2021-24 RV RES Bijlage 12 - Stakeholders
Tekst van het document
Regionale Energiestrategie Metropoolregio Eindhoven
6. Reacties op de concept RES 1.0
Bijlage 6.2 Stakeholders
Metropoolregio Eindhoven
1.0
Reactie Jong RES op Concept RES – 10/2/2021 – Marvin Tiemessen Ik ben Marvin Tiemessen, 25 jaar en deel van de generatie die klimaatverandering gaat meemaken én ook diegene die er keihard aan gaat werken om die verandering te stoppen. Dat doe ik niet alleen, maar dat doen we samen met een heel team om de meningen van jongeren in de hele MRE op te halen. Wij zijn de generatie van de toekomst, wij zijn Jong RES. Overal ter wereld verandert het klimaat in rap tempo. De bevolking groeit, de natuur is kwetsbaar en onze traditionele energiebronnen staan onder druk. Langer wachten is geen optie meer. Dat was de ferme taal die werd gebruikt in de concept RES van afgelopen zomer. Laten we dan ook doorpakken en het Europese doel van 55% CO2-reductie omarmen én meteen omzetten in beleid dat impact heeft. We vinden dat de Metropoolregio Eindhoven hier ook een sleutelrol in heeft. Jongeren zijn tevreden over het gebruik van een zonneladder. Ze vinden dat de tredes op de juiste plek staan en vinden de uiteindelijke verdeling van ruimtegebruik in stedelijk en landelijk gebied eerlijk verdeeld op basis van de ladder. We vinden het wel belangrijk dat zonnevelden niet in de weg moeten staan voor het bijbouwen van extra huizen voor de woningencrisis die we ook te verduren hebben. Inmiddels zijn we een dik half jaar verder en is de urgentie omgezet in wachten.
Wij als jongeren vinden het jammer dat het Plan MER een deel van de ideeën en de uitvoering daarvan vertraagt die geen effecten rapportage nodig hebben. Wij zouden dus al willen dat een deel al wordt goedgekeurd en wordt uitgevoerd. Ook vinden we dat de te verwachte netcongesties bij Enexis en TenneT niet ervoor moeten zorgen dat dát de limiterende factoren zijn in de transitie naar een duurzame toekomst en dat we er alles op alles moeten zetten om zoveel mogelijk het klimaat te sparen. Wees dan ook niet bang om andere opties zoals lokale biomassa uit de taboesferen te halen. Met zo’n belangrijk onderwerp als de energietransitie vinden jongeren dat er op hun manier gecommuniceerd naar hen moet worden. Dat betekent communicatie op tijd is, in begrijpelijke taal en ook uitnodigend is om actief aandeelhouder te worden in de transitie. Goed informeren in de vorm van een jongerenproof RES is de eerste stap, een formele stem is een tweede. We merkten bij onze gastles bij het SUMMA college dat de afstand met de beleidswereld groot was en dat de politiek óók een rol speelt in het verkleinen van die afstand. Meten is weten. Naast mooie woorden vinden we ook dat we de politiek aansprakelijk mogen houden voor een goed resultaat.
Transparantie in de voortgang in de vorm van een dashboard waarin duidelijk het doel en de resultaten terugkomen zou het vertrouwen van ons ín jullie om de eigen gestelde doelen te halen vergroten. Het is dan ook niet erg als het tegenvalt want wij weten ook dat de werkelijkheid weerbarstig is. Dan moeten we er gewoon een tandje bij doen. Jongeren vinden het jammer dat er soms de schijn van weinig draagvlak voor duurzame energie in de buurt is. Veel jongeren zijn namelijk vóór een duurzame transitie en willen ook graag het positieve geluid laten horen. Met participatie die representatief is zal je zien dat we meer kunnen dan we denken. We vinden ook dat de overheid een regulerende rol moet nemen om de transitie eerlijk te laten verlopen. Laat stedelijke gebieden ook genoeg energie opwekken voor hun eigen verbruik, bijvoorbeeld lokaal op dak en laat de landelijke gebieden niet alles opwekken. Maar laat ook minder kapitaalkrachtige mensen zoals jongeren meedoen in de baten en niet alleen de lasten. Laten we niet de generatiekloof vergroten, maar de brug slaan. Jongeren willen meedoen met de transitie. Laten we dat dan ook samen met jullie doen.
