CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-67 RV Bijlage 7 Bijlagenboek

Commissie Ruimte 30 november 2021, gemeente NuenenBij agendapunt: Wederikdreef21.964 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Rapport 10264.002 versie D1

Pagina 9 van 10

7

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Econsultancy heeft in opdracht van Woningstichting Helpt Elkander een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd aan de Wederikdreef 2 te Nuenen. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de sloop van de huidige bebouwing en nieuwbouw van woningen naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna die Econsultancy in september 2019 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 10264.001, d.d. 1 oktober 2019). Tijdens de veldbezoeken zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld binnen de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie betreft daarnaast geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen en er worden geen vliegroutes van vleermuizen verstoord. Gezien de afstand tot eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen buiten de onderzoekslocatie kunnen negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op deze verblijfplaatsen eveneens worden uitgesloten. Ook worden er geen vaste voortplantings- en/of rustplaatsen van steenmarters, nesten van eekhoorns of jaarrond beschermde nesten beschadigd, verstoord, vernield of weggenomen. Overtreding van de Wet natuurbescherming is bij de voorgenomen ontwikkeling niet aan de orde.

Econsultancy Boxmeer, 23 juli 2020

Rapport 10264.002 versie D1

Pagina 10 van 10

Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/EHS hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/ EHS, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden.

Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap.

Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen.

Ontheffing De Wet natuurbescherming is gemaakt om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status.

Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Vaste rust- of voortplantingsplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk.

Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door vrouwtjes gebruikt, binnen de kraamperiode door individuele mannetjes.

Bijlage 4 Bodemonderzoek



%HVWHPPLQJVSODQ:HGHULNGUHHIWH1XHQHQ RQWZHUS

RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK WEDERIKDREEF 2 TE NUENEN Gemeente Nuenen, sectie F, nummer 3170 PROJECT: 17777

VERANTWOORDING Titel

VERKENNEND BODEMONDERZOEK WEDERIKDREEF 2 TE NUENEN

Opdrachtgever

Helpt Elkander Woningstichting Postbus 48 5670 AA Nuenen

Rapportnummer

17777

Datum

6 november 2019

Projectleider

de heer J.B.P. van der Stroom

Autorisatie

de heer N.P.M.J. van Venrooij

handtekening

handtekening

Boormeester

de heer R.J. van der Laan

handtekening

NIPA milieutechniek b.v. Landweerstraat – Zuid 109 5349 AK Oss

tel. +31 (0)412 – 65 50 58 www.nipamilieu.nl info@nipamilieu.nl

Verkennend bodemonderzoek Wederikdreef 2 te Nuenen, sectie F, nummer 3170

JvdS/17777/2

INHOUDSOPGAVE VERANTWOORDING ________________________________________________________________ 2 1

INLEIDING _____________________________________________________________________ 4

2

LOCATIEGEGEVENS _____________________________________________________________ 5

3

2.1

ALGEMEEN __________________________________________________________________ 5

2.2

VOORONDERZOEK _____________________________________________________________ 5

2.2.1

Omgeving _____________________________________________________________ 5

2.2.2

Bodemgebruik _________________________________________________________ 5

2.2.3

Uitgevoerde bodemonderzoeken___________________________________________ 5

2.2.4

Bodemopbouw en geohydrologie __________________________________________ 6

2.3

DOELSTELLING _______________________________________________________________ 6

2.4

HYPOTHESE _________________________________________________________________ 6

UITGEVOERD BODEMONDERZOEK _________________________________________________ 7 3.1

ALGEMEEN __________________________________________________________________ 7

3.2

VELDWERKZAAMHEDEN _________________________________________________________ 7

3.3

LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN __________________________________________________ 7

4

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE _______________________________________ 8

5

RESULTATEN __________________________________________________________________ 10 5.1

ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ___________________________________________________ 10

5.2

ANALYSERESULTATEN EN BODEMKWALITEIT ___________________________________________ 10

5.3

INTERPRETATIE ______________________________________________________________ 11

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ________________________________________________ 12

