CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-20 RV Bijlage 6 Ecologische quickscan

Gemeenteraad 29 april 2021, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied herziening Rullen ongenummerd (nabij 13A) Ruimte voor Ruimte14.575 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek J.F.G. Maassen

Herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

Ecologische quickscan

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

2

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

J.F.G. Maassen

Herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen Ecologische quickscan Datum 10-12-2019

3

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

4

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

Maassen ecologisch advies en onderzoek Jan Mosmanslaan 23 5237 BB ’s-Hertogenbosch T 073-6410858 maassen36@ziggo.nl K.v.K 64413152 BTW nr 81276485B02 rek.no NL55 INGB 0003 0208 71

Projectno. Tekst en samenstelling Foto’s Foto op omslag In opdracht van Wijze van citeren Contactpersoon

Status Datum

1912-1 Jan Maassen Jan Maassen Jan Maassen J.F.G. Maassen, Herontwikkeling perceel ongenummerd Rullen te Nuenen Mw. Marjon Bakermans - Van den Heuvel (Crijns Rentmeesters bv) Concept 10-12-2019

© 2019 Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, ‘s-Hertogenbosch

Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoeklocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere verstrekte gegevens. De opdrachtgever vrijwaart Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

5

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

6

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

Inhoud 1

2

3

4

5

6

7

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doelstelling 1.3 Toetsingskader 1.4 Leeswijzer Het plangebied, beoogde ontwikkeling en ingrepen 2.1 Ligging van het plangebied 2.2 Inrichting en het huidig gebruik van het plangebied 2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen Wettelijk kader 3.1 Inleiding 3.2 Soortenbescherming 3.3 Gebiedsbescherming 3.4 Bijzondere provinciale beschermingszones 3.5 Bescherming houtopstanden 3.6 Rode Lijst Onderzoeksresultaat en effectenbeoordeling 4.1 Methodiek 4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Beschermd natuurgebied 4.2.2 Overige provinciale beschermingszones. 4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten en bladmossen 4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) 4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) 4.3.4 Vogels 4.3.5 Reptielen 4.3.6 Amfibieën 4.3.7 Vissen 4.3.8 Vlinders en libellen 4.3.9 Overige ongewervelden 4.4 Bescherming houtopstanden Conclusie 5.1 Samenvatting effectenbeoordeling 5.2 Toetsing aan de Wet natuurbescherming Voorzorgsmaatregelen, mitigatie en aanbeveling 6.1 Algemene voorzorgsmaatregelen 6.2 Bijzondere voorzorg- en mitigatiemaatregelen 6.2 Aanbeveling en advies Bronnen Bijlage 1 - Toelichting soortenbescherming Bijlage 2 - Soorten van de Vogelrichtlijn Bijlage 3 - Soorten van de Habitatrichtlijn Bijlage 4 - Nationaal beschermde soorten (‘andere soorten’) Bijlage 5 - Soorten met een vrijstelling

7

9 9 9 9 9 11 11 11 13 15 15 15 17 18 18 19 21 21 22 22 24 25 25 26 27 28 32 33 34 34 35 36 37 37 38 41 41 41 41 43 45 46 47 50 53

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

8

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemers hebben het voornemen tot bouw van een woning op een klein perceel grasland gelegen in het buitengebied van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten op een korte afstand van 0,5 km noordelijke van de bebouwde kom van Gerwen. Dit plangebied ligt binnen de kleine bebouwingsconcentratie Rullen dichtbij de westrand van de Stiphoutse Bossen. Het perceel staat kadastraal geregistreerd als Nuenen, Gerwen en Nederwetten no.6061 en heeft een oppervlak van 1090m2. Het grondgebied is momenteel in gebruik als weilandje. Crijns Rentmeesters bv te Someren heeft de opdracht om deze ontwikkeling mogelijk te maken binnen de gestelde wettelijke kaders. In het kader van deze wettelijke kaders dient een quickscan flora en fauna te worden uitgevoerd. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is aangezocht om deze quickscan uit te voeren.

1.2 Doelstelling Doormiddel van deze quickscan worden aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld gebracht en de mogelijke effecten daarop als gevolg van de beoogde herontwikkeling. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Beoordeeld wordt welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten. Aanvullend wordt bepaald of ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000- gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, speciale provinciale beschermingszones en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Als de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten die een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming tot gevolg kunnen hebben, wordt de noodzaak voor een ontheffingsaanvraag beoordeeld en/of doet deze quickscan aanbeveling voor vervolgstappen om overtreding van deze verbodsbepalingen te voorkomen.

1.3 Toetsingskader Deze quickscan toets aan • Wet natuurbescherming op de onderdelen o Wnb soortenbescherming: hoofdstuk o Wnb gebiedsbescherming o Wnb houtopstanden •

Provinciale regelgeving: o Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant o Groenblauwe mantel o Natuur Netwerk Nederland/Brabant

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de inrichting van het plangebied, de ligging van het plangebied in de omgeving en de voorgenomen ingrepen en herontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het

9

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

wettelijk kader geschetst dat de Wet natuurbescherming en de provinciale regelgeving biedt. Hoofdstuk 4 beschrijft in het eerste onderdeel de uitvoering van het onderzoek en de methoden die hierbij gehanteerd worden. In de volgende onderdelen van dit hoofdstuk worden de gebiedsbescherming en soortenbescherming behandeld. Per gebied en soortgroep wordt behandeld welk effect de ingrepen op beschermde soorten en gebieden kunnen hebben. In hoofdstuk 5 worden de mogelijke effecten die tot een overtreding van de Wet natuurbescherming kunnen leiden op beschermde gebieden en soorten kort samengevat. Aangegeven wordt welke overtredingen van wetsartikelen mogelijk zijn en voor welke ingrepen vervolgonderzoek en/of ontheffing nodig zijn. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven welk voorzorg- en mitigatiemaatregelen gewenst zijn om overtredingen te voorkomen.

