CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-70 RV Bijlage 5.3 Nota van Beantwoording PlanMER RES MRE

Commissie Ruimte 30 november 2021, gemeente NuenenBij agendapunt: Vaststellen RES 1.0 MRE43.286 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

79

Derhalve ontbreekt de onderbouwing om dit gebied te zien als hotspot voor akker- en weidevogels. In het planMER wordt niet gesteld dat geen sprake is van vogeltrek. Gestuwde vogeltrek zoals dat met name langs de Nederlandse kust beschreven wordt is in dit onderzoeksgebied echter afwezig. Op een detailniveau van een planMER kunnen in een dergelijk onderzoeksgebied geen duidelijke verschillen in vogeltrek worden gedefinieerd. Zoals in de disclaimer van de gevoeligheidskaarten van SOVON is beschreven: ‘Om daadwerkelijk te weten of de plaatsing vogels negatief beïnvloedt, is nader onderzoek per soort nodig. Dan pas kan worden vastgesteld of de verwachte kwetsbare vogelsoorten daadwerkelijk nadelige gevolgen zullen ervaren van beoogde windturbines. De kaarten geven een indicatie.’ Op basis van de aanwezige broedvogelsoorten krijgt windparklijn 2-1 de beoordeling negatief (-). Het aantal aanwezige soorten in de directe omgeving van windparklijn 2-1 zijn laag tot gemiddeld.

Uit een vergelijking tussen de hierboven weergegeven kaart van SOVON en figuur 43 (hotspot kaart) in het plan-MER, volgt dat ten aanzien van zoekgebied 2 in de plan-MER binnen 200 meter van windparkopstelling 2-1 een hotspot had moeten worden ingetekend. Nu dit onterecht niet is gebeurd, worden de effecten voor akker- en weidevogelgebieden in de buurt van indicatief aangegeven windparkopstelling 2-1 onterecht niet goed beoordeeld. Er wordt dus ten aanzien van dit punt een onjuist beeld geschapen van de te verwachten negatieve effecten voor akker- en weidevogels, zoals onder andere wordt uitgewerkt in de tabel 25 genoemd in paragraaf 6.8 van de plan-MER onder het kopje hotspots. Ten aanzien van de indicatieve windparkopstelling 2-1 had de beoordeling negatief (oranje, --) moeten worden toegekend. Het plan-MER moet op dit punt dan ook worden gewijzigd, in die zin dat ten aanzien van indicatieve windparkopstelling 2-1 alsnog de beoordeling negatief (oranje, --) wordt toegekend en figuur 43 dienovereenkomstig wordt aangepast.

80

Zoals eerder gesteld is de gehanteerde SOVON broedvogelkaart niet hetzelfde als de gevoeligheidskaart waarnaar eveneens verwezen wordt. De gekozen methodiek onderscheidt op het detailniveau van een planMER de verschillen tussen hoogrisicogebieden en gebieden met een lager risico. Bij een concreet initiatief moet te allen tijde nader ecologisch onderzoek plaatsvinden. Een van de doelen van een dergelijk ecologisch onderzoek is om te beoordelen of het initiatief een effect heeft op de aanwezige vogels(soorten).

In paragraaf 6.6.4 van het plan-MER worden de effecten op beschermde soorten besproken. Opgemerkt wordt dat volgens het plan-MER geen sprake is van gestuwde vogeltrek (macro stuwing). Volgens het plan-MER is ook geen sprake van stuwing van seizoenstrek. In de gegevens die SOVON in het kader van het hierboven genoemde publicatie 2021/09 op haar website heeft gepubliceerd, wordt anders dan in het planMER, geconcludeerd dat het realiseren van windparken binnen de MRE wel degelijk een gevaar voor de vogeltrek kan veroorzaken. Volgens de gegevens op de website van SOVON varieert de gevoeligheid voor de vogeltrek binnen de MRE tussen niveau 3, 2 en 1 op een landelijke schaal van 1 tot 5. In bijlage 3 is de gevoeligheidskaart vogeltrek (RES017 Metropoolregio Eindhoven Gevoeligheidskaart vogeltrek en windturbines) opgenomen. Het plan-MER had met deze gegevens met betrekking tot effecten voor de vogeltrek (voldoende) rekening moeten houden. Het plan-MER moet dan ook op dit punt gewijzigd worden, in die zin dat de gevoeligheid van vogeltrek alsnog een volwaardige plaats krijgt binnen de effectbeoordeling ten aanzien van ecologische waarden en daarom als aparte categorie voor de effectbeoordeling binnen het thema ecologie te worden aangemerkt. In tabel 34 op pagina 116 van het plan-MER moet dit alsnog onder het kopje vogeltrek als aparte kolom worden opgenomen.

Aan indicatieve windparkopstellingen die zijn gesitueerd binnen een gebied dat volgens de gegevens van bijlage 3 vallen in categorie 3 of 2 dient daarbij een negatief effect (oranje, --) te worden toegekend en aan indicatieve windparkopstellingen die in een gebied met categorie 1 vallen, dient daarbij een licht negatief effect, (geel, -) te worden toegekend. Vervolgens wordt in het plan-MER ingegaan op broedvogels. Hierbij wordt in het plan-MER bekeken hoeveelheid soorten zich binnen een 250m x 250m-cel bevinden op plaatsen waar de lijnopstelling van een indicatief ingetekend windpark een 250m x 250m-cel doorkruist alsmede 75 meter daaromheen (overdraai). De kaart afgebeeld bij figuur 44 in het plan-MER wordt daarbij als uitgangspunt genomen.

81

Ook SOVON heeft op haar website een risicokaart gepubliceerd met betrekking tot broedvogels en windenergie. Een uitsnede van deze kaart met betrekking tot de windparkopstelling 2-1 uit zoekgebied 2 staat hieronder afgebeeld. De gevoeligheidskaart voor de gehele MRE gemaakt door SOVON, is bij dit document gevoegd als bijlage 4. Bijlage 4:

Wat opvalt, is dat SOVON bij de gegevens op haar website, een strengere schaal hanteert dan het plan-MER. De regionale schaalverdeling van SOVON is 'harder' dan de schaalverdeling die in het plan-MER wordt gebruikt. De schaalverdeling die SOVON gebruikt is namelijk 1-68, terwijl het plan-MER een schaalverdeling gebruikt van 1-85.