Reactie op RES 1.0 MRE Geachte leden van de Stuurgroep, Graag reageren de natuurbeschermingsorganisaties Brabantse Milieufederatie, Brabants Landschap, Brabants Particulier Grondbezit en Natuurmonumenten hierbij op de Concept RES 1.0 van MRE. In een verstedelijkt gebied zoals de MRE regio moeten we zuinig zijn op onze natuurgebieden. Corona heeft laten zien dat mensen niet zonder natuur kunnen. Daarbij gaat het om twee zaken: de instrumentele waarde van natuur voor onze gezondheid (schone lucht, biodiversiteit) en om de belevingswaarde (natuurschoon, bomen en water). Omdat natuur belangrijk is, en soms kwetsbaar, hebben we in Brabant het Natuurnetwerk Brabant (NNB) ingesteld. Dat is waardevolle natuur waarvan is afgesproken om die te beschermen. Daarom zijn in het NNB geen windturbines en zonneweides toegestaan. We maken ons bij de RES MRE zorgen over de bescherming van het NNB, met name als windturbines worden geprojecteerd op plaatsen die omringd zijn door NNB, zoals bij Heeze Leende en Valkenswaard. Hier wordt te gemakkelijk gedacht dat de energietransitie een positieve bijdrage levert aan natuurontwikkeling. Zo zijn in Heeze Leende, bij het Leenderbos, enclaves van ongeveer 300 x 500 meter geselecteerd als windlocatie die rondom worden omsloten door NNB en Natura 2000 (zoals omgeving Groote Heide).
Vanuit wettelijke beperkingen zou het hier kunnen, maar vanuit het perspectief van natuurbescherming niet. De minimale afstand van het NNB tot een windturbine zou 500 meter moeten zijn, om vogels en vleermuizen die in NNB-gebied leven voldoende te beschermen. In de Plan-mer wordt alleen de wettelijke overdraai van ca 75 meter aangehouden, maar er zijn verschillende studies en rapporten die wijzen op het belang van minimaal 500 meter afstand tussen natuurgebied en windturbine. Het kan toch niet zo zijn dat aan de ene kant een zoeklocatie voor wind (zoals bij Heeze Leende) zeer negatief scoort voor broedvogels, wintervogels, vleermuizen en andere soorten, maar dat er aan de andere kant positieve kansen zijn voor het verbinden van twee natuurgebieden en het versterken van de groenblauwe mantel. Wij kunnen de redenering daarachter niet volgen. Kortom, we roepen u op om in het afwegingskader een minimale afstand voor windturbines tot het NNB op te nemen van 500 meter, net zo als dat er een minimale afstand tot woningen is van 500 meter, en zelfs van 1000 meter. Ongerepte natuurpanorama’s Daarnaast willen we u vragen om ongerepte natuurpanorama’s in de regio te beschermen. Want met name in/nabij het Dommeldal staat nu een drietal zoeklocaties voor wind op de kaart die zowel qua natuur als qua landschap een forse aantasting zouden betekenen.
Het betreft de locaties bij Borkel (naast Dommeldal), bij natuurgebied De Maaij en naast Dommeldal bij De Hogt (A2 rondweg). De huidige windturbines van 220-240 meter hoogte zullen het naastgelegen kleinschalige
beekdallandschap van de Dommel volledig gaan domineren. Daarmee wordt ernstig afbreuk gedaan aan de beleefbaarheid en de vele investeringen van de afgelopen decennia van vele partijen om die te verbeteren. We maken ons zorgen over de zoeklocatie wind direct te zuiden van de Scheeken (noordkant gemeente Best). En we vinden dat de kern van het Goene Woud vrij zou moeten blijven van windturbines. Wij maken ons ook zorgen over het grote zoekgebied voor zon dat op deze plaats is ingetekend. Ten aanzien van zoekgebieden zon lijkt het ons beter om deze gebieden specifieker aan te geven