2021-18 RV Bijlage 05-02 - Staatscourant Voorpublicatie zestiende tranche
Tekst van het document
Goudasfalt, gemeente Gouda Op het terrein aan de Gouderaksedijk in de gemeente Gouda was tot 2013 een asfaltcentrale gevestigd. De locatie ligt aan de Hollandsche IJssel, aan de overkant van de binnenstad van Gouda. Het burgerinitiatief Goudasfalt wil het oude industriegebied transformeren naar een gebied dat een maatschappelijke meerwaarde kent voor de stad. Goudasfalt heeft een grote diversiteit aan nieuwe activiteiten voor ogen, zoals wonen, werkplaatsen voor verschillende ambachten, stadslandbouw, evenementen, culturele en sportieve activiteiten en kleinschalige horeca. Enkele van deze activiteiten worden al incidenteel toegestaan op het terrein door het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan. Voor het burgerinitiatief betekent dit dat zij lang in onzekerheid verkeren of er positief beschikt wordt op de vergunningaanvraag. Om deze reden is een nieuw integraal kader in de vorm van een bestemmingsplan gewenst. Dit kader zal de oude industriebestemming laten vervallen en ruimte bieden aan de burgerinitiatieven. Omdat de concrete invulling van het
36
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017
gebied nog vele kanten uit kan gaan vraagt de gemeente het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte aan. Via dit experiment is het eenvoudiger om binnen gestelde kaders gebruikswijzigingen mogelijk te maken. De transformatie van het terrein leidt tot nieuwe gebruikers en activiteiten. Dit zal de binnenstad gaan versterken en de stad aantrekkelijker maken voor bezoekers. De voormalige asfaltcentrale was arbeidsextensief. De verwachting is dat de nieuwe situatie minimaal een verdubbeling van het aantal voltijd arbeidsplaatsen zal opleveren. Daarnaast geeft de verhoogde aantrekkingskracht van de stad een impuls aan de vitaliteit en werkgelegenheid van Gouda. Deze innovatieve aanpak is voor de gemeente Gouda nieuw. De werkwijze van de gemeente volgt het principe van ‘bestemmen met burgers’. In het kader hiervan worden interactieve ‘Stadslabs’ georganiseerd waarbij wensen vanuit de maatschappij centraal staan. Het ligt in de lijn der verwachting dat de nieuwe activiteiten een lagere druk op de omgeving leggen dan de vroeger aanwezige zware industriële activiteit van een asfaltcentrale. Zo zal de geluidzone kunnen worden teruggebracht en is er een lagere uitstoot van schadelijke stoffen. De bodem op het terrein is ernstig vervuild. De mogelijkheid van ‘biosanering’ wordt onderzocht en indien mogelijk toegepast.
De transformatie draagt derhalve bij aan de duurzaamheid van het gebied en de omgeving.
Postcodegebied 1012, gemeente Amsterdam Een aantrekkelijke en gemengde binnenstad is van groot belang voor Amsterdam. Die aantrekkelijkheid is sterk bepalend voor het imago, de economische kracht en het internationaal aanzien. De toename van het aantal bedrijven in de ICT en creatieve sector heeft de afgelopen jaren bijgedragen aan de groei van de werkgelegenheid in de binnenstad. De bedrijven in deze sector hebben een voorkeur voor een centrale locatie, omdat zij graag in de buurt van andere creatieve bedrijven en stedelijke voorzieningen gevestigd zijn. Momenteel is in Amsterdam sprake van een sterke economische groei. De stad is erg in trek bij toeristen van over de gehele wereld en dagjesmensen uit Nederland. Dit heeft geleid tot een oververtegenwoordiging van toeristische voorzieningen en op snelle consumptiegerichte zaken. Dit is een steeds groter wordende bedreiging voor de aantrekkelijkheid van de binnenstad. Deze ontwikkeling is in het centrum het meest zichtbaar binnen postcodegebied 1012. Het doorslaan van de balans naar dominantie van de toeristische voorzieningen kan bewoners afstoten, en ook de binnenstad minder aantrekkelijk maken als vestigingsplaats voor bedrijven. Daarmee verliest de binnenstad zijn kracht als motor van de stad.
Het experiment met het bestemmingsplan verbrede reikwijdte beoogt daarom monofunctionaliteit tegen te gaan en de diversiteit in het winkel- en voorzieningenaanbod te bevorderen. Hiermee blijft het centrum van Amsterdam op de lange termijn voor zowel bewoners, ondernemers als bezoekers aantrekkelijk. Om het postcodegebied in balans te houden wordt een bestemmingsplan verbrede reikwijdte opgesteld waarin gestuurd wordt op branchering. In het huidige Bro is al bepaald dat het bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels kan bevatten met betrekking tot branches van detailhandel en horeca. Gelet op de Wet ruimtelijke ordering moeten hieraan altijd ruimtelijke motieven ten grondslag liggen. Ruimtelijke motieven kunnen zien op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het bestemmingsplan verbrede reikwijdte geeft meer ruimte voor het tegengaan van de monocultuur en het bevorderen van diversiteit. Een toedeling van functies aan gronden om daarmee een goede omgevingskwaliteit te bewerkstelligen kan ruimer worden opgevat dan bij ‘een goede ruimtelijke ordening’. Daarnaast biedt de bredere reikwijdte meer ruimte om in te zetten op het duurzaam behoud van het cultureel erfgoed in de binnenstad van Amsterdam. Dit cultureel erfgoed draagt in zeer belangrijke mate bij aan de aantrekkingskracht van de binnenstad.
Klein Plaspoelpolder, gemeente Leidschendam-Voorburg Klein Plaspoelpolder is gelegen aan de rand van het oude centrum van Leidschendam. Dit gebied is ontwikkeld als een locatie met grote kantoren en bedrijven. Kenmerkend voor het huidige gebied zijn enkele grote leegstaande kantoorgebouwen en functies die binnenstedelijk onwenselijk zijn. Voorbeelden hiervan zijn een betonfabriek en een afvalinzamelpunt. In 2015 heeft de gemeenteraad de Ontwikkelvisie Klein Plaspoelpolder vastgesteld. Het doel van deze visie is om richting te geven aan de toekomstige invulling van het gebied. Klein Plaspoelpolder moet transformeren naar een verblijfsgebied met een goed woon- en leefklimaat dat aansluit op de omgeving. Om dit te realiseren wordt er een globaal bestemmingsplan opgesteld dat gericht is op uitnodigingsplanologie. Binnen de huidige regelgeving moet bij vaststelling van een bestemmingsplan een gedetailleerd exploitatieplan worden vastgesteld indien kostenverhaal niet anderszins verzekerd is. Dit past niet bij de organische werkwijze die de gemeente voor ogen heeft. Het experiment met het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte biedt de mogelijkheid om naast het bestemmingsplan ook het exploitatieplan globaal te houden en het kostenverhaal te faseren naar het moment dat een initiatiefnemer een vergunning aanvraagt.