82

Wat betreft beoordeling van de effecten voor beschermde soorten wordt bij broedvogels in het plan-MER een neutraal te verwachtte effect (grijs, 0) toegekend, indien zich minder dan 22 broedvogels binnen een 250m x 250m-cel bevinden. Een licht negatief effect (geel, -) wordt toegekend indien zich binnen een 250 x 250m-cel tussen de 22 en 46 broedvogels bevinden. Een negatief effect (oranje, --) wordt toegekend indien zich meer dan 46 broedvogels bevinden binnen een 250m x 250m-cel. Deze beoordelingsschaal is te grofmazig. Hierdoor wordt te snel de conclusie getrokken dat de effecten voor broedvogels als beschermde soorten niet groot zijn. Bovendien is de afstand die rond de lijnopstelling van een indicatief ingetekend windpark wordt aangehouden - een overdraai van 75 meter - te beperkt. Hier zou niet van 75 meter maar van 200 meter rondom de lijnopstelling van een indicatief ingetekend windpark moeten worden uitgegaan.

De beoordelingsschaal in het plan-MER moet dan ook worden gewijzigd, en wel als volgt: de categorie neutraal te verwachtte effect (grijs, 0) moet worden toegekend indien zich minder dan 13 ^13) broedvogels binnen een 250m x 250mcel bevinden, de categorie licht negatief effect (geel, -) moet worden toegekend indien zich 13 tot 32 broedvogels binnen een 250m x 250m-cel bevinden en de laatste categorie negatief effect (oranje, --) moet worden toegekend indien zich meer als 32 ^32) broedvogels binnen een 250m x 250m-cel bevinden. Bijlage 2:

83

Bijlage 3:

Bijlage 4:

84

Met betrekking tot de windparkopstelling 2-1 in zoekgebied 2 heeft de hierboven besproken wijziging van de beoordelingsschaal tot gevolg dat ten aanzien van het milieueffect broedvogels een negatief effect (oranje, --) moet worden toegekend, omdat de lijnopstelling van het indicatief ingetekende windpark een 250m x 250m-cel doorkruist en zich 200 meter daaromheen, ongeveer minstens 37 tot 39 broedvogels bevinden. Het plan-MER bevat ook een effectenbeoordeling voor wintervogels. Ook ten aanzien van wintervogels wordt in het plan-MER onderzocht hoeveel soorten zich binnen een 250m x 250m-cel bevinden op plaatsen waar de lijnopstelling van het indicatieve windpark deze 250m x 250m-cel doorkruist, alsmede 75 meter daaromheen (overdraai). Het plan-MER gaat hierbij uit van de kaart afgebeeld op figuur 45 waarop het aantal wintervogels per 250m x 250m-cel wordt weergegeven. Ook SOVON heeft in het kader van haar rapport 2021/9 een gevoeligheidskaart van niet-broedvogels en windturbines op haar website gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart met betrekking tot de windparkopstelling 2-1 uit zoekgebied 2 staat hieronder afgebeeld. De risicokaart voor de gehele MRE is als bijlage bij dit document gevoegd. De kaart is te vinden in bijlage 5.

85

Zie beargumentering hierboven. Zienswijze geeft geen aanleiding tot een wijziging van de score.

Nee

Zie eerdere beantwoording / verantwoording. Op basis van de gehanteerde methodiek en kaartmateriaal scoort windparklijn 2-1 op het beoordelingscriterium niet-broedvogels negatief (-).

Nee

Bijlage 5:

Wat betreft beoordelingsschaal van wintervogels wordt in het plan-MER uitgegaan van de beoordelingsschaal genoemd in tabel 23. Volgens de tabel zijn voor wintervogels neutrale effecten te verwachten (grijs, 0) indien zich minder dan 15 ^15) wintervogels bevinden in een 250m x 250m-cel. Licht negatieve effecten (geel, -) zijn volgens het plan-MER te verwachten indien zich 15 tot 30 (15 - 30) wintervogels binnen een 250m x 250m-cel bevinden. Het plan-MER concludeert dat er negatieve effecten te verwachten zijn indien zich meer als 30 ^30) wintervogels binnen een 250m x 250m-cel bevinden. Deze beoordelingsschaal is mede gezien de hierboven afgebeelde gegevens van de website van SOVON alsmede bijlage 5 te grofmazig. Hierdoor wordt te snel geredeneerd dat de effecten voor wintervogels wel meevallen. Bovendien is de

86

afstand die rond de lijnopstelling van een indicatief ingetekend windpark wordt aangehouden - een overdraai van 75 meter - te beperkt. Hier zou niet van 75 meter maar van 200 meter rondom de lijnopstelling van een indicatief ingetekend windpark moeten worden uitgegaan. Ten aanzien van indicatieve windparkopstelling 2-1 geldt dat het aantal wintervogels in de nabijheid van de indicatieve lijnopstelling (250m x 250m-cel) ongeveer tussen de 18 en 34 ligt. Wat betreft beoordelingsschaal zou de schaal als volgt moeten worden gewijzigd om zo een beter beeld te scheppen overeenkomstig de gegevens op de website van SOVON. De categorie neutraal effect (grijs, 0) moet worden toegekend indien zich minder dan 6 ^6) wintervogels binnen een 250m x 250m-cel bevinden. Licht negatief effecten (geel, -) moeten worden toegekend indien zich 6 tot 18 wintervogels binnen cel bevinden. Indien zich 18 of meer wintervogels binnen een 250m x 250m-cel bevinden zou moeten worden geconcludeerd tot een negatief effect (oranje, --). Indien van de hier voorgestelde beoordelingsschaal wordt uitgegaan en rekening wordt gehouden met de gegevens van SOVON uit bijlage 5, dan moet aan windparkopstelling 2-1 een negatief effect (oranje, --) voor de categorie effecten voor wintervogels worden toegekend.

De lijnopstelling van het indicatief ingetekende windpark 2-1 doorkruist immers een 250m x 250mcel alwaar zich inclusief 200 meter daaromheen ongeveer minstens 18 tot 34 wintervogels bevinden. Wijziging van het plan-MER is op dit punt dan ook noodzakelijk. Bijlage 5:

87

Wat betreft vleermuizen geeft het plan-MER in paragraaf 6.6.4 te kennen dat de verstoringsafstand I effectafstand voor vleermuizen moet worden vastgelegd op 200 meter. Indien een indicatieve winsparkopstelling zich binnen de effectafstand van vleermuizen bevindt, heeft dit volgens het plan-MER tot gevolg dat er een negatief effect (oranje, --) wordt toegekend. Terecht wordt er in de plan-MER geconcludeerd tot een negatief te verwachten effect voor vleermuizen bij het indicatief ingetekende windpark 2-1 Wat betreft overige beschermde soorten (naast vleermuizen) wordt volgens het plan-MER ook uitgegaan van een effectafstand van 200 meter. Opvallend is dat bij het beoordelingskader niet net als bij vleermuizen wordt geconcludeerd tot een negatief effect (oranje, --), maar 'slechts' tot een licht negatief effect (geel, -) indien overige beschermde soorten zich binnen 200 meter van een windparklocatie bevinden. Wijziging is hier dan ook gewenst. Alle licht negatieve gevolgen (geel, -) die worden toegekend aan de overige beschermde soorten die zich binnen een afstand van 200 meter vanaf de indicatieve windparkopstellingen bevinden, moeten worden veranderd in negatieve gevolgen (oranje, --). Dit geldt ook voor de indicatieve windparkopstelling 2-1 van zoekgebied 2.

