CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-70 RV Bijlage 4.1 Regionale Structuur Warmte

Commissie Ruimte 30 november 2021, gemeente NuenenBij agendapunt: Vaststellen RES 1.0 MRE12.870 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Sterkten • Zelfvoorzienend • Mogelijkheid om koude te leveren

Zwakten • Hoge investering (isolatie, warmtepomp en afgiftesystem) • Bron elektriciteit niet per se duurzaam (korte termijn) • Verzwaring van elektriciteitsinfrastructuur • Hoge investeringskosten voor eindgebruiker • Geluidsoverlast bij luchtwarmtepompen • Extra ruimte in woning voor installatie

Kansen • Landelijk mix van elektriciteit wordt steeds duurzamer waardoor EPC (EnergiePrestatieCoefficient) beter wordt • Nieuwere generatie koudemiddelen heeft dan ook een steeds lagere milieubelasting (F-gassen bij lekkage)

Bedreigingen

Biomassa ketel Door pellets of biomassa te verbranden wordt het huis individueel verwarmt.

Sterkten

Zwakten

• Afgifte systeem warmte : geen aanpassing nodig • Kosten beperkt

• Geen noodzaak tot energiebesparing • Nieuwe CV ketel • Voorzieningszekerheid afhankelijk van opslag van pellets Bedreigingen • Afhankelijk van leveranciers van pellets • Strengere regels rondom emissie van fijne stof

Kansen

Voor plattelandswoningen die nooit op het gasnet zijn aangesloten, en in gebieden waar geen warmtenet aangelegd kan worden en waar woningen slecht te isoleren zijn is een individuele biomassa ketel op dit moment één van de opties naast groen gas en waterstof.

Infraroodpanelen Infraroodpanelen (IR-panelen) zijn een vorm van directe elektrische verwarming. Bij gebruik als hoofdverwarming is het elektriciteitsverbruik ongeveer tweemaal zo hoog als bij een elektrische warmtepomp. Deze techniek is goed toepasbaar bij goed geïsoleerde huizen en buurten met een ruim gedimensioneerd elektriciteitsnet, zodat er niet direct netverzwaring hoeft plaats te vinden. Het wordt vaak ingezet voor aparte ruimtes die tijdelijk verwarmd worden.

Groen gas of hybride ketel

Biogas wordt gewonnen door het vergisten van organisch materiaal, zoals mest, snoeiafval, gras, gft, slib. Biogas is een gasmengsel dat ontstaat als gevolg van biologische enzymatische processen. Gemiddeld bestaat biogas uit 60% methaan en 35% koolstofdioxide, maar er zijn grote variaties. Biogas kan opgewaardeerd worden naar groen gas met dezelfde samenstelling als aardgas (minimaal 88% methaan) De toepassing van groengas in de gebouwde omgeving is een kosteneffectieve invulling van de warmtevraag. Dit omdat er door de toepassing van groengas weinig aanpassingen nodig zijn. Groengas kan gedistribueerd worden door het gasnet en aan de woning zijn ook geen/beperkt aanpassingen vereist. Echter, er is niet voor alle woningen en gebouwen groengas beschikbaar. Uit de verkenning van Gasunie volgt dat er in 2050 naar verwachting 2 miljard m3 groengas beschikbaar zal zijn voor de gebouwde omgeving. Dit is ongeveer 10% van het huidige gasverbruik voor de gebouwde omgeving. Toch is dit getal nog uiterst onzeker, omdat andere sectoren het groengas harder nodig hebben dan de gebouwde omgeving. Voorzichtig gesteld, groengas zal dus zeer selectief ingezet kunnen te worden in de gebouwde omgeving. Dat wil zeggen alleen in buurten waarbij een andere invulling dan groengas leidt tot zeer grote kostenstijging.

De historische binnenstad met monumenten is een voorbeeld van een warmtevrager met beperkte mogelijkheden. Voor deze categorie is een laagtemperatuursysteem niet geschikt, omdat de woningen niet voldoende geïsoleerd kunnen worden. Het aanleggen van een hoge temperatuur warmtenet is in de drukke ondergrond van een gemeente centrum ook vaak complex. In die gevallen blijft hernieuwbaar gas (vaak) als oplossing over.