Daarnaast integreert de gemeente zoveel mogelijk onderdelen van de totale fysieke leefomgeving in het nieuwe bestemmingsplan. Tot op heden is gewerkt aan spelregelkaarten, het streven is om deze integraal deel te laten uitmaken van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte en op deze manier een duidelijk kader te scheppen waarbinnen ontwikkelingen plaats mogen vinden. De transformatie
37
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017
van het gebied leidt tot een omvangrijke woningbouwopgave (300-400 woningen), die zorgt voor werkgelegenheid bij de betrokken partijen en doorstroming op de lokale woningmarkt. Het uitgangspunt van het project is dat Klein Plaspoelpolder de meest duurzame plek van Leidschendam-Voorburg wordt. Hierbij biedt het bestemmingsplan verbrede reikwijdte de mogelijkheid om het aspect duurzaamheid breed te benaderen. Waar mogelijk zal de gemeente het nieuwe bestemmingsplan gebruiken om aardgasloze bouw te stimuleren. Hiervoor heeft de gemeente zich ook aangemeld als pilot voor de Green Deal Aardgasvrije Wijken. Vanuit het oogpunt van sociale duurzaamheid wordt een deel van de woningen levensloopgeschikt ontwikkeld en is het streven om gezinnen te trekken door middel van het realiseren van een brede school/Integraal Kindcentrum.
Schieoevers Noord, gemeente Delft Schieoevers Noord is een bedrijventerrein in Delft dat wordt getransformeerd en gemoderniseerd tot een voor Delft uniek gemengd stedelijk milieu, waar ruimte is voor wonen en werken. Deze transformatie biedt ruimte voor creatieve industrieën en voor de kenniseconomie. De ruimte hiervoor ontstaat mede doordat de TU Delft dichtbij de Schieoevers is gelegen en hier verbindingskansen ontstaan tussen de TU Delft en de nieuwe bedrijvigheid in het gebied. Deze transformatie is benoemd in de Ruimtelijke Structuurvisie 2030 van de gemeente Delft. De ontwikkeling zal geleidelijk en op organische wijze tot stand komen. Het is voor de transformatie belangrijk dat de gevestigde traditionele bedrijvigheid langzaam plaats maakt voor nieuwe kennisintensieve en creatieve bedrijvigheid. De combinatie met wonen zal leiden tot een aantrekkelijk woonklimaat voor startende ondernemers en pas afgestudeerden. Specifiek voor deze groep zal worden ingezet op een woon/werkcombinatie. Dit kan in de vorm van een werkruimte in de woning, maar ook met kleinschalige bedrijfsverzamelgebouwen in de woongebieden. Deze ontwikkeling draagt bij aan de werkgelegenheid in Delft. Het gaat niet alleen om een bouwimpuls door de (ver)bouw van bestaande bedrijfspanden of de nieuwbouw van woningen, maar ook om een impuls voor de werkgelegenheid op het bedrijventerrein.
Door de menging van functies en de centrale ligging zal het gebied een dynamisch karakter krijgen met veel activiteiten. In combinatie met veel net afgestudeerden van de TU Delft hoopt de gemeente een gebied te creëren met veel innovatiekracht. Een doel is om een broedplaats voor nieuwe ideeën en ontwikkelingen te realiseren. De ontwikkeling van de Schieoevers Noord draagt ook bij aan de regionale versteviging van de kenniseconomie. Voor de duurzame herontwikkeling van het bedrijventerrein zijn zowel de sociaal-maatschappelijke aspecten (people), bescherming van het milieu (planet) als de economische ontwikkeling (profit) van belang. Deze drie pijlers dienen in evenwicht te zijn. De gemeente Delft ziet duurzaamheid als een verbindend element in de herontwikkeling van het gebied. Daarnaast is de verwachting dat de transformatie zal leiden tot een lagere milieubelasting op het omliggende gebied. Om de ontwikkeling integraal tot stand te brengen stelt de gemeente een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op. De instrumenten van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte maken het voor de gemeente mogelijk om de organische ontwikkeling te faciliteren. Er zijn veel verschillende grondeigenaren in het gebied die allen een eigen ontwikkeltempo hebben. Hierdoor stijgt de noodzaak van een flexibel bestemmingsplan met ruime kaders.
Om te anticiperen op de sluiting van specifieke bedrijvigheid wordt dit gebied ook aangemeld als ontwikkelingsgebied in deze tranche.
Strijp S en Strijp T, gemeente Eindhoven De gebieden Strijp T en Strijp S maken deel uit van het voormalige Philips bedrijventerrein in Eindhoven. Het gebied wordt getransformeerd naar een modern en duurzaam bedrijvenpark met oog voor het historische industriële karakter. De verschillende karakteristieke gebouwen in het gebied worden met respect voor sfeer en architectuur volledig gerenoveerd en geoptimaliseerd voor duurzame moderne bedrijfsvoering gericht op innovatieve hightech industrie. Dit experiment biedt de mogelijkheid om dit te stimuleren. De Strijp-gebieden zijn vanwege dit specifieke gebiedskarakter nu al bekend in Nederland Strijp T en Strijp S zijn momenteel ruimtelijk van elkaar gescheiden door de Beukenlaan. Bij de ontwikkeling van zowel Strijp T als Strijp S is er aandacht voor de onderlinge relatie. Zo wordt er nagedacht over een betere ruimtelijke koppeling tussen de twee gebieden. Door de herontwikkeling en transformatie van de Strijp-gebieden ontstaat er in de spoorzone van Eindhoven een kwaliteitsimpuls in leefbaarheid. De omgeving biedt een vestigingsplaats voor innovatieve technologische bedrijven met unieke huisvesting en samenwerkingsverbanden. In Eindhoven ontbreekt nu nog een specifieke plaats waar succesvolle technologische ‘maak’ bedrijven zich bij elkaar kunnen vestigen. Deze rol willen de Strijp-gebieden gaan invullen.
De vestiging van deze bedrijven en de creatie van dit werkmilieu zullen leiden tot meer werkgelegenheid in Eindhoven. De transformatie zal bijdragen aan het behoud van de verschillende karakteristieke panden. De transformatie draagt hiermee bij aan het duurzaam ruimtegebruik binnen Strijp T en Strijp S. Daarnaast wordt de herontwikkeling gebruikt om de toepassing van maatregelen rondom het circulair bouwen, energieopwekking met een warmtepomp of een biomassacentrale en nieuwe isolatietechnieken te onderzoeken. De typen bedrijvigheid die zich vestigen of zullen vestigen zijn van een duurzaam innovatief karakter. Juist door het combineren van ontwerp- en maakbedrijven ontstaan nieuwe
38
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017
samenwerkingsmogelijkheden. Het gebied Strijp S staat al bekend om zijn innovatieve karakter, de verdere transformatie zal dit versterken. Om deze herontwikkeling duurzaam tot stand te brengen vraagt de gemeente de experimenteerstatus aan. De gemeente wil experimenteren met het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. De bedrijvigheid die zich zal vestigen binnen deze gebieden past niet binnen hetgeen in een traditioneel bestemmingsplan onder ‘Kantoor’ of ‘Bedrijf’ wordt verstaan. Het experiment biedt meer ruimte voor lokaal maatwerk. Daarnaast is het met toepassing van dit experiment gemakkelijker om een breder planologisch kader te formuleren, waarin op voorhand minder functies worden uitgesloten. Hierdoor kan de gemeente faciliterend optreden bij de herontwikkeling van dit gebied.