7

REFERENTIES _________________________________________________________________ 13

Bijlage 1 2 3 4 5 6 7 8 9

Situering in de regio Kadastrale gegevens Locatieoverzicht Boorprofielbeschrijvingen Analysecertificaten grond en grondwater Toetsingstabellen Fotobijlage Gegevens vooronderzoek Verantwoording veldwerk

Verkennend bodemonderzoek Wederikdreef 2 te Nuenen, sectie F, nummer 3170

JvdS/17777/3

1

INLEIDING Helpt Elkander Woningstichting te Nuenen heeft, in verband met de aanvraag van een Omgevingsvergunning, aan NIPA milieutechniek b.v. te Oss opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 op het perceel Wederikdreef 2 te Nuenen. NIPA milieutechniek b.v. te Oss is een ISO 9001:2015 gecertificeerd onderzoeksbureau. Tevens is NIPA milieutechniek b.v. op grond van artikel 12 van het Besluit bodemkwaliteit erkend voor de werkzaamheid “Veldwerk”. Deze erkenning geldt voor de volgende protocollen: 

2001 – Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen

2002 – Het nemen van grondwatermonsters

2003 – Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek

2018 – Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem

NIPA milieutechniek b.v. verklaart dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de eisen van BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen. De contactpersoon van de opdrachtgever is de heer B. Laké. De werkzaamheden bij NIPA milieutechniek b.v. zijn gecoördineerd door de heer J.B.P. van der Stroom.

Verkennend bodemonderzoek Wederikdreef 2 te Nuenen, sectie F, nummer 3170

JvdS/17777/4

2

LOCATIEGEGEVENS 2.1

Algemeen

De onderzoekslocatie betreft het perceel Wederikdreef 2 te Nuenen en staat kadastraal bekend als gemeente Nuenen, sectie F, nummer 3170. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 4.065 m². De situering van de onderzoekslocatie in de regio is weergegeven in bijlage 1. Het locatieoverzicht is opgenomen als bijlage 3. 2.2

Vooronderzoek

Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd conform hoofdstuk 6 van de NEN 5725. In bijlage 8 zijn de relevante kopieën vanuit het vooronderzoek opgenomen. 2.2.1 Omgeving De onderzoekslocatie is gelegen aan een woonstraat in het centrum van Nuenen. De directe omgeving van de locatie bestaat uit: −

Noordzijde:

Wederikdreef met aan de overzijde woningen met tuin

−

Oostzijde:

Vallestap met aan de overzijde woningen met tuin

−

Zuidzijde:

Sleedoornlaan met aan de overzijde woningen met tuin

−

Westzijde:

woningen met tuin

2.2.2 Bodemgebruik De locatie en de directe omgeving kende tot begin jaren '80 van de vorige eeuw een agrarisch gebruik. De huidige bebouwing is omstreeks 1984 gerealiseerd. Hiervoor is de locatie niet bebouwd geweest.

Voor zover bekend zijn op of nabij de onderzoekslocatie geen tanks aanwezig of aanwezig geweest en hebben zich geen calamiteiten voorgedaan die een mogelijke bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. 2.2.3 Uitgevoerde bodemonderzoeken Bij de gemeente, de opdrachtgever en in ons eigen archief zijn geen bodemonderzoeksgegevens bekend met betrekking tot de onderzoekslocatie. Vanuit de omgeving van de onderzoekslocatie zijn evenmin onderzoeken bekend.

Verkennend bodemonderzoek Wederikdreef 2 te Nuenen, sectie F, nummer 3170

JvdS/17777/5

2.2.4 Bodemopbouw en geohydrologie Voor de bodemopbouw en de geohydrologische informatie is gebruik gemaakt van de Grondwaterkaart van Nederland van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO. Hierin zijn de volgende regionale gegevens samengevat.

De onderzoekslocatie ligt in de gemeente Nuenen. De gemiddelde maaiveldhoogte is circa 14,3 meter +NAP. Plaatselijk kan de bodemopbouw afwijken van onderstaande gegevens.

