ruimer gebruik toegestaan en uitwisseling van functies mogelijk. Incidenteel komen overige functies voor, zoals maatschappelijke doeleinden, en nutsvoorzieningen. Deze hebben elk hun eigen bestemmingsregeling gekregen. Naast bovengenoemde bebouwde functies kent het plangebied onbebouwde openbare ruimten, die onderscheiden zijn in de volgende bestemmingen: ‘Verkeer’, ‘Groen’ en ‘Water’.

9.5

Bebouwing algemeen

Er wordt in het bestemmingsplan onderscheid gemaakt tussen gebouwen en andere bouwwerken. Voor de situering en maatvoering van gebouwen is het belangrijk dat er bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot:

Bouwwijze Uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat de bestaande situatie op een goede manier dient te worden gereguleerd. Doelstelling is dat woonwijken in hun karakter gehandhaafd blijven. De bestaande bebouwing is dan ook de basis geweest voor het vastleggen van bouwvlakken en aanduidingen ‘bijgebouwen’. De bouwvlakken zijn daarbij om de bestaande woningen heen gelegd, met zo mogelijk uitbreidingsruimte aan de achterzijde.

Goot- en bouwhoogte De maximale goot- en bouwhoogte zijn aangegeven op de verbeelding, daar waar deze afwijken van de algemene regel vastgelegd in de bestemmingsplanregels. In het kader van de harmonisering kunnen de maximale hoogten enigszins afwijken van de vigerende regeling. Daar waar vigerende regelingen onderling zeer verschillen waardoor niet te beargumenteren hoogteverschillen ontstaan, is gekozen voor hoogtematen die afgestemd zijn op de bestaande hoogten.

Dakhelling In het plan zijn een minimale en maximale dakhelling voorgeschreven. In zijn algemeenheid geldt voor woningen dat sprake is van een kap met een dakhelling tussen de 20 en 55 graden.

Situering gebouwen Teneinde de bestaande situatie eenduidig te kunnen reguleren, is de bebouwing “gezoneerd”. Voor woningen is op de verbeelding en in de regels onderscheid gemaakt in tuin (onbebouwd), bouwvlak en een aanduiding ‘bijgebouwen’. Deze zonering biedt de belangrijkste vorm van rechtszekerheid tussen de eigenaren van bouwpercelen onderling. Uitgangspunt hierbij is de bestaande situering van de bebouwing. Dit is immers een aanvaarde situatie en een verkregen recht. Voor uitbreidingsmogelijkheden van of aan het hoofdgebouw zijn minimale afstanden tot de zijdelingse perceelsgrens opgenomen.

64

bestemmingsplan Eeneind 2018

Voor de regulering van de andere functies zijn bouwvlakken op de verbeelding aangeduid. Hierbinnen zijn gebouwen toegestaan. Omdat het onderscheid tussen hoofd- en bijgebouwen bij bedrijven of andere niet-woondoeleinden niet relevant is, is er slechts één bouwvlak opgenomen.

Maximaal bebouwd oppervlak Bij de regeling van andere dan woonfuncties, is zowel voor de situering van de gebouwen als voor het toegestane bebouwde oppervlak, uitgegaan van de vigerende regeling. Dit betekent dat daar waar op de verbeelding een maximaal bebouwd oppervlak is aangegeven, deze oppervlak doorgaans geldt voor het gehele bestemmingsvlak (zie formulering in betreffende bestemming), dus niet voor uitsluitend de gronden gelegen binnen het bouwvlak.