zodat een duidelijker en transparanter beeld kan worden gevormd over de geschiktheid en wenselijkheid van zo’n zoekgebied voor zonne-energie. Dit is namelijk sterk afhankelijk van gebiedsspecifieke kenmerken. Cultuurhistorisch landschap Tot slot missen we de aandacht voor bescherming van cultuurhistorisch landschap en de Rijksmonumenten in dat landschap. Bij voorbeeld kasteel Heeze met haar ongerepte middeleeuwse vergezichten in Brabant. Kortom, we zouden graag zien dat u de bescherming van de ongerepte natuurpanorama’s en het cultuurhistorisch landschap opneemt in de RES 1.0. We denken vanuit de BMF en terreinbeherende organisaties graag met u mee over hoe de opwek van zon en wind op een natuurpositieve manier kan plaatsvinden in de MRE regio. Met duurzame groet,
Brabantse Milieufederatie Brabants Landschap Brabants Particulier Grondbezit Natuurmonumenten
Concept-verslag vergadering Stuurgroep RES met Adviesgroep RES MRE 10 februari 2021
Aanwezig: Frans Kuppens Ronald Kraus Barbara Marcus Roland Roijackers Hendrik Hoeksema Andries Mulder Rudy Snel Femke Dingemans Theo Gorissen Marvin Tiemessen Jeroen Kok Valerie van Hagen Lisanne Havinga
Gemeente Cranendonck MRE MRE Raadhuis Advies ZLTO Coöperatie Morgen Groene Energie Coöperatie Cranendonck BMF Staatsbosbeheer Jong RES BOM Statkraft / NVDE TU/e
Fons Claessen Rob van Otterdijk
Fontys Gemeente Geldrop-Mierlo
Toon Bosmans Stef Luijten Antoinette Maas Rik Thijs Willem de Graaff Robert Aerts
Gemeente Heeze-Leende Gemeente Bergeijk Gemeente Helmond Gemeente Eindhoven Provincie Noord Brabant Enexis
Wethouder Cranendonck en Voorzitter RES MRE Procesmanager MRE en coördinator RES MRE ZO Brabant Procesmanager werkprogramma Inhoudelijk projectleider RES MRE Bestuurder Directeur energiecoöperatie Morgen Groene Energie Voorzitter energiecoöperatie Cranendonck Directeur Hoofd Staatsbosbeheer Noord-Brabant Jongerenvertegenwoordiger MRE Business developer Projectontwikkelaar Statkraft / NVDE Assistant Professor Building Performance & Principal Scientist System Integration Programmamanager Centre of expertise circulaire economie Wethouder Geldrop Mierlo en vertegenwoordiger subregio Stedelijk gebied Eindhoven Wethouder Heeze-Leende en vertegenwoordiger subregio A2-gemeenten Wethouder Bergeijk en vertegenwoordiger subregio Kempen Wethouder Helmond Wethouder Eindhoven Coördinator RES, vervanger Willem de Bie Strategisch adviseur Energietransitie
1. Opening en mededelingen Frans Kuppens opent de vergadering. Samenwerking is essentieel om tot een regionale strategie te komen. Maar we weten ook dat samenwerking soms balanceren is. In deze bijeenkomst staat de concept RES 1.0 centraal. Het doel van de bijeenkomst is het verzamelen van eerste reacties op de concept RES 1.0 en om gezamenlijk het gesprek aan te gaan over deze concept RES 1.0, en over mogelijkheden om de samenwerking te versterken. Mededelingen: • Afmeldingen ontvangen vanuit de vertegenwoordiging van de woningcorporaties, VNO/NCW en de gemeente Someren. Een aantal deelnemers zal wat later aansluiten. • Agenda is vastgesteld met een toevoeging van dhr. Hoeksema met een aanvullende vraag over het proces. De RES moet deze zomer vastgesteld worden, wat is dan de planning voor de consultatie naar de raden? Antwoord: De huidige planning is om de concept RES 1.0 ter reactie voor te leggen aan de raden, en de concept RES 1.0 incl. reacties aan het Rijk aan te bieden. • Voorstelronde Alle deelnemers hebben zich kort voorgesteld.
2.