10

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

2 HET PLANGEBIED, BEOOGDE ONTWIKKELING EN INGREPEN. 2.1 Ligging van het plangebied

Fig.1. Ligging van het plangebied (binnen rode cirkel) in de omgeving. Luchtfoto: Google Earth

Het plangebied is gelegen binnen de kleine bebouwingconcentratie Rullen in het buitengebied van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten op 0,5 km afstand noordelijk van de bebouwde kom van Gerwen. Op afstanden van respectievelijk 3 km zuidelijke en 4 km zuidwestelijke liggen de grootstedelijke bebouwingsconcentraties van Nuenen en Eindhoven. Op een afstand van slechtes 0,3 km oostelijk liggen de Stiphoutse Bossen, een natuurlijk bos- en heidegebied dat rijk is aan vennen. Het agrarische landschap in de omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door percelen intensief akkerland in afwisseling met een grote diversiteit aan kleinschalige natuurlijke houtbegroeiingen als houtwallen, kleine bosjes, erfbegroeiingen en beboste percelen. Het grondgebied rond de kleine bebouwingkern waarbinnen het plangebied ligt, biedt de aanblik van een kleinschaliger agrarisch landschap met kleine paardenweitjes en dichte natuurlijke houtbegroeiingen. Er zijn verschillende kleine aangelegde vijvers aanwezig, waarvan de opvallendste op 0,1 km zuidelijk van het plangebied ligt. Deze vijver, die een geschikte inrichting voor beschermde amfibieën toont, ligt als ‘buurtvijver’ op openbaar terrein centraal binnen de kleine bebouwingskern. Andersoortig open water ontbreekt binnen de omgeving. De sloten binnen de directe omgeving zijn van het type dat zelden een waterpeil voert.

De bodem binnen zijn deze omgeving bestaat uit droge schrale zandbodems.

2.2. Inrichting en huidig gebruik van het plangebied Het plangebied betreft een klein perceel grasland van het geringe oppervlak van 0,1 ha dat oorspronkelijk deel uitmaakte van het grondgebied (achtertuin) van adres Rullen 13A, maar wat

11

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

betreft eigendom en beheer daarvan afgescheiden is. Aan de zuid- en westkant grenst het plangebied aan de naburige tuinen, aan de oostkant aan de openbare weg de Nieuwe Dijk en aan de noordkant aan een oppervlak landbouwgrond. Fig.2.Het plangebied is rood omkaderd. (Luchtfoto Google Earth)

Het plangebied bestaat uit een oppervlak grasland dat omringd is met uitgedunde houtbegroeiingen. Andere elementen als bebouwing en watervoerende elementen ontbreken geheel. De grasbegroeiing op het terrein is van een zeer algemeen type dat en in enige mate verruigd is en gedomineerd wordt door de grassen gestreepte witbol en gewoon struisgras. Het middelhoge gras was ten tijde van het veldbezoek al enige tijd niet begraasd, of na de laatste maaibeurt van het seizoen weer aangegroeid. De verruiging houdt verband met de hoge mate van bladinval en betredingsdruk door vee. Op het laatste wijst de hoge aandeel van éénjarige onkruiden die ontkiemen op open verstoorde bodem. Andere soorten, als zevenblad en witte dovennetel, zijn schaduwplanten die zich ontwikkelen onder invloed van bladinval. Als directe terreinafscheidingen zijn aan de oost- en noordgrens 2 meter hoge scheerhagen van haagbeuk aanwezig en aan de overige kanten lage draadafscheidingen. Aan de buitenkant van deze afscheidingen staan langs de westelijke en noordelijke terreinranden op de afscheiding met naburig terrein, gefragmenteerde houtbegroeiingen met veel els en wilg. Deze betreffen de resten van uitgedunde hakhoutbegroeiingen. Deze houtbegroeiingen bevatten op de afscheiding met de achterliggende landbouwgronden twee volgroeide populieren.

Fysiek lijken de genoemde houtbegroeiingen buiten het plangebied te vallen, echter uit de woorden van de initiatiefnemer bleef het vaag of dit inderdaad het geval is. Aan de oostkant wordt het plangebied door een droge sloot afgescheiden van de openbare weg. Op de aangrenzende wegberm staan zomereiken van een aanzienlijke leeftijd aangeplant. Eén van deze eiken valt op door zijn monumentale stamdikte. Het gehele terrein biedt momenteel een lage natuurwaarde en door het kleine oppervlak weinig mogelijkheden om dit te verbeteren.

12

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen. De beoogde ontwikkelingen betreffen de volgende. -Op een onbebouwd perceel wordt een nieuwe woning gebouwd. -Voor deze ontwikkeling behoeven geen bestaande bebouwing of houtstructuren die kapvergunningsverplichting zijn of als beschermde houtopstand aangemerkt kunnen worden geamoveerd te worden. -Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient geen bestaande bebouwing gesloopt te worden

Fig.3 Landschappelijke inpassing. Bron: Crijns Rentmeesters

13

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

Het plangebied

Houtopstand aan oostelijke terreinrand

Wegbomen (links van de weg het plangebied)

Omgeving: kleinschalig agrarisch landschap

Omgeving: buurtvijver

14

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

3. WETTELIJK KADER 3.1. Inleiding Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van soorten (soortbescherming) en bescherming van gebieden (gebiedsbescherming).

3.2 Soortenbescherming Bij de Wet Natuurbescherming gelden een aantal verbodsbepaling ter bescherming van planten- en diersoorten (zie bijlage). De wet kent twee beschermingsniveaus waarbij drie categorieën beschermde soorten worden onderscheiden. • Europees beschermde soorten volgens de Vogelrichtlijn • Europees beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn. • Nationaal beschermde soorten. Europees beschermde soorten Het zwaarst beschermingsniveau gelden de Europees beschermde soorten. De bescherming van vogels is op Europees niveau geformaliseerd doormiddel van de Vogelrichtlijn en die van de overige soortgroepen doormiddel van de Habitatrichtlijn. De Europese bescherming middels de Habitatrichtlijn beschermd soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV en het verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Dit betreffen o.a. alle vleermuissoorten die in Nederland en Europa inheems zijn. Op deze soorten is het beschermingsregime van § 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Voor soorten van Verdrag van Bonn bijlage II is de bescherming bij ingang van de Wet Natuurbescherming opgeheven of deze vallen onder het beschermingsregiem van nationaal beschermde soorten (zie verder bijlage 1).

Nationaal beschermde soorten (“andere soorten”) Voor nationaal beschermde soorten geldt een zwakker beschermingsregiem en er kan per provincie en per soort vrijstelling verleend worden voor ingrepen die betreffen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Voor alle inheemse diersoorten, beschermt of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. De ‘andere’ nationale soorten staan vermeld in bijlage A en B van de wet die hoort bij artikel 3.10 en 3.11. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst. Op deze soorten (zie bijlage 4) is het beschermingsregime van § 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Bescherming verblijfplekken Ook verblijfplaatsen van soorten uit beide categorieën die als “vast” kunnen worden aangemerkt zijn beschermd en worden aangeduid als jaarrond beschermde verblijfplekken. Deze bescherming geldt alleen de vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts éénmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels.