De in het Holoceen gevormde deklaag, behorende tot de Nuenen Groep, bestaat uit klei, veen en lemig zand en heeft een dikte van circa 30 meter. Onder deze slecht doorlatende deklaag bevind zich het eerste watervoerend pakket bestaande uit de grofzandige formaties van Sterksel en Veghel. Het eerste watervoerend pakket heeft een dikte van circa 55 meter. De scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket bestaat uit kleien en slibhoudende afzettingen van de formatie van Kedichem en Tegelen over een dikte van circa 55 meter. De bovenste helft van het tweede watervoerend pakket bestaat voornamelijk uit grove zanden en grinden behorende tot de formatie van Tegelen. Het onderste deel heeft dezelfde samenstelling en behoort tot de formaties van Belfeld. De bovenste en onderste helft worden van elkaar gescheiden door kleien behorende tot de formatie van Belfeld.

De algemene stromingsrichting van het grondwater is noordelijk. Dit stromingspatroon wordt bepaald door de ondergrondse afstroming van de hoger gelegen gebieden in Limburg. 2.3

Doelstelling

Het onderzoek heeft tot doel vast te stellen of op de locatie bodemverontreiniging aanwezig is, waardoor sprake kan zijn van beperkingen of belemmeringen ten aanzien van het huidige of toekomstige gebruik van het terrein. 2.4

Hypothese

Op basis van de beschikbare gegevens is de hypothese gesteld dat de onderzoekslocatie beschouwd kan worden als een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging.

Verkennend bodemonderzoek Wederikdreef 2 te Nuenen, sectie F, nummer 3170

JvdS/17777/6

3

UITGEVOERD BODEMONDERZOEK 3.1

Algemeen

Verdeeld over de onderzoekslocatie met een oppervlakte van circa 4.065 m² zijn conform de NEN 5740 volgens de strategie voor een onverdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging de volgende boringen verricht:

•

11 boringen tot 0,5 meter -mv (105 t/m 115)

•

3 boringen tot 2,0 meter -mv (102 t/m 104)

•

1 boring tot 1,5 meter onder het grondwaterniveau en afgewerkt met peilbuis (101)

Twee bovengrondmengmonsters en één ondergrondmengmonster zijn geanalyseerd op de parameters van het standaard pakket voor grond vanuit de NEN 5740. Voor de berekening van de gestandaardiseerde meetwaarden zijn van de mengmonsters tevens de percentages aan lutum en organisch stof bepaald. Het grondwatermonster is geanalyseerd op het standaard pakket voor grondwater vanuit de NEN 5740. 3.2

Veldwerkzaamheden

De veldwerkzaamheden, te weten het uitvoeren van de boringen, het plaatsen van de peilbuis, het bemonsteren van de grond en van het grondwater en de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters, zijn uitgevoerd volgens de methoden zoals aangegeven in de relevante NPRen NEN-normen zoals beschreven in de beoordelingsrichtlijn “Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek” [2]. De situering van de boringen is opgenomen in bijlage 3. Alle boringen zijn op 8 oktober 2019 met handkracht uitgevoerd. Het grondwater is op 22 oktober 2019 bemonsterd. De troebelheid (NTU), pH en de geleidbaarheid (Ec) van het grondwater zijn in het veld bepaald. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat VB-002 door de heer R.J. van der Laan van NIPA milieutechniek b.v. De grondwatermonstername is verzorgd door de heer V.L. Burgers van ons zusterbedrijf Archimil b.v. uit Asten. 3.3

Laboratoriumwerkzaamheden

De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd door een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium. Voor de toegepaste analysemethoden wordt verwezen naar bijlage 5.

Verkennend bodemonderzoek Wederikdreef 2 te Nuenen, sectie F, nummer 3170

JvdS/17777/7

4

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE De verontreinigingssituatie van de vaste bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes aan de achtergrond- en interventiewaarde [3 & 4]. De streefwaarden voor grond zijn per 1 oktober 2008 vervangen door de achtergrondwaarden (AW2000), deze zijn vastgesteld in de Regeling bodemkwaliteit [5]. De achtergrondwaarden zijn landelijk vastgesteld en worden in het Besluit bodemkwaliteit als volgt gedefinieerd: Achtergrondwaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehaltes aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. In gemeenten die beschikken over een bodemkwaliteitskaart kan bij een overschrijding van de achtergrondwaarde getoetst worden aan de P90-waarde. Deze geeft een regionaal vastgestelde verhoogde achtergrondwaarde aan. Het grondwater wordt getoetst aan de streef- en interventiewaarden. De streef- en interventiewaarden voor grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2013 [3]. De streefwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de bodem aan.