In paragraaf 6.7 van het plan-MER wordt ingegaan op de relatie tussen de indicatieve windparklocaties en de netinpassing. Hiertoe wordt de afstand van een

88

Ter kennisname.

Nee

Rondom windparklocatie 2-1 zijn een aantal beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen: das en bunzing. Door de situering van een windturbine gaat een, relatief, beperkt oppervlak verloren. Bij de positionering van windturbines kan rekening gehouden worden met eventuele verblijfplaatsen van beschermde soorten. Doordat de effecten van windturbines op grondgebonden zoogdieren relatief beperkt en goed mitigeerbaar zijn is ervoor gekozen om bij aanwezigheid negatief (-) te scoren en niet dubbel negatief (--). De mogelijke effecten van windturbines op vogels en vleermuizen zijn veelal groter dan effecten op overige beschermde soorten. Desalniettemin zal bij een concreet initiatief ecologisch onderzoek moeten plaatsvinden om effecten op overige beschermde soorten eveneens te toetsen aan de Wet natuurbescherming. Ter kennisname.

Nee

Nee

indicatieve windparklocatie tot een hoofdstation beoordeeld. Voor wat betreft indicatieve windparklocaties die zich in het verzorgingsgebied van hoofstation Hapert bevinden is de beoordelingscategorie rood (---) in het leven geroepen. Volgens het plan-MER is sprake van een neutraal effect (grijs, 0) indien een windparklocatie binnen 5 kilometer van het hoofdstation is gelegen. Een licht negatief effect (geel, -) wordt toegekend indien een windparklocatie zich binnen 5 tot 10 kilometer van een hoofdstation bevindt en een negatief effect (oranje, --) wordt toegekend indien een windparklocatie zich op meer dan 10 kilometer afstand van een hoofdstation bevindt. Van belang bij de effectenbeoordeling op dit punt is dat de in de afgelopen tijd aangediende netwerkschaarste op het elektriciteitsnetwerk een steeds groter probleem wordt. Veel initiatieven voor opwek van duurzame energie en dan met name initiatieven binnen de MRE voor de realisatie van grootschalige duurzame opwek van zonne-energie op dak (ook in de buurt van indicatieve windparkopstelling 2-1) hebben van Enexis te horen gekregen dat er geen capaciteit meer beschikbaar is voor een project zon op dak met meer dan 200 zonnepanelen.

Hierdoor is het gewenst dat in het plan-MER duidelijk wordt uitgewerkt waar op dit moment netwerkschaarste heerst en wat de gevolgen zijn voor eventuele realisatie van duurzame energie door middel van windparken en grootschalige zonneparken. Dit geldt niet alleen voor de hoofdstations binnen de MRE maar ook voor hoofdstations buiten de MRE die mogelijk gebruikt kunnen worden voor eventuele initiatieven op het gebied van grootschalige opwek van duurzame energie door middel van windparken en grootschalige zonneparken. Mocht sprake zijn van ernstige netwerkschaarste dan dienen de indicatief ingetekende windparklocaties in dat verzorgingsgebied ook ingedeeld te worden bij de categorie rood, ---, net als is gebeurd bij indicatieve windparklocaties binnen het verzorgingsgebied van hoofdstation Hapert. Ten aanzien van de systeemefficiëntie genoemd op pagina 100 is het, zoals hierboven meerdere keren is besproken, van belang dat de berekende energieopbrengst, bij diverse indicatief ingetekende windparkopstellingen (waaronder de indicatieve windparkopstelling 2-1) niet kan worden behaald als gevolg van ontoelaatbare radarverstoring. Hierdoor is het uitgesloten dan wel de kans zeer gering, dat windturbines van 225 meter kunnen worden gerealiseerd. Dientengevolge wordt de energieopbrengst van 15 GWh per windturbine niet gehaald.

Dit heeft uiteraard ook ernstige gevolgen voor de eventuele systeemefficiëntie.

89

De effecten van netschaarste vallen buiten de reikwijdte van het planMER, maar worden in een apart onderzoekstraject onderzocht.

Nee

Zie t.a.v. het punt van de 500-voetszone eerder in deze reactie.

Nee

In paragraaf 6.8 wordt door het plan-MER de effectenbeoordeling van windenergie per windparklocatie samengevat, zonder de effecten van de bredere thema's mee te nemen. Hierdoor doet zich het gevaar voor dat indien niet ook de effectenbeoordeling van de andere relevante thema's wordt bekeken, een verkeerd beeld ontstaat van de te verwachten effecten van windenergie. Bovendien wordt hierboven in deze zienswijze op diverse plaatsen besproken dat de genoemde effectenbeoordelingen voor windenergie met betrekking tot indicatieve windparkopstelling 2-1 in zoekgebied 2 gewijzigd moeten worden, zodat beter rekening wordt gehouden met de negatieve effecten die bij indicatieve windparkopstelling 2-1 objectief gezien te verwachten zijn. In paragraaf 6.8.1 van het plan-MER wordt duiding gegeven aan de in afwijking van de Concept-RES MRE alsnog in het plan-MER onderzochte mogelijke windparklocaties buiten de aangewezen zoekgebieden. Deze mogelijke windparklocaties zouden reeds zijn afgevallen, zonder dat hiervoor een motivering wordt gegeven. Ook deze mogelijke windparklocaties moeten worden meegenomen in de alternatievenbeoordeling. Het plan-MER moet ook op dit punt worden gewijzigd.