Voor soorten die onder de

15

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

Vogelrichtlijn vallen zijn er verschillende gradaties in beschermingsniveau, afhankelijk hoe kwetsbaar de instandhouding van de soort is in relatie tot gebruik van de vaste verblijfplek (zie hoofdstuk 3.3). In samenhang met de verblijfplek wordt ook de leefomgeving beschermd zover deze van belang is om het functioneren van de verblijfplek mogelijk te maken. Ontheffingsplicht Alle beschermde soorten zijn in principe ontheffingsplichtig. Als men kan garanderen dat de voorgenomen plannen geen overtreding van de Wet natuurbescherming tot gevolg hebben geldt een vrijstelling. Een mogelijkheid om een dergelijke garantie te geven is onder meer door het werken met een door de bevoegde instantie goedgekeurde gedragscode. Vrijstelling doormiddel van een goedgekeurde gedragscode geldt voor alle vogelsoorten en nationaal beschermde soorten, zowel voor werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud als voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling (een verschil met voorgaande wetgeving). Beschermingsregiem soorten vogelrichtlijn §3.1Wnb

Beschermingsregiem soorten Habitatrichtlijn §3.2 Wnb

Beschermingsregiem andere soorten §3.3 Wnb

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art3.5 lid 1 Het is verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.10 lid 1a Het is verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen

Art 3.5 lid 4 Het is verboden voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben

Art 3.5 lid 3 Het is verboden om eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen en te rapen.

Niet van toepassing

Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Als dergelijke garanties niet kunnen worden gegeven moet men afhankelijk van de soort en ingreep ontheffing aanvragen van artikelen geformuleerd in de Vogelrichtlijn (§3.1 Wnb), of Habitatrichtlijn (§ 3.2 Wnb) of het beschermingsregiem “Andere soorten” (nationaal beschermde soorten) (§3.3 Wnb). Voor jaarrond beschermde verblijfplekken en functionele leefomgeving van soorten die onder de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijnen vallen is respectievelijk artikel 3.5 lid 4 en artikel 3.1 lid 2 van toepassing en geldt een verbod om de verblijfplekken en functioneel leefgebied te verstoren. De wet beschermt jaarrond beschermde verblijfplekken van nationaal beschermde soorten volgens artikel 3.10 lid 1b. Bij deze categorie is, evenals bij vogels waarvan de nestelplekken niet jaarrond beschermd zijn, het verbod tot opzettelijke verstoring niet van toepassing, noch de bescherming van de functionele leefomgeving. Onder de term “opzettelijk” moet men ook de zgn. “voorwaardelijke” opzet verstaan; dat betekent dat de initiatiefnemer zich bewust moet zijn van de effecten van zijn handelingen.

16

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een zorgplicht opgenomen: Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, en ook voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. Toetsing In tegenstelling met de voorgaande Flora en Faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van instandhouding van de gehele populatie meer in aanmerking genomen te worden. Een ontheffingsaanvraag wordt o.a. beoordeeld op de volgende punten: • aanwezigheid van aanvaardbare alternatieve mogelijkheden • aanwezigheid van een wettelijk belang • de staat van instandhouding van de soort en behoud van functionaliteit van de verblijfplek.

Het wettelijk belang betreft, afhankelijk van de status van de soort, een Nationaal wettelijk belang (Vrijstellingsbesluit) of een Europees wettelijk belang (Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn). Deze wettelijke belangen hebben o.a. betrekking op de openbare veiligheid, volksgezondheid, veiligheid luchtvaart en bescherming van flora en fauna.

3.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming onderscheidt twee typen beschermde natuurgebieden •

•

De gebieden die op Europees niveau een bescherming genieten en aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn (HR), Vogelrichtlijn (VR) en Verdrag van Ramsar (wetlands). Deze gebieden vallen onder de noemer van Natura 2000 en betreffen gebieden van grote ecologische waarde. Natuurgebieden en verbindingsstructuren die op landelijke basis zijn ingesteld en vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Deze natuurgebieden en hun onderlinge verbindingen vormen een samenhangend ecologisch netwerk. De NNN is de opvolging van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Natura 2000-gebied Ook hier genieten de gebieden die onder een Europees beschermingsregime vallen de meest striktste bescherming. Voor beide categorieën van beschermde gebieden geldt dat activiteiten die een negatief effect hebben op de kwaliteit van de gebieden in het algemeen verboden zijn. Uitgezonderd zijn activiteiten binnen Natura 2000 gebied die uitgevoerd worden in het kader van vastgelegde beheersplannen ten behoeve van Natura 2000 doelen. Een ontheffing wordt alleen verleend als er geen reële alternatieven zijn, de staat van instandhouding van soorten niet in gevaar komt en er sprake is van een groot openbaar belang, dat o.a. de volksgezondheid en openbare veiligheid kan betreffen.

17

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

De ontheffingsverlening gaat veelal gepaard onder strikte voorwaarden en beperkingen en er is altijd sprake van een compensatieplicht. Bij Natura 2000 gebied wordt doormiddel van een voortoets beoordeeld of er negatieve effecten verwacht kunnen worden en in hoeverre deze als significant beoordeeld kunnen worden. Bij niet-significante negatieve effecten volgt een “lichte “beoordeling doormiddel van een Verslechteringtoets. Bij significante negatieve effecten wordt de “zware” route gevolgd doormiddel van een Passende beoordeling en ADC-toets. Natuur Netwerk Nederland (NNN-gebied) Het uitgangspunt voor de bescherming van gebieden die vallen onder Natuurnetwerk Nederland is de eis dat de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet door een ingreep worden aangetast. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied geldt het ‘Nee, tenzij’ principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten.

3.4 Bijzondere provinciale beschermingszones Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant Stromingen in het grondwatersysteem kunnen veranderen door verandering van bodemopbouw of het doorboren van lagen (bij grondverzet of diepploegen). Deze activiteiten kunnen een negatief effect hebben op de (grond)waterstand in kwetsbare natte natuurgebieden (Natte natuurparels). Artikel 12 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant verbiedt daarom binnen de aangewezen attentiegebieden alle ingrepen die van negatieve invloed kunnen zijn op de waterkwaliteit en waterstromen binnen de ecologische hoofdstructuur. Groenblauwe mantel De provincie Noord-Brabant heeft in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (2010) een keuze gemaakt voor behoud en versterking van de kwaliteiten van het landelijk gebied. Voor dit doel zijn 2 robuuste structuren ingesteld; de agrarische structuur en de groenblauwe structuur. De groenblauwe structuur bestaat uit de Groenblauwe mantel en het kerngebied Groenblauw. De Groenblauwe mantel is een buffer tussen het kerngebied Groenblauw met het agrarisch en verstedelijkt gebied. Het kerngebied Groenblauw bestaat uit de ecologische hoofdstructuur (NNN) inclusief de ecologische verbindingszones en de gebieden voor behoud en herstel van watersystemen.

De Groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap; Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen. In Artikel 6 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant worden de doelstellingen van de Groenblauwe mantel geformuleerd en de verbodsbepalingen die gelden voor de Groenblauwe mantel. Deze verbodsbepalingen verbieden activiteiten die in strijd zijn met de hiervoor aangegeven doelstellingen met betrekking tot natuurbescherming, behoudt van landschappelijke kwaliteiten, bescherming van watersystemen en behoudt van bufferfunctie met het groenblauwe kerngebied.

3.5 Bescherming houtopstanden De Wet natuurbescherming § 4.1. Houtopstanden vervangt de voormalige Boswet, waarbij dezelfde voorwaarden grotendeels gelden. Evenals de Boswet betreft de bescherming in het algemeen houtopstanden buiten de bebouwde kom zover deze een groter oppervlak van 10 are hebben of een rij van meer dan 20 bomen betreffen, geen deel uitmaken van begroeiingen op erven of in tuinen en

18

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

geen aanplant voor cultuurdoeleinden en houtwinning betreffen. Er geldt een meld- en heraanplant plicht.

3.6 Rode lijsten Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort onder de Wet natuurbescherming nodig. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terrein beherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.

19

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

20

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

4. ONDERZOEKSRESULTAAT 4.1 Methodiek Literatuuronderzoek In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en directe omgeving. Er is voor het soortenonderzoek gebruikgemaakt van gegevens van diverse websites, o.a. van de nationale databank (NDFF), kennisdocumenten en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de ligging van het plangebied ten opzichte van relevante natuurterreinen in de omgeving, de ligging ten opzichte van Natuurbeschermingswet-gebieden als Habitat- en Vogelrichtlijngebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN), en bijzonder provinciale beschermingszones (Groenblauwe mantel). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord- Brabant. Bron van de NDFF-gegevens die in het verslag vermeld worden is: NDFF - quickscanhulp.nl; datum van levering 3-12-2019

Veldonderzoek Het veldbezoek werd op 4-12-2019 tussen 13.00 en 14.00 uur uitgevoerd door dhr. J. Maassen. Tijdens het veldbezoek was het rond de graden 6 C, windstil (wk 0), geheel bewolkt en nevelig. Een weertype dat als getypeerd kan worden als somber en koud herfstweer. Tijdens de uitgevoerde veldonderzoeken zijn de aanwezige biotopen in het plangebied vastgesteld. Ook is onderzoek gedaan naar biotopen en natuurwaarden in de directe aangrenzende omgeving waarop ontwikkelingen binnen het plangebied van invloed op kunnen zijn. Aan de hand van de aanwezige biotopen kan worden bepaald of er mogelijk beschermde soorten voorkomen. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen, die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn verwerkt in onderstaande notitie.

21

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Beschermd natuurgebied Ligging Fig.4 Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura 2000 gebied (rood gearceerd). Bron: Provincie NoordBrabant

Natura 2000

Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebieden zijn Strabrechtse Heide & Beuven en Leenderbos en Groote Heide & De Plateaux op afstanden van hemelsbreed rond de 10 km zuidelijk van het plangebied. Overige natura 2000-gebieden zijn op grotere afstanden gelegen

Fig.5. Ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de NNN-structuren (helder gekleurde oppervlakken). Oranje en gearceerd: Natte Natuurparels (NNN); groen NNB-gebied Bron: Provincie Noord-Brabant

NNN-gebied

Het dichtstbijzijnde gebied dat onder het Natuurnetwerk Brabant (NNBprovinciaal deel) valt ligt op een afstand van slechts ongeveer 0,3 km oostelijk hemelsbreed van het plangebied. Dit gebied betreft de Stiphoutse bossen/

22

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

Gerwensche Heide waaraan het beheertype N10.16 van droog bos met productie is toegekend. Westelijke van het plangebied ligt op ongeveer 0,5 km afstand wat versnipperd NNB-gebied dat een aansluiting biedt van de Stiphoutse bossen met het Dommeldal (NNB-rijksdeel). Aan het Dommeldal (met de Breugelsche Beemden) en aansluitend daarop in zuidelijk richting de Nuenens Broek, is de status van Natte Natuurparel toegekend.

Effectenbeoordeling Toelichting

De Wet natuurbescherming onderscheid naast een directe aantasting ook een indirecte aantasting door factoren die op afstand van invloed zijn, de zgn. externe werking. Voor NNN-gebied geldt deze externe werking alleen indien sprake is van een aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken zoals die in het beheerplan zijn vastgelegd. Zover de externe werking betrekking heeft op de toevoer van stoffen door lucht en water geldt deze in het kader van de Wet natuurbescherming uitsluitend voor Natura 2000-gebied en niet voor NNN-gebied.

Algemeen

Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van de NNN/EHS of Natura2000-gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is daarom geen sprake.

Natura 2000

Externe werking op korte afstand Alle Natura 2000 gebieden liggen op voldoende ruime afstand om geen negatieve invloeden verwacht worden van factoren met een externe werking die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. Stikstof Een mogelijke werking op afstand geldt hier uitsluitend de factor stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Een factor die ook op grotere afstand werkzaam is en op basis van zijn reikwijdte van bijzonder negatieve invloed kan zijn op kwetsbare natuurgebieden. In de uitvoerende fase kan een tijdelijke verhoging van de factor stikstofdepositie plaats vinden ten gevolge de uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens de bouw gebruikt worden. Na de uitvoerende fase kan verwacht worden dat de nieuwbouw en de verkeersbewegingen die deze genereren een nieuwe bron van stikstofuitstoot is. Gelet op de zeer bescheiden schaal, aard van de werkzaamheden en de nieuwe functie die het plangebied verkrijgt, kan het geheel uitgesloten worden dat deze uitstoot een dusdanige bijdrage levert aan de bestaande achtergronddepositie die leidt tot kwaliteitsverlies van beschermd natuurgebied of overschrijding van grenswaarden zoals die gesteld zijn voor de dichts nabije Natura 2000-gebieden.

Conclusie Negatieve effecten op Natura 2000 gebied die tot kwaliteitsverlies en overschrijding van de gestelde drempelwaarden leiden kunnen geheel uitgesloten worden gelet op de afstand, schaal en aard van de voorgenomen ontwikkelingen. Een toetsing aan de Natura 2000 wetgeving wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

NNB-gebied Beleidskader

De Verordening ruimte NB stelt in artikel 5.1.lid 7, dat als een bestemmingsplan gelegen buiten het Natuur Netwerk Brabant leidt tot een aantasting van de wezenlijke ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water, negatieve effecten

23

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd. NNB-gebied effecten en conclusie

De dichtstbijzijnde gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en liggen op een korte afstand van 0,3 km van het plangebied. Gelet op deze afstand, kleinschaligheid van het project en aard van de ontwikkeling kunnen effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van NNB-gebied aantasten geheel uitgesloten worden Conclusie Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht.

