CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-24 RV RES Bijlage 09 - voorlopige planMER RES MRE

Gemeenteraad 3 juni 2021, gemeente NuenenBij agendapunt: Input ophalen concept RES 1.025.058 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Regionale Energiestrategie Metropoolregio Eindhoven

4. Duurzame Opwek

Bijlage 4.2 P  lanMER RES Metropoolregio Eindhoven

Metropoolregio Eindhoven

1.0

Bosch & van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht 030 – 677 6466

Auteurs Steven Velthuijsen Quinten Isselman Martijn Disco

Opdrachtgever Provincie Noord-Brabant Metropoolregio Eindhoven

Voorlopig PlanMER grootschalige zon en wind Regionale Energiestrategie (RES) Metropoolregio Eindhoven

Voorlopig PlanMER grootschalige zon en wind Regionale Energiestrategie (RES) Metropoolregio Eindhoven

Versie 26 februari 2020

Bosch & Van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht Tel: Mail: Web:

030-677 6466 info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl

© Bosch & Van Rijn 2021 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie

PlanMER RES MRE

Inhoudsopgave H OOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8

H OOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8

H OOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

H OOFDSTUK 4

II

Inleiding en overzicht doelen Belemmeringen en mogelijkheden Afbakening Omgevingseffecten wind Omgevingseffecten zon Alternatieven en milieubeoordeling Mitigerende maatregelen Aanzet tot evaluatieprogramma

iii v vii viii xii xvi xix xxi

INLEIDING

23

Aanleiding Waarom een plan-/project-MER Betrokken partijen Onderzoeksopgave (Doel) Opbouw van het MER MER i.r.t. stappenplan commissie m.e.r. Beleidskader Leeswijzer

24 25 26 27 28 29 30 30

CONTEXT

31

Inleiding Procesgeschiedenis RES MRE Reikwijdte en Detailniveau van het MER Totstandkoming zoekgebieden Overige uitgangspunten Referentiesituatie en autonome ontwikkelingen

32 32 35 36 36 37

BELEMMERINGEN

39

4.1 4.2 4.3

Inleiding Windenergie Zonne-energie

40 40 45

H OOFDSTUK 5

AFBAKENING

48

Inleiding Beschrijving windparklocaties Beschrijving zonneparken

49 50 52

OMGEVINGSEFFECTEN WIND

58

Inleiding effectbeoordeling wind Beoordelingsmethodiek Energieopbrengst windparklocaties Effecten windparklocaties op leefomgeving Effecten windparklocaties op landschap Effecten windparklocaties op ecologie Windparklocaties en netinpassing Samenvatting effectbeoordeling windparklocaties Effectbeoordeling zoekgebieden windenergie – milieuthema’s Effectbeoordeling zoekgebieden windenergie - bredere thema’s Samenvatting effectbeoordeling zoekgebieden – windenergie

59 59 60 63 71 88 96 97 99 105 111

OMGEVINGSEFFECTEN ZON

113

Inleiding effectbeoordeling zon Effecten zonneparken op leefomgeving Effecten zonneparken op landschap Effecten zonneparken op ecologie Energieopbrengst zonneparken

114 114 116 136 143

5.1 5.2 5.3

H OOFDSTUK 6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11

H OOFDSTUK 7 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5

Samenvatting

SAMENVATTING

2

PlanMER RES MRE

7.6 7.7 7.8

H OOFDSTUK 8 8.1 8.2 8.3

H OOFDSTUK 9 9.1 9.2 9.3

H OOFDSTUK 10 10.1 10.2 10.3

BIJLAGEN BIJLAGE A BIJLAGE B B.1 B.2 B.3 B.4

BIJLAGE C BIJLAGE D

Samenvatting

Zonneparken en netinpassing Bredere thema’s zon Samenvattende beoordelingstabel zon

149 151 156

ALTERNATIEVEN

157

Inleiding en totstandkoming alternatieven Milieubeoordeling alternatieven Analyse alternatieven

158 161 166

MITIGERENDE MAATREGELEN

167

Windturbines Zonneparken Mitigatie van landschappelijke effecten van zonneparken

168 169 170

LEEMTEN IN KENNIS EN AANZET VERVOLGONDERZOEK

177

Leemten in kennis Discussie Ecologie Evaluatieprogramma

178 178 181

AFKORTINGEN BELEIDSKADER

182 183 184

Inleiding Europees en rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal en gemeentelijk beleid

184 184 186 190

TECHNISCHE BIJLAGE LANDSCHAP TECHNISCHE BIJLAGE ECOLOGIE

193 193

3

Voorlopig PlanMER RES MRE

Hoofdstuk 1 Samenvatting

Samenvatting

ii

Voorlopig PlanMER RES MRE

1.1

Inleiding en overzicht doelen

Dit document is een milieueffectrapport (MER1) dat de milieugevolgen beschrijft van grootschalige zonne- en windparken in vooraf bepaalde zoekgebieden binnen de metropoolregio Eindhoven (MRE). De MRE is een samenwerkingsverband van 21 gemeenten, de waterschappen Aa en Maas en de provincie Noord-Brabant. Figuur 1

De Metropoolregio Eindhoven (MRE)

De MRE stelt een Regionale Energiestrategie (RES) op. In de concept-RES die de regio vorig jaar heeft gepubliceerd staat dat het doel is om in 2030 2 TWh aan duurzame elektriciteit te produceren2. Een deel hiervan (ca. 0,57 TWh) zal met grootschalige nieuwe zonne- en windparken moeten worden opgewekt. In de concept-RES waren ook zoekgebieden aangewezen waarbinnen deze doelstelling voor grootschalige opwek moet worden gerealiseerd.

1

2

Samenvatting

Er zijn twee soorten MER: een planMER en een projectMER. Een planMER dient ter onderbouwing van een plan of beleid. Een projectMER dient ter onderbouwing van een vergunningaanvraag voor een concreet project. Dit rapport betreft een planMER, maar voor de leesbaarheid wordt vaak volstaan met MER. De landelijke doelstelling van de 30 regio’s die elk een RES opstellen is 35 TWh duurzame (grootschalige) elektriciteitsproductie in 2030.

iii

Voorlopig PlanMER RES MRE

1.1.1

Doel MER

Het MER heeft drie doelen: ➢ Onderzoeken of de doelstelling binnen de zoekgebieden haalbaar is. ➢ In beeld brengen wat de milieueffecten zijn van grootschalige zonne- en windparken binnen alle zoekgebieden, zodat de regio nadere keuzes kan maken over welke (delen van) zoekgebieden te benutten. ➢ Sturing bieden aan besluitvorming door aan de hand van alternatieven de milieugevolgen van beleidskeuzes inzichtelijk te maken. Het opstellen van een MER voor de hele regio heeft als voordeel dat ook gezocht kan worden naar een ‘regionaal optimum’ en niet elke gemeente binnen haar grondgebied de beste plekken uitzoekt. Wel blijft het zo dat elke gemeente uiteindelijk gaat over haar eigen grondgebied, en is het MER (en de RES) vooral een hulpmiddel in de energietransitie. Dit MER bevat objectieve informatie over de effecten van zonne- en windparken, maar maakt geen keuzes en geeft geen voorkeuren aan; de beoordeling moet voor zich spreken en de regio ondersteunen bij het maken van locatiekeuzes. Omdat het MER veel verschillende thema’s onderzoekt is het niet eenvoudig om ‘de beste’ locaties aan te wijzen. Een locatie kan op het ene thema goed scoren, maar op een ander thema juist minder. Uit het onderzoek blijkt dat er weinig locaties zijn die over de breedte beschouwd ‘goed’ of ‘slecht’ geschikt zijn.

Daadwerkelijke keuzes voor welke (delen van) zoekgebieden worden ingezet voor grootschalige opwek zullen een belangenafweging zijn waarbij zowel milieutechnische, maar ook maatschappelijke, economische en politieke belangen een rol spelen. Doel van het MER is om te zorgen dat het milieubelang in deze afweging een volwaardige plaats heeft. Dit document is een ‘voorlopig MER’ omdat het nog geen ‘Voorkeursalternatief’ bevat. Dat komt omdat de initiatiefnemers van het MER (de gemeenten, waterschappen en provincie) eerst de objectieve resultaten van het MER willen bestuderen, voordat zij definitieve keuzes maken. 1.1.2

Uitgangspunten

De belangrijkste uitgangspunten van het MER zijn: ➢ De notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD), samen met de daarop ontvangen zienswijzen, het advies van de commissie voor de m.e.r. en het advies van Brabant Advies dienen als uitgangspunt van het MER. ➢ De zoekgebieden uit de concept-RES zijn leidend. Wel is voor windenergie in het MER onderzocht in hoeverre er buiten de zoekgebieden nog mogelijkheden zijn. Voor zon bouwt het MER voort op het ontwerpend onderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van de concept-RES en beschouwt het MER alleen de milieueffecten van zonneparken binnen de zoekgebieden. ➢ Het MER beperkt zich tot de milieueffecten van grootschalige zonne- en windparken. Voor windparken geldt een ondergrens van 3 windturbines, conform de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Reden om enkel naar zon en wind te kijken is dat deze opwekvormen veruit de grootste potentie hebben, zeker omdat gekeken wordt naar de periode tot 2030 en eventuele innovatieve alternatieve opwekvormen naar verwachting voor die tijd nog geen belangrijke bijdrage kunnen leveren.