Buitengebied Woerden, gemeente Woerden De gemeente Woerden wil in samenspraak met alle belanghebbenden voor het grondgebied een omgevingsvisie opstellen en acht het wenselijk om gelijktijdig voor het buitengebied van de kernen Woerden, Kamerik en Zegveld een bestemmingsplan met verbreide reikwijdte op te stellen. Het bestemmingsplan is een pilot voor de gemeente om een noodzakelijke cultuurverandering binnen de gemeente te bewerkstelligen en om na deelname van de gemeente aan het landelijk project ‘Ontslakken’ nieuwe stappen in deregulering te zetten. Door participatie wordt draagvlak gecreëerd, waardoor ontwikkelingsmogelijkheden en initiatieven sneller uitgevoerd kunnen worden en voor bedrijven mogelijkheden ontstaan zich te kunnen blijven ontwikkelen. Hierbij gaat ook aandacht uit naar agrarische bedrijven in het plangebied, die een belangrijke economische drager in het buitengebied vormen. De agrarische bedrijven zitten in de verdrukking door milieuregels op het gebied van geur en luchtkwaliteit. Deze agrarische bedrijven zijn belangrijk voor de werkgelegenheid van het gebied. Daarom wordt dit bestemmingsplanplan met verbrede reikwijdte ingezet om een duurzaam afwegingskader te creëren waarbinnen agrarische bedrijven ruimte krijgen voor ontwikkelingen.
Verder stelt de gemeente met een integrale benadering randvoorwaarden en uitvoeringsregels op die bijdragen aan een duurzame leefomgeving met het oog op bijvoorbeeld energiegebruik en klimaatadaptatie. Er ligt in het buitengebied een concrete waterbergingsopgave die ingevuld moet worden. Ook de problematiek van bodemdaling in het veengebied vraagt om nieuwe opgaven bij het toekomstbestendig ontwikkelen van nieuwbouwlocaties, waarbij wordt gedacht aan het ontwikkelen van drijvende woningen. De gemeente wil hiervoor in eigen beheer een pilot starten. De thema’s CO2neutraal in 2030, klimaatbestendig 2050, het programma ontwikkeling veengebied (bodemdaling), circulaire economie en de gezonde samenleving worden door de gemeente in samenhang benaderd onder de noemer ‘duurzaamheid tot in de haarvaten van de Woerdense samenleving’. Deze ambitie gaat de gemeente de komende jaren samen oppakken met inwoners, partijen uit de Woerdense samenleving, regionale partners en landelijke kennisinstellingen, zoals bijvoorbeeld TNO, Deltares en hogescholen/universiteiten. Een bredere reikwijdte van het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om dergelijke innovatieve aspecten te borgen in de regelgeving.
Buitengebied Gaasterlân-Sleat, gemeente Fryske Marren Het buitengebied van de gemeente Fryske Marren is gelegen tussen de Friese meren en het IJsselmeer en bestaat uit een afwisselend landschap, waarbinnen zich een aantal kleine dorpen bevinden. Het gebied kent een intensief gebruik voor landbouwdoeleinden en heeft een grote aantrekkingskracht op het toerisme. Binnen de voor het buitengebied geldende thema’s natuur, water, landschap en cultuurhistorie en de economische dragers als landbouw, recreatie en toerisme zet de gemeente in het kader van de fysieke leefomgeving in op de aspecten gezondheid en duurzaamheid en overige specifieke ontwikkelingen. Na een inventarisatie van de wensen en de maatschappelijke ontwikkelingen wil de gemeente de randvoorwaarden en de gewenste kwaliteiten bepalen, die de basis vormen voor de ruimtelijke ontwikkelingskansen van het gebied. De gemeente acht het wenselijk dat kansrijke initiatieven zo min mogelijk op voorhand worden verboden of beperkt maar met behulp van zoveel mogelijk open normen aan de hand van geformuleerde beleidsdoelen op hun kwaliteiten kunnen worden beoordeeld en afgewogen. Hierbij wenst de gemeente nieuwe instrumenten te ontwikkelen om in het bestemmingsplan tegenprestaties te borgen, zoals landschappelijke inpassing, duurzaamheid, maatschappelijke meerwaarde en innovatie.
Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kan daarnaast een bijdrage leveren aan het faciliteren van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptie met kansen voor het treffen van natuurmaatregelen op de grens tussen water (waaronder het IJsselmeer) en land en gewenste ontwikkelingen in de landbouw. Hierbij spelen aspecten van bewustwording van natuurinclusieve landbouw, biodiversiteit en duurzame landbouw in veenweidegebieden bij het omgaan met de grond en het landschap en de invloed hiervan op het welbevinden en de gezondheid van burgers. Hiermee kan grootschalige landbouw, met name in de grote open gebieden, worden tegengegaan. In het bestemmingsplan kan een evenwichtige toedeling van de verschillende functies in het gebied plaatsvinden. Vanwege de ligging en de huidige inrichting van het buitengebied staat het gebied economisch gezien onder druk. Met het bestemmingsplan wordt beoogd het voor initiatiefnemers makkelijker te maken om initiatieven te ontplooien en bestaat de reële verwachting dat de verschillende projecten zullen leiden tot een verhoogde activiteit in het buitengebied zonder dat
39
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017
afbreuk wordt gedaan aan de waarden van het buitengebied. Hierbij kan worden gedacht aan projecten in duurzame energie (onder andere mestvergisting, zonnepanelen en kleinschalige windturbines), specialisatie en innovatieve ontwikkeling in de landbouw (onder andere natuurinclusieve landbouw in combinatie met lokale ontwikkeling van producten en creëren van een lokale afzetmarkt en biologische bedrijfsvoering) en verbrede gebruiksmogelijkheden voor agrarische percelen (onder andere boerenwinkel, natuureducatie, kinderboerderij en zorgboerderij. Meer ruimte voor kansrijke initiatieven, het niet onnodig belemmeren van initiatieven en het sneller kunnen verlenen van medewerking aan initiatieven leiden tot een toename van de werkgelegenheid.
Nuenen West, gemeente Nuenen Aan de westkant van Nuenen wordt een nieuwe woonwijk gerealiseerd. De woonwijk omvat circa 1.600 woningen. ‘Nuenen West’ kent een groene setting, grenzend aan het Dommeldal. De nieuwe woonwijk voorziet voornamelijk in een woonbehoefte vanuit Eindhoven. Eindhovenaren hebben behoefte aan een suburbaan woonmilieu dat in mindere mate beschikbaar is binnen de gemeente Eindhoven. De woonwijk zal over een periode van ongeveer 20 jaar worden gerealiseerd. Met de ontwikkelaar is de gemeente overeengekomen om minimaal 80 woningen per jaar ‘in de markt te zetten’. Mede om deze looptijd vraagt de gemeente Nuenen het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte aan. Het bouwen van circa 1.600 woningen zal de bouwsector een impuls geven en hiermee een bijdrage leveren aan de werkgelegenheid. De wijk zal volgens het slimme stad concept worden ontwikkeld. De regio Eindhoven wordt gezien als de technologische kennisregio van Nederland. Een nauwe samenwerking met verschillende bedrijven die zich specialiseren in slimme vormen van mobiliteit, connectiviteit en energie zijn cruciaal om het slimme stad concept concreet te maken. De wijk wordt op deze manier een innovatieve woonwijk met vernieuwende technologieën. Niet alleen is de wijk innovatief, maar ook duurzaam.
Zo zal de wijk een gescheiden rioleringsstelsel, een vertraagde hemelwaterafvoer kennen en zullen energieneutrale woningen worden aangeboden. De planperiode van 20 jaar maakt het uitvoeren van dit project mogelijk. Naast deze experimenteermogelijkheid ziet de gemeente ook mogelijkheden in het experimenteren met open normen en het experimenteren met meldingsplichten. Deze twee mogelijkheden maken een toekomstgericht en flexibeler plan mogelijk. Zeker wanneer de realisatie van een project een lange looptijd kent is flexibiliteit gewenst.