4.2.2 Overige provinciale beschermingszones. Ligging

Op de Themakaart ‘natuur en landschap’ in de Verordening ruimte Noord-Brabant is het plangebied aangeduid als gelegen binnen de structuur ‘Groenblauwe mantel’ en buiten het attentiegebied NNB.

Fig.6 Het plangebied ligt binnen de rode cirkel. Verklaring Blauwgroen: blauwgroene mantel Groen: NNBgebied Blauw gearceerd: attentiegebied NNB Bron: Ruimtelijke Plannen provincie Noord-Brabant

Effecten beoordeling en conclusie

Het plangebied ligt binnen de Blauwgroene mantel en de herontwikkeling, de bouw van een nieuwe woning, vindt plaats op basis van de provinciale regeling Ruimte voor Ruimte. De Ruimte voor Ruimtetitel biedt een vrijstelling van artikel 6.7 van de Verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerd januari 2019) op voorwaarde dat de herontwikkeling voldoet aan de eisen die gesteld zijn artikel 6.8 lid 1 van de verordening. Deze hebben betrekking op milieu- en landschappelijke kwaliteitswinst, landschappelijk inpassing, ligging en aanzet tot verstedelijking. Als bij herinrichting voldaan wordt aan de voorwaarde van een landschappelijke inpassing door de aanleg van een passende groenvoorziening (zie fig.3 op bladz.13) rond de nieuwe woning wordt aan alle voorwaarden voldaan.

24

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten en bladmossen Habitatrichtlijn

De Habitatrichtlijn beschermt een viertal inheemse plantensoorten van bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en 2 soorten van bijlage 2. De bijlage 4soorten betreffen de vaatplanten drijvende waterweegbree, kruipend moerasscherm, groenknolorchis en zomerschroeforchis. Als bijlage 2soorten worden de bladmossen geel schorpioenmos en tonghaarmuts vermeld. De strikte bescherming van de bijlage 2-soorten geldt alleen binnen hun prioritair aangewezen habitatgebieden. Voor beide bladmossoorten betreffen dit respectievelijk hoogveengebied en rivier begeleidend ooibos. Alle genoemde soorten zijn te strikt gebonden aan een hoogwaardig natuurlijk milieu van water, moerassen en vochtige heide en blauwgraslanden om binnen de directe omgeving van het plangebied te verwachten.

Nationale bescherming

Onder de nationale bescherming vallen 76 soorten vaatplanten waarvan de meeste uiterst zeldzaam zijn. Onder deze beschermingscategorie een hoog aandeel zeldzame akkeronkruiden die als gevolg van de intensivering van de akkerbouw vrijwel uit het agrarisch landschap verdwenen zijn. Een aantal zeer zeldzame soorten uit onderhavige beschermingscategorie groeit op stenige standplaatsen en kan op oude muren aangetroffen worden. In tegenstelling tot de voormalige Flora- en Faunawet zijn door de Wet natuurbescherming niet alle orchideeënsoorten meer beschermd. Onder de nationale bescherming vallen zo’n 8 soorten die allen in de provincie NoordBrabant uiterst zeldzaam of uitgestorven zijn.

Bronnen onderzoek

De NDFF-gegevens vermelden geen beschermde plantensoorten binnen de 1 km -straal rond het plangebied. Binnen de 1 -5 km straal wordt alleen de waterplant drijvende waterweegbree vermeld. De drijvende waterweegbree is als habitatrichtlijnsoort landelijk de minst zeldzame vaatplant en komt tamelijk wijdverspreid in de provincie Noord-Brabant voor. De soort is gebonden aan een hoogwaardige zachte waterkwaliteit van beken en vennen. In Noord-Brabant toont de soort in hoge mate een beek begeleidend verspreidingsbeeld.

Veldbezoek

Waarneming betroffen uitsluiten een aantal zeer algemene soorten als gewoonstruisgras, gestreepte witbol, kropaar, zevenblad, witte dovenetel, vogelmuur, Canadese fijnstraal. Er werden geen waarnemingen gedaan van beschermde, zeldzame, bedreigde of anderszins bijzondere plantensoorten gedaan.

Effecten beoordeling

De begroeiing is van een te algemeen soort om bijzondere botanische waarden te verwachten. Negatieve effecten op beschermde plantensoorten kunnen geheel uitgesloten worden. De condities ontbreken om deze te verwachten.

25

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) Toelichting Habitatrichtlijn

Onder de Europese bescherming van de Habitatrichtlijn vallen een aantal zeezoogdieren, die vanzelfsprekend binnenlands uitgesloten kunnen worden. Binnenlands kunnen als Europees beschermde zoogdieren wel Bever, Otter, Noordse woelmuis en verschillende soorten vleermuizen verwacht worden. Uitgezonderd van vleermuizen (die hier in een apart hoofdstukje behandeld worden) ligt het plangebied te ver buiten het landelijk verspreidingsgebied en specifiek habitatgebied van deze soorten om deze in de nabije omgeving te verwachten.

Nationaal beschermd (geen vrijstelling)

Op basis van ligging en landschappelijke omgeving kunnen in de nabijheid van het plangebied een aantal soorten uit het middelzware beschermingsregiem waarvoor geen vrijstelling geldt verwacht worden. Dit betreffen eekhoorn, das, kleine marterachtigen en steenmarter. De bescherming zonder vrijstelling van kleine marterachtigen, als wezel, bunzing en hermelijn geldt alleen de provincies Noord-Brabant en NoordHolland. Deze soorten komen vrij algemeen voor en zijn moeilijk vast te stellen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals houtwallen en greppels. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Kleine marterachtigen zijn moeilijk vast te stellen op basis van een kort en éénmalig veldbezoek. De steenmarter laat echter gewoonlijk duidelijke sporen na als uitwerpselen, prooiresten, stank en krabsporen. De das kent een grootschaliger landschapsgebruik dan voornoemde soorten en onderhoudt verblijfplekken buiten de directe bebouwde omgeving. Het zwaartepunt van het Brabants verspreidingsgebied van de das is geconcentreerd in de oostelijke helft van de provincie en in het bijzonder noordoostelijk deel van de provincie.

Nationaal beschermd (vrijstelling)

Een nationale bescherming met vrijstelling geldt voor een aantal algemene zoogdieren die in de meeste gevallen als uitgesproken cultuurvolger gelden. Uit deze beschermingscategorie kunnen in het bijzonder binnen of nabij het plangebied, en binnen de bebouwde omgeving in het algemeen, kleine zoogdiersoorten als gewone bosspitsmuis, bosmuis, veldmuis en egel verwacht worden. Deze zullen zich voornamelijk op terreindelen waar voldoende dekking door begroeiing is ophouden. Grotere soorten als ree, haas en vos zullen kunnen de directe nabijheid van bebouwing mijden indien er geen duidelijke voedselbron is. Voor al deze soorten is slechts de zorgplicht van toepassing, d.w.z. dat onnodig doden of verwonden vermeden dient te worden.