Sterkten • Afgifte systeem en ketel hoeft niet aangepast te worden • Koken kan nog op gas • Helpt tegen mestoverschot • Voorkomt methaanemissie (broeikasgas) • Kosten beperkt Kansen

Zwakten • Geen noodzaak tot energiebesparing • Concurrentie met andere sectoren (met biobased economie)

Bedreigingen • Beperkt beschikbaar

Mocht isolatie geen optie zijn, omdat het pand oud is (en de kosten hoog oplopen en complexiteit groot is) dan kan de keuze worden gemaakt voor een hybride warmtepomp, waarbij de piekvragen met (duurzaam) gas worden ingevuld. Het pand blijft bij een hybride warmtepomp dus aangesloten op het gasnet. Het gaat dan met name om landelijke buurten en om oude binnensteden. In deze buurten kan begonnen worden met isolatie en elektrisch koken om zoveel als mogelijk het basisniveau te bereiken en kan de HR-ketel in veel gevallen spijtvrij worden vervangen door een hybride warmtepomp, als de bouwkundige staat van het pand het toelaat.

3.3 Innovaties: toekomstige warmtebronnen De innovaties op het gebied van opwek en opslag van warmte zijn belangrijk te identificeren zodat er rekening mee gehouden kan worden voor de wijken die later aan de beurt zijn. Omdat innovatieve technologieen nog onzeker,niet bewezen of nog niet op grote schaal uitgerold zijn kunnen we die nu alleen noemen zonder de potentie te specificeren. Er zijn verschillende innovaties en we noemen hieronder alleen de meeste belovende technologieen die serieuze opties in de toekomst kunnen worden.

Waterstof Waterstof is een energiebron, die ook beschouwd kan worden als een opslag- en transportmedium voor energie. Het gebruik van waterstof is pas duurzaam wanneer de waterstof gemaakt wordt uit water en duurzaam opgewekte elektriciteit. We spreken dan over zogenaamde groene waterstof. Groot voordeel van waterstof is dat het bestaande aardgasleidingnetwerk (na minimale aanpassingen) gebruikt kan worden voor het transport van waterstof. Waterstof kan ook eveneens gemengd worden met aardgas. Waterstof heeft grote potentie voor toepassing in de industrie- en de mobiliteitssector. Het bereiken van hoge temperatuur (> 600 C) in de industrie dankzij waterstof geeft grote aantrekkingskracht voor deze sector aangezien grote bedrijven voor 2022 van aardgas af moeten zijn (brief minister Wiebes van januari 2018) en dat alternatieve duurzame bronnen zeldzaam zijn. Ook wordt door netbeheerders gekeken naar waterstof als middel om seizoenopslag te realiseren en het net minder te mogen verzwaren. Het betekent dat er concurrentie is door toepassing in andere sectoren. De verwachtingen zijn dat waterstof beperkt inzetbaar is voor de gebouwde omgeving en pas gebruikt kan worden als er geen andere bron ingezet kan worden.

Sterkten • Geen aanpassing van afgiftesysteem • Geen CO2 bij verbranding • Seizoen vraag wordt opgevangen door opslag van waterstof • Geen vervanging van aardgasleidingen • Kan geproduceerd worden waar sprake is van een overschot aan duurzame elektriciteit • transport van lokale waterstof is goedkoper dan elektriciteit. Kansen • Waterstof kan op grote schaal in woestijnen geproduceerd worden en inkomst genereren voor ontwikkelingslanden.

Zwakten • Aanpassing van CV ketel • Waterstof kostbaar maar prijs daalt • Omzetting van elektriciteit naar waterstof is nog inefficiënt (wordt steeds beter met nieuwe technologieën, innovatie, schaalvergroting en standaardisering)

Bedreigingen • Concurrentie door andere sectoren

Waterstof kan geschikt zijn voor slechte isoleerbare woningen, in een binnenstad met monumentale panden of oude boerderijen in het buitengebied. Conclusies uit sessie 16-12