De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de vaste bodem en het grondwater hebben voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een “geval van ernstige bodemverontreiniging” te spreken dient voor ten minste één stof het gemiddelde gehalte van minimaal 25 m³ grond of 100 m³ grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. In bijzondere situaties, zoals bij volkstuinen en bij kruipruimten, kan reeds bij een geringere omvang en bij gehaltes beneden de interventiewaarden sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op grond van de daadwerkelijk optredende blootstelling aan de verontreiniging dient bekeken te worden of onaanvaardbare risico’s voor mensen en/of ecosystemen optreden.

Verkennend bodemonderzoek Wederikdreef 2 te Nuenen, sectie F, nummer 3170

JvdS/17777/8

Uit de NEN 5740 [1] kan het volgende worden afgeleid. De interpretatie van de onderzoeksresultaten en de noodzaak tot het uitvoeren van vervolgonderzoek hangen voor een belangrijk deel af van de aanleiding en doelstelling van het onderzoek en de ‘gevoeligheid’ van het gebruik en de bestemming van de locatie. Ook de onderzoeksinspanning van het vervolgonderzoek wordt voor een belangrijk deel hierdoor bepaald. Bij overschrijding van de interventiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid te bepalen.

De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of organisch stofgehalte van de bodem. Bij de berekening van de gestandaardiseerde meetwaarden voor de vaste bodem is uitgegaan van gemeten lutum- en organisch stofgehaltes. De gestandaardiseerde meetwaarden zijn bepaald met behulp van BoToVa. De gestandaardiseerde meetwaarden en de toetsing aan de achtergrond- en interventiewaarden zijn opgenomen in bijlage 6.

Bij de interpretatie van de toetsingsresultaten is uitgegaan van de BodemIndex (BI) BodemIndex (BI) = (gestandaardiseerde meetwaarde - AW) / (IW - AW) AW = achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater) IW = interventiewaarde BodemIndex < 0:

gestandaardiseerde meetwaarde < AW

BodemIndex = 0:

gestandaardiseerde meetwaarde = AW

0 < BodemIndex < 0,5:

gestandaardiseerde meetwaarde > AW maar < Tussenwaarde

BodemIndex = 0,5:

gestandaardiseerde meetwaarde = Tussenwaarde

0,5 < BodemIndex < 1:

gestandaardiseerde meetwaarde > Tussenwaarde maar < IW

BodemIndex = 1,0:

gestandaardiseerde meetwaarde = IW

BodemIndex > 1: gestandaardiseerde meetwaarde > IW NB: De BodemIndex heeft geen wettelijk kader en heeft slechts de functie van hulpmiddel bij de interpretaties van de toetsingsresultaten. De Tussenwaarde heeft eveneens geen wettelijk kader, maar wordt veelal toegepast als een signaalwaarde om tot aanvullend onderzoek over te gaan

De BodemIndex per analyseresultaat is eveneens weergegeven in de tabellen in bijlage 6.

Verkennend bodemonderzoek Wederikdreef 2 te Nuenen, sectie F, nummer 3170

JvdS/17777/9

5

RESULTATEN 5.1

Zintuiglijke waarnemingen

Voor de boorprofielbeschrijvingen wordt verwezen naar bijlage 4. De bodem is vanaf maaiveld tot een diepte van circa 2,4 meter –mv, opgebouwd uit siltig zand. Hieronder is de bodem minimaal tot het diepste punt van de boringen, circa 5,2 meter –mv, opgebouwd uit zandig leem. De leemlaag wordt van 3,3 tot 4,2 meter -mv onderbroken door een siltige zandlaag. Tijdens de uitvoering van het veldwerk zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen die op een mogelijke bodemverontreiniging duiden. Hierbij is ook gelet op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen.

