CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-70 RV Bijlage 5.3 Nota van Beantwoording PlanMER RES MRE

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente NuenenBij agendapunt: Vaststellen RES 1.0 MRE43.286 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Regionale Energiestrategie

1.0

Metropoolregio Eindhoven

5. Duurzame Opwek

Bijlage 5.3 Nota van Beantwoording PlanMER

Metropoolregio Eindhoven

Nota van Beantwoording zienswijzen op PlanMER Metropool Regio Eindhoven

6 augustus 2021

1

Inleiding en leeswijzer Aanleiding Het plan-milieueffectrapport (planMER) grootschalige zon en wind Regionale Energiestrategie (RES) Metropoolregio Eindhoven heeft van 3 mei 2021 tot en met 14 juni 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn er 49 inspraakreacties ingediend. In dit document worden de inspraakreacties beantwoord. Hierbij is steeds een samengevatte weergave van elke inspraakreactie gepresenteerd (Bijlage 1). Voor alle tijdig ingekomen inspraakreacties wordt afgewogen of er een wijziging van de stukken nodig is. Indien een inspraakreactie aanleiding geeft de stukken te wijzigen ten opzichte van de ter inzage gelegen stukken, is dit in een aparte kolom aangegeven. Daarnaast bevat de nota van beantwoording een opsomming van wijzigingen. N.B. In verband met toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de inspraakreacties van natuurlijke personen in openbare versie van deze nota geanonimiseerd weergegeven.

Leeswijzer In deel A van deze nota is een overzicht opgenomen van de aanbevelingen die zijn gemaakt in de zienswijzen. Deel B bevat de samenvatting en beantwoording van de individuele zienswijzen. De reacties van Brabant Advies en de commissie voor de m.e.r. zijn niet van een beantwoording voorzien, maar zijn integraal als bijlagen bij deze nota gevoegd. De in deze documenten vervatte aanbevelingen zijn opgenomen in deel A van de nota.

2

A. Overzicht van aanbevelingen Er wordt geen nieuwe of aangepaste versie van het planMER gemaakt. Desondanks waren er diverse nuttige bijdragen van indieners, die de provincie en de MRE ter harte nemen bij het vervolgproces. Onderstaande een overzicht van dergelijke aanbevelingen.

Algemene aanbevelingen n.a.v. de zienswijzen ➢ Houd rekening met (zoekgebieden voor) wind- en zonprojecten in naburige RES-regio’s. ➢ Houd rekening met geplande woningbouwprojecten als het gaat om het aanwijzen van zoekgebieden. Denk bijvoorbeeld aan de projecten ‘De Boslaantjes’ en ‘Heijde Park’ in Waalre. ➢ Houd rekening met de weerkaatsing van geluid als gevolg van de aanleg van zonneparken. ➢ Zorg voor verdere uitwerking van de effecten op de landbouwstructuur. ➢ Kijk voor wat betreft de veranderende landbouwstructuur verder dan alleen 2030. ➢ Betrek ook niet-milieutechnische aspecten in de inschatting van de opwekpotentie van gebieden. ➢ Waak ervoor dat de positieve beoordeling van grootschalige opwek nabij natuurgebieden a.g.v. de mogelijkheden van natuurcompensatie er niet voor zorgt dat er onevenredig veel grootschalige opwek dicht op natuur wordt gerealiseerd.

Fouten en verschrijvingen ➢ Houd rekening met de verschrijving in tabel 3 van het planMER, waar onder de ecologische beoordelingscriteria abusievelijk wordt verwezen naar ‘windparklocaties’. Het gaat hierbij om het aantal soorten broed- en wintervogels dat in de omgeving van de zoekgebieden voorkomt, zoals in de korte omschrijving in Tabel 3 correct staat aangegeven. ➢ Houd rekening met de verschrijving in paragraaf 6.9.4: hier wordt abusievelijk verwezen naar paragraaf 6.5.6. Dit moet zijn paragraaf 6.6.5. ➢ Houd rekening met het feit dat in paragraaf 7.4.2 onterecht wordt gesteld dat voor wat betreft effecten op NNB zal worden getoetst aan het ruimtebeslag en verstoring (door met name geluid). Hier wordt bedoeld: er zal worden gekeken naar mogelijke verstoring van het NNB. ➢ Houd rekening met het feit dat in paragraaf 7.4.4. t.a.v. broedvogels een tekst is opgenomen die ziet op windturbines. Het beoordelingskader in tabel 45 laat duidelijk zien op welke wijze broedvogels in de effectbeoordeling voor zonneparken zijn betrokken.

Aanbevelingen van Brabant Advies ➢ Zorg voor zuinig ruimtegebruik en kwaliteitsverbetering van het gebied. o Zet in op energiebesparing, maak gebruik van een zonneladder. Pas meervoudig grondgebruik toe. o Zet de opbrengsten van wind en zon in voor de verbetering van de omgevingskwaliteit. ➢ Maak inwoners en omwonenden onderdeel van de oplossing. o Wees helder over de kaders waarbinnen omwonenden en inwoners invloed hebben. o Maak gebruik van de innovatiekracht van de regio. 3

o o

➢

➢

➢

➢

➢

Betrek jongeren bij het vraagstuk. Zorgvuldigheid is belangrijker dan tijd. Daarmee wordt voorkomen dat concrete projecten alsnog vastlopen op tegenstand van inwoners. Hecht belang aan gezondheid o Wacht de nieuw te hanteren normen voor windturbines af, nu de huidige normen eerst op hun milieueffecten moeten worden getoetst. o Houd, naast gezondheidseffecten, ook rekening met de gezondheidsbeleving. o Verzamel belevingsdata voor zonneparken. Maak duidelijk hoe besloten wordt tot keuzes voor geschikte locaties o Maak duidelijk voor inwoners, gemeenten (en de betreffende colleges en raden) en regio hoe de besluitvorming tot stand komt en welke participatiemomenten er zijn. o Geef daarbij ook aandacht aan welke besluiten lokaal (gemeenten) en regionaal (RES-regio MRE) plaatsvinden. Betrek de provincie o De provincie kan behulpzaam zijn in de afstemming tussen gemeenten, de energieregio’s en het Rijk en daarbij samenhang creëren tussen verschillende energieprojecten. o Jaag ook alternatieve vormen van energieopwek aan en benut hierbij de innovatiekracht van de MRE. Hanteer goede randvoorwaarden o Breng, gelijktijdig met het uitvoeren van concrete plannen, het stroomnet op orde om de ambities van de RES te realiseren. Aanvullend onderzoek nodig bij definitieve locatiekeuzes o Besef dat er bij definitieve locatiekeuzes aanvullend onderzoek (o.a.

ecologisch onderzoek, cumulatieve factoren, landschappelijk ontwerp etc.) nodig is om de daadwerkelijke (milieu)effecten en het landschappelijk ontwerp van de betreffende locatiekeuze in beeld te brengen.

Aanbevelingen van de commissie voor de m.e.r. ➢ Beschrijf hoe in het vervolgproces wordt omgegaan met (milieu-informatie over) de zoeklocaties. Groepeer de locaties bijvoorbeeld op haalbaarheid of naar bijdrage aan de doelstelling. ➢ Maak een overzicht van de milieueffecten van de drie uitgewerkte alternatieven, waarbij ze soortgelijke energieopbrengsten hebben. Daarmee worden de alternatieven onderling beter vergelijkbaar. ➢ Voeg een analyse toe waaruit blijkt welke cumulatieve landschappelijke effecten ontstaan wanneer verschillende zoeklocaties worden gekozen en samengevoegd. ➢ Beschrijf hoe de selectie voor een VKA tot stand gaat komen. Gezien de complexe samenhang van belangen bij de in totaal 21 betrokken gemeenten is een indeling in sub-regio’s wellicht behulpzaam. Zo worden de cumulatieve effecten binnen deze sub-regio’s makkelijker en beter inzichtelijk gemaakt. ➢ Onderzoek het begrip landschappelijke draagkracht beter, bijvoorbeeld door voor enkele zoekgebieden ruimtelijke modellen te schetsen en deze kwalitatief te vergelijke op laadvermogen voor zonneparken. ➢ Ga na hoe stikstofemissies zo veel mogelijk gereduceerd kunnen worden en werk zo snel mogelijk een aanpak uit om (per saldo) negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden te voorkomen. Daarbij kan ook worden gedacht aan het ‘verleasen’ van stikstofdepositie. 4

➢ Besteed als het gaat om hotspotgebieden aandacht aan cumulatie en ontwikkel de gekozen aanpak verder met het oog op RES 2.0.