9.6

Toelichting afzonderlijke bestemmingen

In deze paragraaf worden de bestemmingen – voor zover noodzakelijk – afzonderlijk toegelicht. Voor een goed begrip van de regeling dienen in elk geval de regels tezamen met de verbeelding te worden geraadpleegd. 9.6.1 Bedrijf Binnen het plangebied is het verkooppunt motorbrandstoffen als 'Bedrijf' bestemd met de nadere aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'. Het betreft het benzinestation in combinatie met een garagebedrijf aan de Collse Hoefdijk. Ter plaatse is tevens een bedrijfswoning toegestaan, die alleen bewoond mag worden door degene die het bijbehorende garagebedrijf met benzinestation exploiteert. 9.6.2 Bedrijf - Nutsvoorziening De binnen het plangebied aanwezige trafostations zijn bestemd voor nutsvoorzieningen. 9.6.3 Bedrijventerrein Voor de gewenste ontwikkelingsrichting van het bedrijventerrein is een gemeentelijke visie opgesteld. Deze visie is als bijlage 1 bijgevoegd. Hierin staan de uitgangspunten voor de bestemmingsplanregeling. Voor het gedeelte dat bestemd is als 'Bedrijventerrein' ligt de nadruk op de bedrijvigheid. Menging met wonen is niet gewenst. De bestaande bedrijfswoningen worden positief bestemd. Nieuwe bedrijfswoningen zijn uitgesloten. Op deze manier zit woningbouw de hinder gevende bedrijven niet in de weg. Dergelijke locaties zijn vaak grootschaliger en liggen met aan de rand van het bebouwd gebied.

Binnen de bestemming is zonering in bedrijfscategorieën van bedrijven van categorie 3 en 4 toegestaan. Grenzend aan de gemengde zone worden maximaal categorie 3.2 bedrijven toegestaan. Voor het overige deel geldt maximaal categorie 4.2. 9.6.4 Bedrijventerrein - Uit te werken Een klein gedeelte van het plangebied is onder de bestemming 'Bedrijventerrein - Uit te werken' gebracht. Op dit gedeelte van het plangebied is in het verleden de ontwikkeling van bedrijventerrein voorzien. In het geldende bestemmingsplan was daartoe de bestemming 'Uit te breiden bedrijfsdoeleinden' opgenomen. In tegenstelling tot de omliggende gronden is de ontwikkeling van bedrijventerrein hier nog niet tot stand gekomen, echter is die ontwikkeling nog steeds wel voorstelbaar. Op basis van de uit te werken bedrijventerreinbestemming blijft ontwikkeling in de toekomst mogelijk. In de regeling zijn de voorwaarden, zoals die in de geldende uit te werken regeling waren opgenomen, opnieuw opgenomen.

bestemmingsplan Eeneind 2018

65

9.6.5 Gemengd De bestemming ‘Gemengd’ is toegekend aan het gebied waar naast werken ook sprake is van wonen. Binnen deze bestemming kunnen diverse functies gecombineerd worden waaronder ook kleinschalige voorzieningen. Onder kleine bedrijven worden bedrijven verstaan zoals dienstverlening- en kleine ambachtelijke bedrijven. De ter plaatse toegestane functies worden verruimd waardoor ruimte is voor meer initiatieven. Dit zorgt er voor dat deze locatie langer aantrekkelijk blijft voor een bredere doelgroep. In de mate waarin andere functies worden toegestaan wordt gestuurd. Dit om te voorkomen dat het bedrijventerreinen te veel verkleurt. Bij het verruimen van de toegestane functies wordt het niet mogelijk de toegestane milieucategorieën te verhogen. Er zal dus geen extra hinder voor bewoners optreden. Daar waar wonen naast bedrijvigheid wordt toegestaan, moeten naastgelegen bedrijven zo min mogelijk belemmerd worden in het uitoefenen van hun bedrijf en moeten bewoners geen hinder ondervinden. In een gebied met functiemenging wordt wel uitgegaan van de gebruikelijke milieucategorie indeling (1, 2, 3.1, 3.2, 4.1, enz.). De toelaatbare bedrijfsactiviteiten zijn beperkt tot de categorieën 2, 3.1 en 3.2 uit de bijbehorende Bedrijvenlijst (bijlage bij de regels).