Samenvatting

iv

Voorlopig PlanMER RES MRE

➢ Het detailniveau van het MER is passend bij het plangebied. Dat betekent dat er geen detailberekeningen of veldbezoeken zijn uitgevoerd. ➢ Beschermde natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland, waaronder alle Natura 2000-gebieden) worden in dit MER uitgesloten voor grootschalige opwek3. ➢ Het MER volgt de aanpak uit het stappenplan dat de onafhankelijke commissie voor de milieueffectrapportage heeft opgesteld om te komen tot een MER voor een RES. 1.1.3

Doelbereik

De MRE wil in 2030 over 2 TWh aan duurzame opwekcapaciteit beschikken. Deze opwekcapaciteit is als volgt opgebouwd:

Dat betekent dat het MER moet onderzoeken in hoeverre het haalbaar is om 0,57 TWh aan elektriciteitsproductie met zon en wind mogelijk te maken in (delen van) de zoekgebieden4.

1.2

Belemmeringen en mogelijkheden

Diverse belemmeringen beperken de ruimte voor grootschalige opwek door wind en zon. Denk hierbij aan bijvoorbeeld woningen, beschermde natuurgebieden en infrastructuur. Zie Hoofdstuk 4 voor een volledig overzicht van de meegenomen belemmeringen. Een GIS5-analyse brengt de resterende mogelijkheden in beeld. Er zijn veel ruimtelijke belemmeringen voor windenergie. Onderstaande figuur toont deze belemmeringen. 3

4

5

Samenvatting

Er wordt een kleine uitzonderingsmogelijkheid gelaten voor windparken langs grootschalige infrastructuur: als deze enkel te realiseren zijn wanneer zij voor een klein gedeelte in NNB staan is maatwerk mogelijk. In de Concept-RES werd nog rekening gehouden met een opgave voor grootschalige zon en wind binnen de zoekgebieden van 1,1 TWh. Door toename van de pijplijn en voortschrijdend inzicht is deze opgave afgenomen tot 0,57 TWh. GIS: geografisch informatiesysteem.

v

Voorlopig PlanMER RES MRE Figuur 2

Harde belemmeringen voor windenergie binnen de MRE.

De belemmeringenkaart voor zonneparken is veel minder restrictief, omdat er wettelijk minder afstand hoeft te worden aangehouden tot bijvoorbeeld woningen. Figuur 3

Samenvatting

Harde belemmeringen voor zonne-energie binnen de MRE.

vi

Voorlopig PlanMER RES MRE

1.3

Afbakening

1.3.1

Windparklocaties

Voor windenergie zijn zogenaamde ‘windparklocaties’ ingetekend binnen de onbelemmerde gebieden. Dit zijn indicatieve opstellingen die aangeven hoe een windpark er uit zou te zien. Daarbij is de bewuste keuze gemaakt om geen individuele windturbines in te tekenen; dergelijke projectinrichting past niet bij het detailniveau van dit MER en kan een verkeerde indruk wekken van hoe ver individuele plannen gevorderd zijn. Bij het intekenen van windparklocaties is onder meer rekening gehouden met de onderlinge afstand van windturbines, waarbij is uitgegaan van representatieve, moderne windturbines met een ashoogte van 150 meter en een rotordiameter van 150 meter. Dergelijke windturbines hebben een tiphoogte van 225 meter. Figuur 4

De grijze vlakken zijn de samengevoegde harde belemmeringen voor windenergie binnen de MRE zoals ook getoond in Figuur 2. Zoals blijkt uit de figuur zijn er maar weinig plekken waar windenergie past (de kleine witte vlekjes). In die mogelijke gebieden zijn indicatieve windparklocaties ingetekend, die het MER op hun milieueffecten onderzoekt.

De meeste windparklocaties liggen binnen de zoekgebieden uit de concept-RES. Voor een beschrijving van de windparklocaties die daarbuiten liggen, zie paragraaf 5.2.

Samenvatting

vii

Voorlopig PlanMER RES MRE

1.3.2

Zoekgebieden

De zoekgebieden uit de concept-RES zijn, zoals gezegd, het uitgangspunt van de effectbeoordeling in dit MER. Voor alle zoekgebieden zijn de milieueffecten van mogelijke zonneparken en windparklocaties onderzocht. Figuur 5

Onbelemmerde ruimte voor zonneparken binnen de zoekgebieden. De kleur zegt iets over het landschapstype aldaar.

1.4

Omgevingseffecten wind

De beoordeling van de milieueffecten van windenergie in de zoekgebieden is gedaan aan de hand van de onderstaande thema’s en beoordelingscriteria. Tabel 1 Samenvatting van het beoordelingskader voor windenergie. Beoordelingscriterium Korte omschrijving Opbrengst Verwachte jaarlijkse elektriciteitsproductie. De elektriciteitsproductie is het belangrijkste ‘positieve’ milieueffect: duurzame elektriciteit vermijdt fossiele opwek met bijbehorende schadelijke emissies. Een vermenigvuldiging van de geschatte elektriciteitsproductie van 1 windturbine met het geschatte aantal windturbines binnen een zoekgebied levert de opwekpotentie van dat zoekgebied voor windenergie. Voor locaties in de omgeving van Enexis-hoofdstation Hapert geldt dat het hier onzeker is of voor 2030 voldoende netcapaciteit beschikbaar is; daar is in de effectbeoordeling rekening mee gehouden.

Samenvatting

viii

Voorlopig PlanMER RES MRE Leefomgeving Aantal woningen binnen 500m van windparklocaties binnen een zoekgebied. Aantal woningen binnen 1000m van windparklocaties binnen een zoekgebied. Aantal woningen binnen 500m van windparklocaties binnen een zoekgebied, gedeeld door de energieproductie van die windparklocaties. Aantal woningen binnen 1000m van windparklocaties binnen een zoekgebied, gedeeld door de energieproductie van die windparklocaties. Aanwezigheid van andere geluidsbronnen binnen 1 km van windparklocaties binnen een zoekgebied.

Landschap Visuele interferentie van windparklocaties die op minder van 4 km van elkaar liggen.

Effect op herkomstwaarde

Effect op gebruikswaarde Effect op belevingswaarde

Ecologie Ligging t.o.v. Natura 2000-gebieden

Ligging t.o.v. Natuurnetwerk Brabant (NNB) ‘Hotspots’ voor kwetsbare (vogel)soorten

Aantal soorten broedvogels nabij windparklocaties binnen een zoekgebied Aantal soorten wintervogels nabij windparklocaties binnen een zoekgebied. Effect op vleermuizen en andere beschermde soorten.

Samenvatting

Het aantal woningen in de directe (binnen 500m) en wijdere (binnen 1000m) omgeving van een windpark biedt een goede indicatie van de verwachte hinder als gevolg van geluid en slagschaduw van representatieve windturbinetypes, zoals toegelicht in paragraaf 6.4.

Door niet alleen naar het absolute aantal woningen te kijken, maar dat aantal ook te relateren aan de energieproductie wordt een genuanceerder beeld geschetst.

Om op het detailniveau van het planMER iets te kunnen zeggen over eventuele hinder als gevolg van cumulatie van geluid is gekeken of er in de omgeving van de windparklocaties andere belangrijke geluidsbronnen aanwezig zijn, zoals vliegvelden en rijkswegen.

Indien binnen een zoekgebied meerdere windparklocaties op korte afstand van elkaar (of van bestaande of geplande windparken) staan kan dit visuele interferentie veroorzaken. Effect op herkomstwaarde: ligging t.o.v. cultuurhistorisch waardevolle landschappen en het effect daarvan op cultuurhistorische waarden. Ligging t.o.v. gebieden waarvan de gebruikswaarde door windparken wordt aangetast. Beleving van windturbines als opstelling en t.o.v. de aansluiting op landschappelijke structuren en karakteristiek.