Kanttekening t.a.v. Milieubeoordeling Activiteitenbesluit Op 30 juni 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat de milieunormen voor windturbines uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling milieubeheer niet gebruikt mogen worden in ruimtelijke procedures voor windparken, omdat er ten onrechte geen milieubeoordeling is uitgevoerd (in de vorm van een planMER) voor deze algemene regels. Dat heeft tot gevolg dat bij het vaststellen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen voor windparken niet meer van deze algemene regels kan worden uitgegaan, totdat voor de windturbinebepalingen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling een planMER is opgesteld en op basis daarvan de algemene regels worden gehandhaafd of aangepast. Ten tijde van het opstellen van het MER en deze nota van beantwoording zienswijzen was de uitspraak van de Afdeling nog niet bekend. Daarom sluit een deel van de methode aan op de betreffende milieunormen (bijvoorbeeld bij het bepalen van de minimum afstand die windturbines tot woningen moeten aanhouden).

Hoewel de gevolgen voor de landelijke milieunormen op dit moment nog niet duidelijk zijn stellen de provincie en de MRE zich op het standpunt dat de milieuinformatie in dit planMER en de inspraaknota nog steeds waardevol zijn bij het maken van de belangenafweging in de RES en op dit moment geen actualisatie behoeven. De regionale keuzes moeten in een latere fase worden verankerd in lokaal beleid. Hierbij is ruimte om ofwel lokale normen vast te stellen, ofwel te wachten totdat het planMER voor de Activiteitenbesluit/-regeling is afgerond.

5

B. Zienswijzen en hun beantwoording In deze bijlage is een samenvatting opgenomen van alle zienswijzen. Bij de beantwoording hebben de provincie en de MRE zich evenwel op de volledige teksten gebaseerd. Elke zienswijze is op de hiernavolgende pagina’s in drie kolommen verdeeld: ➢ De linkerkolom bevat de samengevatte zienswijze, verdeeld in onderdelen waar mogelijk. ➢ De middelste kolom bevat een reactie op het betreffende onderdeel. ➢ De rechterkolom geeft aan in hoeverre het onderdeel een aanbeveling bevat die wordt meegenomen in het vervolgproces.

Overzicht van niet-particuliere indieners Z3 Z4 Z5 Z7 Z13 Z14 Z15 Z16 Z22 Z24 Z27 Z29 Z30 Z31 Z32 Z33 Z34 Z35 Z36 Z41 Z42 Z43 Z46 Z47 Z48 Z49

Belangenvereniging Windmolens A2 België Gemeente Arendonk Particuliere indiener via DAS Brabantse milieufederatie Dorpsoverleg Someren-Heide Dorpsraad Wintelre Gemeente Best Groen en Heem Valkenswaard IVN Bergeijk – Eersel Kring de Pielis McSweeneys Natuurbegraafplaats Schoorsveld NL provincie Gelderland NL Gedeputeerde Staten provincie Limburg Renewable Energy Factory BV Stichting Dorpsraad De Heerlijkheid Sterksel Stichting Dorpsraad Wintelre Stichting Groen Kempenland via Administratiekantoor Hoevenaars Stichting Kasteel Heeze Particuliere indiener via Boskamp Willems Advocaten Vogelwerkgroep De Kempen Volkstuinver. Groep Gennep ZLTO Someren Belangenvereniging Koolbliek via DOKK Advocaten Particuliere indiener via DOKK Advocaten België provincie Limburg

6

Z1 Naam instantie/indiener: Datum zienswijze:

Particuliere indiener - 4907332 15-6-2021

Zienswijze: Tekst uit zienswijze De indiener stelt dat dat er geen discussie is over het opwekken van grootschalige energie middels zonnepanelen of windmolens, gezamenlijke inspanning is ’n vanzelfsprekendheid. De indiener stelt dat Intensieve (schaarse) landbouwgebieden worden 'opgeofferd' voor zonneparken.

De indiener stelt dat zoekgebied 12 aan het zwaarbevochten Natura 2000 gebied grenst, projectplan Peelvenen Leegveld, waarbij naast hoogveenontwikkeling ecologische waarde wordt nagestreefd. Het perceel van de indiener ligt aan de projectgrens. De indiener stelt dat de toeristische trekpleister wordt geconfronteerd met onaantrekkelijke horizonvervuilende zonnepanelenvelden.

De indiener stelt dat zijn/haar toekomstig panorama één oogverblindende glasvlakte is.

7

Beantwoording Ter kennisname.

Het doel van het planMER is om inzichtelijk te maken wat de milieueffecten van zonne- en windenergie zijn. Voor zonne-energie hanteert het MER een methode waarbij de draagkracht van een gebied kan worden berekend. De methode heeft het aantal hectare zonneparken binnen een bepaald landschapstype berekend. De locaties van de zonneparken zijn daarbij niet weergegeven of vastgesteld. Op welke landbouwgronden zonneparken kunnen of moeten worden gerealiseerd, staat dus ook nog niet vast. In een vervolg proces moet dit verder worden uitgewerkt. Dit gebied is meegenomen in het planMER. Zie figuur 41 van het planMER grootschalige zon en wind, Regionale Energiestrategie (RES) Metropoolregio Eindhoven.

Nee

Het doel van het planMER is om inzichtelijk te maken wat de milieueffecten van zonne- en windenergie zijn. Voor zonne-energie hanteert het MER een methode waarbij de draagkracht van een gebied kan worden berekend. De methode heeft het aantal hectare zonneparken binnen een bepaald landschapstype berekend. De locaties van de zonneparken zijn daarbij niet weergegeven of vastgesteld. Op welke locaties zonneparken kunnen of moeten worden gerealiseerd, staat dus ook nog niet vast. In een vervolg proces moet dit verder worden uitgewerkt. Of dit effect heeft op de ‘toeristische trekpleister’ is dus ook nog niet zeker. Het doel van het planMER is om inzichtelijk te maken wat de milieueffecten van zonne- en windenergie zijn. Voor zonne-energie hanteert het MER een methode waarbij de draagkracht van een gebied kan worden berekend. De methode heeft het aantal hectare zonneparken binnen een bepaald landschapstype berekend. De locaties van de zonneparken zijn daarbij niet weergegeven of vastgesteld. Op welke locaties zonneparken kunnen of moeten

Nee

Nee

Nee

De indiener stelt dat de beoogde burgerparticipatie ver zoek is geweest, lokale politieke partij heeft onlangs middels enquête aangrenzende bewoners geïnformeerd. Ver gevorderd stadium in deze was voor de indiener volslagen nieuw, communicatie was ver onder de maat. Eerder geen persoonlijke benadering ondervonden (corona m.i. geen excuus).

De indiener stelt dat er Inmiddels (onafhankelijke) marktpartijen, tegen de voorschriften in, al actief 'de boer' op gegaan zijn voor tegen zeer aantrekkelijke langlopende (gesubsidieëerde) huurovereenkomsten, landbouwgronden te verwerven. Dit betreft percelen (tientallen ha.!) aangrenzend aan het perceel van de indiener.

8

worden gerealiseerd, staat dus ook nog niet vast. In een vervolg proces moet dit verder worden uitgewerkt. Het is onze ambitie om zoveel mogelijk en tijdig inwoners te betrekken bij de ontwikkeling van de Regionale Energiestrategie (RES). Dat is en blijft een prioriteit. De communicatie richting inwoners verloopt via de gemeente. Via huis-aanhuisbladen plaatsen we oproepen voor bijeenkomsten en bezwaar- en zienswijze procedures. Daarnaast maken we gebruik van de Energieregio website en sociale media, zoals Facebookpagina’s van gemeenten en LinkedIn. Ook is er een nieuwsbrief waar u zich hier voor kunt inschrijven en publiceert het Eindhovens Dagblad regelmatig over dit onderwerp. We realiseren ons dat we hiermee slechts een deel van de inwoners bereiken. De communicatie en de participatie met inwoners blijft een aandachtspunt en de komende maanden gaan we die samen met gemeenten verder intensiveren. Het doel van het planMER is om naast de potentie en milieugevolgen van grootschalige opwek met wind en zon binnen de MRE-regio te onderzoeken, de milieugevolgen van de locatiekeuzes uit de concept-RES te onderzoeken. Deze locaties worden aan de hand van tevoren vastgestelde criteria beoordeeld op de milieuthema’s leefomgeving (aanwezigheid gevoelige objecten), landschap (structuur en karakteristiek), ecologie (beschermde gebieden en soorten).