In paragraaf 6.9 van het plan-MER wordt de energieopbrengst van de indicatief ingetekende windparklocaties in de zoekgebieden beoordeeld, waarbij de conclusie wordt getrokken dat hoe meer windturbines in een zoekgebied gerealiseerd kunnen worden, hoe beter het is. Tot een licht positief effect komt het plan-MER indien 6 of minder windturbines in een zoekgebied kunnen worden gerealiseerd. Positief oordeelt men over 7 of meer windturbines in een zoekgebied. Hierbij gaat men uit van een energieopbrengst van 15 GWh per windturbine. De berekende energieopbrengst kan zoals hierboven meerdere keren werd besproken bij diverse indicatief ingetekende windparkopstellingen (waaronder de indicatieve windparkopstelling 2-1) niet worden behaald als gevolg van ontoelaatbare radarverstoring. Hierdoor is het uitgesloten dan wel is de kans zeer gering, dat bij deze indicatieve windparkopstellingen windturbines van 225 meter kunnen worden gerealiseerd. Dit heeft tot gevolg dat de energieopbrengsten van windenergie in zoekgebied 2 onjuist worden ingeschat. De genoemde 45 GWh (3 x 15 GWh) aan windenergie is niet realiseerbaar. Hierdoor wordt een onjuist beeld geschapen in het plan-MER en het plan-MER moet dan ook worden aangepast. Ten aanzien van alle indicatieve windparkopstellingen die zijn gelegen binnen de radarverstoringsgebieden en de 500-voetszone is

90

De bredere thema’s zijn niet per windparklocatie, maar enkel per zoekgebied beschouwd. Daarom is het ook niet mogelijk om een samenvattende tabel van deze thema’s per windparklocatie op te nemen.

Nee

De reikwijdte van het planMER betreft de zoekgebieden uit de concept-RES. De exercitie om ook mogelijke windparklocaties buiten de zoekgebieden mee te nemen in de effectbeoordeling doet daar niets aan af. Het is aan de MRE om deze windparklocaties al dan niet op te nemen in de RES 1.0.

Zie t.a.v. het punt van de 500-voetszone eerder in deze reactie.

Nee

sprake van een ernstige belemmering. Voornamelijk binnen het radarverstoringsgebied van 15 kilometer en de 500-voetszone rond vliegbasis Volkel en vliegbasis Eindhoven is dit het geval. In het vervolgtraject van de RES volgend op het plan-MER dienen diverse windparklocaties en/of (gedeeltes van) zoekgebieden alsnog te worden geschrapt omdat daar vrijwel zeker sprake zal zijn van onaanvaardbare radarverstoring. In paragraaf 6.9.2 van het plan-MER worden de gevolgen voor de leefomgeving per zoekgebied onderzocht waarbij anders dan bij de aparte windparklocaties genoemd in het plan-MER, de vraag wordt gesteld hoeveel gevoelige objecten zich binnen de 500 meter en 1000 meter bevinden indien tenminste één windparklocatie in dat zoekgebied zou worden gerealiseerd. Het commentaar dat hiervoor in deze zienswijze is gegeven op de effectenbeoordeling leefomgeving uit voorgaande paragraven van het plan-MER, in het bijzonder paragraaf 6.4 (inclusief de daaronder vallende subparagraven) en tabel 28 moet voor het gehele zoekgebied 2 in het plan-MER worden verwerkt. Het plan-MER dient ook op dit punt herzien te worden. Paragraaf 6.9.3 van het plan-MER gaat in op de mogelijke visuele interferentie van windparken die in nabijheid van elkaar zijn gelegen.

Het plan-MER houdt hier onterecht geen rekening met visuele interferentie van mogelijke windparken die in aangrenzende regio's kunnen worden gerealiseerd. Verder had gezien het beoordelingskader genoemd in tabel 21 bij indicatieve windparkopstelling 2-1 sprake moeten zijn van een licht negatief effect wat betreft visuele interferentie tussen de indicatieve windparkopstelling 2-1 en windparkopstelling 3-1, aangezien deze indicatieve windparkopstellingen binnen 2 kilometer van elkaar zijn gelegen en er sprake is van een onderling van elkaar afwijkende opstellingsstructuur. In tabel 30 van het plan-MER moet dit worden aangepast. Ook dient aangesloten te worden bij de aanpassingsverzoeken die hierboven zijn gedaan met betrekking tot de effectenbeoordeling van het landschap. Zie het commentaar uit deze zienswijze op paragraaf 6.5 (inclusief de daaronder vallende subparagraven). Het plan-MER dient hier gewijzigd te worden. In paragraaf 6.9.4 van het plan-MER wordt onderzoek gedaan naar de effecten van ecologie op de gehele zoekgebieden in de MRE. Het beoordelingskader dat daarbij wordt gebruikt is volgens de plan-MER ongewijzigd gebleven ten opzichte van paragraaf 6.6.5 plan-MER. (Overigens wordt in het plan-MER verwezen naar de verkeerde paragraaf 6.5.6 dit moet 6.6.5 zijn). De beoordeling van

91

De stelling van indiener t.a.v. de beoordelingwijze is niet geheel juist. Binnen de zoekgebieden is onderzocht hoeveel woningen er binnen 500 en 1000 meter liggen van tenminste eén windparklocatie.

Nee

De reactie van de provincie en de MRE op de genoemde punten geldt ook voor de beoordeling per zoekgebied.

De aanbeveling om zoekgebieden van naburige regio’s alsnog in beeld te brengen wordt ter harte genomen t.b.v. het vervolgtraject. Tabel 21 van het planMER gaat niet over interferentie. Mogelijk wordt hier tabel 29 bedoeld. Interferentie is beoordeeld aan de hand van indicatieve opstellingen die zich binnen één zoekgebied bevinden en niet tussen indicatieve opstellingen van verschillende zoekgebieden. Derhalve scoort windparkopstelling 2-1 ‘neutraal’ (0) volgens tabel 29 van het planMER. Interferentie tussen zoekgebieden komt aan bod bij de effectbeoordeling van de drie alternatieven.

Ja

De verschrijving wordt aangepast.

Ja

Zie ook de reactie op de zienswijze over paragraaf 6.6.

het zoekgebied is hier de aggregatie van de uitkomsten per indicatief ingetekende windparklocatie per zoekgebied, waarbij de meest negatieve score is overgenomen. Het commentaar dat in deze zienswijze is gegeven op paragraaf 6.6 (inclusief de daaronder vallende subparagraven) dient ook in tabel 31 te worden verwerkt. Het plan-MER dient hier gewijzigd te worden. Paragraaf 6.9.5 van het plan-MER gaat in op het thema netinpassing voor de gehele zoekgebieden. Ook hier wordt verwezen naar het hierboven genoemde commentaar dat is gegeven op paragraaf 6.7. De daar voorgestelde wijzigingen moeten ook worden verwerkt in paragraaf 6.9.5 en in tabel 32. In paragraaf 6.10 van het plan-MER wordt ingegaan op de bredere thema's voor windenergie die in het plan-MER zijn onderzocht. In de eerste plaats wordt in paragraaf 6.10.1 ingegaan op de eventuele meekoppelkans voor de landbouw: versterking van de agrarische economie. Terecht wordt in het plan-MER de conclusie getrokken dat de meekoppelkans versterking van de agrarische economie zich enkel overwegend voordoet bij kleinschaligere landschappen. In zoekgebied 2 zijn alleen grootschaligere landbouwpercelen te vinden. Zoals ook wordt afgebeeld in figuur 49 is in zoekgebied 2 geen positief effect te verwachten voor wat betreft de meekoppelkans versterking van de agrarische economie indien een windpark wordt gerealiseerd in zoekgebied 2.1.