De afstand van windparklocaties tot een nabijgelegen Natura 2000-gebied, en de aard van dat gebied geven een inschatting van het verwachte effect. Hierbij is speciale aandacht voor gebieden waar de kraanvogel voorkomt. De afstand van windparklocaties tot nabijgelegen NNB geeft een inschatting van het verwachte effect. Het onderzoek naar zogenaamde hotspots voor kwetsbare (vogel)soorten is nog niet afgerond en daarom is het niet mogelijk dit criterium te beoordelen. Op basis van SOVON-gegevens is geschat hoeveel broeden wintervogels er in de omgeving van windparklocaties voorkomen. Voor vleermuizen is gekeken of er binnen 200m van windparklocaties binnen een zoekgebieden bossen of bomenrijen voorkomen. Voor overige beschermde soorten is een effectafstand aangehouden van 200 meter tot locaties waar dergelijke soorten zijn waargenomen.

ix

Voorlopig PlanMER RES MRE Netinpassing Afstand tot hoofdstation

De afstand van windparklocaties binnen de zoekgebieden tot hoofdstations zegt iets over de haalbaarheid van windenergie en dus over de kans dat de daar verwachte opbrengst ook daadwerkelijk voor 2030 gerealiseerd kan worden. Daarom is extra aandacht voor het hoofdstation in Hapert, waar op dit moment al geen capaciteit meer is.

Beoordelingscriterium Landbouw Ligging in kleinschalig agrarisch landschap.

Korte omschrijving

Natuurontwikkeling Ligging van windparklocaties nabij nog niet gerealiseerde NNB. Ligging van windparklocaties nabij groenblauwe mantel. Economie Ligging t.o.v. bedrijventerreinen

Aantal recreatiebestemmingen binnen 500m van windparklocaties binnen een zoekgebied.

Water Ligging in waterbergingsgebieden Ligging in 500-voetszone

Wanneer een windparklocatie gelegen is in kleinschalig agrarisch landschap is er een mogelijke (financiële) meekoppelkans. Het plaatsen van windturbines kan gepaard gaan met natuurcompensatie of omgevingsfondsen die aangewend kunnen worden voor natuurversterking, die het beste tot zijn recht komt wanneer daarmee de ecologische structuur kan worden versterkt. Windparklocaties in de directe omgeving (<500m) van bedrijventerreinen kunnen mogelijkheden bieden voor lokale afname door grootverbruikers. Wanneer er veel recreatiebestemmingen in de omgeving van een windparklocatie liggen kan dat er op duiden dat een gebied veel voor recreatie wordt ingezet en daarom mogelijk minder geschikt is voor windenergie. Windturbines hebben een (klein) effect op de waterbergingscapaciteit van een gebied. De 500-voetszone is een gebied rondom de vliegvelden Eindhoven, Volkel en de Peel (zie Figuur 9). Hierbinnen gelden strenge normen voor radartoetsing, die mogelijk de realisatie van windparken belemmeren. Omdat deze belemmering niet op voorhand vaststaat is deze niet opgenomen in de belemmeringenkaart.

De tabel met de daadwerkelijke scores per zoekgebied voor alle hierboven beschreven beoordelingscriteria staat op de volgende pagina. Onderstaande figuur toont de nummering van de zoekgebieden.

Samenvatting

x

Voorlopig PlanMER RES MRE Figuur 6

Ligging en nummering van de zoekgebieden. De effectbeoordeling van de windparklocaties die niet binnen een zoekgebied liggen staat in paragraaf 6.8.

De kleuren in onderstaande tabel corresponderen met de vijfpuntsschaal uit de effectbeoordeling: ++

Beoordeling Positief effect

+ 0

Beperkt positief effect

----

Beperkt negatief effect

Samenvatting

Neutraal effect

Opmerking Deze score is alleen toegekend voor het onderdeel opbrengst, voor zoekgebieden waar veel opwek mogelijk is (meer dan 100 GWh oftewel 0,1 TWh). Bij het onderdeel opbrengst iseen score ‘0’ toegekend voor gebieden waar realisatie van grootschalige opwek voor 2030 niet kansrijk is i.v.m. netinpassing.

Negatief effect Groot negatief effect*

Deze score is alleen toegepast voor het onderdeel netinpassing, voor zoekgebieden waar realisatie voor 2030 niet kansrijk is i.v.m. netinpassing.

xi

Voorlopig PlanMER RES MRE Effectbeoordeling windenergie. De tabel toont alleen de zoekgebieden waar volgens de belemmeringenstudie windparklocaties mogelijk zijn.

Broedvogels

Wintervogels

Vleermuizen & overige besch. srt

Afstand tot netcapaciteit

Landbouw - meekoppelkansen

Natuur - nabij nog te real. NNB

Natuur - nabij groenbl. mantel

Ligging t.o.v. grootverbruikers

Recreatiebestemmingen

Water - in waterberging

Radar - Ligging in 500-voetszone

0 0

+ +

0 0

0 -

0 0

-

0,5

0 0

-- --- --

0 0

0

--

-

0

-

+ +

0 0

+ 0

+ 0

0 0

0

-

0,1

0,7

ja

1611 0,1 35,8

ja

0 0 0

-- -- -- -- --- -- -

0 0 -

---

- - -- - --- -- --

0 0

0 0 0

0 + +

+ + +

+ + 0

0 0 -

0 0

-

0

0 --- --

-

0

--

-0

---

+ 0

0 +

+ +

+ 0

0 0

- 0 0 -

--0

-- -- - - -- - -- -- -- --

--

-- -- -- - -- -- --

--

+ 0 0

+ + +

+ + +

0 + +

0

0 - 0 0

0 0

0

0,3

118

10

72

6 12

45

0,3

1,0

ja

44

150

0,3

1,0 nee

45

13

41

0,3

0,9 nee

19

240

61 1579 0,3

6,6 nee

20

165

31

183

0,2

1,1 nee

21

45

6

35

0,1

0,8

ja

24

60

16

48

0,3

0,8

ja

25

45

41

112

0,9

2,5

ja

26

45

50

149

1,1

3,3 nee

29

120

10

33

0,1

31

60

11

39

0,2

33

255

43

196

0,2

45

4

45

24

7

105

13

45

15

45

17

150

18

Andere geluidsbronnen

0,2

Energie-opbrengst (GWh)

44 294

Zoekgebied

8 13

45

3

-0,3 ja 0,7 nee 0 0,8 nee --

---

-

Hotspots

Natuurnetwerk Brabant

+ 0

Effect op gebruikswaarde

-

1,9 nee

Effect op herkomstwaarde

---

Woningen<1000m per GWh

-

Woningen<500m per GWh

-

Aantal woningen < 1000 m

-

Aantal woningen < 500m

0 0

0,4

2

Bredere thema’s

-- -- -0 -- -

173

90

Net

-1,0 nee 0 6,5 ja 0 2,6 ja 0

35

1

Ecologie

Natura 2000-gebieden

Landschap

Effect op belevingswaarde

Opbr. Leefomgeving

Interferentie

Tabel 2

-

-

-

0

- - --- -- 0

0 -

0 0

+ 0

0 0

+ +

0

- 0 0 0

- -- -- -- --- -- 0

0 -

0 0

-

-- 0 - --- --

----

0 0 0

0 + +

+ + +

0 0 +

0 0 0

0 0 0 0 0 0

0

-

-

-- -- --

---

0

0

+

0

-

0 0

--

-

Alle zoekgebieden samen hebben een potentie voor grootschalige opwek met windenergie van 1,65 TWh.

1.5

Omgevingseffecten zon

De beoordeling van de milieueffecten van zonneparken in de zoekgebieden is gedaan aan de hand van de thema’s en beoordelingscriteria uit de tabel op de volgende pagina. Zie voor een uitgebreidere toelichting Hoofdstuk 7, waarin ook per thema is beschreven welk resultaat leidt tot welke score op een vijfpuntsschaal. Als onderdeel van het MER is een zeer uitgebreid landschappelijk onderzoek uitgevoerd waarin de verschillende landschapstypen binnen de MRE zijn beschreven, en voor elk landschapstype is onderzocht in hoeverre zonneparken van verschillende afmetingen daarbinnen passen en wat de effecten zijn. Tevens is per landschapstype bepaald wat de draagkracht is: hoeveel procent van gebieden voor zonneparken kan worden benut zonder dat het landschap zijn karakteristiek verliest. Daarbij zijn drie landschapsstrategieën tegen het licht gehouden:

Samenvatting

xii

Voorlopig PlanMER RES MRE

➢ Inpassen is een strategie waarbij in kleinschalig landschap met veel ruimtelijke kwaliteiten kleinschalige energieprojecten worden geplaatst. De kwaliteiten van het landschap veranderen niet. ➢ Bij aanpassen zijn de ingrepen in het landschap groter. De ingrepen passen bij het landschap, maar de ingreep heeft wel impact op het landschap. Deze verandering is gewenst, omdat in dat gebied vraagstukken spelen die vragen om een landschappelijke aanpassing, bijvoorbeeld het herstel van landschap (beekdalherstel), het verbeteren van bestaande structuren of het toevoegen van ruimtelijke kwaliteit. ➢ Wanneer de vraagstukken in een gebied zo groot zijn dat het nodig is om de fysieke ruimte drastisch anders in te richten, spreken we over transformatie. Grootschalige landschappen krijgen een nieuwe betekenis. De impact van transformatie is groot. Deze landschappen lenen zich beter voor grootschalige energiemaatregelen. De landschappelijke beoordeling is opgenomen in paragraaf 7.3. Tabel 3 Samenvatting van het beoordelingskader voor zonneparken. Beoordelingscriterium Korte omschrijving Opbrengst Verwachte jaarlijkse elektriciteitsproductie. Hoeveel energie er binnen een zoekgebied met zonneparken kan worden opgewekt hangt af van het onbelemmerde oppervlak, de draagkracht van de aanwezige landschapstypen en de landschapsstrategie (inpassen, aanpassen of transformeren).