Het planMER gaat niet over wie hoe en wanneer gronden verwerft. We willen dat iedereen - ook minder kapitaalkrachtigen - voordeel kunnen hebben van de wind- en zonne-energie die we in onze regio opwekken. Hierbij sluiten we aan bij het Klimaatakkoord waarin het uitgangspunt is opgenomen om te streven naar 50% lokaal eigendom van de nieuwe zonne- en windparken. Ook houden we rekening met de provinciale handreiking ‘Juridische uitwerking 50% participatie’. Lokaal eigenaarschap levert geld op voor de regio en kan ook leiden tot een grotere betrokkenheid van mensen bij lokale projecten, acceptatie van energieprojecten en grotere gemeenschapszin. We streven als regio naar maximale lokale participatie en het maximaal lokaal benutten van de opbrengsten. We streven naar lokaal maatwerk op het niveau van individuele projecten. In de RES is een model voor lokaal eigendom van zonne- en

De indiener stelt dat het college op verantwoordelijkheid rekent van netwerkbeheerders om netwerkcapaciteit nu al (?) sluitend te maken.

De indiener vraagt of de kaarten al geschud zijn. De indiener stelt dat de meeste burgers niet op de hoogte zijn, er is al veel voorwerk gedaan, hoe moeilijk gaat het straks worden om een individueel project tegen te houden. Betrokken grondeigenaren hebben (groot) financieel belang bij doorgaan van project en zullen plannen eerder steunen dan ontraden. Economische belangen zullen ecologisch belang overstijgen.

windparken opgenomen, wat leidt tot grotere betrokkenheid van de inwoners. Er is bij de totstandkoming van de effectbeoordeling op het thema Netinpassing nauw contact geweest met de netbeheerder Enexis. Op bepaalde locaties is weliswaar de capaciteit beperkt, maar zijn mogelijkheden om voor 2030 te zorgen dat deze capaciteit voldoende toeneemt, e.e.a. afhankelijk van de in de RES 1.0 te maken keuzes. De provincie en de MRE delen de mening dat netcapaciteit, aansluitmogelijkheden en de zonneladder essentiële onderdelen zijn van de regionale energiestrategie. Ter kennisname. Het is niet duidelijk wat wordt bedoeld met de vraag ‘of de kaarten al geschud zijn’. Het is onze ambitie om zoveel mogelijk en tijdig inwoners te betrekken bij de ontwikkeling van de Regionale Energiestrategie (RES) en haar projecten. Communicatie en participatie is en blijft een prioriteit. De communicatie richting inwoners verloopt via de gemeente. Via huis-aanhuisbladen plaatsen we oproepen voor bijeenkomsten en bezwaar- en zienswijze procedures. Daarnaast maken we gebruik van de Energieregio website en sociale media, zoals Facebookpagina’s van gemeenten en LinkedIn. Ook is er een nieuwsbrief waar u zich hier voor kunt inschrijven. Participatie bij projecten Elk project is maatwerk, waarbij we onderzoeken wat er past in de omgeving.

Wanneer eind dit jaar de locaties (zoekgebieden) voor de opwekking van zonne- en windenergie, worden vastgesteld, zullen gemeenten dit vanaf 2022 opnemen in het lokale omgevingsbeleid. Elke gemeente bepaalt zelf hoe de participatie met inwoners en belanghebbenden plaatsvindt. Uiteindelijk start er een vergunningenprocedure waartegen in bezwaar kan worden gegaan. Voor projecten zijn er drie vormen van burgerparticipatie. •

•

9

Procesparticipatie: inwoners leveren input over een project. Bijvoorbeeld in de vorm van een klankbordgroep. Inwoners denken mee, maar zijn geen eigenaar. Financiële participatie: Doormiddel van financiële participatie worden inwoners (mede)eigenaar van een project.

Nee

•

Sociale participatie: Met fondswerking kunnen indirecte winsten van het project teruggebracht worden in lokaal maatschappelijke projecten. Gemeenten en ontwikkelaars hebben zelf in de hand welke vorm van participatie ze meenemen in een project. Milieueffectrapportage (planMER) Met de milieueffectrapportage (planMER) onderzoeken we potentiële zoekgebieden voor de grootschalige opwek van zonne- en windenergie. Naast de potentie onderzoeken we ook de milieugevolgen van de locatiekeuzes uit de concept-RES. Dit doen we aan de aan de hand van de milieuthema’s leefomgeving, landschap en ecologie. Met zorgvuldig onderzoek kunnen de gemeenten tot een weloverwogen keuze komen waarin alle belangen worden meegenomen.

10

Z2 Naam instantie/indiener: Datum zienswijze:

Particuliere indiener - 4906428 - 4906427 15-6-2021

Zienswijze: Tekst uit zienswijze De indiener stelt dat zijn/haar objecten aan de Vlaamseweg te Sterksel midden tussen de aangewezen zoekgebieden genoemd in de RES, als potentiële locaties voor grootschalige opwekking van wind en zonne-energie. Hoewel in de MER geen definitieve keuzes zijn gemaakt, leiden wij wel af dat de genoemde zoekgebieden in onze directe omgeving als zeer geschikt worden gekwalificeerd, blijkens de beoordeling van de zoekgebieden. De indiener vreest een ernstige aantasting van onze leefomgeving, overlast en negatieve gezondheidseffecten.

De indiener is van mening dat het MER een veel te beperkte opzet en omvang heeft om het milieubelang daadwerkelijk een volwaardige plek te geven in het besluitvormingsproces over de RES. Alleen de effecten van grootschalige zonne- en windparken is onderzocht, er is geen onderzoek gedaan naar daadwerkelijke effecten op het gebied van gezondheid, natuur en ecologie. Daarnaast zouden we van het innovatieve karakter van de MRE regio verwachten dat de opdracht tot onderzoek meer zou behelzen dan alleen het onderzoek naar traditionele wind en zonne-energie. Het meenemen van innovatieve technieken mag niet ontbreken, net als bijvoorbeeld de nog onbenutte mogelijkheden op daken van gebouwen.

Beantwoording Het doel van het planMER is om inzichtelijk te maken wat de milieueffecten van zonne- en windenergie zijn. Voor windenergie zijn er, naar aanleiding van een belemmeringenstudie, lijnopstellingen indicatief ingetekend. Voor zonne-energie hanteert het MER een methode waarbij de draagkracht van een gebied kan worden berekend. De methode heeft het aantal hectare zonneparken binnen een bepaald landschapstype berekend. De locaties van de zonneparken zijn daarbij niet weergegeven of vastgesteld. Op welke locaties wind- of zonneparken kunnen of moeten worden gerealiseerd, staat nog niet vast. In een vervolg proces moet dit verder worden uitgewerkt. Het planMER, en diens milieuonderzoeken, zijn opgesteld op het detailniveau passend binnen de scope van de gehele RES regio. In een vervolg proces moet dit verder worden uitgewerkt. Tijdens dat proces wordt verder onderzocht of en zo ja welke negatieve milieueffecten er ontstaan. De reikwijdte van het MER beperkt zich inderdaad tot grootschalige zonneen windenergie, zoals van tevoren bepaald en gepubliceerd in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau. De opgave van het Rijk aan de 30 RES-regio’s is om, vóór 2030, in totaal 35 TWh aan grootschalige opwek met zon en wind te realiseren. Zij kiezen hierbij voor zon en wind, omdat dit bewezen technieken zijn voor grootschalige opwek van duurzame energie.

Andere technieken zijn nog niet voldoende doorontwikkeld en mogen dan ook niet worden meegeteld in het bod per RES-regio voor 2030. Nieuwe technieken zijn wel relevant voor de periode daarna. De RES wordt elke twee jaar herzien, waarbij bekeken wordt welke technologieën we dan kunnen meenemen. We werken hierin nauw samen met Brainport Development.