Op 16 december hebben we een sessie voor raadsleden georganiseerd over de (on)mogelijkheden van waterstof in onze regio. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies. Gezien de schaarste aan duurzame energie, zoals wind en zon, in een aantal periodes van het jaar (bijvoorbeeld in december en januari) kan waterstof een relevante positie in de energietransitie krijgen in de vorm van energieopslag. De belangrijkste manier voor het maken van groene waterstof is waterelektrolyse. Met deze aanpak splits je water in waterstof en zuurstof. Dit gebeurt met duurzaam opgewekte elektriciteit, dus zonne- of windenenergie. Daarna wordt waterstof opgeslagen in tanks of via gasleidingen getransporteerd richting de eindgebruiker (voor verwarming via een ketel, vervoer of industrie). Aangezien meer dan 90% van de energie die in Nederland wordt verbruikt nog steeds uit fossiele bronnen komt en de doelstellingen vanuit het klimaatakkoord zijn om 49% minder CO2 uitstoot te hebben in 2030 en 95% in 2050 (t.o.v. 1990) is het cruciaal om goed na te denken hoe de energietransitie in goede banen geleid kan worden. Een duurzaam energiesysteem houdt rekening met productie, transport en opslag van energie. Aardgas gaat geleidelijk uitgefaseerd worden.

Rondom het transport van energie is het belangrijk ons te realiseren dat gasleidingen nog prima gebruikt kunnen blijven worden voor duurzaam gas zoals waterstof. Elektrische warmtevoorzieningen zoals warmtepompen maar ook warmtenetten zullen de belasting op het elektriciteitsnet (door extra vraag maar ook door meer gelijktijdigheid) laten toenemen en tot kostbare verzwaring leiden. Slim omgaan met de bestaande infrastructuur is dus belangrijk. Lokale opslag is een prima oplossing en waterstof kan hierin een rol spelen. Waterstof in de gebouwde omgeving kan ingezet worden in de vorm van brandstofcelsystemen (opwek van elektriciteit en warmte), CV ketel, en warmtestraler. De veiligheid van waterstof is vergelijkbaar met aardgas. De degradatiemechanismen die er zijn, leiden niet sneller tot degradatie dan bij aardgas. Bovendien zijn nu apparaten beschikbaar die eventuele lekkages kunnen opsporen (zoals sensoren en detectietoestel). Een aantal concrete voorbeelden van lopende projecten met waterstof als warmtevoorziening zijn op deze avond getoond: • Rozenbrug • De Oude Bornhof, Zutphen met 43 woningen, 1 lunchroom en één pandeigenaar • Uithoorn • Hoogeveen • Eusebiuskerk in Arnhem met warmtestraler bij een monumentale pand (kerk) voor piekverwarming • Ziekenhuis in Elst De techniek is er dus, maar nog niet op grote schaal.

De techniek is duurder dan aardgas, maar niet zo duur als netverzwaring. Het tempo voor de verdere uitrol van waterstof ligt aan politieke keuzes, publieke opinie en lokale kansen. In de Metropool Eindhoven kunnen oude woningen van voor de eerste wereldoorlog die lastig te isoleren zijn geschikte panden zijn met waterstof als warmtevoorziening.

Warmtebatterij De warmtebatterij maakt gebruik van een zogeheten thermochemisch principe. De warmtebatterij voor in huis gaat uit van twee componenten: water en een zouthydraat. Zodra waterdamp en het zout bij elkaar worden gevoegd, bindt het water aan het zout en gaat het zout over in een nieuwe kristalvorm. Bij deze reactie komt warmte vrij. Deze reactie is omkeerbaar. Warmte wordt toegevoegd om het water van het nieuwe kristal af te stoken en zo worden de 2 oorspronkelijke componenten weer verkregen. Feitelijk is het deze warmte die wordt opgeslagen en zolang die twee componenten gescheiden zijn, blijft de opgeslagen warmte bewaard. Hiermee is het een proces zonder warmteverlies, wat weer een voorwaarde is om warmte langdurig op te slaan. Op deze wijze kan er veel warmte opgeslagen worden in een klein volume. Aanzienlijk meer dan water, en aanzienlijk meer dan in zogeheten faseovergangsmaterialen. De warmtebatterij is ontwikkeld door de Technische Universiteit Eindhoven en TNO. TNO in Eindhoven werkt via consortium HEAT INSYDE aan een warmtebatterij op basis van het closed-loop principe, onder atmosferische druk. Hierbij kan de opslag los staan van de reactor. Het doel is uiteindelijk om de gedroogde zoutkristallen elders in een groter vat op te slaan. Zo wordt de opslagcapaciteit onafhankelijk van het vermogen, waardoor grootschaligere toepassingen in zicht komen.