Op basis hiervan is per zoekgebied een bandbreedte bepaald in GWh/jr. Landschap Effect op landschappelijke karakteristiek Is de uitstraling van een zonnepark (incl. bijpassende landschappelijke inpassing) passend bij het karakter en de aard van het gebied? Effect op bestaande structuren en kenmerken Zijn opstellingen (incl. bijpassende landschappelijke inpassing) passend te maken in de bestaande structuren en kenmerken van het gebied? Effect op cultuurhistorische waarden Komen bijzondere cultuurhistorische waarden binnen het zoekgebied onder druk te staan door het toevoegen van zonneparken in het gebied en hoe groot is de negatieve impact? Zichtbaarheid Is het wenselijk dat een zonnepark zichtbaar is in het landschap en bestaan er goede passende mogelijkheden om zicht op het zonnepark te minimaliseren? Ecologie Inschatting in hoeverre er binnen het zoekgebied effecten Ligging t.o.v. N2000-gebieden optreden die van negatieve invloed zijn op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Ligging t.o.v. NNB-gebieden Inschatting in hoeverre er binnen het zoekgebied effecten optreden die van negatieve invloed zijn op nabijgelegen NNB-gebieden. Het onderzoek naar zogenaamde hotspots voor kwetsbare ‘Hotspots’ voor kwetsbare (vogel)soorten (vogel)soorten is nog niet afgerond en daarom is het niet mogelijk dit criterium te beoordelen.

Aantal soorten broedvogels nabij windparklocaties Op basis van SOVON-gegevens is geschat hoeveel broedbinnen een zoekgebied en wintervogels er in de omgeving van de zoekgebieden Aantal soorten wintervogels nabij windparklocaties voorkomen. binnen een zoekgebied. Overige beschermde soorten Op basis van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is een schatting gemaakt van het aantal beschermde soorten binnen het zoekgebied. Netinpassing

Samenvatting

xiii

Voorlopig PlanMER RES MRE Afstand tot hoofdstation

Mogelijkheid voor combinatie wind/zon

Beoordelingscriterium Landbouw Aantasting landbouwstructuur

De afstand van zoekgebieden tot hoofdstations zegt iets over de haalbaarheid van zonneparken en dus over de kans dat de daar verwachte opbrengst ook daadwerkelijk in 2030 gerealiseerd kan worden. Daarom is extra aandacht voor het hoofdstation in Hapert, waar op dit moment al geen capaciteit meer is. Een combinatie van zon en wind binnen een zoekgebied is gunstig vanuit het oogpunt van systeemefficiëntie. Een zoekgebied scoort positief als er zowel zon als wind mogelijk is. Korte omschrijving Gebieden waar het meest efficiënt geboerd kan worden worden het meest aangetast indien binnen dergelijke gebieden zonneparken worden gerealiseerd die zorgen voor versnippering van de agrarische structuur.

Natuurontwikkeling Ligging nabij groenblauwe mantel

De plaatsing van zonneparken in de groenblauwe mantel kan betekenen dat de landschappelijke inpassing (groene randen) van een zonnepark kan bijdragen aan de functie van de groenblauwe mantel en de ecologische structuur.

Economie Ligging nabij bedrijventerreinen

Aantal recreatiebestemmingen in en nabij (<500m) het zoekgebied.

Water Ligging t.o.v. waterbergingsgebieden en gebieden met een onttrekkingsverbod.

Ligging t.o.v. grondwaterbescherming- en waterwingebieden.

Zoekgebieden in de directe omgeving (<500m) van bedrijventerreinen kunnen mogelijkheden bieden voor lokale afname door grootverbruikers. Wanneer er veel recreatiebestemmingen in de omgeving van een zoekgebied liggen kan dat er op duiden dat een gebied veel voor recreatie wordt ingezet en daarom mogelijk minder geschikt is voor zonneparken. Zonneparken kunnen een positief effect hebben op de waterhuishouding, omdat een zonnepark samen kan gaan met waterbergingsgebieden. Onder een zonnepark kan het waterpeil hoger zijn, waardoor de capaciteit van het gebied verbetert. Daarbij komt dat er minder water onttrokken hoeft te worden op gronden met zonneparken dan (bijvoorbeeld) gronden die agrarisch worden ingezet. Zonneparken kunnen een (indirect) positief effect hebben op de waterkwaliteit, aangezien er minder uitspoeling optreedt bij een zonnepark ten opzichte van een bemest perceel.

De kleuren in Tabel 4 zijn gebaseerd op de vijfpuntsschaal die de effectbeoordeling gebruikt: Beoordeling

++

Positief effect

+

Beperkt positief effect

0

Neutraal effect

--

Beperkt negatief effect Negatief effect

---

Groot negatief effect*

Samenvatting

Opmerking Deze score is alleen toegekend voor het onderdeel opbrengst, voor zoekgebieden waar veel opwek mogelijk is (meer dan 100 GWh oftewel 0,1 TWh).

Deze score is toegekend wanneer er geen of weinig effecten worden verwacht. Daarnaast is bij het onderdeel opbrengst een score ‘0’ toegekend voor gebieden waar realisatie van grootschalige opwek voor 2030 niet kansrijk is i.v.m. de netinpassing.

Deze score is alleen toegepast voor het onderdeel netinpassing, voor zoekgebieden waar het vanwege de netinpassing niet kansrijk is dat voor 2030 grootschalige opwek gerealiseerd kan worden.

xiv

Voorlopig PlanMER RES MRE

Cultuurhistorische waarden

Zichtbaarheid

Maat en schaal

Natura 2000-gebieden

Natuurnetwerk Brabant

Broedvogels

Wintervogels

Vleermuizen & overige besch. srt

Afstand tot netcapaciteit

Combi zon/wind

Aantasting landbouwstructuur

Ligging in groenbl mantel

Ligging nabij grootverbruikers (BT<500m) Recreatie

Grond- en oppervlaktewater

271

-

0

0

-

+

0

0

-

-

-

-

+

-

+

0

-

+

+

56

224

-

+

0

-

+

0

0

0

-

0

-

+

-

0

0

-

+

0

3

0

88

--

-

-

--

0

0

0

-

-

-

-

+

0

+

+

-

++

0

4

0

29

-

0

0

-

0

0

0

0

-

0

-

+

0

0

0

-

+

0

5

63

251

-

+

0

0

+

0

0

0

-

0

-

0

-

0

+

-

+

0

6

32

65

-

0

0

-

0

0

0

-

-

0

-

0

0

0

+

-

+

0

7

75

302

-

+

-

0

+

0

0

-

-

-

-

+

-

+

+

-

+

0

8

40

160

-

+

-

0

+

0

0

-

-

0

--

0

-

0

+

0

+

0

9

2

110

--

-

-

-

0

0

0

-

0

-

0

0

0

+

+

--

+

0

10

40

161

-

+

0

0

+

0

0

-

-

-

--

0

-

+

0

0

+

0

11

0

12

--

-

-

--

0

0

0

0

0

-

-

0

0

0

0

0

+

0

12

70

221

-

+

0

0

+

0

0

0

-

0

--

0

-

0

+

0

++

0

13

0

7

--

-

-

--

-

0

0

0

0

-

0

+

0

+

+

-

+

+

14

0

1

--

-

-

--

0

-

-

--

-

--

-

0

0

+

0

--

+

0

15

2

24

--

-

-

--

0

-

0

-

-

-

0

+

0

+

0

-

+

0

16

0

24

--

--

--

--

--

0

0

0

0

0

0

0

0

+

+

-

++

0

17

134

277

--

-

-

-

0

0

0

-

-

-

-

+

-

+

+

-

++

+

18

13

54

-

+

-

0

+

0

0

0

-

0

--

+

-

+

0

0

+

0

Waterkwaliteit

Bestaande structuren

98

2

Hotspots

Karakteristiek

1

Zoekgebied

Opwekpotentie, max.

Samenvattende beoordelingstabel zonneparken in de zoekgebieden van de MRE. Opbrengst Landschap Ecologie Net Bredere thema’s

Opwekpotentie, min.