Onderzoek Bronnen onderzoek

Buiten vleermuizen melden de NDFF-verspreidingsgegevens binnen de 1 kmstraal rond het plangebied geen soorten die middels de habitatrichtlijn strikt beschermd zijn. De enige habitatrichtlijn die binnen de 1-5km-straal wordt vermeld is de bever. De soort is te specifiek gebonden aan rivier begeleidend ooibos om nabij het plangebied te verwachten. Als soorten die

26

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

onder de nationale beschermingsregime van ‘andere soorten’ vallen worden eekhoorn, das en bunzing binnen de 1km-straal vermeldt. Veldonderzoek

Tijdens het veldbezoek werd in het bijzonder gelet op sporen van marterachtigen, eekhoorn en das. Dit sporenonderzoek heeft geen aanwezigheid van zoogdieren of sporen daarvan binnen het plangebied of op aangrenzend terrein kunnen vaststellen. Er werden geen eekhoornnesten vastgesteld en er ontbreken elementen die geschikte verblijfsmogelijkheden kunnen bieden aan andere soorten waarvan de verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn.

Effectenbeoordeling leefgebied

Gelet op het kleine oppervlak en inrichting van het plangebied wordt uitgesloten dat het plangebied van enige bijzondere betekenis is binnen het leefgebied van zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt. Hooguit worden verwacht soorten als eekhoorn en marterachtigen die op meer incidentele wijze het plangebied bezoeken. Deze zullen zich voornamelijk langs de terreinranden bewegen waar nog enige beschutting is. De das zal de directe nabijheid van bebouwing vermijden en verder verwijderd daarvan foerageren langs akkerranden en houtwallen.

Verblijf en verblijfplekken

Verblijfplekken van zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt werden niet waargenomen en worden niet verwacht. Er ontbreken beschuttende elementen als bebouwing, holle bomen, houtstapels, dichte begroeiing etc. om een geschikte vestigingsplek te bieden.

Zorgplicht

Niet geheel uitgesloten kunnen worden een aantal kleine bodem bewonende zoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt als veldmuis, rosse woelmuis, gewone bosspitsmuis en egel. Voor deze soorten dient uitsluitend de zorgplicht (Wnb art 1.11) in acht worden genomen.

4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) Toelichting en voorkomen Alle in Nederland voorkomende vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 Toelichting bijlage IV van de Europese habitatrichtlijn en zijn daardoor op Europees niveau beschermd. Deze bescherming betreft ook de vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan:” het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Vleermuizen onderhouden verschillende type verblijfplekken als paarverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en zomerverblijven. Voor de staat van instandhouding van de lokale populatie van de soort zijn de kraamverblijven en de grote winterverblijven van het grootst belang. In gebruik van paarverblijven zijn vleermuizen het meest flexibel. In de loop van het seizoen wisselen vleermuizen regelmatig van verblijfplaats waarbij gebruik wordt gemaakt van vaste routes tussen de verblijfplekken.

27

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

Eveneens tussen foerageergebieden en verblijfplaatsen onderhouden vleermuizen vaste routes. Bij het gebruik van deze routes oriënteren vleermuizen zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen en houtwallen. Dit gehele systeem van verbindingsroutes en foerageergebieden die het functioneren van de verblijfplaatsen voor hun specifieke functies mogelijk maakt wordt de functionele leefomgeving genoemd. Ingrepen binnen de functionele leefomgeving die het functioneren van de verblijfplaatsen aantasten worden door de wetgever gelijkgesteld aan de aantasting van verblijfplekken zelf. In deze zin is de functionele leefomgeving even strikt beschermd als de verblijfplekken.

Voorkomen

Veldbezoek Verblijf en verblijf mogelijkheden.

Foerageergebied en verplaatsing structuren

Op basis van omgevingskenmerken worden binnen de directe omgeving vooral soorten van het besloten en half besloten landschap die in enige mate als cultuurvolger gelden verwacht. De betreft in de eerste instantie de gewone dwergvleermuis; de meest algemene vleermuis in Nederland die vrijwel overal binnen de bebouwde omgeving voorkomt. De laatvlieger komt ook algemeen in de bouwde omgeving voor, maar minder talrijk dan de gewone dwergvleermuis. Beide soorten verblijven uitsluitend in bebouwing. Binnen een omgeving als onderhavige kunnen vrijwel zeker ook de boom bewonende rosse vleermuis en, als uitgesproken soort van het besloten landschap, de gewone grootoorvleermuis verwacht worden. De NDFF-gegevens vermelden 4 soorten vleermuizen binnen de 1 km-straal; naast de gewone dwergvleermuis en laatvlieger worden ook de watervleermuis en, als meer zeldzame soort, de baardvleermuis vermeld.

Tijdens het veldbezoek werden geen verblijfmogelijkheden voor vleermuis geconstateerd. Bebouwing die verblijf kan bieden ontbreekt geheel. Alle bomen rond het plangebied werden onderzocht op geschikte verblijfmogelijkheden in bv. spechtenholen en rottingsholten. De enige holte die werd geconstateerd betrof een ondiepe rottingsholten in eén van de populieren, echter deze was te ondiep is om verblijf aan vleermuizen en andere beschermde fauna te bieden. Verwacht wordt dat vleermuizen langs de houtbegroeiingen aan de terreinranden foerageren, echter op basis van hun omvang kunnen deze ven een zeer beperkte betekenis geacht worden binnen het lokale leefgebied. Van meer betekenis voor vleermuizen kunnen de wegbomen van de Nieuwe Dijk beoordeeld worden. Niet uitgesloten is dat deze deel uitmaken van de hoofdstructuren waarlangs vleermuizen trekken en foerageren.

Effectenbeoordeling Zeker wordt de gewone dwergvleermuis foeragerend binnen het Soorten plangebied verwacht. Niet uitgesloten kan worden dat ook zeldzamere soorten als gewone grootoorvleermuis en baardvleermuis binnen de omgeving foerageren.

28

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

Verblijfplekken

Tijdens het veldbezoek werden geen vaste verblijfplekken en geschikte verblijfsmogelijkheden geconstateerd. Verblijfplekken van vleermuizen binnen het plangebied en invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling worden niet verwacht en daarmee geen negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfsplaatsen van vleermuizen.