De regeling voor recreatieve voorzieningen, zoals deze is opgenomen in de bestemming ‘Wonen’, is ook binnen deze bestemming opgenomen. 9.6.6 Groen De bestemming betreft gronden waarop uitsluitend groenvoorzieningen, paden, sport- en spelvoorzieningen, water e.d. is toegestaan. Het onderscheid met de bestemming ‘Verkeer’ is gelegen in het feit dat groenvoorzieningen een daadwerkelijk structureel groen karakter hebben en behouden. 9.6.7 Maatschappelijk De bestemming is toegekend aan het gemeenschapshuis dat is gevestigd aan de Spijkert. Binnen deze bestemming worden geen woningen toegestaan. 9.6.8 Verkeer Deze bestemming richt zich op een groot deel van het openbaar gebied van Eeneind 2018. De bestemming is heel breed geformuleerd. De reden daartoe is dat de exacte ligging van de verschillende doeleinden, zoals groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen etcetera, in dit kader niet relevant blijkt. Het herinrichten van wegen kan daardoor op een eenvoudige manier geschieden, zonder dat een bestemmingsplan onwenselijke en ongefundeerde barrières oproept. Het uitgangspunt is echter niet dat alle binnen deze bestemming vallende groenstroken worden verhard. 9.6.9 Verkeer - Railverkeer De bestemming is toegekend aan de spoorlijn die dwars door het plangebied loopt en het woongedeelte scheidt van de bedrijvigheid binnen Eeneind. 9.6.10

Wonen

Voor regulering van de woonfunctie kan grotendeels verwezen worden naar paragraaf 9.5. Voor een goed begrip van de regeling voor woningen en bijgebouwen is het volgende van belang: Voor het hoofdgebouw van de woning is de bestaande situatie als uitgangspunt genomen voor het bepalen van het bouwvlak. Dit ter waarborging van de bestaande ruimtelijke structuur en het hoogwaardig woonklimaat. Dit houdt in dat het bouwvlak is begrenst op de bestaande zijgevels van de woningen. Binnen het bouwvlak mogen zowel het hoofdgebouw als bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd Wel is als

66

bestemmingsplan Eeneind 2018

uitzonderingssituatie onder voorwaarden de mogelijkheid geboden om het hoofdgebouw van de woningen in zijwaartse richting uit te breiden, zonder dat dit ten kosten gaat van de ruimtelijke structuur en het hoogwaardige woonklimaat.

Voor de toetsbaarheid van het plan is geen onderscheid gemaakt tussen aan- en uitbouwen van woningen (zoals bijkeukens of serres) en aangebouwde bijgebouwen (bergingen en aangebouwde garages). De regeling gaat uit van een hoofdgebouw binnen het bouwvlak; de aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen mogen worden gebouwd binnen de aanduiding bijgebouwen, waar ook de vrijstaande bijgebouwen mogen worden gebouwd. De al bestaande legale uitbreidingen in de tuin mogen worden gehandhaafd. Daarnaast kunnen nieuwe kleine aanbouwen wel via afwijking met een omgevingsvergunning worden toegestaan.

Uitbreidingen of veranderingen aan de voorgevel zijn niet rechtstreeks mogelijk, maar wel via afwijking middels een omgevingsvergunning. Door de verspringingen in de gevel kan een uitbreiding een onwenselijke situatie voor het naastgelegen perceel opleveren. Daarom wordt bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid een nauwkeurige beoordeling gemaakt of in de betreffende situatie de uitbreiding kan worden toegestaan.

In de regels is voor bijgebouwen naast de zijgevel door middel van de aanduiding ‘bijgebouwen’ een minimale afstand tot de voorgevel aangegeven. Hiervan kan via een omgevingsvergunning worden afgeweken. De vraag of de omgevingsvergunning wordt verleend is niet alleen afhankelijk van de genoemde voorwaarden, maar ook van de karakteristieken van de betreffende buurt.

Voor aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen is een maximale bebouwde oppervlakte opgenomen, die geldt voor alle bijgebouwen in het bouwvlak en de aanduiding ‘bijgebouwen’ op het bouwperceel tezamen. Met deze beperking van de oppervlakte voor aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen worden de volgende doelen nagestreefd. Een ruim bouwvlak is primair bedoeld voor enige flexibiliteit in de situering van het hoofdgebouw en niet om het vol te bouwen met bijgebouwen. Daarnaast wordt met deze bebouwingsregeling een duidelijk onderscheid tussen de (dominante) hoofdbouwmassa en de (ondergeschikte) bijgebouwen bevorderd, doordat zoveel mogelijk functies in het hoofdgebouw zullen worden opgenomen. Tot slot wordt de hoeveelheid bijgebouwen in zij- en achtertuinen beperkt tot wat bij een woning redelijkerwijs nodig is. Hiermee wordt voorkomen dat tuinen onnodig dichtslibben. Voor grote bouwpercelen geldt dat de maximale bebouwde oppervlakte van bijgebouwen toe mag nemen, naarmate het perceel groter is.