Tabel 4

19

0

49

--

-

-

--

0

0

0

--

-

-

-

+

0

+

0

--

0

+

20

62

248

-

+

0

-

+

0

0

--

-

-

0

+

-

+

+

--

+

0

21

48

96

-

0

-

-

0

0

0

-

-

-

--

+

-

+

+

-

+

0

22

0

0

23

6

14

-

0

-

-

+

0

0

0

0

-

-

0

-

+

0

-

+

0

24

91

224

--

0

-

--

0

0

0

0

0

-

0

+

-

+

+

-

+

0

25

197

788

-

+

0

-

+

0

0

0

-

0

-

+

-

0

+

-

+

+

26

82

326

-

+

0

0

+

0

0

-

-

-

-

+

-

+

0

-

++

0

27

0

0

28

40

162

-

+

0

-

+

0

0

-

0

-

0

0

-

0

+

-

+

0

29

20

80

-

+

-

-

+

0

0

-

-

-

---

+

-

+

0

-

+

0

30

10

39

-

+

-

-

+

0

0

-

-

-

--

0

-

+

0

-

+

0

31

21

61

-

0

-

-

+

0

0

-

0

-

--

+

-

+

+

-

+

0

32

54

136

-

0

-

-

0

0

0

-

-

0

0

0

-

0

+

-

+

0

33

90

330

-

+

0

-

+

0

0

--

-

-

---

+

-

+

0

--

+

+

34

20

81

-

+

0

-

+

0

0

-

-

-

---

0

-

+

0

--

+

0

35

5

11

--

-

-

--

0

0

0

-

-

0

---

0

-

+

+

0

0

0

36

16

58

-

+

0

-

+

0

0

0

-

0

0

0

-

0

0

0

0

0

37

14

56

-

+

0

-

+

0

0

0

0

0

-

0

-

0

0

-

+

0

38

121

253

--

-

-

--

0

0

0

-

-

-

0

0

+

+

--*

++

+

Alle zoekgebieden samen hebben een potentie voor grootschalige opwek met zonne-energie van 1,5 tot 5,3 TWh.

Samenvatting

xv

Voorlopig PlanMER RES MRE

N.B. de maximale berekende opwekpotentie wil niet zeggen dat de zoekgebieden daarmee volledig met zonneparken bedekt worden; bij het berekenen van de potentie is ook rekening gehouden met de draagkracht van het betreffende landschap, waarbij grootschalige landschappen (zoals jonge zand- en peelkernontginningsgebieden) een hogere draagkracht hebben dan kleinschalige landschappen (zoals oude ontginningen en beekdalen), maar overal geldt dat er een mix moet blijven tussen zonneparken en overige bestemmingen.

1.6

Alternatieven en milieubeoordeling

Nu de effecten van zonne- en windparken binnen de zoekgebieden in de MRE bekend zijn is het ook waardevol om de zoekgebieden voor grootschalige opwek op verschillende manieren in te richten en regionaal te combineren. Door verschillende keuzes te maken en te zien welke milieueffecten deze keuzes hebben wordt het voor de regio als geheel en de gemeenten individueel makkelijker om te komen tot een voorkeursalternatief: een nadere inrichting van de zoekgebieden met gemeentelijk draagvlak en volwaardig meegewogen milieubelang. Hiertoe onderzoekt het MER drie alternatieven, die elke op een andere manier omgaan met de beschikbare ruimte: Alternatief ‘Energielandschappen’. Focus op clustering. Alleen (delen van) zoekgebieden benutten waar de combinatie van zon en wind mogelijk is in de jonge ontginningsgebieden, waar grootschalige zonneparken passen. Hierbij wordt voor zonneparken de landschapsstrategie ‘transformeren’ toegepast. Er zijn 13 zoekgebieden waar de combinatie van wind met zon in jonge ontginningsgebieden voorkomt en die dus ‘meedoen’ in het alternatief Energielandschappen. De betreffende zoekgebieden bevinden zich bijna allemaal aan de noord- en zuidrand van het MRE gebied. Het alternatief bevat 20 windparklocaties.

Samenvatting

xvi

Voorlopig PlanMER RES MRE Alternatief ‘Spreiding’. Focus op kleinschaligheid. Windparken op grote afstand van elkaar (>5km) om interferentie of te zware landschappelijke belasting te voorkomen. Daarbij kleinschalige zonneparken conform de landschapsstrategie ‘inpassen’ in de kleinschalige landschappen binnen de zoekgebieden. Het alternatief Spreiding omvat (delen van) 25 zoekgebieden voor zon en 14 windparklocaties.

Alternatief ‘Netinpassing’: Focus op systeemefficiëntie. Alleen (delen van) zoekgebieden die op korte afstand (<5km) van hoofdstations gelegen zijn. Voor zonneparken wordt hierbij de landschapsstrategie ‘aanpassen’ toegepast. In totaal zijn er 16 zoekgebieden voor zon en 5 windparklocaties die aan deze voorwaarde voldoen.

Deze drie alternatieven zijn op dezelfde wijze beoordeeld als de individuele zoekgebieden. In sommige gevallen bevat een alternatief slechts een gedeelte van een zoekgebied (bijvoorbeeld een specifiek landschapstype, of een gedeelte dat binnen 5 km van een hoofdstation gelegen is). Dit kan leiden tot een aangepaste score. De volledige beoordelingstabellen van alle zoekgebieden binnen de 3 alternatieven zijn te vinden in paragraaf 8.2. Tabel 5 geeft de opgetelde effectbeoordeling per beoordelingscriterium, waarbij een relatieve beoordeling is toegepast van de alternatieven ten opzichte van elkaar.

Samenvatting

xvii

Voorlopig PlanMER RES MRE Tabel 5

Samenvattende effectbeoordeling van de 3 alternatieven. Beoordelingscriterium

Energieproductie Opwek wind (TWh/jr) Opwek zon (TWh/jr) Opwek wind + zon (TWh/jr) Wind Leefomgeving Aantal woningen < 500m Aantal woningen < 1000 m Woningen<500m per GWh Woningen<1000m per GWh Andere geluidsbronnen Wind Landschap Visuele Interferentie Effect op herkomstwaarde Effect op gebruikswaarde Effect op belevingswaarde Wind Ecologie Natura 2000-gebieden Natuurnetwerk Brabant Hotspots Broedvogels Wintervogels Vleermuizen & overige besch. srt Wind Netaansluiting Afstand tot hoofdstation Zon Landschap Karakteristiek Bestaande structuren Cultuurhistorische waarden Zichtbaarheid Maat en schaal Zon Ecologie Natura 2000-gebieden Natuurnetwerk Brabant Hotspots Broedvogels Wintervogels Vleermuizen & overige besch. srt Zon Netaansluiting Afstand tot netcapaciteit Combi zon wind Bredere thema's Landbouw - Aantasting landbouwstructuur (zon) Natuur - nog te realiseren NNB (wind) Natuur - versterking groenblauwe mantel (wind) Natuur - versterking groenblauwe mantel (zon) Economie - Ligging t.o.v. grootverbruikers (wind) Economie - Ligging t.o.v. grootverbruikers (zon) Economie - Ligging t.o.v. recreatiebestemmingen (wind) Economie - Ligging t.o.v. recreatiebestemmingen (zon) Water - Effect op waterbergingscapaciteit (wind) Water - Effect op waterbergingscapaciteit (zon) Water - Effect op waterkwaliteit Radar - Ligging windparken in 500-voetszone

Alternatief Energielandschappen

Spreiding

Netinpassing

1,1 3,2 4,3

0,8 0,5 1,3

0,2 0,8 1,1

-0 0 -

---

0 0 -0

----

0 ----

0 -

--

--

0 0

-

----

0 0 0

--

-

0

0 + 0 0 +

--0

0 0

0 0

-

0

0

---

0 0 0

+

-+

0 0

-+ + + + 0 + + -

0 + + + + + -+ ++ --

0 0 + 0 + + + -

De drie alternatieven hebben een duidelijk verschillend karakter: ➢ Het aantal zoekgebieden waarbinnen grootschalige opwek mogelijk wordt gemaakt varieert van 13 (Energielandschappen) tot 28 (Spreiding). Bij clustering zijn de milieueffecten binnen de aangewezen gebieden groter, maar wordt ook een groter gedeelte van de regio gevrijwaard van grootschalige opwek. ➢ De landschapsstrategie voor zonneparken (inpassen, aanpassen of transformeren) heeft een groot effect op de totale opwekpotentie.

Samenvatting

xviii

Voorlopig PlanMER RES MRE

➢ De opwekpotentie varieert van 1,1 TWh/jr (Netinpassing) tot 4,4 TWh/jr (Energielandschappen). ➢ Het aandeel windenergie in de zon/wind-verdeling varieert van 23% (Netinpassing) tot 61% (Spreiding). Deze variatie kan helpen bij het kiezen van een regionale strategie voor grootschalige opwek. Hierbij moet ook de koppeling met systeemefficiëntie in acht worden genomen: grote wind- en zonneparken, clustering van opweklocaties en een groter aandeel windenergie worden door de netbeheerder gezien als gunstige ontwikkelingen die helpen de maatschappelijke kosten te drukken. Figuur 7

Opwekpotentie van de drie MER-alternatieven, en hun verdeling in zonne- en windenergie.