11

Nee

De indiener stelt dat er steeds meer onderzoeken zijn die duiden dat de gezondheidseffecten veel groter zijn en zich op grotere afstand kunnen voordoen dan waarmee in de Nederlandse normstelling en jurisprudentie rekening wordt gehouden. Het MER onderzoek had aangegrepen kunnen worden om meer onderzoek te doen, of in ieder geval de aangekondigde onderzoeken van RIVM en GGD af te wachten en te integreren. Dat vergroot onze vrees voor ernstige hinder, gezondheidsklachten en aantasting van onze leefomgeving. Het zoekgebied ligt mídden tussen en deels in de natuurgebieden Grote Heide en Strabrechtse Heide & de Plateau's, en de Strabrechtse Heide 8í Beuven. Onze gemeente wordt gekwalificeerd als de groene long van de MRE. De directe omgeving van onze straat is een verblijfsgebied voor uilen, vleermuizen, patrijzen, bijzondere en zeldzame vogels, groot en klein wild en inheemse, zeldzame flora. De inschatting van het effect op de flora en fauna is gemaakt op basis van een afstandscriterium en zegt daarmee niets over daadwerkelijke effecten. Een nauwkeurig onderzoek ontbreekt, ook op het gebied van geluid en slaghinder. In Sterksel is al hinder en overlast van alternatieve energieopwekking, hier staat de grootste mestvergister van Europa. Deze produceert elk jaar 3000 kubieke meter groen gas per uur.

Daarmee levert onze gemeente al een substantiële bijdrage en wordt de gemeenschap van Sterksel geconfronteerd met aanzienlijke geuroverlast. Dit had in het MER meegenomen moeten worden, dat is ten onrechte niet gebeurd. Als betrokken burgers zijn we verbaasd over een aantal zaken: » We zijn niet betrokken bij de keuze van de zoekgebieden, terwijl blijkt dat commerciële partijen betrokken grondeigenaren al benaderd hebben. Dat suggereert dat er keuzes gemaakt gaan worden buiten ons, als betrokken burgers, om. Dat is niet het juiste proces als het gaat om burgerparticipatie. « Tijdens het proces van de publicatie en toelichting van de MER rapportage, werd gesproken over financiële participatie en daarbij behorend financieel voordeel voor individuen die niet in het zoekgebied wonen of ondernemen. Wij begrijpen niet dat in deze fase, in het kader van milieueffecten, gesproken wordt over financieel gewin voor individuen die niet negatief belast worden door de keuze van de

12

Innovatie is onderdeel van de RES 1.0, en is een van de thema's die verder uitgewerkt moet worden om te komen tot een samenwerking- en uitvoeringsprogramma. De provincie en de MRE zijn van mening dat juist door het hanteren van twee vuistregelafstanden (500 en 1000 meter) in de effectbeoordeling, boven op de minimumafstand van 400m, het milieueffect van geluid en slagschaduw goed en passend bij het detailniveau van het planMER is meegewogen.

Nee

Het planMER, en diens milieuonderzoeken, zijn opgesteld op het detailniveau passend binnen de scope van de gehele RES regio. In een vervolg proces moet dit verder worden uitgewerkt. Tijdens dat proces wordt verder onderzocht of en zo ja welke negatieve milieueffecten er ontstaan.

Nee

De milieueffecten van een mestvergister zijn van een andere aard dan die van grootschalige zonne- en windparken en cumuleren daarmee niet.

Nee

Het beoordelen van de daadwerkelijke effecten past niet bij het detailniveau van het planMER en dient in een later stadium te gebeuren, hetzij ter onderbouwing van gemeentelijk beleid, hetzij ten behoeve van een concreet project. De provincie en de MRE danken indiener voor het uiten van de zorgen. Echter, maakt het MER geen definitieve keuzes. Milieueffectrapportage (planMER) Met de milieueffectrapportage (planMER) onderzoeken we potentiële zoekgebieden voor de grootschalige opwek van zonne- en windenergie. Naast de potentie onderzoeken we ook de milieugevolgen van de locatiekeuzes uit de concept-RES. Dit doen we aan de aan de hand van de milieuthema’s leefomgeving, landschap en ecologie. Met zorgvuldig onderzoek kunnen de gemeenten tot een weloverwogen keuze komen waarin alle belangen worden meegenomen.

zoekgebieden. We hopen ten zeerste dat het belang van deze individuen niet meeweegt in de afweging van de milieueffecten. Het feit dat onze directe leefomgeving in het zoekgebied ligt heeft bij ons voor veel onrust gezorgd. We maken ons zorgen over het feit dat er al een smet ligt op ons gebied door deze publicatie, met financiële en emotionele gevolgen van dien.

Het vervolgproces ziet er als volgt uit: Aan het einde van het jaar stellen de gemeenteraden, de provincie en waterschappen de RES 1.0 vast, inclusief zoekgebieden. Hierna volgt het proces van iedere betreffende gemeente om de zoekgebieden een plek te geven binnen het omgevingsbeleid. Een belangrijk onderdeel van dit proces is lokale participatie. Daarna volgt het traject van ontwikkeling van projecten en benodigde vergunningen. Inwoners/belanghebbenden kunnen een rol vervullen op de volgende punten: • Via het politieke spoor om aandacht te vragen voor bepaalde standpunten • Via het spoor van meedenken bij de totstandkoming van visies, plannen en beleid • Via het spoor van bezwaar en inspraak (eventueel gevolgd door een beroep) op plannen (omgevingsplan, omgevingsvergunning) • Hiernaast is er een vijfde mogelijkheid om als inwoner inbreng te hebben in het proces. U kunt ook (financieel) deelnemen aan een duurzaam energieproject in uw lokale omgeving. Dat kan soms door lid te worden van (of actief te worden in) een energie coöperatie. Als u financieel investeert, heeft u naast het ondersteunen van de ontwikkelingen en zeggenschap in het project ook mogelijkheid om rendement te verdienen op uw inleg. In de RES is een model voor lokaal eigendom van zonne- en windparken opgenomen, wat leidt tot grotere betrokkenheid van de inwoners.

Parallel aan de RES- lopen de trajecten van gemeenten. Sommige gemeenten zijn al bezig met beleid en projecten voor grootschalige opwek. Belangrijk: hoewel er regionaal wordt samengewerkt, blijven gemeenten over eigen grondgebied gaan.

Op basis van het bovenstaande menen wij dat het MER geen deugdelijke basis vormt om keuzes goed te kunnen beoordelen en afwegen. Wij vrezen dan ook dat op basis van de te globale MER definitieve keuzes gemaakt gaan worden waar wij geen invloed op hebben, met verregaande negatieve gevolgen voor onze leefomgeving, onze financiële positie en onze gezondheid.

13

Het planMER, en diens milieuonderzoeken, zijn opgesteld op het detailniveau passend binnen de scope van de gehele RES regio. In een vervolg proces moet dit verder worden uitgewerkt. Tijdens dat proces wordt verder onderzocht of en zo ja welke negatieve milieueffecten er ontstaan. Als bij nader inzien blijkt dat bij een plan niet aan de wettelijke milieunormen kan worden zal geen windpark gerealiseerd worden.

Nee

Z3 Naam instantie/indiener: Datum zienswijze:

belangenver. Windmolens A2 - 4906390 - 4906389 15-6-2021

Zienswijze: Tekst uit zienswijze De indiener stelt dat de afstand tot woningen te klein is. In het noordelijke gedeelte is de afstand van het zoekgebied tot woonbebouwing Burgemeester Vogelslaan slechts 300 meter. Ditzelfde geldt ook voor het gebied rondom de snelweg A2. De afstand tussen de woningen en woonwagens aan de Maarheezerweg noord/zuid en de Oude Dijk tot de windturbines is slechts 150 tot 350 meter. Met het verschuiven van de turbines richting zuidelijk wordt het probleem alleen wat verplaatst want daar liggen woningen en stacaravans (geluidsgevoelige objecten) zelfs binnen 100 meter tot 250 meter van de windturbines. Een goed ruimtelijke inpassing met reële afstanden tot de woonbebouwing is hier niet mogelijk. Indien een reële afstand tussen de turbines en de woonbebouwing wordt aangehouden dan kunnen wij niets anders concluderen dat het gebied te klein is voor de geplande windturbines. De indiener stelt dat het nut en noodzaak ontbreekt. Inmiddels is genoegzaam aangetoond en wetenschappelijk onderbouwd dat de inzet van energie afkomstig van windturbines niet wezenlijk bijdraagt aan de beperking van de uitstoot van broeikasgassen. Zowel energie opgewekt door wind als door zon behoeven een back-up van conventionele energiecentrales. Het bouwen van windturbineparken is daarmee de grootste verspilling van gemeenschapsgeld ooit.