Het zeer corrosieve natriumsulfide is door het open karakter te gevaarlijk. Kaliumcarbonaat (K2CO3) met een iets lager energiedichtheid is daar het opslagkristal. De warmtebatterij zal in drie Europese proeftuingebieden worden gedemonstreerd. Eindhoven is één van de proeftuinen waar de testopstelling gerealiseerd wordt; in de wijk Strijp R (particulier bezit) en bij een huurwoning van woningcorporatie Trudo. Omdat de gebruiksvriendelijkheid van de batterij belangrijk is, wordt de eindgebruiker direct betrokken bij het ontwikkelproces. Het consortium bestaat naast TNO, TU Eindhoven, materialenproducent Caldic, de gemeente Eindhoven en woningcorporatie Trudo ook uit internationale partners uit België, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland en Polen.

Metalfuels Volgens het concept Metal Fuels wordt metaalpoeder gebruikt als duurzame energiedrager zonder uitstoot. Als metaalpoeders verbrand worden komt er warmte vrij en worden de metaalpoeders omgezet in metaaloxides, ook wel bekend als roest. De metaal oxides kunnen met behulp van groene energie weer omgezet worden naar metaalpoeders. Op deze manier ontstaat een duurzame energiecyclus. Metalfuels zijn dus net als waterstof een energiedrager en geen energiebron. Er is energie nodig om ze te regenereren. Metalfuels bevinden zich in de demonstratiefase (TRL5-6). De Technische Universiteit Eindhoven is in 2019 gestart met een industrieel demonstratie systeem op het terrein van Metalot in Cranendonck. Bij Bavaria worden momenteel proeven uitgevoerd.

Asfaltwarmte In de zomer wordt warmte (door zonnestraling) geabsorbeerd en via een buizensysteem overgedragen op water. Deze warmte kan direct worden gebruikt als bron voor de warmtepomp of worden opgeslagen in de bodem. Voordeel bij gebruik van asfaltwarmte is de verlenging van de levensduur van het asfalt. In onze regio is er mogelijk potentie in woonwijken langs de A2, A67, A58 en A50 in combinatie met een lage temperatuur warmtenet. Mogelijk heeft warmte uit asfalt potentie voor de verwarming van woonwijken in de buurt van provinciale wegen (of naast rijkswegen). De opbrengst aan warmte van een wegdek voor een wegvak van 2 rijbanen over een km lengte is 10.000 tot 15.000 GJ per jaar. Dat is ongeveer de warmtebehoefte van 500 tot 700 woningen. Asfaltwarmte is erg kostbaar. Toepassing van asfaltwarmte kan alleen als er synergie kan worden verkregen met bijvoorbeeld wegenonderhoud.

3.4 Infrastructuur in de Metropoolregio Eindhoven: gas-, elektriciteits- en warmtenet De huidige infrastructuur in de Metropoolregio Eindhoven bestaat voornamelijk uit het gas- en het elektriciteitsnet, die beheerd worden door Enexis Netbeheer. Het gas- en elektriciteitsnet tellen ieder ongeveer 350.000 aansluitingen. Daarnaast zijn er twee middelgrote warmtenetten, in Eindhoven en Helmond, en een aantal kleinere warmtenetten in Asten en Waalre. Bij elkaar hebben de huidige warmtenetten in de Metropoolregio Eindhoven op dit moment nog maar een relatief beperkt aandeel van ongeveer 16.500 aansluitingen. In het traject naar een duurzame warmtevoorziening zien we in relatie tot de infrastructuur nog een aantal relevante aandachtspunten en ontwikkelingen: •