De grondwaterstand bevond zich tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden op een diepte van circa 3,7 meter –mv. 5.2

Analyseresultaten en bodemkwaliteit

De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn opgenomen in bijlage 5; de analyseen toetsingsresultaten zijn samengevat in de tabellen 1 en 2.

Tabel 1: monster

Toetsingsresultaten grond deelmonsters

traject

bijmengingen

>achtergrondwaarde

>interventiewaarde

m-mv

MM1

01A t/m 7A

0,0-0,5

-

-

-

MM2

08A t/m 15A

0,0-0,5

-

-

-

MM3

01BC, 04BC, 08BC,

0,35-1,4

-

-

-

14BC

(xxx) bodemindex

Tabel 2: Toetsingsresultaten grondwater monster

filterstelling

pH

Ec in µS/cm

m-mv

Pb01

4,2-5,2

troebelheid

>streefwaarde

>interventiewaarde

zink (0,13)

-

(NTU)

5,46

197

34,28

(xxx) bodemindex

Verkennend bodemonderzoek Wederikdreef 2 te Nuenen, sectie F, nummer 3170

JvdS/17777/10

5.3

Interpretatie

Grond Zowel in de zintuiglijk als schoon beoordeelde bovengrond (MM1 en MM2) als in de zintuiglijk als schoon beoordeelde ondergrond (MM3) zijn geen verontreinigingen met de onderzochte parameters aangetoond.

Grondwater In het grondwater ter plaatse van peilbuis Pb01 is een licht verhoogd gehalte aan zink aangetoond. Licht verhoogde gehaltes aan zink kunnen van nature in het grondwater voorkomen en duiden niet op een noemenswaardige verontreiniging. Voorafgaand aan de grondwatermonstername is een zuurgraad (pH) van 5,46 en een geleidbaarheid (Ec) van 197 µS/cm in het grondwater gemeten. De pH en de Ec hebben, voor deze regio, normale waarden. Tijdens de monsterneming van het grondwater is een troebelheid van het grondwater van 34,28 NTU gemeten. Verondersteld wordt dat het water in de bodem van nature een troebelheid van 0 – 10 NTU heeft. Een troebelheid hoger dan 10 NTU is niet bezwaarlijk maar kan bij de interpretatie van de analyseresultaten worden gebruikt. Een verhoogde NTU kan leiden tot een overschatting van organische parameters en zware metalen. De verhoogde troebelheid hangt waarschijnlijk samen met de aanwezigheid van onoplosbare bestanddelen in het grondwater. Aangezien maximaal een licht verhoogd gehalte aan zink is aangetoond, en de NTU van 10 geen normatieve grens is, bestaat geen aanleiding het grondwater opnieuw te bemonsteren.

Verkennend bodemonderzoek Wederikdreef 2 te Nuenen, sectie F, nummer 3170

JvdS/17777/11

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Wederikdreef 2 te Nuenen, kadastraal bekend als gemeente Nuenen, sectie F, nummer 3170, blijkt dat de vaste bodem niet verontreinigd is met de onderzochte parameters. Het grondwater bevat een licht verhoogd gehalte aan zink. Het verhoogde gehalte heeft waarschijnlijk een natuurlijke herkomst. Op basis van deze resultaten kan de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4, in principe worden aanvaard. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol. Tegen de eventuele bebouwing van de onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. Opgemerkt wordt dat wij slechts een adviserende taak hebben en dat het bevoegd gezag de noodzaak tot de uitvoering van nader of aanvullend onderzoek vaststelt. Alhoewel het onderzoek met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen is uitgevoerd dient opgemerkt te worden dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses wordt uitgevoerd. Niet geheel uitgesloten kan worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is die bij dit onderzoek niet is aangetroffen.

Verkennend bodemonderzoek Wederikdreef 2 te Nuenen, sectie F, nummer 3170

JvdS/17777/12

7

REFERENTIES 1.

NEN 5740, januari 2009. Bodem, bodem- landbodem- strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en grond [13.080.05]. NNI, Delft

2.

Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Beoordelingsrichting voor het SIKB procescertificaat Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek, BRL SIKB 2000, Gouda, 1 februari 2018

3.

Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013, 27 juni 2013, BWBR0033592

4.

Landelijke referentiewaarden ter onderbouwing van maximale waarden in het bodembeleid, RIVM rapport 711701053

5.

Regeling bodemkwaliteit, 13 december 2007, BWBR0023085

Verkennend bodemonderzoek Wederikdreef 2 te Nuenen, sectie F, nummer 3170

JvdS/17777/13

Bijlage 1

Omgevingskaart

Klantreferentie: 17777

0m

125 m

Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich Kadastraal object Nuenen F 3170 Wederikdreef 2, 5672BS Nuenen CC-BY Kadaster.

625 m

Schaal 1: 12500

Bijlage 2

Uittreksel Kadastrale Kaart

Uw referentie: 17777

Wed er ikd reef

2

3170 3171

3571

3175

49

Sl eed oorn laan 3566

2

4

Vallest ap

6

8 10

12

14

0m

Deze kaart is noordgericht

12345 Perceelnummer

25 Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens Bebouwing Overige topografie Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 30 oktober 2019 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers

5m

16

25 m

Schaal 1:500 Kadastrale gemeente Sectie Perceel

Nuenen F 3170

Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.

Bijlage 3

Bijlage 4

01

01

t egel, m aaiveld

0

50

0

edelm an, t egel

A

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, edelm an

B

zand, zeer fijn, m at ig silt ig, zwak hum eus, donker bruin, edelm an

C

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, edelm an

100

-2 -35 -65

D

zand, m at ig fijn, m at ig silt ig, neut raal beige, oranje, m at ig roest , edelm an

150

-140

E 200

leem , st erk zandig, neut raal beige, oranje, m at ig roest , edelm an

250

-240

300 320

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, edelm an

350 370 400

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, grijs, zuigerboor

400

420

leem , st erk zandig, neut raal grijs, oranje, m at ig roest , zuigerboor

450

-330

-370

-420

500 520

-520

t ype p e ilb u is m e t 1 f ilt e r dat um 0 8 -1 0 -2 0 1 9 boorm eest er RL

02

, m aaiveld

0 A

zand, zeer fijn, m at ig silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, edelm an

50

-50

t ype g r on d b or in g dat um 0 8 -1 0 -2 0 1 9 boorm eest er RL

bodem profielen sch a a l 1 :5 0 onderzoek project code dat um get ekend conform pagina

0

W e d e r ik d r e e f 2 N u e n e n 17777 0 9 -1 0 -2 0 1 9 N EN 5 1 0 4 1 va n 6

03

t egel, m aaiveld

0

0

edelm an, t egel A

50

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, edelm an zand, zeer fijn, m at ig silt ig, zwak hum eus, donker bruin, beige, edelm an

t ype g r on d b or in g dat um 0 8 -1 0 -2 0 1 9 boorm eest er RL

04

-2 -45

-50

t egel, m aaiveld

0

0

edelm an, t egel A

50

zand, zeer fijn, m at ig silt ig, zwak hum eus, donker bruin, edelm an

-2

B 100 C

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, zwak roest , edelm an

zand, m at ig fijn, m at ig silt ig, neut raal beige, oranje, m at ig roest , edelm an

150

-90

-140

D 200

-200

t ype g r on d b or in g dat um 0 8 -1 0 -2 0 1 9 boorm eest er RL

05

t egel, m aaiveld

0

0

edelm an, t egel A

50

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, edelm an zand, zeer fijn, m at ig silt ig, zwak hum eus, donker bruin, beige, edelm an

t ype g r on d b or in g dat um 0 8 -1 0 -2 0 1 9 boorm eest er RL

06

-2 -10

-50

, m aaiveld

0 A

zand, zeer fijn, m at ig silt ig, zwak hum eus, donker bruin, edelm an

50

-50

t ype g r on d b or in g dat um 0 8 -1 0 -2 0 1 9 boorm eest er RL

bodem profielen sch a a l 1 :5 0 onderzoek project code dat um get ekend conform pagina

0

W e d e r ik d r e e f 2 N u e n e n 17777 0 9 -1 0 -2 0 1 9 N EN 5 1 0 4 2 va n 6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10799217/1