De toegestane bebouwde oppervlakte van bijgebouwen kan per bouwperceel verschillen: naarmate de grootte van het bouwperceel toeneemt (vanaf 200 m²), mag de maximale bebouwde oppervlakte oplopen tot een maximum van 90 m². Voor woningen in de bouwwijze vrijstaand geschakeld geldt een afzonderlijke regeling voor het bepalen welke gebouwen worden meegerekend bij het bepalen van de bebouwde oppervlakte. Deze bouwwijze houdt in dat vrijstaande woningen geschakeld worden door een bijgebouw. Door de voorgeschreven bouwwijze bestaat niet de mogelijkheid om de schakelende laagbouw te verhogen tot de hoogte van het hoofdgebouw. Voor deze bouwwijze is nu de regeling opgenomen dat deze schakelende laagbouw niet meetelt bij de berekening van de bebouwde oppervlakte voor zover dit is gesitueerd tussen het verlengde van de voor- en achtergevel.

Opgemerkt dient te worden dat binnen de woonfunctie onder voorwaarde nevenactiviteiten worden toegelaten, die qua functie ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. In het verleden werd hiervoor vaak het

bestemmingsplan Eeneind 2018

67

onderscheid gemaakt tussen aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven. Dit bleek niet altijd op de juiste gronden het onderscheid in activiteiten weer te geven. In dit plan is gekozen om de mate van publieksaantrekkende werking van de activiteiten als relevant onderscheid te hanteren tussen activiteiten die wel gewenst zijn in een woonomgeving en activiteiten die onder omstandigheden gewenst kunnen zijn in een woonomgeving. De ‘aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit’ is rechtstreeks mogelijk, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. De ‘publieksaantrekkende beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis’ is via een omgevingsvergunning mogelijk. Het onderscheid richt zich zoals vermeld op het al dan niet publieksaantrekkend zijn van de activiteit. Hierbij is ervan uitgegaan dat een niet-publieksaantrekkende activiteit (geen verkeersaantrekkende werking / geen parkeerdruk) doorgaans zonder problemen in een woning zal kunnen plaatsvinden. Het betreft activiteiten met een introvert karakter, die inherent zijn aan de woonfunctie, zoals kantoorfuncties en ateliers. Uitgangspunt is overigens dat geen milieuvergunningplichtige bedrijven worden toegestaan. Dit is van belang om te voorkomen dat activiteiten kunnen plaatsvinden, die weliswaar niet een publieksaantrekkend karakter hebben, maar die in verband met milieuaspecten niet bij de woonfunctie passen.

De publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis kunnen wel verkeersaantrekkend zijn. Zij dienen echter kleinschalig en in te passen in de woonomgeving te zijn. Voorbeelden zijn persoonlijke dienstverlening (kapper/ pedicure), medische/ therapeutische dienstverlening, ambachtelijke bedrijvigheid.

Uit diverse bouwaanvragen blijkt behoefte te bestaan aan de aanleg van een zwembad of tennisbaan in de achtertuin bij de woning. In het bestemmingsplan is derhalve een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om hieraan tegemoet te komen. Met recreatieve voorzieningen worden o.a. zwembaden, tennisbanen en golfafslagplaatsen bedoeld. 9.6.11 Archeologie Gebaseerd op de archeologische beleidskaart van de gemeente Nuenen en de daarin aangegeven (te verwachten) archeologische waarden, is over grote delen van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ gelegd. Naar gelang de waarden is een uitsplitsing gemaakt naar Archeologisch waardevol, Archeologie hoog en Archeologie middelhoog.