•

•

Verduurzamen van het huidige gasnetwerk door grootschalige toepassing van duurzaam gas, bijvoorbeeld groen gas of waterstof, is op termijn te realiseren maar vindt nu nog niet plaats in de Metropoolregio Eindhoven. Bij het realiseren van een aardgasvrije warmtevoorziening of aardgasvrije wijken zou het huidige aardgasnet op die manier een belangrijke rol kunnen blijven spelen. Hiervoor is nader onderzoek noodzakelijk. Het overschakelen op duurzame warmte betekent, afhankelijk van de toegepaste duurzame warmtebron, meestal ook een toename in het gebruik van elektrische (hulp)energie en leidt daarmee tot een extra belasting van het elektriciteitsnet. Afhankelijk van de gekozen bronnen en technieken zal de elektriciteitsvraag (in TWh) ten gevolge van de duurzame warmtetransitie met gemiddeld 33% toenemen. Als de gehele warmtevraag gedekt kan worden door duurzame warmtebronnen moet gemiddeld genomen een derde van deze warmteproductie komen uit elektriciteit. In 2050 is dat dus een derde van de verwachte warmtevraag van 4,4 TWh ofwel 1,5 TWh aan elektriciteit. Dit betekent dat er een forse toename is van de belasting op het elektriciteitsnet. Op sommige plekken in de regio zal de warmtevraag komen uit volledig elektrische oplossingen (met individuele warmtepompen bijvoorbeeld), wat betekent dat de belasting op het net op deze locaties nog hoger zal zijn.

Met de inzet van laagwaardige duurzame energiebronnen en zonthermie zal meer gebruik gemaakt gaan worden van de opslag van warmte en koude in de bodem via open of gesloten systemen, individueel of collectief uitgevoerd. Deze ontwikkeling geeft een druk op het gebruik van de ondergrond en verhoogt het risico op het behoud van de grondwaterkwaliteit. Dit vraagt om een goede risicobeheersing bij de verdere ontwikkeling en uitrol van de warmtetransitie. De Provincie is hiermee bezig via een nieuwe omgevingsverordening.

4. De uitgangspunten voor samenwerking De uitgangspunten voor samenwerking bij de warmtetransitie en de relatie tussen RSW en TVW’s staan in het RES 1.0 hoofddocument. Geen regio van overvloed De Metropoolregio Eindhoven kent geen overvloed aan bovenlokale warmte-bronnen. Er is bijvoorbeeld geen grote industriële sector die veel restwarmte produceert en er is een gedeelte van de regio dat grondwaterbeschermingszones heeft, waardoor er voorzichtig om moet worden gegaan met de bodem en het gebruiken van aardwarmte. Daarnaast staat de duurzaamheid van biomassaverbranding ter discussie. Meer elektriciteitsverbruik voor lokale duurzame opwekking van warmte zorgt voor veel extra belasting van ons net. Vanwege deze redenen is het van belang dat de 21 gemeenten, de provincie en de 2 waterschappen samenwerken om te komen tot keuzes voor de regio met een optimale inzet van de bovenlokale bronnen die we wél hebben. Daarom maken we als regio gezamenlijk een ‘Regionale Structuur Warmte’. 1,5 TWh aan elektrische (hulp)energie Het overschakelen op duurzame warmte betekent, afhankelijk van de toegepaste duurzame warmtebron, meestal een toename in het gebruik van elektrische (hulp)energie. Dit leidt tot een extra belasting van het toch al zwaar belaste elektriciteitsnet.

Als de gehele warmtevraag gedekt wordt door duurzame warmtebronnen moet gemiddeld genomen een derde van deze warmteproductie komen uit elektriciteit. Bij een optimale warmtetransitie betekent dit in 2050 bij een verwachte warmtevraag van 4,4 TWh een toename van 1,5 TWh aan elektriciteitsvraag. Nog hogere netbelasting op sommige plekken Dit betekent dat er een forse toename is van de belasting op het elektriciteitsnet en de vraag naar duurzame elektriciteit. Op sommige plekken in de regio komt mogelijk de warmtevraag uit volledig elektrische oplossingen (met individuele warmtepompen bijvoorbeeld), wat betekent dat de belasting op het net op deze locaties nog hoger is. Dat pleit ervoor om maximaal in te zetten op besparing. Doelstellingen Regionale Structuur Warmte (RSW) Met de Regionale Structuur Warmte willen we: • De bovenlokale / regionale bronnen optimaal benutten; • Desinvesteringen voorkomen; • Maatschappelijke kosten laag houden en daarbij rekening houden met inwoners en bedrijven in nabijgelegen gemeenten. Visievorming in de steigers De Regionale Structuur Warmte geeft inzicht in de potentie van verschillende warmtebronnen in de regio. De RSW brengt vraag en aanbod in beeld, zodat op lokaal niveau vraag en aanbod aan elkaar kunnen worden gekoppeld. Echter, deze informatie is nog grofmazig en moeten we aanvullen met lokale informatie.