Buitengebied Bernheze, gemeente Bernheze Bernheze is een plattelandsgemeente met een grote agrarische sector. De transitie in de landbouw brengt nieuwe uitdagingen met zich. Te denken valt aan meer functiemenging in het buitengebied en schaalvergroting van enkele agrarische bedrijven. Het doel van dit experiment is voor de gemeente tweeledig. Het oefenen met mogelijkheden van het omgevingsplan en de gewenste ruimte bieden aan de transitie in de landbouw. Deze ruimte wil de gemeente gaan bieden door een integraal en toekomstgericht bestemmingsplan voor het buitengebied op te stellen. In dit plan zal ruimte worden geboden aan een nieuwe invulling voor vrijkomende agrarische bebouwing alsook een breder gebruik toestaan voor bestaande landbouw, bijvoorbeeld in combinatie met recreatieve voorzieningen of zorgwoningen. Tot nu toe werd er op deze ontwikkelingen reactief gereageerd door de gemeente. De inhoudelijke en procesmatige onzekerheden die aan deze systematiek verbonden zijn weerhouden initiatiefnemers ervan om daadwerkelijk te starten met het ontwikkelen van een perceel. Door een plan op te stellen die deze ruimte wel biedt, is de verwachting dat het aantal initiatieven toeneemt en dat de leegstand beter kan worden aangepakt. Daarnaast zal dit naar verwachting een impuls geven aan de economische ontwikkeling in het buitengebied.
De gemeente ziet ook een rol voor het buitengebied in het kader van duurzame ontwikkeling. Het buitengebied is rijk aan natuur (de Maashorst, Beekdal de Aa) en bezit veel cultuurhistorisch erfgoed (o.a. Kasteel Heeswijk). Deze waarden dienen benut en beschermd te worden. De gemeente neemt hierin een regierol. Hieraan gekoppeld is het ruimte bieden aan innovatie. De transitie in de landbouw vraagt om creatieve en innovatieve oplossingen die samengaan met investeringen in concrete duurzaamheidsmaatregelen. Het kan gaan om duurzame voedselproductie, energieopwekking of ketenbeheer in de mestverwerking. Innovatie laat zich moeilijk van tevoren vatten in planregels. Een flexibel bestemmingsplan biedt mogelijkheden om hier op effectieve wijze mee om te gaan.
Dorp Norg, gemeente Noordenveld De gemeente Noordenveld wil ten oosten van het dorp Norg een nieuwe woonwijk voor 225 woningen ontwikkelen. Het is de bedoeling om het gebied met een globaal en flexibel bestemmingsplan organisch te ontwikkelen, zodat verschillende soorten vragen vanuit een actuele marktsituatie gefaciliteerd kunnen worden. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan projecten van collectief particulier opdrachtgeverschap en verschillende woonvormen. Woningbouwcorporaties en plaatselijke
40
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017
bouwbedrijven krijgen de kans de woningen te bouwen, wat bijdraagt aan de bestrijding van de lokale effecten van de economische crisis. Omdat niet alle woningen in een korte periode ontwikkeld worden, is het van belang om na iedere bouwfase een afgerond geheel te krijgen. Deze verschillende deelgebieden dienen in de totale woonwijk ook weer als eenheid te worden ervaren. Voor de nieuwe woonwijk is het lastig om de uitvoerbaarheid voor het gehele gebied binnen een periode van 10 jaar te onderbouwen, omdat op dit moment nog niet zeker is wanneer en op welke wijze de wijk wordt ontwikkeld. Een planperiode van 20 jaar maakt het uitvoeren van dit project wel mogelijk. In de woonwijk zal veel aandacht worden besteed aan duurzaamheid. Het is de bedoeling om bij het bouwrijp maken van het terrein zo weinig mogelijk te vergraven, de verharding tot een minimum te beperken en aandacht te hebben voor water en groen. Verder zal aansluiting worden gezocht bij het natuurlijke maaiveld. Het plangebied betreft een es, die op het midden hoger is dan de randen. Dit betekent dat het water zoveel mogelijk langs de randen van het plangebied zal worden opgevangen. Ook is het de intentie om zoveel mogelijk zongericht te verkavelen, zodat woningen een optimale bezonning kunnen krijgen.
Wat de duurzaamheid bij het bouwen betreft zal in beginsel aansluiting worden gezocht bij het Bouwbesluit 2012, maar als initiatiefnemers hierbij verder willen gaan, dan zal de gemeente dit stimuleren. Verder zal worden onderzocht in hoeverre in het bestemmingsplan een verdienmodel kan worden opgenomen waarbij het treffen van duurzaamheidsmaatregelen wordt beloond.
Dukenburg, gemeente Nijmegen In de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw is de wijk Dukenburg in Nijmegen gebouwd als een ruim en groen toevluchtsoord voor Nijmegenaren uit de verouderde, krappe volkswijken. Het merendeel van de gebouwen in Dukenburg is inmiddels 40 tot 50 jaar oud en toe aan renovatie of nieuwbouw. Dit geldt voor de woningen, maar ook voor de winkels, scholen, zorgcomplexen en maatschappelijk en commercieel vastgoed. De renovatie en nieuwbouw zal tijdelijk werkgelegenheid opleveren in de regio Nijmegen. Daarnaast biedt dit een kans om het voorzieningenniveau een impuls te geven hetgeen ten goede komt aan de sociaal-economische vitaliteit van de wijk. Er wordt veel geïnvesteerd, met name door corporaties en zorgpartijen, maar er is op veel punten ruimte voor verbetering. Het is de ambitie van de gemeente om in de aanloop naar het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan Dukenburg breed te beschouwen. Om dit vorm te geven wordt een participatieproces ingericht waar bewoners en andere partijen de opgaven en inzet voor de nabije en iets langere toekomst met elkaar bepalen. Hiervoor zal een toekomstvisie worden opgesteld, die zijn beslag in het bestemmingsplan verbrede reikwijdte zal vinden.
Daarbij spelen thema’s op maatschappelijk gebied, zoals eenzaamheid en een gezonde levensstijl en in het fysieke domein, zoals de invulling van leegstaande gebouwen en braakliggende locaties, een grote rol. De invulling van leegstaande en braakliggende locaties leidt ertoe dat de beperkte beschikbare ruimte in het stedelijke gebied van Nijmegen duurzaam wordt gebruikt. Daarnaast zal het bestemmingsplan duurzaam bouwen zoveel mogelijk stimuleren.
Lint-Zuid, gemeente Lansingerland Het bestemmingsplan voor Lint-Zuid in de gemeente Lansingerland moet herzien worden. De gemeente Lansingerland wil deze actualisering oppakken om tevens te oefenen met instrumenten uit de Omgevingswet. De gemeente ziet het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte als uitstekend instrument om bekend te raken met enkele mogelijkheden uit de Omgevingswet. Het gaat hier om kennis op te doen met het nieuwe juridische instrumentarium, maar ook om ervaring op te doen met een nieuw proces. Bij dit experiment zal de gemeente onderzoeken op welke wijze belanghebbenden in de overheidsketen kunnen worden betrokken om op een efficiënte wijze regels over de fysieke leefomgeving te laten landen in één integraal plan. Het doel van dit experiment is om een integrale benadering voor de fysieke leefomgeving tot stand te brengen, de mogelijkheid tot het dereguleren te benutten en de besluitvorming rondom initiatieven te versnellen. Om verder bekend te raken met de instrumenten uit de Omgevingswet zal de gemeente Lansingerland ook een omgevingsvisie opstellen. Om dit experiment ten volle te benutten stelt de gemeente op een innovatieve manier het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op. De opzet van het plan moet zo zijn dat deze regelmatig te herzien is.