Onderdeel van de bestemmingsregeling is dat voor het oprichten van bouwwerken of het uitvoeren van werken en werkzaamheden, die een bepaalde oppervlakte te boven gaan of tot een bepaalde diepte de bodem verstoren, vooraf onderzoek moet worden verricht naar eventuele archeologische waarden. 9.6.12 Beschermd dorpsgezicht Deze dubbelbestemming beschermt de cultuurhistorische waarden van het beschermd dorpsgezicht. Het artikel omvat bouwregels die aanvullend gelden aan de onderliggende (enkel)bestemmingen. Zo zijn karakteristieke eigenschappen van gebouwen, waaronder verschijningsvorm, gevelindeling, gevelbreedte en dakhelling vastgelegd en zijn wijzigingen hieraan uitsluitend via afwijking toegestaan waarbij advies wordt ingewonnen bij de Monumentencommissie.

68

bestemmingsplan Eeneind 2018

9.6.13 Waardevolle bomen Binnen het plangebied komen waardevolle bomen voor. Ter behoud van deze waardevolle bomen worden deze beschermd in dit bestemmingsplan: de waardevolle bomen zijn op de verbeelding aangeduid en voor deze bomen geldt een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Daarmee worden werken en werkzaamheden, zoals het kappen van de bomen, het aanbrengen van verhardingen of het vergraven van de gronden onder de bomen, door middel van een omgevingsvergunning afhankelijk gesteld van het oordeel van burgemeester en wethouders. De waardevolle bomen hebben een dubbelbestemming gekregen, waarin opgenomen het vereiste van omgevingsvergunning. 9.6.14 Hoogspanningsverbinding De op Eeneind aanwezige hoogspanningsverbinding is met de dubbelbestemming 'Leiding Hoogspanningsverbinding' als zodanig bestemd. Bouwen ten behoeve van samenvallende bestemmingen is alleen na afwijken toegestaan. Ter bescherming van de aanwezige leidingen zijn werkzaamheden die de leidingen kunnen beschadigen of belemmeren uitsluitend via een omgevingsvergunning toegestaan.

bestemmingsplan Eeneind 2018

69

70

bestemmingsplan Eeneind 2018

Hoofdstuk 10 Handhaving Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft geen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan geen handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid.

a.

b.

c.

d.

Voldoende kenbaarheid van het plan. Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd. Voldoende draagvlak voor het beleid en de regeling in het plan. De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling in grote kring ondersteund worden door de gebruikers van het plangebied. Uiteraard kan niet iedereen zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het bestemmingsplan is echter wel wenselijk. Realistische en inzichtelijke regeling. Een juridische regeling dient inzichtelijk en realistisch te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. Actief handhavingsbeleid. Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. De gemeente voert een actief handhavingsbeleid.

bestemmingsplan Eeneind 2018

71

72

bestemmingsplan Eeneind 2018

Hoofdstuk 11 Economische uitvoerbaarheid Onderhavig bestemmingsplan betreft een actualiseringsplan, waarmee slechts beperkt nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. Daarbij gaat het om het wederom vastleggen van een enkele vigerende woningbouwmogelijkheid en het wijzigen van de gebruiksmogelijkheden op bestaande bedrijventerreinen. Hiermee zal dit plan dus geen financiële gevolgen hebben voor de gemeente.

bestemmingsplan Eeneind 2018

73

74

bestemmingsplan Eeneind 2018

Hoofdstuk 12 Inspraak en overleg 12.1

Vooroverleg

De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

Het Besluit ruimtelijke ordening geeft in artikel 3.1.1 aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Op 4 mei 2018 hebben de volgende instanties het conceptontwerpbestemmingsplan ontvangen met het verzoek om in het kader van artikel 3.1.1 Wro te reageren op het plan: Provincie Noord Brabant Waterschap De Dommel Naar aanleiding van het verzoek om te reageren op het concept-ontwerpbestemmingsplan in het kader van het vooroverleg, zijn twee reacties ontvangen. Deze zijn hieronder samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. 12.1.1 Provincie Noord-Brabant a. De provincie merkt op dat een deel van het bedrijventerrein (Eeneind I noordelijk deel) wordt omgezet naar de bestemming 'Gemengd' waardoor een menging van wonen met andere economische functies en voorzieningen wordt toegestaan. Door deze nieuwe bestemming is in feite geen sprake meer van een bedrijventerrein in de zin van de Verordening en met deze ontwikkeling kan worden ingestemd. Reactie gemeente Dit wordt voor kennisgeving aangenomen.

b.