Leefomgeving

Op basis van het geringe oppervlak wordt het plangebied van een marginale betekenis geacht voor vleermuizen. Hooguit worden foeragerende vleermuizen langs de houtbegroeiingen aan de terreinranden verwacht. Eventueel verlies van foerageergebied kan door vleermuizen binnen de omgeving gemakkelijk gecompenseerd worden. Ook door een nieuwe groene inrichting kan afdoende compensatie geboden worden. Wel ligt het plangebied binnen een omgeving die een grote geschiktheid voor vleermuizen toont, waarbinnen ook kwetsbaardere soorten als gewone grootoorvleermuis en baardvleermuis verwacht kunnen worden. De wegbomen van de Nieuwe Dijk ter hoogte van het plangebied kunnen van bijzondere betekenis zijn als trek- en foerageerroute van vleermuizen. Gelet op deze omgevingsfactoren dient daarom bij herinrichting rekening gehouden worden met verstorende factoren voor vleermuizen. Bijvoorbeeld met een aangepast lichtplan om lichtbelasting in de avonden nachtelijke uren te beperken.

4.3.4 Vogels

Beschermingscategorieën. Soorten uit categorieën 1, 2, 3 en 4 (een ontheffingsaanvraag altijd noodzakelijk is. Nesten jaarrond beschermd, vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Soorten: Boomvalk, Buizerd, Gierzwaluw, Grote gele kwikstaart, Havik, Huismus, Kerkuil, Oehoe, Ooievaar, Ransuil, Roek, Slechtvalk, Sperwer, Steenuil, Wespendief en Zwarte wouw. Soorten uit de categorie 5, jaarrond bescherming verblijfplekken optioneel Soorten: Blauwe reiger, Boerenzwaluw, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Boomkruiper, Bosuil, Brilduiker, Draaihals, Eidereend, Ekster, Gekraagde roodstaart, Glanskop, Grauwe vliegenvanger, Groene specht, Grote bonte specht, Hop, Huiszwaluw, IJsvogel, Kleine bonte specht, Kleine vliegenvanger, Koolmees, Kortsnavelboomkruiper, Oeverzwaluw, Pimpelmees, Raaf, Ruigpootuil, Spreeuw, Tapuit, Torenvalk, Zeearend, Zwarte kraai, Zwarte mees, Zwarte roodstaart en Zwarte specht. Overige soorten: verblijfplekken alleen beschermd indien sprake is van een daadwerkelijk broedgeval Soorten: overige soorten

29

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

Toelichting en bronnenonderzoek Algemeen Alle vogels zijn Europees beschermd door middel van de Vogelrichtlijn. In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd. De wet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval aanwezig is. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd (zie overzicht hierboven). Voor een verdere toelichting zie bijlage2. Categorie 1, 2, 3 en 4

Verblijfplekken in gebouwen Uit deze zwaarste beschermingscategorie worden een aantal soorten verwacht worden die als uitgesproken cultuurvolgers gelden en voor hun verblijfsmogelijkheden geheel afhankelijk van bebouwing zijn. Binnen een straal van 1 km melden de NDFF-gegevens uit deze categorie huismus, gierzwaluw, slechtvalk en steenuil. Binnen en omgeving als onderhavige kan zeker ook de kerkuil verwacht worden. Uitgezonderd van de gierzwaluw en slechtvalk zullen deze soorten het grote oppervlak aan landbouwgronden vermijden en zich verplaatsen en voedsel zoeken binnen de bebouwde linten en langs groenstructuren.

Categorie 1, 2, 3 en 4

Verblijfplekken in bomen Onder de zware beschermingscategorie vallen ook een aantal roofvogels die nesten onderhouden in bomen. De nestelplekken kunnen holten in bomen betreffen, zelfgemaakte nesten in bomen en grote nesten in bomen van andere vogels. Veel van deze soorten zijn gebonden aan bossen en bosranden of foerageren boven het open veld. De NDFFgegevens melden voor een straal van 1 km rond het plangebied buizerd, havik, wespendief, boomvalk en sperwer als roofvogels uit deze zware beschermingscategorie die aan bossen en bosranden gebonden zijn en voor hun nestgelegenheid afhankelijk van bomen zijn. Andere soorten anders dan roofvogels, uit deze categorie die binnen de 1km-straal vermeld worden zijn roek en ooievaar. De roek is een koloniebroeder en de ooievaar wijkt ook uit naar menselijke bouwwerken als hoogspanningsmasten en schoorstenen.

Categorie 5

De strikte bescherming van nestelplekken van soorten uit de deze categorie geldt alleen als er zwaarwegende ecologische omstandigheden daartoe aanleiding geven. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer die van het type nestgelegenheid. De bescherming houdt verband met de schaarste van het type nestgelegenheid. Veel van deze soorten zoeken nestgelegenheid op beschutte plekken in holten, holen en kieren. De jaarronde bescherming geldt alleen als de populatie sterk onder druk staat. Boerenzwaluw en huiszwaluw worden vaak als koloniebroeders aangetroffen op boerenerven en onderhouden vaste verblijfplekken waar ze jaarlijks weer naar terugkeren. De meeste soorten uit deze middelzware beschermingscategorie onderhoudt in principe geen vaste nestelplekken, zoals een aantal algemene tuin en stadsvogels, maar keren wel vaak tot dezelfde plek of locatie terug.

30

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

Buitencategorie

Voor de groep uit de laagste beschermingscategorie geldt de bescherming van de nesten en broedplekken in alle gevallen uitsluitend als daadwerkelijk sprake is van een broedgeval. Hiervoor is artikel Wnb artikel 3.1 lid 2 van toepassing. Verbod van opzettelijke verstoring is bij ingang Wnb niet (meer) van toepassing voor deze categorie. De omgeving van het plangebied kan van bijzonder belang geacht worden voor bosvogels, struweelbroeders en grondbroeders van akkers en akkerranden.

Veldonderzoek

Waarneming betroffen een aantal algemene tuin- en stadsvogels als koolmees, roodborst en winterkoning. Binnen het plangebied, noch in de onmiddellijke omgeving werden huismussen geconstateerd. Er werden geen vogelnesten of restanten daarvan in bomen en ander opgaand groen aangetroffen. Er ontbreken geschikte holten in bomen waar bosvogels en uilen verblijfplekken of nesten kunnen onderhouden. Er werden geen sporen, zoals ruiveren, uitwerpselen of braakballen gevonden die erop wijzen dat uilen rust- en uitkijkplekken binnen het plangebied onderhouden.