4,3 TWh/jr

Opwekpotentie (TWh/jr)

4,5 4 3,5

wind

3 75%

2,5

zon

2 1,5

1,3 TWh/jr

1

39% 25%

0,5

61%

0 Energielandschappen

Spreiding

1,1 TWh/jr 77% 23% Netinpassing

Uit de analyse volgt ook dat alle drie de MER-alternatieven voldoende potentie hebben om invulling te geven aan de 0,57 TWh grootschalige opwek in het RES-bod van de MRE.

1.7

Mitigerende maatregelen Op det detailniveau van dit planMER kunnen geen concrete, individuele mitigerende maatregelen worden beschreven; daarvoor zijn de projecten nog te ver weg. Wel geeft het MER enkele algemene en veelgebruikte maatregelen ter overweging mee, die van pas kunnen komen in het vervolgtraject.

1.7.1

Windturbines Geluid Windturbines produceren geluid. Indien dit zou leiden tot normoverschrijding bieden alle windturbinefabrikanten standaard stillere instellingen waar een windturbine tijdelijk gebruik van kan maken, bijvoorbeeld in de nachtperiode. Dergelijke

Samenvatting

xix

Voorlopig PlanMER RES MRE

maatregelen hebben enig productieverlies tot gevolg. Dergelijke maatregelen kunnen ook worden toegepast indien uit onderzoek blijkt dat (geluids)verstoring van vogels optreedt. Slagschaduw Wanneer windturbines meer slagschaduw op omliggende woningen zouden produceren dan wettelijk toegestaan dienen zij stilgezet te worden, totdat de slagschaduw niet langer over de betreffende woningen beweegt. Dergelijke stilstand is geautomatiseert, waarbij de gegevens van omliggende woningen tijdens de bouw worden ingeregeld. Onderdeel van de vergunningprocedure is onderzoek of eventuele wettelijke verplichting tot stilstand leidt tot een onrendabel project. De ervaring leert dat bij afstanden vanaf ca. 400-500 meter dergelijke stilstand geen significante gevolgen voor de business case meer heeft. Vleermuizen Indien uit projectspecifiek ecologisch onderzoek blijkt dat een windpark een significant negatief effect op vleermuizen heeft kunnen mitigerende maatregelen getroffen worden in de vorm van een stilstandregeling, waarbij windturbines in bepaalde omstandigheden automatisch stilgezet worden. Vleermuizen zijn doorgaans met name actief in de schermerperiode van de late zomer en vroege herfst, mits het niet te hard waait en/of regent. In dergelijke omstandigheden leveren windturbines niet veel energie, waardoor het tijdelijk stilzetten geen groot effect heeft op de economische haalbaarheid.

Vogels Er zijn mitigerende maatregelen bekend voor omstandigheden waarbij het risico voor bepaalde vogelsoorten kan worden verlaagd. Zo is bij windpark Krammer (in Zeeland) een beelddetectiesysteem in gebruik waarmee de nabijheid van zeearenden kan worden geregistreerd en bepaalde windturbines tijdelijk worden stilgezet. Dergelijke systemen zijn kostbaar en op dit moment alleen voor relatief grote windparken rendabel te installeren. Noodzaak en haalbaarheid van eventuele toepassing van dergelijke systemen zal op projectniveau moeten worden onderzocht. 1.7.2

Zonneparken Effecten op bodem Bekend is dat de inrichting van een zonnepark van grote invloed is op het effect op de bodem: het verder uit elkaar plaatsen van tafels van zonnepanelen en het toepassen van smalle tafels hebben beide een positief effect op de bodemkwaliteit. Ook is er een verschil tussen zuid-georiënteerde en oost-westgeoriënteerde parken; doordat in de laatste een veel hogere bedekkingsgraad optreedt is ook het effect op de bodem groter. Effect op waterhuishouding Ter bevordering van de mogelijkheden tot klimaatadaptatie zijn de volgende mogelijkheden door de waterschappen benoemd: ➢ Het zo lang mogelijk vashouden van neerslag binnen een zonnepark door dit niet via greppels, slootjes of drainage af te voeren, maar jaarrond op het zonnepark op te vangen en te laten infiltreren naar het grondwater.

Samenvatting

xx

Voorlopig PlanMER RES MRE

➢ Het geschikt maken van het zonnepark om een grondwaterstijging aan te kunnen: 10 cm in peilgestuurde gebieden en enkele decimeters in hellende gebieden op de zandgronden. ➢ Het inrichten van zonneparken om ook water van elders in de winter op te vangen om daarmee het grondwater te voeden en een buffer te maken voor het voorjaar en de zomer. ➢ Het meenemen van het bodemtype bij het ontwerp van concrete zonneparken om negatieve invloed op de waterhuishouding vroegtijdig te ontdekken. Effecten op biodiversiteit Om eventuele achteruitgang van de biodiversiteit binnen een zonnepark te voorkomen zijn er diverse mogelijkheden: het laten van voldoende ruimte tussen de tafels met zonnepanelen en ook onder de zonnepanelen helpt, evenals het werken met afrastering die kleine diersoorten de doorgang niet blokkeert. Daarbij zij aangemerkt dat uit een recent onderzoek van Universiteit Wageningen6 blijkt dat de biodiversiteit binnen een aantal onderzochte zonneparken van minimaal 1 jaar oud hoger ligt dan in een gemiddeld productielandschap, ook voor de meest compacte opstellingen. Wel stelt het onderzoek dat toepassing van maaibeheer een groot positief effect kan hebben op de biodiversiteit. Effecten op vogels Effecten op vogels hebben vooral betrekking op de geschiktheid van een gebied voor vogels om te broeden of te foerageren. De parkinrichting kan hierbij een groot effect hebben.

Extensief beheerde percelen met zonneparken in intensieve landbouwgebieden bieden gelegenheid om voor Rode Lijst-soorten geschikte habitat te creëren. Een voorwaarde daarbij is dat een substantieel deel van het grondoppervlak niet wordt beschaduwd door de panelen en braak ligt of als vogelakker wordt beheerd. (Bron: Kwetsbare soorten voor energie-infrastructuur in Nederland, Wageningen Environmental Research, 2018) Effecten op landschap Voor wat betreft landschap trachten mitigerende maatregelen de impact op ruimtelijke kwaliteit te beperken/voorkomen. Impact op ruimtelijke kwaliteit heeft met name te maken met het ruimtebeslag, het eventuele zicht op het zonnepark en hoe dit voor een onrustig of negatief veranderd beeld kan zorgen. Voor landschap gaat het daarom vooral om zichtbelemmerende maatregelen.

1.8

Aanzet tot evaluatieprogramma Monitoring kan betrekking hebben op het doelbereik vanuit duurzame energieopbrengst en op een evaluatie van de veronderstelde milieueffecten. De toets op doelbereik kan gevolgd worden door de geprognotiseerde energieopbrengst voor zowel wind- als zonne-energie af te zetten tegen de werkelijk gemeten opbrengst. Technisch is dit goed in beeld te brengen met behulp van medewerking van initiatiefnemers en energietransporteurs. Ook de energiebehoefte, die mede afhankelijk

6

Samenvatting

Verkenning van bodem en vegetatie in 25 zonneparken in Nederland, Schotman et al, Wageningen Environmental Research, 2021.

xxi

Voorlopig PlanMER RES MRE

is van maatschappelijke en economische ontwikkelingen en ontwikkeling van energiebesparende technieken,,technocratisering, robotisering zal gemonitord worden. Daarnaast dienen toekomstige technische ontwikkelingen beschouwd te worden om aanpassingen en transities te overwegen met een lager effect op leefbaarheid, ecologische en landschappelijke waarden. De beschreven milieueffecten kunnen mee- of tegenvallen. De in het MER veronderstelde milieueffecten zullen eveneens gemonitord worden. Dit geldt ook voor de milieueffectreducerende maatregelen (zoals detectiesystemen voor vleermuizen en vogels, stillere types windmolens, stopzetten van turbines bij overschrijding van de slagschaduwnormen) en landschappelijke inpassing en ecologische inrichting van zonnevelden. Deze effecten zijn goed monitorbaar. Dit geldt ook voor de biodiversiteit van zonnevelden. Aangegeven zal worden of deze effecten passen binnen acceptabele grenzen. Het monitoringsprogramma moet dit helder maken en is een bron voor bijsturing van beleid en kaderstelling. Een jaarlijks monitoringsprogramma lijkt een wenselijke frequentie.