Pitches vanuit de Adviesgroep
Aan de deelnemers is gevraagd om een korte pitch te houden als reactie op de concept RES 1.0 en de huidige samenwerking. Een korte samenvatting van de pitches: Namens BMF en de andere terreinbeherende organisaties, Femke Dingemans Belangrijk om binnen de RES niet alleen rekening te houden met de wettelijke beperkingen, maar ook met natuurperspectief, de beleefbaarheid van de natuur en de investeringen die de diverse partijen hebben gedaan om deze beleefbaarheid te behouden en te verbeteren. Niet alleen het gebruik van het landschap, maar ook de bescherming van de natuur mag een plek krijgen in de RES. Namens de energiecoöperaties, Andries Mulder 5 belangrijke aandachtspunten: • Participatie: participatie is veel verbeterd, we voelen ons meer betrokken. De belangenorganisaties zijn beter aangesloten, maar de kloof naar bewoners is nog erg groot. Graag meer aandacht voor de bewoners. • Zonneladder: Deze is al verbeterd ten opzichte van de Concept-RES, maar nog niet sterk genoeg. Er moet nog veel energie gestoken worden om zon op dak bij kleinschalige projecten te stimuleren. Hierbij zou de overheid een actievere rol kunnen spelen. • Visie gemeenten: De vertaling van de RES naar lokaal beleid/lokale visies verdient meer aandacht. • Netwerk Enexis: Benieuwd naar concretisering m.b.t. de netcapaciteit. • Warmte: Uitwerking nog heel erg naar binnen gericht.
Het dreigt nu meer een overheidsdiscussie te worden, maar ook hier vragen we meer aandacht voor de samenwerking met bewoners en coöperaties. Namens JongRES, Marvin Tiemessen Wij zijn de generatie van de toekomst, en de MRE heeft hier een sleutelrol in. Veel jongeren zijn voor een duurzame energietransitie en we willen hier samen in optrekken. De afstand tussen jongeren en de ambtelijke organisatie is groot, hier kan de overheid een rol in spelen. Graag meer aandacht voor de balans in ruimtegebruik tussen grootschalige opwek, en de groei van het aantal woningen. Namens ZLTO, Hendrik Hoeksema Boeren en tuinders in regio willen graag een grotere bijdrage leveren aan het vraagstuk en aan de oplossing. 5 belangrijke aandachtspunten: • Inzetten op, het behouden van en het inrichten van de agrarische structuur. Je hebt goede grond en goede agrarische structuur nodig. De agrarische structuur zou een plek moeten krijgen in het afwegingskader. Duurzame landbouw heeft meer grond nodig. • Participatie en Ontwikkelfonds: Hoe kunnen we de participatie van boeren en burgers vergroten door te kijken naar een ontwikkelfonds, bijv.
voor verdere verduurzaming in de landbouw? • Glastuinbouw: de combinatie van warmte en CO2 lijkt een voor de hand liggende combinatie maar is in RES onderbelicht • Regie: Lokaal worden al allerlei besluiten genomen voor kleinere projecten, maar past dit allemaal ook in de RES? Meer aandacht voor de samenhang tussen regionaal-lokaal. • Verbinding, meedoen, gehoord worden: Landbouw/landelijk gebied wordt haast niet benoemd, het gaat voornamelijk over innovatie en stedelijk gebied. De kansen in landelijk gebied worden echt onderbelicht. Hier graag meer aandacht voor samenwerking, en het ontdekken van mogelijkheden.
Namens Vereniging van Duurzame Energie (NVDE), Valerie van Hagen Fijn dat de tijd wordt genomen voor de MER-procedure. Aandachtspunt is dat de berekeningen wel worden gedaan met de nieuwste technieken, en dat ook belemmeringen in kaart worden gebracht. Zorg uitgesproken over haalbaarheid en betaalbaarheid van alle plannen voor de zoekgebieden. Lisanne Havinga, TU/e De vraag is of we de uiteindelijke ambitie hoger kunnen stellen. We hebben nu al 1,1 TWh, dus meer dan 2TWh moet haalbaar zijn. Goed om het totaalplaatje onderdeel te laten zijn van het geheel. • Opslag van energie is nu nog onderbelicht, maar zal in de toekomst een belangrijke plek te krijgen. • Goed om meer aandacht te besteden aan de uitwerking van de diverse onderwerpen. Warmte is nu nog onderbelicht. Fons Claessen, Fontys • De concept RES 1.0 is een goed, samenhangend plan. • Handelen met de kennis en techniek van nu. • Wat betekent het plan en de transitie economisch in de regio? Hier wil Fontys graag in meedenken. • Besparing en gedragsverandering: is wel ingewikkeld, maar heel belangrijk voor succes. Ook hier kan Fontys in ondersteunen.