Voor een deel van het bedrijventerrein (Eeneind I zuidelijk deel) wordt voorzien in een verruiming van het gebruik met milieucategorie 2. Artikel 4.4.lid 3.e. van de Verordening bepaalt dat een bestemmingsplan dat voorziet in een ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein een verantwoording bevat over de wijze waarop oneigenlijk ruimtegebruik wordt tegen gegaan. Bedrijven behorende tot de milieu categorieën 1 en 2 worden bij een middelzwaar- en zwaar bedrijventerrein als oneigenlijk ruimtegebruik aangemerkt. Het toestaan van categorie 2 bedrijven op Eeneind I is dus in beginsel in strijd met artikel 4.4 derde lid onder e. van de Verordening. Verzocht wordt om het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen met de Verordening. Reactie gemeente In de Visie Bedrijventerreinen is bepaald dat in het zuidelijk deel van Eeneind I en op Eeneind II bedrijven zijn toegestaan in cat 3 en 4 en in 2 voor zover het bedrijfsactiviteiten betreft die zijn toegestaan binnen het bestemmingsplan Eeneind II Zuid. In bp Eeneind II zuid zijn allerlei soorten cat 2 bedrijven toegestaan volgens de bedrijvenlijst. Dergelijke lichte bedrijven kunnen ook elders gevestigd worden, bijvoorbeeld in gemengd gebied of in een kern. Door cat 2 bedrijven toe te laten wordt de bedrijventerreinvoorraad voor zwaardere bedrijven verminderd.

Het vigerend bestemmingsplan laat op een groot deel van het plangebied

bestemmingsplan Eeneind 2018

75

bedrijven toe in cat 3 en 4. Daarnaast zijn in het vigerend bestemmingsplan bedrijven specifiek aangeduid, waaronder ook lichtere bedrijven. Deze werkwijze wordt nu voortgezet in het nieuwe bp. Er worden dus alleen cat 3 en 4 toegestaan en indien er nu al een lichter bedrijf zit, wordt deze specifiek bestemd door deze aan te duiden. Bij de vaststelling wordt de raad geadviseerd om hiermee in te stemmen en te bepalen dat de vaststelling in afwijking van de Visie Bedrijventerreinen is, om conform de reactie van de provincie oneigenlijk gebruik van het bedrijventerrein tegen te gaan en het terrein vrij te houden voor alleen de zwaardere bedrijven. 12.1.2 Waterschap De Dommel a. Diverse A-watergangen ontbreken op de verbeelding en komen niet terug in de regels. Verzocht wordt om alle A-watergangen alsnog na te lopen en de bestemming water te geven en deze te beschermen in de regels. Gemist worden onder andere KD101 en KD100 ten noorden en zuiden van het spoor, de KD95 langs de Collse Hoefdijk en het Eindhovens kanaal ten zuiden van het plangebied. Reactie gemeente De watergangen worden opgenomen op de verbeelding en bestemd als water. Tevens wordt aan weerszijden van de watergang (2 x 5 m) een beschermingszone watergang opgenomen (dubbelbestemming Waterstaat Waterlopen) met verwijzing naar de Keur.

b.

Op de verbeelding en in de regels dient de persleiding met beschermingszone opgenomen te worden. In de regels kan de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' met een beschermingszone van 5 m opgenomen worden overeenkomstig het 'ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Nuenen'. Reactie gemeente De verbeelding en regels worden aangepast door de persleiding op te nemen

c.

Het gemaal van het waterschap op perceel gemeente Nuenen, sectie C nummer 3593 dient bestemd te worden als 'Bedrijf-nutsvoorzieningen'. Reactie gemeente Het gemaal wordt bestemd als 'Bedrijf-nutsvoorzieningen'.

d.