De indiener stelt het volgende over de geluidsnormen: Het is in ruime kring bekend dat de geluidsnormen in 2011 versoepeld zijn, teneinde de bouw van industriële windturbines mogelijk te maken. Het akoestisch onderzoek in het plan geeft aan dat het onderhavige plan voldoet aan de geluidnormering van 47 dB Lden en 41 dB Lnight als er tenminste mitigerende maatregelen worden genomen. De indiener maakt bezwaar tegen het feit dat een plan als het onderhavige op een van de belangrijkste omgevingsaspecten, geluid, enkel ruimtelijk kan worden

14

Beantwoording In het MER zijn alleen windparklocaties onderzocht waarin elke windturbine op minimaal 400 meter van geluidsgevoelige objecten kan staan. De ingetekende windparklocaties zijn slechts indicatief.

Nee

Het planMER beschouwt de ruimtelijke mogelijkheden op hoofdlijnen. Eventuele concrete projecten zullen altijd nog aan nader onderzoek onderworpen worden. Als bij nader inzien blijkt dat niet aan de wettelijke milieunormen kan worden voldaan zal geen windpark gerealiseerd worden.

Om de wereldwijde afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen en de uitstoot van CO2 te beperken is de realisatie van zonne- en windparken belangrijk. Zowel op mondiaal (VN-klimaatverdrag, Kyotoprotocol, Klimaatakkoord Parijs) als op Europees niveau is het belang van het terugdringen erkend.

Nee

De invoering van de huidige geluidsnorm in 2011 betrof geen versoepeling ten opzichte van de daarvoor geldende normering (beleidsneutrale wijziging).

Nee

Het bezwaar van indiener tegen toepassing van mitigerende maatregelen wordt voor kennisgeving aangenomen. Handhaving op de geluidsnorm is mogelijk. Wettelijk is voorgeschreven hoe dergelijke handhaving in zijn werk moet gaan (Activiteitenbesluit milieubeheer en Activiteitenregeling milieubeheer).

ingepast indien mitigerende maatregelen worden getroffen, terwijl de geluidsnormen nog versoepeld zijn ook. Verder zijn de speciaal voor windturbines afgesproken geluidsnormen gebaseerd op een jaargemiddelde, zodat handhaving erg moeilijk wordt. Tevens liggen er binnen 150 meter van het zoekgebied op 2 locaties geluidsgevoelige objecten zoals Noordelijk aan de Maarheezerweg Noord waar diverse woonwagens zijn gesitueerd en Zuidelijk aan de Renheide waar momenteel diverse geluidsgevoelige objecten worden opgebouwd bij camping “Slot Cranendonck”. Hiermee wordt in deze MER geen rekening gehouden en zijn er ook geen mitigerende maatregelen voor aangegeven die mogelijk zouden zijn. De indiener stelt het volgende over slagschaduw: Het is onze zienswijze dat het aspect slagschaduw wel degelijk de uitvoering van het plan in de weg staat. De aantasting van het woon-en leefklimaat van de omwonenden wordt onevenredig ernstig verstoord. Wij vinden dit onaanvaardbaar. Daarbij komt dat ook voor het aspect slagschaduw mitigerende maatregelen getroffen moeten worden in de vorm van stilstand voorzieningen en zonneschijnsensoren.

Er is in Nederland geen wettelijk bepaalde minimumafstand vastgelegd van windturbines tot woningen. In plaats daarvan zijn er milieunormen die de geluid- en slagschaduweffecten maximeren. Deze normen zijn niet bedoeld om alle hinder te voorkomen, maar zijn een belangenafweging tussen het beperken van hinder enerzijds en het mogelijk maken van opwek van duurzame energie anderzijds. Deze normen hebben als gevolg dat windturbines niet heel dicht bij woningen geplaatst kunnen worden. Als vuistregelafstand wordt vaak gewerkt met 300500 meter.

De provincie en de MRE stellen zich op het standpunt dat voldoen aan de milieunorm voor slagschaduw een goede ruimtelijke ordening garandeert, tenzij cumulatie van meerdere windparken optreedt, in welk geval gebiedsspecifiek onderzoek noodzakelijk is.

Nee

Van planschade kan sprake zijn indien het nieuwe planologisch regime nadeliger wordt ten opzichte van het eerdere regime en deze verslechtering ertoe leidt dat een omwonende daardoor schade, in de vorm van waardevermin-

Nee

Het criterium “goede ruimtelijke ordening” zoals bedoeld in artikel 4.1 Wro biedt de mogelijkheid om ter bescherming van een goed woon- en leefklimaat strengere eisen te stellen dan de milieunormen. Immers de in artikel 3.12 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gehanteerde norm borgt niet altijd een goed woonen leefklimaat. Ten aanzien van het aspect slagschaduw is onze zienswijze dat er een afstand tot de woonbebouwing moet worden aangehouden van 12 x de rotordiameter. Dus zonder stilstand voorzieningen en zonneschijn sensoren. Dit is in zoekgebied 24 niet mogelijk. Tevens is er in het onderhavige plan ook geen rekening gehouden met de veehouderijen en pluimveehouderijen die langs het zoekgebied liggen en gevoelig zijn voor slagschaduw. De indiener stelt dat de waarde van de woningen daalt. In het Inpassingsplan wordt geen melding gemaakt van compensatie van het waardeverlies van onze woningen, dat het gevolg is van dit plan. Wij zien graag

15

een regeling om dit waardeverlies die wordt veroorzaakt door dit windturbinepark te compenseren.

De indiener stelt het volgende over natuur: In het onderhavige plan wordt geen rekening gehouden met natuur. Langs de A2 halverwege het zoekgebied ligt landgoed Mariahoeve. Dit natuurgebied beslaat ongeveer 250 ha. In het gebied leven edelherten, damherten en reeën. Er is een vleermuiskelder waarin onder meer de gewone grootoorvleermuis huist. Tot de insectenwereld behoren de veldkrekel, blauwvleugelsprinkhaan en de kleine parelmoervlinder. Bij de natuurlijke vennen, die tegenwoordig hersteld worden, vindt men oeverkruid en gesteeld glaskroos. In en bij de vennen leeft de alpenwatersalamander, de tengere pantserjuffer en de venwitsnuitlibel. De vennen zijn ook rijk aan watervogels. Dit gebied mag absoluut niet verstoord worden en in de MER wordt ook het volgende aangegeven: Beschermde natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland, waaronder alle Natura 2000-gebieden) worden in dit MER uitgesloten voor grootschalige opwek. Tevens wordt er in de het onderhavige rapport aangegeven: “Voor vogels maakt de beoordeling gebruik van het beschikbare kaartmateriaal van SOVON. Onder

16

dering van het onroerend goed, leidt. Waardevermindering kan zich voordoen wanneer sprake is van een vermindering van het woon- en leefgenot, of wanneer nieuwe planologische beperkingen worden gesteld aan het gebruik of de bouwmogelijkheden van het onroerend goed. Voor het bepalen van de vraag of voor individuele gevallen sprake is van planschade, en (zo ja) hoe groot de omvang van deze schade is, kent "Afdeling 6.1 Tegemoetkoming in schade" van de Wet ruimtelijke ordening een aparte procedure. Belanghebbenden die menen in aanmerking te komen voor planschade kunnen na het vaststellen van het plan, binnen vijf jaar hiertoe een verzoek doen. Overigens moet opgemerkt worden dat inkomensderving en/of waardedalingen van onroerend goed geen aanleiding vormen om af te zien van verlening van de omgevingsvergunningen voor het wind- en zonneparken. Een onafhankelijke adviseur (of in sommige gevallen een commissie) beoordeelt dan per individueel verzoek of er sprake is van planschade en of deze voor tegemoetkoming in aanmerking komt. Wanneer de verzoeker recht heeft op een tegemoetkoming in de planschade keert de gemeente deze uit. Doorgaans is de initiatiefnemer van een windpark middels een anterieure overeenkomst vervolgens verplicht de uitgekeerde planschade aan de gemeente te vergoeden.