3. In gesprek tussen stuurgroepleden en leden Adviesgroep In het gesprek komen onder andere de volgende punten aan de orde: • Draagvlak en participatie: blijft lastig om hier goed invulling aan te geven. • Aandacht voor zoekgebieden langs de A67. Voorstel om een vervolggesprek te plannen tussen HeezeLeende en de BMF. • Behoefte aan concretisering hoe we burgers kunnen activeren om te besparen. • Koester de boeren die willen blijven en die hun bijdrage willen leveren aan de energietransitie. • Er mag in de teksten in de RES wel meer aandacht voor verbinding met de agrarische sector. Vanuit ZLTO wordt hier graag bij geholpen. • Lobby voor congestieproblematiek vanuit deze tafel zou mooi zijn. • Behoefte aan meer concretisering wat innovatie betekent voor de RES. Zoek naar concrete pilotlocaties. • Veel gemeenten willen zich graag aanbieden als pilotgemeente voor innovatie. Algemeen: Er is veel behoefte aan samenwerking en samen het gesprek voeren. Iedereen wil graag het gesprek aangaan en kennis delen. Ronald Kraus geeft een toelichting op het vervolgproces. Graag willen we alle reacties opnemen in de bijlage van de concept RES 1.0. In de Stuurgroep RES en in het Portefeuillehoudersoverleg energietransitie worden de laatste wijzigingen in het concept overwogen.
Hiervoor gebruiken we de input vanuit dit overleg en vanuit de gemeenteraden met de vraag om deze input schriftelijk in te brengen, liefst voor woensdag 3 maart. Eind juni zal de concept RES 1.0 ook worden aangeboden aan het Rijk. In het najaar van 2021 wordt de planMER afgerond. Met alle beschikbare informatie en input kan dan ook de RES 1.0 worden voltooid.
4. Rondvraag en sluiting Algemene opmerkingen/acties: • Over enkele weken wordt een vervolgoverleg gepland met de Adviesgroep om samen het gesprek te voeren over de uitvoering, op basis van de eerste uitkomsten van een analyse naar mogelijke samenwerkingsmodellen die momenteel wordt uitgevoerd. • Dit najaar wordt een vervolgoverleg gepland met de Adviesgroep om te reflecteren op de afronding van de planMER en een voorstel tot verdere selectie van zoekgebieden, dat daaruit volgt. • We zoeken ook naar mogelijkheden om meer samen vorm te geven aan de RES. Het opnemen van de reacties vanuit deze groep in de bijlagen van de concept RES 1.0 is een begin. • We zullen met het verslag een contactenlijst meesturen van de Adviesgroep, zodat ook onderling contact kan worden gelegd. Geen verdere vragen voor de rondvraag. De voorzitter bedankt ieder voor de actieve inbreng. Goed om elkaar op deze manier te spreken, en we hopen dat de partijen elkaar onderling ook steeds beter weten te vinden, om zo ook op lokale schaal tot versnelling te komen.
Reactie Lokale Energiecollectieven op de Concept RES 1.0 Binnen de Metropoolregio Eindhoven zijn 25 lokale energiecollectieven (LEC’s) actief die vanuit de bewoners, bottom-up initiatieven ontplooien om de energietransitie vorm te geven. Een aantal van deze organisaties investeert als energiecooperatie namens haar leden in collectieve opwekvoorzieningen. Het regionaal overleg van deze LEC’s plaatst onderstaande kanttekeningen bij de gepresenteerde Concept RES 1.0..
1. Urgentie o Het halen van de klimaatdoelen heeft een zeer hoge urgentie. Feitelijk verkeren we in een noodsituatie waarin snel handelen noodzakelijk is. De concept RES 1.0 ademt naar de mening van de LEC’s in de regio te weinig van deze urgentie uit. o Vrijwel alle maatregelen die concreet voorgesteld worden zijn tijdelijke maatregelen (waarbij de tijdelijkheid een periode van 15 tot 25 jaren kan omvatten). Het ontbreekt nog aan concrete maatregelen die zorgen voor een structurele omslag die noodzakelijk is om de globale en nationale lange termijn doelen uit de klimaatakkoorden (als een maximale temperatuurstijging van 1,5 graad in 2050 en 50% minder CO2 uitstoot in 2030) aantoonbaar op een bestendige manier te realiseren. De huidige ontwikkelingen laten geen ruimte om nu nog langdurig te wikken en te wegen. De LEC’s pleiten voor een veel strakkere sturing op de bijdrage van de regio aan deze concrete doelen en daarmee hogere urgentie voor de implementatie van structurele maatregelen. 2. Participatie bij het tot stand komen van de RES 1.0 o Belangrijke doelstelling van de RES is om gezamenlijk met alle betrokkenen, inclusief inwoners en regionale bedrijven, te komen tot een gedragen Energiestrategie voor de regio.