De gemengde overstorten ten noord-westen en zuid-westen van het spoor komen niet terug in de toelichting. Verzocht wordt om dit te benoemen in de toelichting en in de regels rekening mee te houden dat de gemengde overstorten er liggen en bij herbouw en uitbreiding op de stankcirkel wordt getoetst ondanks dat het een conserverend plan is. Reactie gemeente De overstorten worden benoemd in de toelichting. Verder wordt om de overstorten een geurzone gelegd van 50 m en wordt in de regels een regeling opgenomen waarin bepaald wordt dat binnen de geurzone geen geurgevoelige objecten mogen worden gebouwd.

e.

Op de verbeelding ontbreekt de waterkering ter plaatse van het Eindhovens kaneel. Verzocht wordt om deze op te nemen als waterstaat-waterkering. Reactie gemeente De waterkering wordt opgenomen.

76

bestemmingsplan Eeneind 2018

f.

Op de verbeelding bij en nabij het Eindhovens kanaal wordt de aanduiding 'Behoud en herstel van watersystemen', 'Natuur Netwerk Brabant-Ecologische verbindingszone' en 'Attentiegebied ecologische hoofdstructuur' (tegenwoordig vaak aangeduid als Attentiegebied Natuurnetwerk Brabant) gemist. Verzocht wordt om dit na te lopen en op de verbeelding en in de regels op te nemen. Reactie gemeente De aanduidingen worden opgenomen.

g.

Volgens de Verordening Ruimte zou een deel reservering waterbergingsgebied in het plangebied liggen. Met de aankomende Verordening Water en Verordening Ruimte is dat niet meer het geval. De dubbelbestemming 'overige zone-reservering waterberging' kan komen te vervallen. Daarmee kan tevens artikel 23.5 komen te vervallen. Reactie gemeente De verbeelding en regels worden aangepast waarmee de dubbelbestemming 'overige zone-reservering waterberging' komt te vervallen.

h.

In de regels wordt in artikel 23.2 het toetsingskader gemist dat er geen negatief effect mag zijn op de waterhuishouding. Gevraagd wordt om dat toe te voegen overeenkomstig de Verordening Ruimte. Reactie gemeente Het toetsingskader in artikel 23.2 wordt hierop aangevuld

i.

In de regels ontbreekt de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering' voor het waterkerend vermogen van de waterkering. Verzocht wordt om dit alsnog toe te voegen. Dat mag vergelijkbaar zijn met artikel 54 Waterstaat-Waterkering zoals opgenomen in ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Nuenen. Reactie gemeente De regels worden hierop aangevuld.

j.

Voor het Eindhovens Kanaal is overeenkomstig de Verordening Ruimte de Natuur Netwerk Brabant-ecologische verbindingszone van toepassing. Dat is nog niet geregeld in de regels. Verzocht wordt om dat alsnog te doen. Reactie gemeente De verbeelding en regels worden hierop aangepast.

k.

In artikel 23.3 van de regels (overige zone-behoud en herstel van watersystemen) wordt gemist dat er advies wordt ingewonnen bij het betreffende waterschap. Verzocht wordt om dat aan te vullen in de regels. Reactie gemeente De regels worden hierop aangepast.

l.

Verzocht wordt om een extra wijzigingsbevoegdheid op te nemen bij artikel 8.5 voor het wijzigen van alle bestemmingen naar water en vice versa indien de waterhuishoudkundige situatie dit toelaat. Het waterschap wordt dan ook gehoord. Door middel van deze bevoegdheid kan er bijvoorbeeld makkelijk invulling worden gegeven aan het realiseren van een nieuwe afwateringsstructuur.

bestemmingsplan Eeneind 2018

77

Reactie gemeente In de bestemming Groen zijn water en waterhuishoudkundige voorzieningen rechtstreeks toegestaan. Een wijzigingsbevoegdheid is derhalve niet nodig. Deze reactie leidt niet tot aanpassing van het plan.

m. Gevraagd wordt om het begrip 'waterkering' in de begrippenlijst op te nemen. Het volgende tekstvoorstel kan voor het begrip worden gehanteerd: Kunstmatige hoogte, natuurlijke hoogte of gedeelte daarvan met ondersteunende kunstwerken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben en als dusdanig geregistreerd zijn in de legger. Reactie gemeente De regels worden hierop aangevuld

n.