Samenvatting

xxii

Voorlopig PlanMER RES MRE

Hoofdstuk 2 Inleiding

23 Inleiding

23

Voorlopig PlanMER RES MRE

2.1

Aanleiding In juni 2019 heeft het kabinet het Klimaatakkoord7 gepresenteerd. Aan vijf sectortafels is overlegd op welke wijze Nederland uitvoering gaat geven aan de op internationaal niveau gemaakte klimaatafspraken. De opgave voor één van deze sectortafels, Elektriciteit, is om in 2030 de uitstoot van CO2 met 20,2 Mton te reduceren (als bijdrage aan de totale doelstelling van 49% CO2 reductie ten opzichte van 1990). Dat is alleen mogelijk als het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen toeneemt. Het concrete doel in het Klimaatakkoord is om in 2030, rekening houdend met energiebesparing, een opwekvermogen van 84 TWh te realiseren. Deels wordt deze doelstelling met wind op zee en met rijksbeleid ingevuld. De resterende opgave voor de elektriciteitsproductie op land bedraagt 35 TWh. Metropoolregio Eindhoven (MRE) is één van de 30 regio’s die in het kader van het Nationaal Klimaatakkoord een Regionale Energiestrategie (RES) opstellen voor het leveren van een regionale bijdrage aan de landelijke doelstelling van 35 TWh aan hernieuwbare energie in 2030. De regio’s worden daarbij ondersteund door het Nationaal Programma RES. De RES voor de MRE is in mei 2020 in concept gepubliceerd. In deze concept RES is de doelstelling voor de MRE bepaald op 2 TWh.

De betrokken partijen werken nu aan de RES 1.0 die in maart 2021 gereed moet zijn zodat deze na bestuurlijke besluitvorming in juni 2021 aan het NP RES kan worden aangeboden. Het Nationaal Programma RES heeft in oktober 2019 de Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie-MER) gevraagd te adviseren over de mogelijkheid om het instrument milieueffectenrapportage (m.e.r.) in te zetten voor de Regionale Energiestrategieën. De Cie-MER heeft daarover advies uitgebracht. Alhoewel een RES geen aangewezen plan is waarop de plan-m.e.r.-plicht van toepassing is kan de uitvoering van een ‘strategische milieueffectrapportage’ de kwaliteit van de besluitvorming over de RES verhogen. De RES heeft immers tevens het kenmerk van een ruimtelijke visie waarin activiteiten mogelijk worden gemaakt met aanzienlijke milieueffecten. De RES is een instrument om te komen tot keuzes voor de opwek van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de daarvoor benodigde opslag en infrastructuur. In die zin vormt het RES een kader voor toekomstige besluitvorming over m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Door milieueffecten vroegtijdig in beeld te brengen via de m.e.r-procedure en hierbij verschillende alternatieven te beschouwen, wordt systematisch en correct gewerkt en wordt tijdig ruimte geboden voor procesparticipatie.

Metropoolregio Eindhoven heeft besloten zich aan te melden als pilotregio voor het uitvoeren van een planMER ten behoeve van de RES 1.0. De bedoeling is om samen met andere pilotregio’s in Noord-Holland, Zuid-Holland en Gelderland te leren en ervaringen te delen met andere regio’s.

7

Inleiding

24

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/06/28/klimaatakkoord

24

Voorlopig PlanMER RES MRE

Waarom een plan-/project-MER8

2.2

Europese en nationale wetgeving schrijven voor dat voor plannen en besluiten die activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten mogelijk maken, de m.e.r.procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure wordt doorlopen. M.e.r. staat voor milieueffectrapportage. Het doel van een milieueffectrapportage is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over dergelijke activiteiten. De activiteiten waarop dit van toepassing is zijn gegeven in het Besluit m.e.r. (windparken worden vermeld in onderdeel D van de bijlage van het besluit). De m.e.r.procedure resulteert in een milieueffectrapport (MER). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en structuurvisies (plan-m.e.r.) en projecten (project-m.e.r.). Een plan-m.e.r. wordt uitgevoerd op milieueffecten die op hoofdlijnen worden beoordeeld, terwijl een project-m.e.r. specifiek en gedetailleerd ingaat op milieueffecten op de locatie waar een ontwikkeling geprojecteerd is (bijvoorbeeld vegetatie en doelsoorten). De RES vormt geen plan als bedoeld in kolom 3 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r.9 en is daarom niet plan-m.e.r-plichtig.

Omdat de RES wel het karakter heeft van een strategisch plan dat vooruitloopt op besluitvorming over m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten wordt voor de RES vrijwillig een planMER uitgevoerd en wordt vrijwillig de m.e.r.-procedure gevolgd zoals is voorgeschreven in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Deze m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit betreft de oprichting of wijziging van een windpark van 3 windturbines of meer (categorie D22.2 bijlage Besluit m.e.r.). Het feit of activiteiten wel of niet zijn genoemd vormt overigens geen criterium voor het wel of niet onderzoeken van milieueffecten, ook van grondgebonden zonneparken worden milieueffecten op het schaalniveau van het planMER onderzocht. Zonneparken zijn niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Dit planMER beschouwt de milieueffecten van grootschalige zonne- en windenergieprojecten op een hoog abstractieniveau met een brede en algemene insteek vanwege de reikwijdte. Het is uitgevoerd om de milieugevolgen te onderzoeken van de locatiekeuzes uit de concept-RES en biedt hulp bij het komen tot een RES 1.0.

Indien zich na afronding van de RES 1.0 concrete projecten aandienen, moet per project (of combinatie van projecten) worden nagegaan of een m.e.r.-beoordeling nodig is of mogelijk een aanvullend projectMER moet worden opgesteld10, gekoppeld aan het ruimtelijk plan of besluit waarmee het project juridisch planologisch wordt mogelijk gemaakt. Een dergelijke m.e.r.-beoordeling of MER kent een hoger detailniveau dan het voorliggende planMER en gaat bovendien uit van een concreet voornemen waarvoor een vergunning wordt aangevraagd. Wanneer in voorliggend document wordt gesproken over ‘het MER’ dan wordt daarmee dit planMER bedoeld.

8

9 10

Inleiding

De afkorting m.e.r. wordt gehanteerd bij aanduiding van de procedure. De onderzoeksresultaten worden gepubliceerd in het milieueffectrapport (MER). Wanneer wordt gesproken over MER, wordt het rapport bedoeld. https://wetten.overheid.nl/BWBR0006788/2018-07-01 Indien het betreffende project m.e.r.(beoordelings)plichtig is.

25 25

Voorlopig PlanMER RES MRE

2.3

Betrokken partijen Initiatiefnemers De initiatiefnemers voor het MER zijn de 21 gemeenten in de Metropoolregio Eindhoven, Provincie Noord-Brabant en de Waterschappen Aa en Maas en de Dommel. Bevoegd gezag De Regio betreft geen bestuursorgaan dat kan optreden als het bevoegd gezag als bedoeld in de Wet milieubeheer. De Gedeputeerde Staten (GS) van Noord-Brabant treden op als bevoegd gezag voor het planMER. GS maakt deel uit van de Regio MRE. Daarnaast zijn GS en Provinciale Staten (PS) na afronding van de RES 1.0 verantwoordelijk voor de doorwerking ervan in het provinciaal ruimtelijk beleid, hetgeen een kader biedt voor gemeentelijke omgevingsplannen en vergunningen. Adviseurs en bestuursorganen Alle adviseurs en bestuursorganen die op grond van de Wet ruimtelijke ordering (Wro) en het Besluit m.e.r. een rol hebben, worden betrokken. Dit zijn in elk geval Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Inspectie Leefomgeving en Transport, Provinciale Raad voor de Leefomgeving (Brabant Advies), de GGD en de Waterschappen De Dommel en Aa en Maas. Ook relevante bestuursorganen in België zullen van de publicatie van de NRD op de hoogte worden gebracht. Omdat de 21 gemeenten die deel uitmaken van de MRE mede-initiatiefnemer zijn voor het planMER, worden de gemeenteraden niet als overlegpartner beschouwd en daarom niet formeel geraadpleegd.

De colleges en gemeenteraden hebben immers als initiatiefnemer al invloed op de inhoud van het MER. Verder is van belang dat de gemeenteraden een rol hebben in de besluitvorming over de vaststelling van de RES 1.0, waarin de resultaten van het MER worden verwerkt. Daarnaast zullen ervaringen en kennis worden uitgewisseld en gedeeld met de overige pilotprojecten in onder andere Noord-Holland, Zuid-Holland en Gelderland, alsmede andere RES-regio’s in Brabant. Overlegpartners Belangengroepen en stakeholders in Brabant worden eveneens actief bij de m.e.r.procedure betrokken en in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen op de concept NRD. Dit betreffen onder meer de Brabantse natuur-, landschaps- en milieuorganisaties, de recreatiesector en ZLTO (Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie). Ook netbeheerder Enexis vormt een overlegpartner. Commissie voor de milieueffectrapportage. De onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie-m.e.r.) toetst zowel de concept NRD als het afgeronde MER op juistheid en volledigheid. De Ciem.e.r. is daarnaast betrokken bij het proces vanuit haar rol als initiatiefnemer voor het pilottraject waar de planMER MRE onderdeel van uitmaakt.