De meekoppelkans versterking van de agrarische economie doet zich bij zoekgebied 2 dan ook niet voor. In paragraaf 6.10.2 van het plan-MER wordt onderzocht bij welke zoekgebieden zich de meekoppelkans versterking van de natuur kan voordoen. Volgens het plan-MER kan realisering van windparken een indirect positief gevolg hebben voor de natuurontwikkeling in de vorm van compensatie door nieuw in te richten (natuur)percelen. Deze natuurontwikkeling dient volgens het plan-MER plaats te vinden binnen het nog te realiseren Natuurnetwerk Brabant (NNB) of in een bufferzone tussen natuur en overige gebieden. Voor deze laatste categorie zoekt het plan-MER aansluiting bij de Groenblauwe mantel. Als beoordelingscriteria hanteert het plan-MER de ligging van het nog te realiseren NNB ten opzichte van indicatieve windparklocaties binnen zoekgebieden voor wind en de ligging van de Groenblauwe mantel ten opzichte van de van indicatieve windparklocaties binnen zoekgebieden voor wind. Ligt het nog te realiseren NNB of de groenblauwe mantel nabij een indicatieve windparklocatie, dan wordt geconcludeerd dat de meekoppelkans versterking van de natuur zich voordoet en wordt geconcludeerd dat zich een (licht) positief effect voordoet.

92

Zie de reactie op de zienswijze over paragraaf 6.7.

Nee

Ter kennisgeving aangenomen.

Nee

Sommige natuuraspecten kunnen worden aangetast door windturbines (bijvoorbeeld vogels en vleermuizen), terwijl dat voor andere aspecten niet geldt (bijvoorbeeld biodiversiteit in sloten en flora). De mogelijkheid voor natuurversterking is in beeld gebracht. Uit vervolgonderzoek moet uiteraard blijken in hoeverre dergelijke koppelkansen opwegen tegen negatieve effecten van ecologische of andere aard.

Nee

De redenatie dat de natuur kan worden versterkt door natuurherstellende maatregelen te nemen, terwijl eerst de natuur ernstig wordt aangetast door de plaatsing van een windpark, is onlogisch en niet goed te volgen. De aangetaste natuur komt tenslotte door compenserende maatregelen (met name op een andere plaats bij aanliggende gebieden) niet meer terug op de plaats van het windpark. In plaats van versterking van de natuur is op de plaats waar een windpark wordt gerealiseerd sprake van een ernstige verzwakking van de natuur. Voorkomen moet worden dat ook hier een onjuist beeld wordt geschapen in het plan-MER. In het planMER zou dan ook bij het bredere thema meekoppelkans versterking van de natuur duidelijk moeten worden opgenomen dat de natuur ondanks mogelijk compenserende maatregelen ernstig aangetast raakt door de realisatie van een of meerdere windparken in een zoekgebied. Het planMER dient op dit punt gewijzigd te worden. In paragraaf 6.10.3 van het plan-MER wordt het bredere thema economie besproken. Het plan-MER gaat uitdrukkelijk niet in op nieuwe technologieën, omdat dit niet zou passen binnen de reikwijdte van het plan-MER.

Nog afgezien van de constatering dat het vreemd is om dit bij het bredere thema economie te bespreken, is dit tevens een gemiste kans omdat nieuwe technologieën er uitdrukkelijk toe kunnen leiden dat het landschap, de leefomgeving en de natuur van de MRE minder behoeven te worden aangetast door de realisatie van grootschalige opwek van duurzame energie door middel van windparken en grootschalige zonnevelden. Met name aandacht voor geothermie, kernenergie en opslag van energie zou op zijn plaats zijn, omdat deze technologieën tot een kleinere (nog resterende) RES-opgave zouden kunnen leiden en er een betere energiemix zou kunnen ontstaan. Wat betreft beoordelingscriteria bij het bredere thema economie, beoordeelt het plan-MER enerzijds of binnen 500 meter van de windparklocaties bedrijventerreinen zijn gelegen en anderzijds of binnen 500 meter van de windparklocaties meer dan een recreatiebestemming is gelegen. De ligging van windparklocaties ten opzichte van zowel bedrijventerreinen als recreatiebestemmingen wordt afgebeeld in figuur 52 van het plan-MER. Het is goed dat het plan-MER uitdrukkelijk aansluiting zoekt bij mogelijke grootverbruikers die zich op bedrijventerreinen bevinden. Windparken op of nabij

93

Andere opwekvormen worden door de provincie en de MRE nadrukkelijk wel beschouwd. Dat neemt niet weg dat het planMER enkel over grootschalige opwek met zon en wind gaat.

Nee

Ter kennisgeving aangenomen.

Nee

(middelgrote of zware) bedrijventerreinen passen ook goed bij de Interim Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant waar uitdrukkelijk wordt voorzien in de mogelijkheid om windparken te realiseren op middelgrote of zware bedrijventerreinen. Voor wat betreft recreatiebestemmingen valt allereerst op dat het plan-MER alléén enkelbestemmingen recreatie vermeldt in het plan-MER. Deze vermelding doet geen recht aan het feit dat (verblijfs)recreatieondernemingen onder het vigerende bestemmingsplan niet alleen op grond van een enkelbestemming recreatie planologisch kunnen zijn toegelaten, maar ook bijvoorbeeld op grond van de functie kampeerboerderij. Het plan-MER moet op dit punt worden gewijzigd, zodat alle planologisch toegelaten vormen van (verblijfs)recreatie worden meegenomen in de beoordeling in het plan-MER. Figuur 52 dient zo te worden gewijzigd dat daarop alle vormen van (verblijfs)recreatie die op grond van de vigerende bestemmingsplannen binnen de MRE toegelaten zijn, worden afgebeeld. De in het plan-MER gehanteerde afstand van 500 meter is te beperkt. Bij de effectenbeoordeling van het thema leefomgeving wordt in het plan-MER onderzoek gedaan naar geluidsgevoelige objecten binnen de vuistregelafstanden 500 meter en 1000 meter.