Gevraagd wordt om in de toelichting op te nemen dat langs het Eindhovens kanaal een waterkering ligt en daarvoor de Keur van toepassing is. De regelgeving in de keur is er op gericht om alle ontwikkelingen opin- of nabij een kade/kering, die de stabiliteit en/of het waterkerende vermogen kunnen aantasten tegen te gaan. In artikel 3.4 van de Keur staat het volgende: Het is verboden zonder vergunning gebruik te maken van compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone A en overige waterkeringen, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: a. bouwwerken aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of te verwijderen; b. beplanting in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen; c. ontgravingen uit te voeren of ophogingen aan te brengen; d. te boren of te sonderen; e. kabels en leidingen aan te leggen, te hebben, te onderhouden, te wijzigen of te verwijderen. Reactie gemeente De toelichting van het bestemmingsplan wordt hier op aangevuld.

78

bestemmingsplan Eeneind 2018

Hoofdstuk 13 Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen 13.1

Eerdere tervisielegging

Het ontwerpbestemmingsplan Eeneind 2018 heeft vanaf 13 september 2018 gedurende zes weken (tot en met 24 oktober 2018) voor de eerste keer ter visie gelegen. Gedurende die periode zijn diverse zienswijzen tegen het plan ingediend. Zienswijzen op de keuze om een deel van het bedrijventerrein de bestemming 'gemengd' te geven, zienswijzen op de in dat ontwerpbestemmingsplan gemaakte keuze om het kavel aan de Kleine Heiakker/Parallelweg in te vullen met twee bouwmogelijkheden en verschillende individuele zienswijzen. Mede naar aanleiding van de zienswijzen op de invulling van het kavel Kleine Heiakker/Parallelweg heeft de raad in september 2019 het college van burgemeester en wethouders de opdracht gegeven de verplaatsing van het betreffende kavel naar het huidige speelterrein aan de Hoge Mikkert te onderzoeken. Na een eerste onderzoek besloot het college op 30 juni 2020 af te zien van de voorgestelde kavelruil. Dit besluit heeft tot vele reacties geleid en heeft de nodige onrust in de wijk veroorzaakt.

Het college heeft op 21 juli 2020 besloten het bestemmingsplan voor de tweede maal als ontwerp ter visie te leggen, omdat: er veel reacties waren op het niet verplaatsen van het kavel Kleine Heiakker/Parallelweg; er discussie was over de splitsing van het kavel Kleine Heiakker/Parallelweg naar twee kavels; er verschillende (ambtshalve) wijzigingen hadden plaatsgevonden naar aanleiding van de eerste ter visie legging. Ook gedurende genoemde tweede ter inzage periode zijn bij de gemeenteraad diverse zienswijze ingediend. Een totaaloverzicht van de in 2018 en 2020 ingediende zienswijzen is weergegeven in de "Nota van zienswijzen Bestemmingsplan Eeneind 2018 Gemeente Nuenen". In deze nota zijn de zienswijzen samengevat weergegeven en is aangegeven of de zienswijzen aanleiding hebben gegeven tot aanpassing van het bestemmingsplan. Bij de beantwoording is uiteraard rekening gehouden met de volledige inhoud van de zienswijzen. De betreffende Nota van zienswijzen is als bijlage bij de toelichting beschikbaar.

13.2

Laatste tervisielegging

Het ontwerpbestemmingsplan Eeneind 2018 heeft vanaf 1 oktober 2021 gedurende zes weken (tot en met 11 november 2021) ter inzage gelegen. Gedurende die periode bestond de mogelijkheid zienswijzen tegen dit plan in te dienen. In totaal zijn 20 zienswijzen tegen het plan ingediend. Een overzicht van de ingediende zienswijzen, met daarbij een samenvatting en beoordeling van de inhoud van de zienswijzen, is opgenomen in de "Zienswijzennota bestemmingsplan Eeneind 2018". Tevens is daarbij aangegeven welke wijzigingen in het bestemmingsplan zijn doorgevoerd naar aanleiding van de zienswijzen. Genoemde Zienswijzennota bevat tevens een overzicht van de ambtshalve wijzigingen die bij de vaststelling van het bestemmingsplan nog worden doorgevoerd.

bestemmingsplan Eeneind 2018

79

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11064357/1