26 Inleiding

26

Voorlopig PlanMER RES MRE

Brabant Advies Brabant advies is een onafhankelijke adviescommissie die bestaat uit vier deelraden; de Sociaal-Economische Raad Brabant, de Provinciale Raad voor de Leefomgeving, de Provinciale Raad Gezondheid en Young Professionals Brabant. De adviesraden brengen gevraagd en ongevraagd deskundig en onafhankelijk advies uit aan GS. Overige belanghebbenden In de fase van de tervisielegging van deze concept NRD heeft eenieder de mogelijkheid zienswijzen kenbaar te maken via schriftelijke reacties. Tijdens de terinzagelegging worden tevens gelegenheden gecreëerd voor het stellen van vragen (waarschijnlijk in digitale vorm). Voor de rest van de procedure wordt aangesloten bij de structuur en organisatie van het participatieproces voor de RES. Voor meer informatie zie www.energieregiomre.nl.

2.4

Onderzoeksopgave (Doel) Het MER heeft de volgende drie doelen: ➢ Onderzoeken of de RES-doelstelling binnen de zoekgebieden haalbaar is. ➢ In beeld brengen wat de milieueffecten zijn van grootschalige zonne- en windparken binnen alle zoekgebieden, zodat de regio nadere keuzes kan maken over welke (delen van) zoekgebieden te benutten. ➢ Sturing bieden aan besluitvorming door aan de hand van alternatieven de milieugevolgen van beleidskeuzes inzichtelijk te maken. In het MER wordt per zoekgebied en zowel voor zon als wind berekend hoeveel energie er naar verwachting geproduceerd kan worden. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat de RES geen blauwdruk is voor de ruimtelijke ontwikkeling van de regio. Dat betekent dat de mix van bronnen waarmee de opgave van 2,0 TWh wordt behaald niet vastligt. Als gevolg van de ontwikkeling van technieken en kostprijzen kunnen hierin de komende jaren veranderingen optreden. Voor de scope van het MER gelden 2 belangrijke uitgangspunten: 1. Het MER onderzoekt de mogelijkheden voor grootschalige opwek van duurzame energie. Dat betekent dat een keur aan kleinschalige oplossingen niet aan bod komt in het MER. Deze bronnen leveren op verschillende manieren een bijdrage een de energietransitie maar leiden niet tot de aanzienlijke milieueffecten die bedoeld zijn in de m.e.r.-wetgeving en onderzocht moeten worden.

Het gaat vaak om ‘no-regret’ maatregelen waarvoor initiatiefnemers vandaag de dag al mee kunnen starten. 2. Er zijn op dit moment 2 technieken voorhanden die voor de grootschalige opwek van duurzame elektriciteit kunnen worden ingezet: windenergie met moderne windturbines en zon-pv, waarbij ’pv’ staat voor ‘fotovoltaïsch’, ter onderscheid met technieken die gebruik maken van zonthermie. Omdat beide technieken ruimtelijk relevante milieuaspecten hebben ligt in het MER de nadruk op het onderzoek naar deze twee bronnen. Overige technieken met beperkte ruimtelijk relevante milieueffecten (maar wellicht wel overige milieuef-

27 Inleiding

27

Voorlopig PlanMER RES MRE

fecten), zoals geothermie, komen niet aan de orde in het planMER. Dat betekent niet dat deze technieken geen deel uitmaken van de verkenningen in het kader van de RES. In de Regionale Strategie Warmte van de regio en gemeentelijke transitievisies komen deze onderwerpen uitgebreid aan bod. Het is alleen niet doelmatig om milieueffecten op regionale schaal te onderzoeken en te vergelijken met zon-pv en windenergie. In het planMER worden de milieueffecten van zoekgebieden en alternatieven met elkaar vergeleken. De resultaten van dit milieueffectenonderzoek zullen dienen als input voor de bestuurlijke besluitvorming over het onderscheiden van geschikte (delen van) zoekgebieden voor zon-pv en windenergie in de RES 1.0. Daarbij wordt ingegaan op kansen voor koppeling met de bredere thema’s en doelstellingen.

2.5

Opbouw van het MER Het MER geeft op hoofdlijnen inzicht in de milieueffecten van de realisatie van windturbines en grootschalige zonneparken in de MRE-gemeenten. Het MER beschrijft het beleid, de relevante wet- en regelgeving, het studiegebied en de te verwachten effecten. Het strategisch plan RES 1.0 waar het MER een onderbouwing van is wijst gebieden aan waar, al dan niet onder voorwaarden, de plaatsing van windturbines en grootschalige zonneparken al dan niet gewenst is. De algemene structuur van het MER sluit zoveel mogelijk aan op de indeling zoals die door de commissie voor de milieueffectrapportage is gepresenteerd in de factsheet ‘In 7 stappen een milieueffectrapport bij een Regionale Energie Strategie’. Eerst wordt een startkaart opgesteld met uitsluitingsgebieden voor zonne- en windenergie. Dit zijn gebieden waar harde belemmeringen de ontwikkeling van wind en zonprojecten niet toelaten, zoals de aanwezigheid van hoogspanningsverbindingen, gebieden met hoogtebeperkingen rond luchtvaartterreinen en beschermde natuurgebieden. Voor windenergie worden individuele ‘windparklocaties’ geïdentificeerd. Dit zijn plekken waar op basis van de harde belemmeringen opstellingen van tenminste 3 windturbines niet op voorhand zijn uitgesloten. Deze ondergrens van 3 windturbines volgt uit de provinciale omgevingsvisie en wordt in dit planMER als harde randvoorwaarde beschouwd.

Waar de belemmeringenkaart en de windparklocaties afwijken van eerder onderzoek ten behoeve van de concept-RES worden de verschillen geduid. Voor zon worden de onbelemmerde gebieden, voor zover deze gelegen zijn binnen de zoekgebieden uit de concept-RES, opgedeeld in de verschillende landschapstypen zoals die binnen de metropoolregio voorkomen. Vervolgens worden milieueffecten van zonne- en windenergie in de zoekgebieden inzichtelijk gemaakt en beoordeeld.

28 Inleiding

28

Voorlopig PlanMER RES MRE

Voor windenergie wordt hiertoe eerst een beoordeling per windparklocatie uitgevoerd (paragraaf 6.3. t/m 6.8) De beoordeling per zoekgebied is grotendeels een aggregatie van de scores van alle windparklocaties binnen dat zoekgebied (paragraaf 6.9). De beooordeling van de milieueffecten van zonneparken is te vinden in paragraaf 7.2 t/m 7.6. In deze fase wordt ook aandacht besteed aan de bredere thema’s (zie paragraaf 6.10 voor wind en paragraaf 7.7 voor zon). Daarna zijn drie alternatieven geformuleerd waarmee het doel voor grootschalige opwek binnen de MRE kan worden behaald. Deze alternatieven bestaan uit zowel zonne- als windenergie en zijn geformuleerd om effecten van verschillende beleidskeuzen te onderscheiden. Deze werkstappen gezamenlijk geven een ‘objectief’ beeld van de milieuffecten zoals die door grootschalige zonne- en windparken veroorzaakt kunnen worden. Mede op basis hiervan, en lokale input vanuit de individuele gemeenten is een Voorkeursalternatief geformuleerd. Dit is een combinatie van windparklocatie en gebieden voor zonneparken die gezamenlijk voldoende zijn voor het behalen van de doelstelling van de RES.

2.6

MER i.r.t. stappenplan commissie m.e.r. De commissie voor de m.e.r. heeft een stappenplan opgesteld voor het opstellen van een milieueffectrapport bij een Regionale Energiestrategie. Onderstaand schema toont het verband tussen dat stappenplan en voorliggend MER.

Stap 1 – Overzicht doelen

2 – Belemmeringen-/kansenkaart 3 – Afbakening 4 – Omgevingseffecten

5 – Alternatieven 6 – Milieubeoordeling

7 – Keuze en randvoorwaarden

Inleiding

Toelichting Maak een overzicht van de energiedoelen en het bestaand omgevingsbeleid van betrokken overheden over landschap, natuur en leefbaarheid. Geef ‘harde’ belemmeringen en kansen aan voor windturbineparken en zonneparken. Cluster de kansgebieden tot afgebakende gebieden. Bepaal de omgevingseffecten van de geselecteerde afgebakende gebieden. Maak onderscheid tussen leefbaarheid, natuur, landschap en veiligheid. Geef per gebied de geschiktheid aan om de doelen te halen. Ontwikkel verschillende alternatieven om de doelen zoveel mogelijk te halen. Maak een milieubeoordeling van de alternatieven op basis van de beschreven effecten in stap 4.

Plaats in het planMER

Voorgaande stappen leiden tot een set milieurandvoorwaarden op grond waarvan in de RES onderbouwde keunzen gemaakt kunnen worden.

Dit deel van het stappenplan is geen onderdeel van het MER: de keuze is nog nog niet gemaakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10093624/1