Landgoed Mariahoeve en omgeving is een afwisselend landschap met voornamelijk bossen, maar ook kleinschalige heidepercelen en diverse vennen zijn aanwezig in dit gebied. Een hogere biodiversiteit in dit ‘natuurgebied’ is derhalve ook te verwachten, zoals indiener terecht stelt. Het gebied is grotendeels onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), met uitzondering van enkele (voornamelijk) agrarische percelen. Het NNB is in voorliggende studie gevrijwaard van plaatsing zonnepanelen en windturbines. Hoewel landgoed Mariahoeve in het planMER gevrijwaard blijft van zonnepanelen en windturbines worden wel aangrenzende percelen aangemerkt als ‘mogelijke zonlocaties’. Daarnaast ligt Windparklijn 24 op korte afstand van landgoed Mariahoeve. Bij de realisatie van een zonnepark op locatie dient zorgvuldig onderzocht te worden of er sprake is van externe werking op het NNB (landgoed Mariahoeve). Windparklijn 24 scoort negatief (-) op het aspect NNB, vanwege de nabijheid van het landgoed Mariahoeve. Ook scoort de Technische bijlage ecologie een deze windparklijn negatief (-) op het aspect broed- en nietbroedvogels en zelfs dubbel negatief (--) op het aspect vleermuizen. Tot slot zijn er eveneens een aantal beschermde overige soorten waargenomen zoals alpenwatersalamander, bosbeekjuffer en hazelworm. Dit betekent dat bij een

Nee

leiding van SOVON hebben duizenden vrijwilligers iedere vierkante kilometer in Nederland geteld op vogels. Hierdoor is veel informatie beschikbaar over verspreiding van soorten en aantallen vogels in Nederland. Voor de provincie NoordBrabant heeft SOVON een kaart opgesteld met het aantal vogelsoorten per 250x250m cel. Dit is voor zowel broedvogels als wintervogels gedaan. Daarnaast worden vogels ook (in)direct via andere beleidsregels en/of beschermingsregimes beschermd. Zo zijn vogels die voornamelijk in bossen voorkomen worden binnen de MRE grotendeels ‘beschermd’ door het beschermingsregime beschermde gebieden. Dit vanwege het feit dat binnen de MRE de robuuste bosgebieden veelal zijn opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant. Hiervoor geldt dat er, over het algemeen, geen wind- en zonneparken binnen de begrenzing gerealiseerd zullen worden. Mogelijk is landgoed Mariahoeve aan het onderzoek ontschoten met bijbehorende vogels, vleermuizen en overige beschermde soorten zoals benoemd in Nationale Databank Flora & Fauna (NDFF)!!!!! De indiener stelt dat het belangrijk is dat er overleg plaatsvindt met omwonende. Nergens in het plan wordt aangegeven dat er overleg plaats vindt met omwonenden. Om draagvlak te creëren zal actieve participatie een belangrijk punt zijn. Wat is de inspraak van de omwonenden en hoe wordt hier rekening mee gehouden.

Wij zijn van mening dat de omwonenden toch de belangrijkste deelnemers zijn in dit plan. Wij worden hier nu niet in meegenomen.

(planologische) verkenning van een concreet project op deze locatie ecologisch onderzoek noodzakelijk is. Uit het ecologisch onderzoek moet dan blijken of het initiatief al dan niet doorgang kan vinden (op het aspect ecologie).

Het doel van het planMER is om inzichtelijk te maken wat de milieueffecten van zonne- en windenergie zijn. De maatschappelijke discussie over de RESdoelstellingen vindt plaats buiten het planMER. Al bij de ontwikkeling van de conceptversie van de RES zijn inwoners betrokken. Die betrokkenheid blijft onverminderd belangrijk. Het is onze ambitie om zoveel mogelijk en tijdig inwoners te betrekken bij de ontwikkeling van de Regionale Energiestrategie (RES) en haar projecten. Communicatie en participatie is en blijft een prioriteit. De communicatie richting inwoners verloopt via de gemeente. Via huis-aanhuisbladen plaatsen we oproepen voor bijeenkomsten en bezwaar- en zienswijze procedures. Daarnaast maken we gebruik van de Energieregio website en sociale media, zoals Facebookpagina’s van gemeenten en LinkedIn. Ook is er een nieuwsbrief waar u zich hier voor kunt inschrijven. Participatie bij projecten Elk project is maatwerk, waarbij we onderzoeken wat er past in de omgeving. De Regionale Energiestrategie RES biedt hiervoor kader, maar de invulling van participatie verschilt per gemeente. Voor projecten zijn er drie vormen van burgerparticipatie.

17

Nee

•

• •

De indiener stelt dat de gezondheid in het geding is. Op steeds meer plekken is er onrust over de impact van windmolens op de gezondheid. Daarom komt er een nieuw expertisecentrum voor gezondheidsproblemen die kunnen ontstaan door windturbines. Het RIVM en de GGD's werken samen in wat officieel het 'Expertisepunt Windenergie en Gezondheid' heet. Recent onderzoek bevestigt dat het geluid van windmolens kan leiden tot ernstige hinder, die soms kan uitmonden in gezondheidsklachten. De zorgen over gezondheidseffecten zijn flink toegenomen, omdat overal in het land plannen voor extra wind- en zonne-energie worden gemaakt. In het onderhavige plan zien wij niets terug over eventuele gezondheidsrisico’s voor ons als omwonenden en of deze wel zijn onderzocht. De indiener stelt dat de plannen in het Inpassingsplan zijn gebaseerd op verschillende beleidsuitgangspunten. De indiener is van mening dat op geen enkele wijze tegemoet is gekomen aan een van de belangrijkste beleidsuitgangspunten, namelijk dat het woon- en leefklimaat in de omgeving waar windturbines op land worden geplaatst niet mag worden verslechterd. Bovenstaande zienswijzen tonen aan dat, indien de windturbines zouden worden geplaatst het woon- en leefklimaat in zoekgebied 24, gemeente Heeze-Leende aanzienlijk verslechtert.

18

Procesparticipatie: inwoners leveren input over een project. Bijvoorbeeld in de vorm van een klankbordgroep. Inwoners denken mee, maar zijn geen eigenaar. Financiële participatie: Doormiddel van financiële participatie worden inwoners (mede)eigenaar van een project. Sociale participatie: Met fondswerking kunnen indirecte winsten van het project teruggebracht worden in lokaal maatschappelijke projecten.

Gemeenten en ontwikkelaars hebben zelf in de hand welke vorm van participatie ze meenemen in een project. De normen die zijn opgesteld voor met name geluid en slagschaduw, hebben tot doel om mensen zoveel mogelijk te beschermen tegen onaanvaardbare hinder. Er kan niet voorkomen worden dat er enige sprake kan zijn van hinder. Hinder staat echter niet gelijk aan gezondheidseffecten. Er bestaat geen wetenschappelijk bewijs voor een directe relatie tussen het ervaren van hinder als gevolg van windturbines en de effecten op de gezondheid. De provincie en de MRE volgen de ontwikkelingen omtrent het Expertisepunt aandachtig, maar zien vooralsnog geen aanleiding om de zoektocht naar geschikte gebieden voor grootschalige opwek aan te passen. Er is geen sprake van een inpassingsplan. Hoewel verslechtering van het woon- en leefklimaat waar mogelijk moet worden voorkomen of verzacht is de energietransitie een belangrijk thema waarbij een belangenafweging plaatsvindt tussen lokale hinder enerzijds en het algemeen belang anderzijds.