Terecht wordt in de concept RES meerdere malen beschreven dat hiervoor ‘burgers zo vroeg mogelijk betrokken moeten worden’, waardoor er draagvlak ontstaat voor de uit te voeren maatregelen. o Wij stellen vast dat vertegenwoordigers van belangenorganisaties geleidelijk meer zijn betrokken bij de uitwerking van de Concept RES 1.0. Tegelijkertijd is de kloof naar de meeste inwoners van de regio nog erg groot. Slechts weinig inwoners realiseren zich echt wat zich binnen de RES afspeelt en voelen zich hierbij betrokken. o Draagvlak voor de uitvoering ontbreekt hierdoor op veel plaatsen. In de dagelijkse praktijk is er door het niet meenemen van inwoners een groeiende weerstand merkbaar tegen concrete initiatieven, met name als deze zichtbaar zijn in het landschap. Gebrek aan draagvlak voor concrete initiatieven dreigt zo een bottleneck te worden in het realiseren van de klimaatdoelstellingen. Het betrekken van inwoners en bedrijven moet daarom structureel beter aangepakt worden. De RES 1.0 moet hiervoor concrete uitvoeringsplannen bevatten. 3. Rol gemeenten in regionale realisatie o Veel gemeentes in deze regio benadrukken in het RES proces voortdurend de noodzaak van ‘lokaal maatwerk’. Dit vertaalt zich ook in gemeentelijke visies, beleidstukken en afwegingskaders die afwijken van de RES.
Zoekgebieden worden anders belegd, participatie wordt anders ingevuld, loketten en projecten worden gefragmenteerd aangepakt.
o
o
o
Goede oplossingen voor de energietransitie houden zich echter niet vanzelfsprekend aan gemeentegrenzen. Het niet regionaal benaderen van opgaven werkt op een aantal aspecten contraproductief. Zo gaan gemeentes verschillend om met het streven naar 50% lokale participatie. In een aantal gevallen wordt dit uitgangspunt bij lokale initiatieven te makkelijk losgelaten. Het gevolg is dat opbrengsten van makkelijk te realiseren projecten grotendeels buiten de regio terecht komen en niet bijdragen aan lokale participatie en verdere ontwikkelingen. Bij initiatieven waar tijdens de uitvoering wel tegen draagvalk issues wordt aangelopen zijn deze vaak al zo geëscaleerd dat energiecooperaties, als ze eenmaal betrokken worden, een zeer moeilijke tot onmogelijke uitgangssituatie hebben. Gemeenten moeten het streven naar 50% lokaal eigendom in het vroegst mogelijke stadium serieus opnemen, anders gaat draagvalk verloren. Daar waar veel gemeentes zoveel mogelijk publieke taken afstoten, zijn er gemeentes die juist weer een actieve rol voor zichzelf zien in grootschalige opwekking of warmtenetten. Dit wordt door inwoners niet ervaren als daadwerkelijke participatie. Als LEC’s pleiten wij voor het direct (bovenlokaal) participeren van de inwoners en bedrijven in de lokale initiatieven.
4. Daken en non-regret o In de Concept RES 1.0 is een verbeterde zonneladder opgenomen. De eerste trede op zonneladder is ‘daken’. De ambities ten aanzien van initiatieven op deze trede komen echter niet verder dan aangeven dat we ‘dit monitoren en ons er voor inzetten de kansen te benutten’. Aan trede 2 en verder worden vele bladzijden worden gewijd. o In de dagelijkse praktijk blijkt juist realisatie van PV op daken lastig te realiseren. Door de kleinschaligheid is de business case lastiger dan grootschalige, grondgebonden ontwikkelingen. Daarnaast zijn er veel praktische hobbels: planning van dakonderhoud, eigendomskwesties, Enexis aansluitingen, draagkracht van daken, verzekeringen, etc.. Hierdoor zien we in de dagelijkse praktijk, daar waar projectontwikkelaars op alle manieren trekken aan grondgebonden projecten vanwege het goede rendement, te veel dakprojecten vooralsnog stranden in goede voornemens. Veel dak / non-regret is daardoor nog niet gerealiseerd, hetgeen ook tegen werkt bij het verkrijgen van draagvlak voor grondgebonden projecten. Als energiecooperaties vinden wij de monitorings- en inspanningsverplichting zoals die in de RES beschreven staat veel te zwak: er moet een veel actievere overheidssturing komen om PV op daken te realiseren. Ook om te voorkomen dat hogere treden van de ladder onnodig worden beklommen om de doelstellingen te halen. 5.