Gelijktijdig aan het opstellen van de RSW wordt op lokaal niveau beleid geschreven voor het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Elke gemeente stelt uiterlijk in december 2021 een Transitie Visie Warmte vast, waarin staat in welke wijken voor 2030 wordt begonnen en welke duurzame warmtebron daarvoor in aanmerking komt. Om de informatie en bestuurlijke keuzes op lokaal en regionaal niveau zoveel mogelijk op elkaar aan te laten sluiten is goede afstemming nodig. Naarmate er meer duidelijkheid komt over de lokale invulling van

duurzame warmte, geeft dit op regionaal niveau inzicht in waar het schuurt en/of kansen biedt. Zo vindt er een wisselwerking plaats tussen lokale beleidsontwikkeling en regionale visievorming. Vroegtijdige en regelmatige uitwisseling van informatie voorkomt de ontwikkeling van onuitvoerbare plannen en desinvesteringen. Richting RES 2.0 worden afspraken gemaakt hoe deze uitwisseling structureel vorm gaat krijgen. Ook kijken we welke knelpunten en ondersteuningsvragen de gemeenten tegenkomen, waarbij we gezamenlijk met provincie en waterschappen tot oplossingen kunnen komen. Op verzoek van de gemeenten kunnen we onderzoek doen, innovaties stimuleren, proeftuin projecten inrichten of waar nodig een lobby naar het Rijk opzetten. Daarnaast willen we in een vroeg stadium kunnen signaleren wanneer twee of meerdere gemeenten van dezelfde bron gebruik willen maken. Zo voorkomen we dat er suboptimale verdeling of mogelijke desinvesteringen plaatsvinden. Regionaal afwegingskader Richting RES 2.0 werken we verder aan een methodiek waarin de kosten en baten kunnen worden gewogen. Die zal de basis vormen voor een regionaal afwegingskader. Mogelijk kan een dergelijk kader gemeenten ook helpen in hun functie als warmteregisseur, in dialoog met marktpartijen die bronnen willen ontsluiten en warmteleverancier worden.

De gemeenten in de MRE hebben maar beperkte toegang tot duurzame warmtebronnen. Het is waarschijnlijk dat er situaties ontstaan waarin meerdere gebieden aanspraak kunnen maken op eenzelfde warmtebron. Op basis daarvan wordt dan besloten hoe en waar de bron wordt ingezet en door wie de bron wordt ontsloten? Daarom is het essentieel om regionaal afspraken te maken over hoe we met deze (sub)regionale bronnen omgaan en op basis waarvan een bepaalde bron wordt toegekend aan een bepaalde (deel)wijk. Hiervoor ontwikkelen we richting RES 2.0 een methodiek waarin de maatschappelijke kosten en baten kunnen worden gewogen. Met de 21 gemeenten komen we tot overeenstemming over de weging van deze maatschappelijke kosten en baten en het belang van verschillende indicatoren, zoals landschappelijke inpassing, laagste kosten eindgebruiker, toegang tot alternatieve oplossingen, draagvlak, etc. Voor de regio is bijvoorbeeld relevant welk tempo de MRE-gemeenten kiezen voor het aardgasvrij maken van woonwijken en welke bronnen zij daarvoor in willen zetten. Zo ontstaat een beeld van het toekomstige regionale energiesysteem, met een mix van warmtenetten, elektriciteit, duurzaam gas, opslag en conversie zal worden. Actueel informatieplatform We werken aan een platform waarop alle informatie is verzameld.