Nee

Nee

Z4 Naam instantie/indiener: Datum zienswijze:

België Gemeente Arendonk – 4906889 – 4906890 15-6-2021

Zienswijze: Tekst uit zienswijze Het decreet van 15 juli 1997 inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband. In het MER wordt er potentieel een rij windmolens (K27b) ingeplant parallel met de landsgrens ter hoogte van de Kruisberg / Hoge Vijvers / militair domein. Deze windmolenparken liggen niet in een zoekgebied en worden verder ook niet opgenomen in een van de drie alternatieven. Desalniettemin verduidelijkt de omgevingsambtenaar dat de windparklocatie (K27b) toch niet wenselijk is omwille van de hieronder genoemde redenen. Het windmolenpark ligt volledig in ecologisch (zeer) waardevolle gebieden. Uit het MER blijkt dat het park namelijk in een hotspot voor akker- en weidevogels ligt. Het ligt ook nabij een natuurnetwerk Brabant (NNB), Turnhoutse Heide en grenst het aan Natura 2000 gebied (Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout). Het grenst volledig aan het 500 ha natuurgebied de Hoge Vijvers dewelke een verbinding vormt tussen de habitatrichtlijngebieden 'Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout'. De Hoge Vijvers omvat bossen, graslanden en akkers. Verder is er sprake om dit gebied mogelijks op te nemen in een nationaal landschapspark dat zich doortrekt tot in Noord-Brabant. Het windmolenpark K27b plaatsen zoals het er nu staat, blokkeert dus in principe de mogelijk voor een landschapspark daar in toekomst.

Windmolens vormen een zeker risico voor vleermuizen en vogels. Het park zou in een hotspot voor akker- en weidevogels komen te liggen en omringd zijn door een ecologisch waardevolle omgeving die ook hoog aantallen van verschillende vogelsoorten bevat. De kans op slachtoffers is dus ook relatief groot. Zoals beschreven in de MER daalt de landschappelijke waarde door een windmolenpark. De omliggende natuurgebieden zijn niet alleen bossen, maar ook vaak graslanden en heiden. Hierdoor zijn de windmolens reeds van ver zichtbaar.

19

Beantwoording Ter kennisname.

Nee

Ter kennisname.

Nee

Het planMER kan niet toetsen aan eventuele toekomstige beleidsbesluiten zoals een landschapspark. Wel wordt het voornemen tot het opnemen van het gebied in een nationaal landschapspark ter kennisgeving aangenomen.

Nee

Het planMER beoordeelt deze locatie op vier van de zeven beoordelingsstaten ten aanzien van ecologie ook als ‘negatief’. Waaronder op ‘Vleermuizen’ en ‘Hotspots’

Nee

Het MER beoordeelt, bij het beoordelingscriterium ‘Effect op gebruikswaarde: ligging t.o.v. gebieden waarvan de gebruikswaarde door windparken wordt aangetast’, windparken die binnen een straal van twee kilometer in de buurt van grote heide en veenrestanten liggen, ook als ‘negatief’.

Nee

Z5 Naam instantie/indiener: Datum zienswijze:

DAS namens particuliere indiener – 4907987- 4900986 15-6-2021

Zienswijze: Tekst uit zienswijze Er zijn, in de eerste plaats, ten onrechte alleen enkelbestemmingen recreatie betrokken in het onderzoek naar de te verwachten negatieve effecten voor de economie. Hierdoor zijn de negatieve effecten van windturbines op de groepsaccommodatie van cliënt, die in het vigerende bestemmingsplan wordt aangeduid met de functie “kampeerboerderij’’ ten onrechte niet in de beoordeling betrokken. Ook wordt er ten onrechte geen rekening gehouden met de in het vigerende bestemmingsplan ten aanzien van perceel met de kadastrale aanduiding LHT00K21 toegekende functie “paardenhouderij”. Dit dient te worden hersteld. De realisatie van een windpark zal een nadelige invloed hebben op de exploitatie van de kampeerboerderij en paardenhouderij door: - geluidsoverlast; - nadeel in verband met uitzicht; - nadeel in verband met schaduw en slagschaduwoverlast door middel van trillingen; - overlast; - aantasting van de natuur, natuurwaarden en natuurbeleving; - waardevermindering van hun onroerende goederen; - exploitatieschade kampeerboerderij; - onvoorziene schade

20

Beantwoording De gehanteerde werkwijze (op basis van enkelbestemmingen) poogt niet om een compleet beeld van alle recreatie in de omgeving te geven, maar gebruikt de enkelbestemmingen als aanwijzing dat een bepaald gebied meer of minder recreatief wordt gebruikt. Een nadere beschouwing gaat te ver voor het detailniveau van dit planMER. Eventuele concrete projecten zullen altijd nog aan nader onderzoek onderworpen worden. Als bij nader inzien blijkt dat niet aan de wettelijke milieunormen kan worden voldaan zal geen windpark gerealiseerd worden. Er kan enige mate van hinder verbonden zijn aan de realisatie van een windpark. De mate waarin slagschaduw mag voorkomen moet binnen de grenzen blijven die de wetgever daarvoor heeft gesteld. Voor slagschaduw geldt landelijk een zeer strenge norm (veel strenger dan in het buitenland) van maximaal 17 keer maximaal 20 minuten slagschaduw per gevoelig object per jaar. Voor windturbinegeluid geldt zowel een geluidsnorm over het hele etmaal (47 dB Lden) alsook een geluidsnorm specifiek voor de nachtperiode (41 dB Lnight) op de gevels van geluidsgevoelige objecten. Helaas worden kampeerboerderijen en paardenhouderijen niet tot gevoelige objecten gerekend in het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Trillingen die door de windturbine in de bodem worden veroorzaakt zijn niet meetbaar op afstanden groter dan enkele meters van de windturbine.

Effecten van (bodem)trillingen op honderden meters afstand zijn uitgesloten. Het effect op de landschappelijke beleving (horizonvervuiling) is opgenomen onder het milieuthema Landschap. Van planschade kan sprake zijn indien het nieuwe planologisch regime nadeliger wordt ten opzichte van het eerdere regime en deze verslechtering ertoe leidt dat een omwonende daardoor schade, in de vorm van waardevermindering van het onroerend goed, leidt. Waardevermindering kan zich voordoen wanneer sprake is van een vermindering van het woon- en leefgenot, of wanneer nieuwe planologische beperkingen worden gesteld aan

Nee

Nee

Bovendien is algemeen bekend dat het exploiteren van een paardenhouderij en een windpark niet samen gaan. Paarden zijn gevoelige dieren en de komst van een windpark in de omgeving gaat een paardenhouderij veel nadeel opleveren. Dit is onder meer gelegen in het lage zoemend geluid, wat de windmolens produceren en de trillingen en (slag)schaduw. Hierdoor komt de exploitatie van een paardenhouderij in het gedrang In de tweede plaats vreest cliënt eveneens voor de aantasting van verscheidene draadloze signalen en systemen door de lucht, waaronder radio, televisie en radar (aanwezigheid van vliegvelden Volkel en Eindhoven). Er dient ook beter gekeken te worden naar de strijdigheid met het radar-gebied (15km-zone) vanaf vliegbasis Volkel; had men dat wel gedaan, dan zou de hierboven genoemde zoeklocatie voor een windpark al zijn afgevallen; vanwege onaanvaardbare radar-verstoring; In de derde plaats is sprake van verkeerd geïnterpreteerde gegevens (en kaarten); daarbij wordt verwezen naar kaarten van SOVON waarin de risico's voor vogels door de realisatie van windturbines negatiever worden ingeschat dan in het plan MER. Zie: https://www.sovon.nl/nl/publicaties/achtergronddocument-windenergie-gevoeligheidskaart-vogels. In deze publicatie zijn ook afzonderlijke kaarten voor de regio MRE te vinden. Ten onrechte ontbreekt een vogel hotspot nabij het perceel van

21

het gebruik of de bouwmogelijkheden van het onroerend goed. Voor het bepalen van de vraag of voor individuele gevallen sprake is van planschade, en (zo ja) hoe groot de omvang van deze schade is, kent "Afdeling 6.1 Tegemoetkoming in schade" van de Wet ruimtelijke ordening een aparte procedure. Belanghebbenden die menen in aanmerking te komen voor planschade kunnen na het vaststellen van het plan, binnen vijf jaar hiertoe een verzoek doen via de gemeente. Overigens moet opgemerkt worden dat inkomensderving en/of waardedalingen van onroerend goed geen aanleiding vormen om af te zien van verlening van de omgevingsvergunningen voor het wind- en zonneparken. Een onafhankelijke adviseur (of in sommige gevallen een commissie) beoordeelt dan per individueel verzoek of er sprake is van planschade en of deze voor tegemoetkoming in aanmerking komt. Wanneer de verzoeker recht heeft op een tegemoetkoming in de planschade keert de gemeente deze uit. Er is geen onderzoek bekend waaruit een verband blijkt dat windturbines effect hebben op dierenwelzijn en de gezondheid van dieren door de realisatie van een windpark. Hierbij is nog van belang dat in de uitspraak ABRvS 4 mei 2016 (nr.