Dit beleidsproces biedt flexibiliteit en zorgt ervoor dat het plan snel kan aansluiten op vraagstukken uit de maatschappij. Het dereguleren en het sneller mogelijk maken van initiatieven zijn doelen van het experiment. Er wordt gestreefd om meer bij recht toe te staan, er hoeft dan geen vergunning meer te worden aangevraagd. Het experiment reduceert administratieve lasten en nodigt de maatschappij uit tot initiatieven. Dit zal naar verwachting een positief effect hebben op het gebied en de werkgelegenheid bevorderen. De grotere mate van flexibiliteit en integraliteit creëren een toekomstbestendig bestemmingsplan. Zo kunnen verschillende milieueisen een passende plek krijgen in het bestemmingsplan. Het integrale kader houdt ook in dat duurzaamheidsbeleid een onderdeel wordt van het juridisch bindende bestemmingsplan. Het beleid krijgt hierdoor een sterkere plek binnen de gemeente en bij de beoordeling van initiatieven.
41
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017
Broekgraaf, gemeente Leerdam Om aan de woning- en leefgebiedbehoefte van de gemeente Leerdam te kunnen voldoen is alleen herstructurering van het bestaande stedelijk gebied niet voldoende. Om die reden is enige jaren geleden de ontwikkeling van een nieuw woongebied gepland aan de westzijde van Leerdam. Het nieuwe woongebied Broekgraaf moet plek bieden aan circa 1.000 woningen. Inmiddels is met toepassing van de uitwerkingsmogelijkheid uit een bestemmingsplan dat vastgesteld is in 2010 een deel van de infrastructuur aangelegd en zijn ongeveer 100 woningen gebouwd. De ontwikkeling van het gebied zal binnen een periode van twintig jaar naar verwachting organisch plaatsvinden. Welk deel van de ontwikkelingslocatie als volgende aan snee is, wordt voor een groot deel bepaald door ‘de markt’. Als gevolg van de economische crisis is het verwachte tempo in de realisering fors vertraagd. Het nieuwe realiseringstempo heeft tot gevolg dat de financiële uitvoerbaarheid nu niet meer binnen de normale planperiode van één bestemmingsplan kan worden aangetoond. De bouw van de woningen (nu geschat op 50 à 60 per jaar), de aanleg van wegen, watergangen, groenzones en overige infrastructuur, zullen een substantiële bijdrage leveren aan de werkgelegenheid in de sectoren bouw en civiel en de daarmee verbonden toeleveringssectoren. In 2012 heeft de gemeente Leerdam duurzaamheidsbeleid vastgesteld.
In dat kader zal in Broekgraaf gestart worden met een pilot gericht op ‘energieneutrale’ woningen. Deze woningen krijgen geen aansluiting op het aardgasnet, maar worden aangesloten op een systeem van warmte-koude-opslag. Voor de stroomvoorziening wordt gebruik gemaakt van zonnepanelen. Daarom vindt de verkaveling zo veel mogelijk zongericht plaats. Ook liggen over delen van het plangebied enkele geluidhindercontouren (wegen, spoorweg, industrie). Met het oog op de woningbouw zullen in het bestemmingsplan met betrekking tot deze contouren milieukwaliteitseisen worden opgenomen. Binnen de wettelijke kaders van de Wro en het Bro is dit nu niet mogelijk. Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte biedt die mogelijkheid wel, waardoor een regeling gericht op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit in het bestemmingsplan mogelijk is. In aanvulling op de toevoeging van de gemeente Leerdam aan het experiment met het bestemmingsplan verbrede reikwijdte, wordt de gemeente Leerdam in deze tranche ook toegevoegd aan het experiment met de ontwikkelingsgebieden.
Dorpskernen, gemeente Rijssen-Holten In de elfde tranche van het Bu Chw is het buitengebied van Rijssen-Holten toegevoegd aan het experiment met het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Tijdens het proces om tot een bestemmingsplan verbrede reikwijdte voor het buitengebied te komen, is zowel bestuurlijk als ambtelijk de vraag naar voren gekomen of de ingezette werkwijze ook toepasbaar is op de overige gebieden in de gemeente. Daarom heeft de gemeente Rijssen-Holten verzocht om de kernen in de gemeente ook toe te voegen aan het experiment. Veel regels van de vigerende bestemmingsplannen zijn verouderd en staan innovatieve ontwikkelingen gericht op duurzaamheid in de weg. Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte stimuleert de transitie naar een duurzame samenleving, omdat regels kunnen worden opgenomen die betrekking hebben op de gehele fysieke leefomgeving. Dit leidt ertoe dat duurzaamheid geïntegreerd kan worden in het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan voor de kernen zal onder andere worden gewerkt met gebiedsgerichte normen en regels waardoor een duurzame ontwikkeling en beheer van gebieden beter kan worden gewaarborgd. Ook met een innovatieve integrale benadering van water, bodem, energie, landschap en natuur wordt meerwaarde gecreëerd.
Daarnaast geeft deelname aan het experiment de mogelijkheid om een plan op te stellen dat ontwikkelingsperspectieven en flexibiliteit biedt aan bedrijven. Op deze wijze kan de gemeente bedrijfsontwikkeling, nieuwe vestiging in leegstaande panden en ook herbestemming van panden stimuleren en faciliteren. Dit zal een wezenlijke bijdrage leveren aan de economische vitaliteit van het gebied.
Dorpskernen, gemeente Koggenland De gemeente Koggenland is onderdeel van de regio West-Friesland. Het is een groene gemeente gelegen tussen twee verstedelijkte gebieden. Binnen de gemeente zijn diverse kernen gelegen. De ambitie van de gemeente voor de kernen is gericht op het behouden van het eigen karakter, de leefbaarheid en daartoe benodigde voorzieningen. Voor de kernen gelden momenteel tien bestemmingsplannen. Het doel van de gemeente is om voor het gehele gebied een samenhangend bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op te stellen. Met het bestemmingsplan kan worden voorzien in een meer uitnodigende planologie, die recht doet aan de waarden en karakteristieken van het gebied. Met het plan wil de gemeente op voorhand zekerheid bieden over welke ontwikkelingen binnen de kernen mogelijk zijn, zodat initiatiefnemers een helder kader hebben voor hun plannen. Omdat het voor initiatiefnemers duidelijk is welke functies mogelijk zijn en welke randvoorwaarden gelden voor nieuwe ontwikkelingen, wordt het gemakkelijker om (kansrijke) initiatieven te ontplooien. Dit levert een stimulans voor de lokale economie op. Door te werken met meer open normen en het bieden van flexibiliteit ontstaat er meer ruimte voor gebiedsgericht maatwerk en kan sneller worden ingespeeld
42
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017
op nieuwe en innovatieve ontwikkelingen en maatschappelijke behoeften. Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte geeft de mogelijkheid om de nadruk te leggen op het ontwikkelen van gebiedsgericht en integraal beleid dat ruimte geeft aan ontwikkelingen en de kwaliteit van de leefomgeving waar nodig beschermt. De gemeente wil meer aspecten in het bestemmingsplan betrekken dan onder de huidige wetgeving mogelijk is, zoals veiligheid, gezondheid, milieu, landschappelijke en stedenbouwkundige waarden, het uiterlijk van bouwwerken, natuurbescherming en duurzaamheid. Hierdoor worden de lokale regels op het terrein van de fysieke leefomgeving geïntegreerd en worden de bestaande kwaliteiten van het gebied beter geborgd. Door randvoorwaarden ten behoeve van duurzaamheid op te nemen als toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen verwacht de gemeente duurzame ontwikkeling in en van de kernen te stimuleren.