Netinfrastructuur o De concept RES 1.0 bevat een aantal vanzelfsprekende waarheden over de congestie op de netinfrastructuur (afstemming nodig, planning noodzakelijk). Er worden echter geen duidelijke uitspraken gedaan of de benodigde uitbreidingen op tijd gerealiseerd zijn om de doelen 2025, 2030 en 2050 te halen. Ons gevoel uit de dagelijkse praktijk is dat veel initiatieven momenteel stilvallen vanwege het ontbreken van zicht op beschikbaar zijn van de benodigde infrastructuur. Zonder onderliggend plan voor opschaling van de netinfrastructuur ontbreekt het in de concept RES 1.0 aan voldoende realiteitszin en worden doelen niet gehaald. 6. Warmte o Warmte is een heel groot onderwerp; de uitwerking van de benodigde maatregelen loopt echter achter bij opwek en besparing. Dit is goed verklaarbaar, oplossingen
voor dit vraagstuk zijn minder vanzelfsprekend. Alle acties, stappen en uitwerkingen op dit gebeid als benoemd in de concept RES 1.0 liggen bij de overheid: in casu gemeenten, provincies en waterschappen. Wij pleiten voor een stevige veel bredere taskforce op dit gebied, zodat in de komende twee jaar een forse inhaalslag gemaakt kan worden. De warmtetransitie moet geen exclusief overheidsfeestje worden, maar een vraagstuk waar inwoners, bedrijven en andere publieke organisaties aan meedenken en meewerken. 7. Energiecoöperatie of -verenigingen o Energiecoöperaties richten zich op het actief betrekken van inwoners en lokale bedrijven bij opgaven als energiebesparing en het opwekken van duurzame energie. Zij zijn zeer belangrijke schakels in het verkrijgen van draagvlak en uitvoeren van lokale initiatieven die bijdragen aan de energietransitie. o De RES 1.0 zou meer waarde toe moeten kennen aan het versterken van deze lokale energiecoöperaties en verenigingen in de samenleving. Enerzijds door de bestaande energiecoöperaties te faciliteren in hun ontwikkeling, anderzijds door initiatieven te bevorderen in gemeenten waar deze nog niet bestaan. De RES 1.0 zou hiertoe een uitvoeringsvoorstel moeten bevatten. 8. Financiën o Wij verbazen ons dat er in de RES geen enkele aandacht is voor de financiële impact van de voorgestelde maatregelen.
Wel zien wij een aantal belangrijke financiële vraagstukken opkomen die gevolgen hebben voor de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de RES. o De energietransitie mag niet tot gevolg hebben dat mensen uitgesloten worden of inkomensverschillen verder vergroot worden. Energie is in de ogen van de cooperaties een collectief goed. o Het is van belang de zeggenschap over en opbrengsten van investeringen in de regio te houden zodat deze weer benut kunnen worden voor verdere ontwikkelingen. Dit betekent dat initiatieven van buiten, die de resultaten wegsluizen naar (buitenlandse) investeerders geen structurele bijdrage leveren en dus voorkomen moeten worden. Bovendien moeten opbrengsten vanuit gebieden waar initiatieven relatief makkelijk te realiseren zijn gebruikt worden om moeilijker initiatieven in de regio tot ontwikkeling te brengen. Dit vraagt een regionale sturing en uitvoeringsorganisatie die uitgaat boven gemeentelijke verantwoordelijkheden. 9. Diverse In de concept RES 1.0 staan nog een paar slordigheden: • ‘Energiecorporaties’ in plaats van ‘energiecoöperaties’. • Zonnepark Welschap wordt, als grootste 100% door omwonenden gefinancierde zonnepark van Nederland, niet op de kaart getoond als gerealiseerd project. • In het schema op pagina 20, ‘Financiële participatie-impact’ lijk het alsof het ontwikkelfonds per definitie een stichting is.
Afhankelijk van de gekozen oplossing kan dit uiteraard in een specifieke situatie ook een andere rechtsvorm zijn als coöperatie of lokale vereniging, die handelt aan de hand van een in samenspraak met de gemeente opgesteld afwegingskader.