201504506/1) de ABRvS – onder verwijzing naar het deskundigenbericht dat in deze procedure was uitgebracht – verder heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat slagschaduw van windturbines leidt tot effecten (stress) op paarden. Verstoring van telecommunicatie past niet bij het detailniveau van dit regionale planMER, aangezien de effecten sterk gelocaliseerd zijn, en een verschuiving van enkele meters al grote effecten kan hebben.De provincie en de MRE stellen zich op het standpunt dat het planMER op het juiste detailniveau aandacht besteedt aan het thema radar. Hierover is ook contact geweest met TNO, de partij die de radarhindertoetsing voor het Ministerie van Defensie uitvoert. De gehanteerde SOVON broedvogelkaart is niet hetzelfde als de gevoeligheidskaart waarnaar eveneens verwezen wordt. De gekozen methodiek onderscheidt op het detailniveau van een planMER de verschillen tussen hoogrisicogebieden en gebieden met een lager risico. Bij een concreet initiatief moet te allen tijde nader ecologisch onderzoek plaatsvinden. Een van de doelen van een dergelijk ecologisch onderzoek is om te beoordelen of het initiatief een effect heeft op de aanwezige vogels(soorten).

Nee

Nee

Nee

cliënt, bij vergelijking met de kaarten van SOVON. Er kan dan ook niet worden gesproken van een goede ruimtelijke ordening, waarbij alle betrokken belangen worden afgewogen. Bovendien is er onvoldoende windkracht in het gebied aanwezig om tot een verantwoorde rentabiliteit te komen van een windpark.

Er is geen sprake van “Maatschappelijk verantwoord ondernemen” en “Duurzaam Ondernemen”. Er dient voldaan te worden aan de OESE-Richtlijnen (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) en de regels voor Duurzaam Ondernemen. Samenvattend kan het plaatsen van windturbines uiteindelijk geen doorgang vinden wegens: 1. de strijd met een goede ruimtelijke ordening; belemmeringen c.q., strijd met bestemmingsplannen, structuurplannen en andere plannen, onder andere in verband met de kampeerboerderij(en) en paardenhouderij(en);

22

In vergelijking met veel andere Europese landen is dit een zeer gunstig windaanbod. De figuur hieronder illustreert dit. Juist door het goede windaanbod in Nederland is windenergie een kostenefficiënte manier van opwekking van duurzame energie.

Nee

Het doel van het planMER is om ruimtelijk inzichtelijk te maken wat de milieueffecten van zonne- en windenergie zijn. Van concrete projecten is nog geen sprake. De discussie over maatschappelijke verantwoord en/of duurzaam ondernemen vindt plaats buiten dit planMER. Het planMER beschouwt de ruimtelijke mogelijkheden op hoofdlijnen. Eventuele concrete projecten zullen altijd nog aan nader onderzoek onderworpen worden. Als bij nader inzien blijkt dat bij een plan niet aan de wettelijke milieunormen kan worden voldaan c.q. niet past binnen een goede ruimtelijke ordening zal geen windpark gerealiseerd worden.

Nee

Nee

2. de impact van de inpassing in het landschap is té groot (255 meter tiphoogte ashoogte en diameter 150 à 170 meter);

3. te grote aantasting van de leefbaarheid; er dient een zo groot mogelijke afstand tot gebouwen, paardenhouderijen, (verblijfs)recreatiegebouwen en (verblijfs)recreatieterreinen te worden aangehouden; 4. te grote veroorzaker van hinder; geluidhinder; geluidsoverlast; (slag)schaduw; lichtvervuiling (knipperende waarschuwingslichten);

5. teveel belemmeringen in verband met (radar-)golven door de lucht, radiografie / radiogolven radio en radar-infrastructuur enz. Denk hierbij aan de vliegvelden Volkel, Eindhoven en de radarlocatie Herwijnen; 6. er is te weinig windkracht om voldoende rentabiliteit te bereiken; 7. er zou veel meer naar alternatieven gekeken moeten worden. Zoals o.a. aardwarmte, waterstof en kernenergie. Ook zou beter aangesloten kunnen/moeten worden bij bestaande industrieterreinen en bestaande (hoofd)infrastructuur als (snel)wegen en waterwegen.

23

De provincie en MRE hebben begrip voor de zorgen van de indiener. Het algemeen maatschappelijk belang van energietransitie naar meer duurzame vormen van energievoorziening dient te worden afgewogen tegen andere betrokken belangen. Hogere windturbines leveren meer energie op. Daardoor zijn er minder windturbines nodig om de energiedoelstellingen te behalen. Het doel van het planMER is om ruimtelijk inzichtelijk te maken wat de milieueffecten van zonne- en windenergie zijn. Van concrete projecten is nog geen sprake. Enige hinder als gevolg van het windpark is niet uit te sluiten. Zie beantwoording t.a.v. geluidshinder en slagschaduw bij voorgaande opmerking. De Inspectie Leefomgeving en Transport Nederland bepaalt hoe de windturbines precies verlicht moeten worden. Hier heeft de gemeente geen invloed op. Wel zijn er recent nieuwe mogelijkheden die de overlast verminderen. Zo hoeven de lampen niet meer te knipperen en kan de lichtintensiteit worden aangepast op de zichtbaarheid. Een verlichtingsplan zal ter goedkeuring aan de Inspectie Leefomgeving en Transport voorgelegd worden. Dit verlichtingsplan behoort geen onderdeel uit te maken van het bestemmingsplan. Zie beantwoording bij voorgaande opmerking.

Nee

Zie beantwoording bij voorgaande opmerking. Het planMER is opgesteld op het detailniveau passend binnen de scope van de gehele RES regio. Het planMER heeft alleen de milieueffecten van zonne- en windenergie beoordeeld. De definitieve selectie van zoekgebieden vindt de komende maanden plaats, waarbij het MER slechts een van de onderdelen is waar de besluitvorming zich op baseert. Onderzoek naar de mogelijkheden van aardwarmte, waterstof en kernenergie zijn buiten dit planMER onderzocht.

Nee Nee

Nee

Nee

Nee

Z6 Naam instantie/indiener: Datum zienswijze:

Particuliere indiener – 4907323 15-6-2021

Zienswijze: Tekst uit zienswijze In hoofdstuk 1 van het plan-MER wordt gestart met een samenvatting van het plan-MER. Hierover heeft de indiener de volgende opmerkingen. Een plan-MER dient voor de onderbouwing van een plan of beleid. Het planMER is uitdrukkelijk bedoeld voor beleidskeuzes in het kader van de RES van de MRE. Het plan-MER heeft aldus de inleiding van het plan-MER drie doelen: 1. Onderzoeken of de doelstelling binnen de zoekgebieden haalbaar is. 2. In beeld brengen wat de milieueffecten zijn van grootschalige zonne- en windparken binnen alle zoekgebieden, zodat de regio nadere keuzes kan maken over welke (delen van) zoekgebieden te benutten. 3. Sturing bieden aan besluitvorming door aan de hand van alternatieven de milieugevolgen van beleidskeuzes inzichtelijk te maken. Het is uitermate van belang dat bij het onderzoek dat het plan-MER uitvoert naar de milieugevolgen, gekeken wordt naar de effecten op het milieu in brede zin. Door hier het begrip milieu breed op te vatten worden naast de gevolgen voor het milieu in strikte zin ook andere relevante aspecten onderzocht en beoordeeld. Alleen op deze manier kan goed inzichtelijk worden gemaakt wat de effecten zijn van grootschalige opwek door middel van windparken en zonneparken voor onder andere de leefomgeving, ecologische waarden en landschappelijke waarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10863742/1