Onderdeel D (verduidelijking termijn artikel 7g) In de vijftiende tranche van het Bu Chw zijn twee nieuwe gemeenten toegevoegd aan het experiment met het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voor het hele grondgebied. Vanuit het streven om de termijnstelling in het Bu Chw te verduidelijken, is in deze volgende tranche in onderdeel f van het vijfde lid de termijn van vijf jaar vanaf het moment van inwerkingtreding van de vijftiende tranche vervangen door de daarmee overeenkomende einddatum (........).
Onderdeel E (wijziging artikel 7l) In de tiende tranche van het Bu Chw is in het derde lid van artikel 7l geregeld dat het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) bij een beschikking maatregelen kan voorschrijven die de emissie van geur of van zwevende deeltjes (PM10) vanuit dierenverblijven verminderen, als blijkt dat de nadelige gevolgen van deze emissie voor het milieu, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu of gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder kunnen of moeten worden beperkt (Stb, 2015, 109). In het vierde lid van artikel 7l is vervolgens geregeld dat er alleen van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt in door het college aangewezen urgentiegebieden. Uit onderzoek van de provincie Noord-Brabant blijkt dat door de negatieve bijklank van de term ‘urgentiegebieden’ gemeenten bijna geen gebruik maken van dit instrument. Om het gebruik van dit instrument te bevorderen wordt de term ‘urgentiegebieden’ gewijzigd in het neutralere ‘gebieden’.
Onderdeel F (verduidelijking termijn artikel 7s) In het concept voor de vijftiende tranche is een experiment opgenomen dat de gemeente Oss de mogelijkheid biedt om binnen vijf jaar een bestemmingsplan vast te stellen waarin aan gronden een voorlopige bestemming voor het bouwen en in werking hebben van een windturbine voor een termijn van maximaal vijfentwintig jaar wordt toegekend. Vanuit het streven om de termijnstelling in het Bu Chw te verduidelijken, wordt in deze volgende tranche de termijn van vijf jaar vanaf het moment van inwerkingtreding van de vijftiende tranche vervangen door de daarmee overeenkomende einddatum (............. 2022).
Onderdeel G Onderdeel G bevat drie nieuwe experimenten, die hieronder worden toegelicht.
Voorlopig bestemmen zonneparken, Provincie Groningen Nederland heeft zich via het Energieakkoord gecommitteerd aan de doelstelling om 16% van onze energievoorziening in 2023 met duurzame bronnen op te wekken. De provincie Groningen heeft als energieprovincie de ambitie verhoogd naar 21% in 2020. In 2050 is 100% van de energievoorziening duurzaam met 60% in 2035 als tussendoel. De provincie Groningen wil deze ambitie voor een belangrijk deel realiseren met zonneparken. Deze ambitie is vertaald in de concrete doelstelling om in 2020 300 MW aan zonneparken te realiseren. De ruimtelijke vertaling hiervan komt overeen met een oppervlakte van ongeveer 300 hectare. Op het moment van schrijven is 10% van deze doelstelling gerealiseerd. Er vindt volop planontwikkeling plaats van zonneparken in de provincie Groningen. Veel initiatiefnemers hebben plannen voor parken in het buitengebied hetgeen een forse weerslag zal hebben op het landschap. Tevens zijn er in de provincie Groningen bedrijventerreinen die zich op dit moment lastig laten vullen. Een zonnepark zou daar tijdelijk een oplossing voor kunnen zijn. De provincie Groningen hecht veel waarde aan het landschap en wil ervan verzekerd zijn dat de zonneparken binnen 30 jaar kunnen worden opgeruimd. Daarom heeft de provincie Groningen verzocht om te mogen experimenteren met een voorlopige bestemming van 30 jaar.
De termijn van 30 jaar is gekozen omdat deze aansluit bij de verwachte economische levensduur van zonnecollectoren. De provincie Groningen ziet zich geconfronteerd met krimp in grote delen van haar provincie. Een behoorlijk aantal bedrijventerreinen kampt met leegstand en met gronden die niet kunnen worden uitgegeven. Dit
43
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017
bezorgt gemeenten een aanzienlijke derving van inkomsten. Tegelijkertijd zijn in Noord-Nederland een groot aantal energiecoöperaties actief en een groot aantal nieuwe bedrijven gerelateerd aan de ontwikkeling van zonneparken. De ontwikkeling van zonneparken biedt de regio een prachtige kans om nieuwe werkgelegenheid te creëren en om leegstaande bedrijventerreinen een economische invulling te geven. Daarnaast brengt de tijdelijkheid van de zonneparken met zich dat innovatie niet in de weg wordt gestaan. De kans is groot dat er in de toekomst nieuwe en meer efficiënte duurzame energiebronnen zijn en dat er behoefte is aan vervanging van de geplaatste zonnecollectoren voor nieuwe innovatieve energiesystemen. Dit experiment sluit aan bij de systematiek van artikel 7o en het concept-artikel 7s die respectievelijk in de elfde (Stb. 2016, 276) en vijftiende tranche (Stcrt. 2017, nr 189) van het Bu Chw zijn opgenomen dan wel voorzien. Deze experimenten zijn gericht op het voorlopig bestemmen van windturbines voor de duur van maximaal 32 jaar in combinatie met een tijdelijke vergunning op grond van artikel 2.23 van de Wabo welke termijn overeenkomt met de duur van voorlopige bestemming zoals toegekend in het inpassings- of bestemmingsplan. Deze systematiek is ook toepasbaar op zonneparken.
Voor een uitgebreide toelichting op de systematiek verwijs ik u naar de toelichting op de twee hiervoor genoemde experimenten.
Duurzaam Ameland, gemeente Ameland (artikel 7u) De gemeente Ameland is sinds 2007 samen met NAM, Eneco, Gasterra en Philips actief in het consortium Duurzaam Ameland. De gemeente Ameland wil met Duurzaam Ameland bereiken dat het eiland in 2020 op een duurzame manier in haar eigen energiebehoefte kan voorzien. In dat verband is onder andere het zonnepark Ameland gerealiseerd. In aanvulling op de projecten die al in het kader van Duurzaam Ameland gestart zijn, is het consortium Duurzaam Ameland voornemens om het bestaande mijnbouwplatform Ameland Westgat te elektrificeren. De verwachting is dat de elektrificatie van dit platform, dat tot 2035 in gebruik zal zijn, ongeveer vijf jaar duurt. Het mijnbouwplatform ligt op 2 kilometer uit de kust van het Waddeneiland. De energie die nodig is om het mijnbouwplatform te exploiteren wordt op dit moment opgewekt door een gasturbine. Een dergelijke gasturbine stoot onder andere koolstofdioxide (CO2) en stikstofoxide (NOx) uit. Voor de uitstoot van NOx zijn emissiegrenswaarden opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Vanaf 1 januari 2017 moet de gasturbine op het mijnbouwplatform aan strengere eisen met betrekking NOx-emissie voldoen. Om te voldoen aan deze eisen zijn voorbereidingen getroffen om de gasturbine zodanig om te bouwen dat voldaan kan worden aan de nieuwe norm.