Dit platform biedt een actueel overzicht van de beschikbare bronnen en hun potentie, de lopende en de geplande warmteprojecten. Dit platform helpt gemeenten bij het opstellen en aanscherpen van hun lokale Transitievisies Warmte en geeft inzicht in mogelijke samenwerkingen (bijvoorbeeld met buurgemeenten, een waterschap of bedrijven). De opgave om de bebouwde omgeving duurzaam en aardgasvrij te verwarmen is een groot en langdurig traject. Met de tijd wordt er meer ervaring opgedaan en komt er nieuwe informatie beschikbaar. De kennis neemt dus toe en daarmee nemen de onzekerheden in warmteprojecten af. Een actueel informatieplatform helpt om de ervaringen en kennis te delen en uiteindelijk het proces te versnellen. Dit actueel informatieplatform ontwikkelen we samen met de provincie en de NP RES Community of Practice. De provincie heeft met de Energiewerkplaats, het Warmtebronnenregister en het

Expertiseteam Warmte mooie bouwstenen ontwikkeld om gemeenten te ondersteunen. Om nog beter aan te sluiten bij de beoogde gebruikers onderzoeken we hoe we de bestaande platforms kunnen koppelen aan de MRE website, de TVW’s van de MRE-gemeenten en de (actuele) inhoud van de Regionale Structuur Warmte. RSW als dynamisch document De ontwikkelingen in wet- en regelgeving, in projecten en haalbaarheidsstudies en in maatschappelijke inzichten volgen elkaar snel op. RSW is een dynamisch document maken waarin actuele informatie en kennis wordt gedeeld over de warmtetransitie in de regio. Kennis- en leerprogramma Gemeenten krijgen met de warmtetransitie een regierol, terwijl het momenteel nog ontbreekt aan kennis en expertise op dit vlak. In een korte tijd leren we al doende in projecten rondom duurzame warmte. Een gezamenlijk kennis- en leerprogramma kan dan een grote hulp zijn om grote hoeveelheden informatie begrijpelijk en toepasbaar te maken. Denk hierbij aan de nieuwe warmtewet of het proces omtrent ontwikkeling van een warmtenet, verschillende vormen van eigendom en eigenaarschap. Daarnaast staat de MRE bekend als technologische topregio. Een regio bij uitstek waar we inzetten op innovatie en kennisontwikkeling. Deze innovatie hebben we hard nodig in de transitie naar duurzame aardgasvrije warmte. Des te meer omdat in onze regio geen overvloed aan bronnen is.

Omdat we deze moeilijke opgave slim aan willen pakken, maken we afspraken over een gezamenlijke kennis- en leeragenda waarbij we samenwerken met kennisinstellingen en bedrijven.

Scenario’s Om als regio en als gemeenten tot weloverwogen keuzes te komen ten aanzien van de optimale inzet en verdeling van (boven)gemeentelijke warmtebronnen en samenwerking, is een aantal scenario’s uitgewerkt. De scenario’s geven via verschillende invalshoeken inzicht in de effecten van de inzet en verdeling van warmtebronnen op de publieke belangen. Het is niet de bedoeling om te kiezen tussen één van de scenario’s. Met de onderscheidende scenario’s geven we alleen inzicht in de effecten van deze verschillende invalshoeken. Op basis van de scenario’s identificeren we binnen de RSW 1.0 richtinggevende bouwstenen voor de optimale inzet en verdeling van (boven)gemeentelijke warmtebronnen en geven we aan hoe de toekomstige regionale samenwerking rondom warmte vorm kan krijgen. Met deze scenario’s worden zowel lokale alsook gemeentegrens-overstijgende alternatieve warmtestrategieën onderling vergelijkbaar gemaakt. Inzichten zoals opgedaan in deze studie kunnen mogelijk ook bijdragen aan TVW, welke op gemeentelijk niveau worden uitgewerkt. Deze studie is geen vervanging van een TVW. De scenario’s zijn volgens 2 assen bepaald : Proactief versus afwachten en lokale aanpak versus regionale aanpak.

Scenario 1 Scenario 1 heeft als titel “Morgen aan de slag”. In dit scenario wordt er gekozen om op korte termijn laaghangend fruit te plukken en om alleen de moeilijkste clusters na 2030 te pakken. Dit scenario voorziet in een snelle opstart, waardoor dynamiek ontstaat om snel te leren, te ondernemen en te realiseren. Niet constructieve discussies worden in dit scenario vermeden. Snel resultaten boeken om vertrouwen te creëren is in dit scenario belangrijk.