Effectenbeoordeling Verblijfplekken categorie 1,2,3 en 4

Op basis van het veldbezoek kunnen jaarrond beschermde verblijfplekken in bomen en in en aan bebouwing geheel uitgesloten worden. Er ontbreken geschikte holten in bomen die verblijfsmogelijkheden aan vogels kunnen bieden. Binnen een omgeving als deze is niet geheel uitgesloten dat soorten uit deze categorie die in het bijzonder als cultuurvolger gelden, als huismus, steenuil en kerkuil, binnen het plangebied foerageergelegenheid vinden. Echter gelet op het geringe oppervlak en inrichting van het plangebied kan verwacht worden dat dit foerageergebied van een marginale aard is en de omgeving afdoende compensatie biedt voor verlies daarvan. Ook een aangepast groene inrichting kan een eventueel verlies aan foerageergebied compenseren. Bij herinrichting dient met het oog op nachtvogels naar een lichtplan gestreefd te worden dat de lichtbelasting in de avond- en nachtelijke uren beperkt.

Verblijfplekken categorie 5

Er werden buiten de algemene tuin- en stadsvogels (koolmees, pimpelmees) geen vogels geconstateerd uit categorie 5, de middelzware beschermingscategorie. Binnen een omgeving als deze kunnen zeker bosvogels als boomkruiper, boomklever en verschillende spechtensoorten verwacht worden. Met de herontwikkeling van het plangebied gaat geen nestgelegenheid voor categorie 5- soorten verloren. Alsnog zijn er ook geen ecologische omstandigheden om nesten van deze soorten een jaarrond beschermde status te geven. Om een overtreding van artikel Wnb artikel 3.1 lid 2 te voorkomen dient wel het broedseizoen voor deze soorten in acht worden genomen bij het verwijderen van houtbegroeiingen.

Overig

Voor deze soorten is beperkte nestgelegenheid aanwezig binnen het groen van de bomen en scheerhagen rond het plangebied. Om een overtreding van artikel Wnb artikel 3.1 lid 2 te voorkomen dient het broedseizoen in acht worden genomen bij het eventueel verwijderen van houtbegroeiingen

31

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

4.3.5 Reptielen Habitatrichtlijn

Het plangebied ligt te ver buiten het landelijk verspreidingsgebied van de meeste reptielen die doormiddel van de Habitatrichtlijn beschermd zijn om deze in de nabijheid te verwachten. Zover deze in de wijdere omgeving voorkomen (Gladde slang op de Groote Peel en Deurnsche Peel) eisen deze ook te specifieke biotoopeisen om nabij het plangebied te verwachten

Nationale bescherming

De enige reptielen die in Brabant met enige frequentie voorkomen zijn de hazelworm en levendbarende hagedis. Deze soorten vallen onder de nationale bescherming en voor hen geldt geen vrijstelling. De levendbarende hagedis is een tamelijk algemene soort van heide en heideachtig terrein. De hazelworm is binnen Brabant een tamelijk zeldzame soort en komt binnen een zeer beperkt verspreidingsbeeld voor. De soort is gebonden aan heideterrein en bosgebied met een structuurrijke onderbegroeiing.

Bronnenonderzoek

De NDFF-gegevens vermelden binnen de 1km-straal als enige reptielsoort de levendbarende hagedis en pas op veel grotere afstand van 5 tot 10 km van het plangebied de hazelworm. Vrijwel zeker kan verwacht worden dat de waarnemingslocaties de nabijgelegen heideterreinen en bosgebieden betreffen Waarneming van genoemde soort binnen de provincie NoordBrabant op agrarisch terrein zijn van een uiterste incidentele aard.

Veldonderzoek

Het veldbezoek vond plaats in een tijd van het jaar die ongunstig is voor waarneming van reptielen. Wel kon vastgesteld worden dat de condities ontbreken om deze te verwachten. Het plangebied bevat geen elementen die van belang voor reptielen kunnen zijn.

Effectenbeoordeling Negatieve effecten op reptielen en hun habitatgebied kunnen geheel uitgesloten worden. Op basis van het huidige verspreidingsbeeld, landschapskenmerken en inrichting van het plangebied kunnen alle reptielsoorten voor het plangebied en onmiddellijke omgeving geheel uitgesloten worden.

4.3.6 Amfibieën Algemeen

Het plangebied ligt in een directe omgeving waarbinnen de enige stabiele watermilieus uit enkele kleine vijvers bestaan. De meest geschikte is de kleine “buurtvijver” gelegen op openbaar terrein op 0,1 km afstand noordelijk van het plangebied.

Habitatrichtlijn

Veel soorten uit deze categorie die binnen de wijdere omgeving verwacht kunnen worden, als heikikker, poelkikker en rugstreeppad, zijn binnen Noord-Brabant te specifiek gebonden aan een hoogwaardig stabiel watermilieu en/of een landbiotoop van heide, heideachtig terrein, stuifzanden en schraal grasland om binnen agrarisch of bebouwd gebied te verwachten. Het plangebied ligt binnen het agrarisch landschap te geïsoleerd van de meest nabije habitatgebieden om deze soorten te

32

Ecologische quickscan - herontwikkeling perceel Rullen ongenummerd te Nuenen

verwachten. Theoretisch gezien geldt deze isolatie minder voor de rugstreeppad. De rugstreeppad is een meer mobiele soort van minder stabiele watermilieus die landelijk op veel plekken in agrarisch gebied en tot binnen stedelijk gebied voorkomt. Binnen Brabant is de soort betrekkelijk zeldzaam en wordt de buiten de optimale biotoop van heide en stuifzanden veel minder vaak aangetroffen dan elders in het land. De soort is in het algemeen een kolonisator op allerlei braakliggend terrein en plant zich daar veelal voort in ondiepe tijdelijke plassen. De kamsalamander komt verspreid maar binnen lage dichtheden binnen de omgeving voor. Deze heeft een voorkeur voor grotere, half beschaduwde en iets voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie zoals veedrinkpoelen, kasteelvijvers, gebufferde vennen, en heldere sloten. Vaak liggen meerdere voortplantingswateren in elkaars nabijheid. Het landhabitat waar de kamsalamander wordt aangetroffen is vaak kleinschalig landschap met struikgewas, struweel, ruig grasland en/of bosrijk gebied. Nationale bescherming (geen vrijstelling)

De enige beschermde soorten nationaal beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt die binnen de provincie Noord-Brabant vrij algemeen voorkomen zijn de vinpootsalamander en alpenwatersalamander. De vinpootsalamander is te specifiek gebonden aan heidevennen om buiten natuurgebied te verwachten. De alpenwatersalamander is minder kieskeurig en is in de eerste instantie een soort van bosvijvers.

Nationale bescherming (vrijstelling)

De nationaal beschermde soorten waarvoor een vrijstelling geldt, betreffen een vijftal soorten amfibiesoorten die landelijk zeer algemeen voorkomen: de kleine watersalamander, bruine kikker, twee soorten groene kikkers (bastaardkikker en meerkikker) en de gewone pad. De meerkikker komt algemeen in het westelijk deel van het land voor en is in het oosten zeldzaam. Voor al deze soorten geldt alleen de zorgplicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10067154/1