Tijdens deze voorbereidingen is gebleken dat elektrificeren van het mijnbouwplatform mogelijk is. Door het platform te elektrificeren zullen de emissies van de gasturbines verdwijnen waardoor de uitstoot van NOx en CO2 zeer sterk afnemen. Overigens moet worden opgemerkt dat door elektrificatie van het mijnbouwplatform Ameland Westgat ook de mijnbouw landlocatie AME-1 geëlektrificeerd kan worden. Dit zal leiden tot een sterke afname van stikstofdepositie op het natuurgebied op de oostpunt van Ameland. De investeringskosten voor elektrificatie liggen hoger dan bij het ombouwen van de gasturbine. Op termijn zal deze investering deels worden terugverdiend. Aangezien dit project volledig privaat gefinancierd dient te worden, is het geen optie om eerst de gasturbine om te bouwen en daarna het mijnbouwplatform te elektrificeren. Dit brengt door de dubbele investering te hoge kosten met zich mee. Daarom wordt ervoor gekozen om het consortium tot uiterlijk 2022 te geven om het mijnbouwplatform te elektrificeren en hoeft het rookgas van de gasturbine gedurende die termijn niet aan de normen in artikel 3.10d van het Activiteitenbesluit milieubeheer te voldoen. Het overgangsrecht dat op grond van artikel 3.10q, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (oud) gold tot 1 januari 2017 wordt voor het mijnbouwplatform Ameland Westgat met vijf jaar verlengd.
Hiermee wordt aangesloten bij de huidige situatie waardoor dit experiment niet tot een verslechtering van het huidige leefklimaat leidt. Naast een vermindering van emissies levert elektrificatie van het mijnbouwplatform een belangrijke bijdrage aan de transitie naar een duurzame energievoorziening. Het hoofddoel van dit project is om op het eiland één slim energienetwerk te creëren met een gebalanceerde duurzame energievoorziening waarbij industrie en bewoond gebied in het netwerk zijn geïntegreerd. Mede daarom wordt in artikel 7u de eis gesteld dat de elektrificatie van Ameland-Westgat zodanig wordt uitgevoerd dat er geen extra elektriciteitskabel tussen Ameland en het vaste land wordt aangelegd waarmee het eiland van extra energie wordt voorzien om het mijnbouwplatform draaiende te houden. Het project kan alleen zonder elektriciteitskabel tussen Ameland en het vaste land worden gerealiseerd als er wordt ingezet op het flexibiliseren van het elektriciteitsnetwerk op het eiland. Daarnaast is het belangrijk dat de energiebehoefte van het eiland en van het mijnbouwplatform naar beneden gebracht kan worden. Door in te zetten op een flexibel netwerk kan een bijdrage worden geleverd aan een toekomstbestendig en duurzaam energiesysteem. Hierbij is met name de balancering van de opgewekte energie belangrijk. Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van het zonnepark Ameland.
Het zonnepark dat al in het kader van Duurzaam Ameland is gebouwd, wekt in principe het hele jaar door energie op. Ook op momenten dat er bijna geen energie wordt gevraagd, wordt er energie opgewekt. Een opslagfunctie – bijvoorbeeld een batterij – kan de verschillen tussen vraag en aanbod in tijd in balans brengt en
44
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017
kan voorkómen dat er onbalans in het netwerk ontstaat. Deze opslagfunctie zal in verbinding staan met het eiland en met het mijnbouwplatform. Het project kan, in combinatie met slimme energieoplossingen, tot een maximalisering van de effectiviteit van het zonnepark en andere duurzame energievoorzieningen leiden. Dit draagt bij aan de energietransitie van Ameland en aan de duurzaamheid en verdere vergroening van de energievoorziening en het energiegebruik op het eiland. De kennis die bij dit project over slimme energienetwerken en massa energieopslag wordt opgedaan kan overal worden toegepast en zal een bijdrage leveren aan de energietransitie en de weg naar een toekomstbestendige economie in Nederland. Het is een ambitieus project waarvan niet op voorhand zeker is dat het zal slagen. Daarom krijgt het consortium Duurzaam Ameland tot 1 januari 2019 de tijd om doormiddel van een gedetailleerd projectplan aan te tonen dat elektrificatie van het mijnbouwplatform zonder een kabel tussen Ameland en het vasteland aan te leggen mogelijk is. Om te voorkomen dat langer wordt afgeweken van het Activiteitenbesluit milieubeheer dan strikt noodzakelijk is, is een bepaling toegevoegd die het mogelijk maakt om het experiment vroegtijdig te beëindigen.
Van deze bepaling kan gebruik worden gemaakt wanneer op basis van het projectplan niet aannemelijk is gemaakt dat het experiment succesvol zal verlopen. Uiteraard moet het project Duurzaam Ameland in zijn geheel worden bezien, maar de vraag of het mijnbouwplatform geëlektrificeerd kan worden is leidend voor de beoordeling of het project succesvol kan verlopen. De aansluiting van het mijnbouwplatform is namelijk noodzakelijk voor het realiseren van een uitgebalanceerd elektriciteitsnetwerk. Het project kan ook tussentijds worden beëindigd. Dit kan wanneer uit een tussenevaluatie blijkt dat het project niet zal slagen of als onverhoopt blijkt dat het project onevenredige schade aan het milieu toebrengt. Mocht de Minister van Infrastructuur en Milieu van haar bevoegdheid gebruik maken om bij algemene maatregel van bestuur het project vroegtijdig te beëindigen, dan wordt in ieder geval een redelijke termijn geboden om het mijnbouwplatform alsnog in overeenstemming te brengen met de dan geldende emissiewaarden. Deze termijn is op twaalf maanden gesteld, dit sluit aan bij de termijn die gangbaar is bij het treffen van dergelijke maatregelen.
Mocht uit onderzoek blijken dat voor 1 januari 2019 niet aannemelijk kan worden gemaakt dat het mijnbouwplatform voor 2022 kan worden geëlektrificeerd dan dient de drijver van het mijnbouwplatform een projectplan in waarin gedetailleerd wordt beschreven hoe het platform in overeenstemming wordt gebracht met het Activiteitenbesluit milieubeheer. De eerdergenoemde tussenevaluatie vindt, wanneer gekozen wordt voor elektrificatie, ieder jaar uiterlijk op 1 januari plaats. Bij deze evaluaties worden in ieder geval de ministeries van Infrastructuur en Milieu en Economische Zaken, de gemeente Ameland en de drijver van het mijnbouwplatform betrokken. Voor het project Duurzaam Ameland wordt een Green Deal opgesteld. In deze Green Deal worden de belangen van alle betrokken partijen verenigd. Daarnaast zal vastgelegd worden welke inzet en acties van partijen worden verwacht. Ook worden in de Green Deal afspraken gemaakt over de financiering van het project.
Kostenverhaal, bestemmingsplan met verbrede reikwijdte (artikel 7v) Het Bu Chw biedt gemeenten de mogelijkheid om door middel van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte lokale problematiek op een andere manier aan te pakken en om te werken met functionaliteiten die straks terugkomen in de Omgevingswet. Gemeenten gebruiken het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte in veel gevallen om flexibeler en globaler te bestemmen en hiermee de maatschappij uit te nodigen om met initiatieven te komen. Gemeenten lopen hierbij tegen het systeem voor kostenverhaal uit afdeling 6.4 van de Wro aan. Dat heeft tot gevolg dat bepaalde ontwikkelingsopgaven (organische gebiedsontwikkeling en globale plannen) in gemeenten die nu op grond van het Bu Chw experimenteren met een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte bijna niet gerealiseerd kunnen worden. Gemeenten dragen daarvoor als reden aan dat het niet goed mogelijk is om op voorhand opbrengsten te berekenen bij globale bestemmingsplannen voor organische gebiedsontwikkeling. Daarnaast vragen gemeenten zich af hoe ze met de fasering van investeringen kunnen omgaan. Afdeling 6.4 van de Wro biedt niet de gewenste flexibiliteit voor dit type gebiedsontwikkeling.