Het is onbegrijpelijk waarom ook niet wordt onderzocht hoeveel (verblijfs)recreatiebestemmingen er zijn binnen 1500 meter afstand van een windparklocatie. Zoals hierboven bij de bespreking van paragraaf 6.4.6 ter sprake kwam, reikt de (hoorbare en onhoorbare) geluidsoverlast en het gebied dat van invloed is op de gezondheid zeker tot 1500 meter rondom een indicatieve windparklocatie. Om een realistischer beeld van de mogelijke overlast en gevolgen voor (verblijfs)recreatiebestemmingen te geven dienen alle recreatiebestemmingen die zich binnen een afstand van 1500 meter van een windparklocatie bevinden in kaart te worden gebracht. Het beoordelingscriterium dient te worden gewijzigd in aantal recreatiebestemmingen die zich binnen 1500 meter van een indicatieve windparklocatie bevinden. Daarnaast is ook de beoordelingsschaal te beperkt. Niet alleen zou de categorie licht negatief effect (geel,-) moeten worden toegekend (voor het geval zich 1 of meer recreatiebestemmingen bevinden binnen 500 meter van een indicatieve windparklocatie) maar ook de categorie negatief effect (oranje, -- ) indien zich drie of meer recreatieondernemingen binnen 1500 meter van een indicatieve windparklocatie bevinden. Op deze wijze wordt immers een realistischer beeld geschetst van de

94

De gehanteerde werkwijze (op basis van enkelbestemmingen) poogt niet om een compleet beeld van alle recreatie in de omgeving te geven, maar gebruikt de enkelbestemmingen als aanwijzing dat een bepaald gebied meer of minder recreatief wordt gebruikt. Een nadere beschouwing gaat te ver voor het detailniveau van dit planMER.

Nee

Op basis van dosis-effectrelaties vinden de provincie en de MRE het verdedigbaar om de effectbeoordeling uit te voeren met behulp van de vuistregelafstanden 500 en 1000 meter. Een aanvullend beoordelingscriterium voor het aantal woningen binnen 1500 meter voegt geen belangrijke informatie toe die de besluitvorming zal veranderen.

Nee

Zoals hierboven al vermeld is de beoordeling op basis van recreatiebestemmingen niet bedoeld om een uitputtend beeld van de verschillende recreatiebestemmingen te verkrijgen, maar om op regionale schaal mee te wegen welke gebieden meer, en welke gebieden minder worden ingezet voor recreatieve doeleinden. De provincie en de MRE zien in het gestelde geen aanleiding om de effectbeoordeling van het planMER aan te passen.

mogelijke negatieve gevolgen. Het plan-MER dient dan ook overeenkomstig de hier gemaakte opmerkingen aangepast te worden. In paragraaf 6.10.4 van het plan-MER wordt onderzocht of een windparklocatie (deels) binnen een waterbergingsgebied is gelegen. In figuur 54 wordt afgebeeld welke windparklocaties deels binnen een waterbergingsgebied liggen. Is dit het geval dan wordt geconcludeerd tot een licht negatief effect. In paragraaf 6.10.5 van het plan-MER worden het radarverstoringsgebied en de 500- voetszone besproken. Het plan-MER concludeert 'slecht' dat sprake kan zijn van een licht negatief effect indien zich een windparklocatie bevindt binnen de 500-voetszone. Deze conclusie is veel te beperkt.

Zoals hierboven uitgebreid aan de orde is gekomen bij de bespreking van hoofdstuk 4 en dan meer in het bijzonder bij de bespreking van paragraaf 4.2 (beperkingen windenergie), vormen de radarverstoringsgebieden in combinatie met de 500-voetszone een zeer ernstige belemmering voor de realisatie van windturbines. Het is onbegrijpelijk dat het plan-MER hier niet meer aandacht aan besteed. Indien een indicatieve windparklocatie, zoals indicatieve windparklocatie 2-1 is gelegen binnen de 500-voetszone en tevens binnen het radarverstoringsgebied van 15 kilometer rondom vliegbasis Volkel, dan is het uitgesloten dan wel is de kans zeer gering, dat op deze windparklocatie windturbines kunnen worden gerealiseerd. De realisatie van deze windturbines zal namelijk vrijwel zeker leiden tot een ontoelaatbare radarverstoring. Het plan-MER had hieromtrent duidelijke conclusies moeten trekken. Doordat dit niet is gebeurd, wordt slechts geconcludeerd dat sprake is van een licht I beperkt negatief effect, terwijl het in voornoemde situatie duidelijk is dat windturbines met een tiphoogte van 225 meter nagenoeg zeker niet kunnen worden gerealiseerd. Het beoordelingscriterium en de beoordelingsschaal in het plan-MER aangaande radar dienen dan ook te worden aangepast.

Indien zich een winparklocatie bevindt binnen het radarverstotingsgebied van 75 kilometer rond de vliegbasissen Eindhoven, Volkel en radarstation Herwijnen) dient de categorie licht negatief effect (geel, -) te worden toegekend. Indien zich een indicatieve windparklocatie binnen de 500-voetszone (van de vliegbasissen Eindhoven-Volkel-

95

Ter kennisname.

Nee

De ligging binnen een 500-voetszone betekent een mogelijke beperking voor de realisatie van windturbines. Het is op regionale schaal niet mogelijk om een nader inzicht in de haalbaarheid te geven op basis van de ligging t.o.v. de 500voetszone.

Nee

Het is de provincie en de MRE bekend dat ligging binnen de 500-voetszone een mogelijke belemmering voor windparken betekent. Hoe hier verder mee om wordt gegaan valt buiten de reikwijdte van het planMER. Het is op voorhand niet uit te sluiten dat windturbines op de genoemde locatie gerealiseerd worden. Daarvoor is namelijk locatiespecifiek onderzoek nodig. Omdat dergelijk onderzoek niet past bij het detailniveau van dit regionale planMER hebben de provincie en de MRE ervoor gekozen om windparken binnen de 500-voetszone niet op voorhand uit te sluiten. Er geldt geen strenger beoordelingsregime voor het radarverstoringsgebied rondom vliegbasis Volkel. Wel is het zo dat binnen die zone al bij een lagere bouw- of tiphoogte een radarhindertoetsing moet worden uitgevoerd.

Zie beantwoording op dit punt eerder in deze zienswijze.

Nee

De Peel) en het radarverstoringsgebied van 75 kilometer (van de vliegbasis Volkel en radarstation Herwijnen) bevindt, dient geconcludeerd te worden dat dit leidt tot een negatief effect (oranje, --). Ligt een indicatieve windparklocatie echter niet alleen binnen de 500-voetszone (van de vliegbasissen EindhovenVolkel-De Peel) maar óók binnen het radarverstoringsgebied van 15 kilometer (rondom de vliegbasissen Volkel of Eindhoven) dan dient de categorie (extra negatief effect) rood, --- te worden toegekend. Alleen op deze manier wordt recht gedaan aan de mate waarin radarverstoringsvlakken in combinatie met de 500-voetszone kunnen leiden tot een zeer ernstige belemmering voor de realisatie van windenergie in de MRE. Het plan-MER dient dan ook overeenkomstig de hier gemaakte opmerkingen over de zeer ernstige belemmeringen door radarverstoringsgebieden en de 500-voetzone, gewijzigd te worden. Ook figuur 54 dient te worden aangepast, zodat ook de radarverstoringsgebieden van 15 kilometer (rond de vliegbasissen Volkel en Eindhoven) alsmede het radarverstoringsgebied van 75 kilometer (rond de vliegbasissen Volkel, Eindhoven en radarstation Herwijnen) worden weergegeven.