Scenario 2 Scenario 2 heeft als titel “Grote bronnen”. In dit scenario wordt gekozen voor een regionale aanpak met grote regionale bronnen zoals geothermie, biogas en voor een regionale infrastructuur tussen grote steden (Eindhoven en Helmond) en nabij liggende gemeente. Er wordt proactief onderzocht of die haalbaar zijn en er zijn opties om te beginnen met proeftuinen om te leren hoe om te gaan met die grote bronnen. Provinciale en regionale overheden en netbeheerders nemen een sterke positie in dit scenario. Voorzien is dat het aardgasnetwerk geschikt is voor hergebruik met groen gas, wat interessant is voor panden op grotere afstand van een warmtenet. Het verwacht voordeel is dat hierdoor extra verzwaring van het elektriciteitsnet kan worden voorkomen.

Scenario 3 Scenario 3 heeft als titel “Maximale innovatie”. In dit scenario wordt er gekozen om samen te werken aan innovatieve oplossingen. Een samenwerkingsverband wordt getekend met universiteiten en onderzoeksbureaus om nieuwe technologieën voor de opwek en opslag van warmte te onderzoeken en te testen. Een gezamenlijk programma van proeftuinen wordt op regio niveau opgesteld zodat subsidies van de overheid in buurten wordt ingezet die kansrijk zijn en waarmee we bepaalde situaties of technieken in andere buurten van de regio kunnen opschalen. Op korte termijn ligt de focus in dit scenario op isolatie. Keuzes en strategie voor de lange termijn wordt uitgesteld zodat de resultaten van de innovatie en proefprojecten kan worden meegenomen in uiteindelijke keuzes. In dit scenario wordt verwacht dat er na 2030 een regionale versnelling komt van de warmtetransitie.

Scenario 4 Scenario 4 heeft als titel “Eerst besparen”. In dit scenario wordt er gekozen om langzaam op te starten met de makkelijkste wijken met een lokale oplossing (of lokaal warmtenet of all-electric). Er wordt gewacht op inzicht in andere technologieën zoals waterstof en geothermie. De regionale focus ligt in dit scenario tot 2030 dan ook op isolatie van de gebouwde omgeving.

Regionaal warmte model Om het grote gebied van de MRE te analyseren en verschillende scenario’s door te rekenen is een innovatief model gebouwd, gebaseerd op de DWTM Warmtetool. Verschillende transitiepaden zijn op het niveau van clusters doorgerekend. Per scenario is na het wegfilteren van niet-haalbare oplossingen per cluster een transitie pad gekozen. Het resultaat van het scenario voor de gehele MRE is de optelsom van de geselecteerde transitiepaden. De volgende scenario’s zijn in deze studie opgenomen: Aangedragen vanuit RSW-werkgroep - Scenario 1 Morgen aan de slag - Scenario 2 Grote bronnen - Scenario 3 Maximale innovatie - Scenario 4 Eerst besparen

Toegevoegd gedurende looptijd project - Extra scenario Volledig all-electric - Extra scenario Maximale CO2-reductie - Extra scenario Laagste kosten per vermeden CO2

De totale nationale kosten voor de verschillende hoofdscenario’s variëren tussen 11 – 19 miljard euro. Gezien de globale aanpak moet daar een flinke onzekerheidsmarge van circa 40% bij worden genomen. Scenario’s waarin grootschalig wordt ingezet op isolerende maatregelen zijn daarbij relatief extra duur. Daar staat tegenover dat bij maximale isolatie wel de grootste CO2-reductie wordt behaald, namelijk >80% t.o.v. de aardgasreferentie.

De extra belasting van de elektrische infrastructuur als gevolg van de warmtetransitie is ook geanalyseerd. Te zien is dat scenario’s met veel lokaal opgestelde warmtepompen een extra beslag leggen op het elektriciteitsnet. Daar zal rekening mee moeten worden gehouden, aangezien de beschikbare transportcapaciteit (van Enexis) binnen de MRE reeds schaars is en ook de mogelijkheden voor opwek van groene energie in de regio beperkt zijn. In het geval van het allelectric scenario is berekend dat de opgestelde warmtepompen een extra piekvraag van ongeveer 1 GWe impliceren voor het elektriciteitsnet. Door de inzet van warmtenetten zijn er veel minder warmtepompen nodig, waardoor de extra piekvraag voor het elektriciteitsnet lager uitvalt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10796557/1