In het vervolgtraject van de RES volgend op het plan-MER dienen diverse windparklocaties en/of (gedeeltes van) zoekgebieden alsnog te worden geschrapt omdat daar vrijwel zeker sprake zal zijn van onaanvaardbare radarverstoring. In paragraaf 6.10.6 van het plan-MER wordt de effectenbeoordeling wat betreft bredere thema's wind samengevat en beoordeeld per zoekgebied in tabel 33. Deze tabel dient te worden aangepast overeenkomstig het hierboven gegeven commentaar en wijzigingsvoorstellen met betrekking tot de paragraven 6.8 t/m 6.10 (inclusief de daaronder vallende subparagraven). Uiteraard dienen ook wijzigingen aan tabel 34 te worden uitgevoerd, overeenkomstig het commentaar en de wijzigingsvoorstellen die in deze zienswijze zijn gemaakt ten aanzien van het gehele hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 van het plan-MER worden de omgevingseffecten zon besproken. In paragraaf 7.2 zet het plan-MER uiteen dat met betrekking tot zonneparken géén effectenbeoordeling is gemaakt wat betreft het thema leefomgeving. Dit is wat betreft de mogelijke hinder en overlast die zonneparken kunnen veroorzaken niet terecht. Zonneparken kunnen naast dat ze zelf geluid kunnen veroorzaken bijvoorbeeld door middel van het geduid van transformatorhuisjes, ook het geluid van windturbines of andere geluidsbronnen weerkaatsen, reflecteren

96

Aangezien de provincie en de MRE niet van mening zijn dat de beoordeling van het thema ‘radar’ aanpassing behoeft wordt deze bijdrage van indiener slechts ter kennisgeving aangenomen.

Nee

Zoals in het planMER is betoogd zijn de geluidseffecten als gevolg van de realisatie van zonneparken dermate gering en plaatselijk van omvang dat zij niet passen bij het detailniveau van het planMER.

Nee

Onderdeel van de ruimtelijke procedure van individuele zonneparken kan zijn dat de akoestische situatie in beeld wordt gebracht. Doordat dergelijke effecten locatiespecifiek goed gemitigeerd kunnen worden stellen de provincie en de

en versterken. Met de mogelijke gevolgen van weerkaatsing c.q. reflectering van door het zonnepark zelf veroorzaakt geluid of het geluid van andere geluidsbronnen (zoals: het geluid veroorzaakt door windturbines, wegverkeer, industrie en vliegverkeer) dient het plan-MER ook rekening te houden. Tevens dient het plan-MER onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen voor de leefomgeving. Anders dan in het planMER wordt geconcludeerd, levert dit wel degelijk een onderscheidende factor op voor de alternatievenverkenning. Het realiseren van zonneparken dichtbij andere geluidsbronnen levert tenslotte weerkaatsing c.q. reflectie van geluid op. Op dit punt dient het plan-MER gewijzigd te worden. In paragraaf 7.2.3 van het plan-MER wordt ingegaan op mogelijke elektromagnetische straling. Onder andere bij de TU Eindhoven wordt onderzoek gedaan naar 'dirty energy' waarbij anders dan in het plan-MER gebeurt, wordt gewezen op de gevaren van elektromagnetische straling. De in het plan-MER aangehouden afstand van 50 meter is te beperkt. Deze afstand moet bovendien niet alleen worden aangehouden van woningen, maar ook van (verblijfs-)recreatiegebouwen en terreinen, alsmede van andere hindergevoelige functies. Het planMER zou aandacht aan dit onderzoek moeten besteden en uiteen moeten zetten wat de effecten kunnen zijn van elektromagnetische straling die in buurt van zonneparken optreedt.

Het plan-MER dient op dit punt gewijzigd te worden. In paragraaf 7.3 van het plan-MER worden de effecten van zonneparken op het landschap beschreven. Hiertoe maakt het plan-MER onderscheid tussen twee stappen. In de eerst stap worden de effecten van zonneparken op het landschap beoordeeld. Hiertoe worden eerst gebieden binnen de MRE verdeeld in verschillende landschapstypen en wordt er een beschrijving gegeven van de effecten van zonneparken op deze verschillende landschapstypen. Vervolgens worden de zoekgebieden beoordeeld aan de hand van enkele beoordelingscriteria. In de tweede stap wordt de draagkracht van de individuele gebieden beoordeeld. De draagkracht van het landschap wordt in het plan-MER uitgedrukt als een percentage van het gebied dat benut kan worden voor zonneparken zonder dat het landschap te veel wordt aangetast. Aan de hand van de draagkracht wordt vervolgens een potentieberekening gemaakt in hectares en in GWh. De beoordelingscriteria die in de eerste stap worden gebruikt, worden in paragraaf 7.3.2 beschreven. Achtereenvolgens komen de volgende beoordelingscriteria aan de orde: effect op de landschappelijke karakteristiek, effect op de bestaande structuren en kenmerken, effecten op cultuurhistorische waarden,

97

MRE zich op het standpunt dat dit onderwerp niet nader in het planMER behandeld hoeft te worden.

Elektromagnetische straling in en rondom zonneparken is te vergelijken met transformatorhuisjes zoals die ook in woonwijken voorkomen. Aangezien de afstand van dergelijke objecten tot woningen doorgaans ook minder is dan 50 meter zien de provincie en de MRE in het gestelde geen aanleiding om de beoordelingsmethode aan te passen.

Nee

Het planMER houdt bij het milieuaspect ‘Landschap’ ook rekening met de toekomstwaarde. Dit wordt gedaan door de zonneparken te beoordelen met als uitgangspunt dat groene zones rondom installaties van zonnepanelen ook in acht worden genomen. Dergelijke groenstructuren blijven namelijk bestaan in de toekomst en laten daarmee een voetafdruk staan.

Nee

Het planMER houdt bij het milieuaspecten ‘Landschap’ ook rekening met de gebruikerswaarde. Dit wordt gedaan door de zonneparkente beoordelen, incl. de groene zones rondom het installaties van zonnepanelen, met inachtneming van de landschappelijke kwaliteiten en gebruikersfuncties. Er worden inderdaad andere kleuren gebruikt in tabel 36 van het planMER. Dit moet gezien worden als een verschrijving. De beoordeling in de samenvattende tabellen is leidend. Het planMER, en diens milieuonderzoeken, zijn opgesteld op het detailniveau passend binnen de scope van de gehele RES regio. In het geval een project in

zichtbaarheid en maat en schaal. Wat opvalt, is dat anders dan de landschappelijke effectenbeoordeling bij wind, alleen aandacht wordt besteed aan de effecten op de belevingswaarde en effecten op de herkomstwaarde. Met effecten op de gebruikswaarde en effecten op de toekomstwaarde wordt geen rekening gehouden. De gebruikswaarde en de toekomstwaarde zijn echter ook bij zonneparken van belang. Indien op percelen grootschalige zonneparken worden gerealiseerd, kunnen deze percelen alleen nog voor grootschalige opwek van zonne-energie worden gebruikt. Ook de toekomstwaarde speelt hier omdat de percelen waar zonneparken worden gerealiseerd minstens 25 jaar voor de duurzame opwek van zonne-energie zullen worden gebruikt. Op dit punt dient het planMER gewijzigd te worden, zodat het ook een effectenbeoordeling maakt voor de gebruikswaarde en de toekomstwaarde. De beoordelingsschaal die voor de effectenbeoordeling zon op het landschap wordt gebruikt, wordt uiteengezet in tabel 36 en loopt uiteen van negatief, beperkt negatief, neutraal tot beperk positief en positief.182 Wat hieraan meteen opvalt, is dat bij tabel 36 andere kleuren worden gebruikt dan in de rest van het plan-MER.

In de tabel wordt de kleur rood toegekend aan de categorie negatief (--) en de kleur oranje aan de categorie beperkt negatief (-), terwijl in de rest van het plan-MER aan de categorie negatief (--) de kleur oranje wordt toegekend en aan de categorie beperkt negatief (-) de kleur geel. Het gebruik van de kleurstelling zoals gebeurt in tabel 36, geeft duidelijker weer dat de negatieve effecten die de grootschalige opwek van energie door middel van zonneparken met zich mee kan brengen groot kunnen zijn. Overwogen moet worden de kleurstelling in het plan-MER aan te passen aan de kleurstelling zoals die wordt gebruikt in tabel 36. Verder is van belang dat ten aanzien van de indeling van gebieden in de MRE in verschillende landschapstypen wordt opgemerkt dat deze indeling naar landschapstype alleen in zijn algemeenheid is gebeurd. Hierdoor kunnen verschillende zoekgebieden die binnen eenzelfde landschapstype vallen nog kenmerkend van elkaar verschillen. Niet ieder zoekgebied heeft - ondanks dat hierop een specifieke landschapstypering van toepassing kan worden geacht - dezelfde mozaïekelementen en landschapskwaliteiten (zoals bijvoorbeeld: bomenrijen, zandwegen, openheid, rust en ruimte en de aanwezigheid van (water)lopen/

98

een van de zoekgebieden doorgang vindt, worden vervolgonderzoeken uitgevoerd en indien nodig een project-MER. Tijdens dat proces wordt verder onderzocht of en zo ja welke negatieve milieueffecten er ontstaan.

beken, struweel, en Z of houtwallen). Het gevaar bestaat dat te veel wordt veralgemeniseerd waardoor geen goede effectenbeoordeling plaatsvindt. In paragraaf 7.4.3 van het plan-MER worden de landschapstypen per zoekgebied bepaald. De resultaten zijn in het plan-MER verwerkt in tabel 37. Om de externe werking van het bos- en heidelandschap een volwaardige plaats te geven bij de effectbeoordeling zon, moet er meer aandacht worden besteed aan de invloed die uitgaat van de ligging van een zoekgebied ten opzichte van het bos- en heidelandschap. Indien een zoekgebied grenst aan het bos- en heidelandschap dan dient met de externe werking van het bos- en heidelandschap rekening te worden gehouden, omdat dit grote invloed heeft op met name de karakteristiek van het landschap. Om de externe werking van het bos- en heidelandschap voldoende mee te laten wegen, dient aan tabel 37 een nieuwe kolom te worden toegevoegd met de kop Percentage zoekgebied grenzend aan bos- en heidelandschap. Wat betreft effect op karakteristiek (van het landschap) wordt in het plan-MER onderzocht of de uitstraling van een zonnepark (inclusief bijpassende mitigerende maatregel ‘landschappelijke randen') passen bij het karakter van het gebied. Verder wordt beoordeeld of cultuurhistorische waarden binnen de verschillende landschapstypen onder druk komen te staan en hoe groot de negatieve impact is.

Wat betreft zichtbaarheid wordt een antwoord gegeven op de vraag: is het wenselijk dat een zonnepark zichtbaar is in het landschap en bestaan er goede passende mogelijkheden om zicht op het zonnepark te minimaliseren? Het beoordelingscriterium maat en schaal wordt beoordeeld middels het antwoord op de vraag: passen zonneparken (incl. mitigerende maatregel ‘landschappelijke randen') bij maat en schaal van het gebied? In deze zienswijze wordt met betrekking tot de effectenbeoordeling zon op het landschap alleen ingegaan op zoekgebied 2. Zoekgebied 2 valt volgens de landschappelijke analyse in het plan-MER voor 99% onder het landschapstype jonge zandontginningen (JZ) en voor Wo onder het landschapstype Beekdalenlandschap (BD). In tabel 38 wordt geconcludeerd dat grootschalige zonneparken in het jonge zandontginningenlandschap een licht negatief effect hebben op het karakter van het landschap. Zulks wordt ook in tabel 43 beoordeeld met een beperkt negatief effect (geel, -). Blijkens de tekst van paragraaf 7.3.5.2 heeft het jonge zandontginningenlandschap een halfopen karakter met rationele verkavelingsstructuren. Percelen en landschappelijke ruimtes zijn volgens het plan-

99

Het is niet duidelijk wat wordt bedoeld met ‘externe werking van het bos en heidelandschap’. Het planMER, en diens milieuonderzoeken, zijn opgesteld op het detailniveau passend binnen de scope van de gehele RES regio. In het geval een project in een van de zoekgebieden doorgang vindt, worden vervolgonderzoeken uitgevoerd en indien nodig een project-MER. Tijdens dat proces wordt verder onderzocht of en zo ja welke negatieve milieueffecten er ontstaan. Ook kan dan onderzoek worden gedaan naar de invloed van zonneparken op het aldaar aanwezig bos en heidelandschap.

Nee

Ter kennisgeving aangenomen.

Nee

Ter kennisgeving aangenomen.

Nee

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10796563/1