Om een oplossing voor deze problematiek te bieden geeft dit experiment de aangewezen gemeenten de mogelijkheid om een eigen rekensystematiek voor het verdelen van de kosten op te nemen in het bestemmingsplan. Hierdoor kan de omvang van het kostenverhaal worden vastgesteld zonder gebruik te maken van de opbrengsten van het gebied. Dat betekent dat ook de macroaftopping (dat wil zeggen dat niet meer kosten kunnen worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn) niet verplicht hoeft te worden toegepast. Hierdoor krijgen gemeenten meer afwegingsruimte om de verdeelsleutel voor kostenverhaal aan te passen aan de kenmerken van de opgave en het gebied. Daarnaast ziet het experiment op de vraag hoe er met faseringen kan worden omgegaan bij publieke investeringen die nog onzeker zijn als gevolg van organische gebiedsontwikkeling. Er wordt wel vastgehouden aan de
45
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017
PPT criteria (profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid), een kostensoortenlijst en de activiteiten die als kostenverhaalplichtig worden aangemerkt. Hierbij wordt wel opgemerkt dat de activiteiten waarvoor kostenverhaal geldt niet alleen maar zijn verbonden met bouwactiviteiten zoals in de huidige regeling, maar dat kostenverhaal ook mogelijk wordt gemaakt voor de activiteit waardoor alleen het gebruik van een locatie wijzigt. In de zevende tranche (Stb. 2014, 168) van het Bu Chw is een nieuw tiende lid in artikel 7c opgenomen met de mogelijkheid om het kostenverhaal te faseren naar het moment van vergunningverlening. Dit instrument wordt in het concept van de vijftiende tranche (Stcrt. 2017, nr 189) aangevuld met de mogelijkheid om de omgevingsvergunning te weigeren wanneer de exploitatieopzet een tekort bevat dat niet is gedekt. Dit instrument biedt niet in alle gevallen de juiste oplossing omdat men dan nog steeds vastzit aan de rekensystematiek van afdeling 6.4 van de Wro. Daarom wordt door middel van het voorliggende experiment de mogelijkheid geboden om kostenverhaal op een andere manier in te richten. Afwijkend van het instrument uit de zevende tranche en het concept voor de vijftiende tranche wordt de systematiek van kostenverhaal vastgelegd in het bestemmingsplan.
Gemeenten zijn hierbij in tegenstelling tot het instrument uit het tiende lid niet gebonden aan de rekensystematiek voor kostenverhaal uit afdeling 6.4 van de Wro. Dit experiment loopt vooruit op de systematiek voor kostenverhaal uit het concept voor de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet die op 1 juli 20161 ter consultatie is gelegd. Gemeenten kunnen via dit experiment ervaring opdoen met die systematiek. De resultaten van de deelnemende gemeenten aan het experiment worden meegenomen bij de verdere vormgeving en uitwerking van deze wet. De deelnemende gemeenten zijn Alphen aan de Rijn, Delft, Den Haag, Haarlemmermeer en Nieuwegein. Deze gemeenten nemen deel met de gebieden Rijnhaven-Oost, Technopolis, Binckhorst, Park 21 en Rijnhuizen. De verschillende gebieden zijn of worden aan artikel 7c van het Bu Chw toegevoegd in de tiende (Stb. 2015, 323 ), vijftiende (Stcrt. 2017, nr 189), zevende (Stb. 2014, 168), vijftiende (Stcrt. 2017, nr 189), en veertiende tranche (Stb. 2016, 252) van het Bu Chw. Voor een uitgebreide toelichting op de bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte van de verschillende gemeenten – waarin ook de regeling voor kostenverhaal in wordt opgenomen – wordt kortheidshalve verwezen naar de eerdergenoemde tranches. Voor een verdere verduidelijking van dit experiment wordt artikel 7v onderstaand per lid besproken.
In het eerste lid wordt geregeld hoe de kosten worden verhaald als het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door het sluiten van een overeenkomst. Meer specifiek bepaalt dit lid dat het bevoegd gezag naast de mogelijkheid om de huidige grondexploitatieregeling van afdeling 6.4 van de Wro toe te passen door het opstellen van een exploitatieplan en de mogelijkheid van het tiende en het concept-elfde lid om het kostenverhaal door te schuiven, ook in het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte uitvoering kan geven aan de verplichting om de kosten te verhalen. Deze drie mogelijkheden sluiten elkaar uit. Als het bevoegd gezag kiest voor het doorschuiven van kostenverhaal, is het niet mogelijk om uitvoering te geven aan de mogelijkheid om kostenverhaal via het bestemmingsplan te regelen. Dat houdt tegelijkertijd in dat artikel 7v dan niet kan worden toegepast. Het tweede lid expliciteert dat de verplichting om kosten te verhalen met uitzondering van het bepaalde in het vierde lid blijft bestaan. De te verhalen kosten voor publieke voorzieningen staan in het twintigste lid. De kosten moeten worden verhaald op degene die de activiteiten die in het negentiende lid zijn opgenomen, verricht. Met dit lid wordt geen wijziging beoogd ten opzichte van afdeling 6.4 in de Wro.
In het derde lid wordt bepaald dat de criteria van profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid (de zogenoemde PPT-criteria) van toepassing zijn. Alleen de kosten voor publieke voorzieningen die voldoen aan deze zogeheten PPT-criteria moeten worden verhaald op degene die de activiteiten in het aangewezen gebied zoals bedoeld in het tiende lid (voorheen: exploitatiegebied) verricht. De publieke voorzieningen waarvoor de kosten moeten worden verhaald kunnen zowel binnen of buiten het gebied liggen, mits maar voldaan wordt aan de PPT-criteria. Dit is een aanscherping ten opzichte van artikel 6.13, zesde lid, van de Wro waarin de PPT-criteria alleen gelden voor kosten buiten het exploitatiegebied. De per gebied te verhalen kosten worden over de activiteiten verdeeld op basis van een in het bestemmingsplan op te nemen verdeelsystematiek. In het vierde lid worden onder a, b en c de gevallen geregeld waarvoor de verplichting tot kostenverhaal niet geldt. Hiermee wordt aangesloten bij artikel 6.2.1a van het Bro. Onder d wordt toegevoegd dat de kosten ook niet verhaald hoeven te worden als de opbrengsten lager zijn dan de kosten. Dit wordt het toepassen van de macroaftopping genoemd. In afdeling 6.4 van de Wro is de toepassing
1
46
https://www.internetconsultatie.nl/omgevingswet_grondeigendom
Staatscourant 2017 nr. 33137
20 juni 2017
van de macroaftopping als verplichting opgenomen. In dit lid onder d is het een bevoegdheid om de kosten waar geen opbrengsten tegenover staan niet te verhalen. Dit geeft gemeenten de mogelijkheid om ook kosten te verhalen zonder dat zicht is op de opbrengsten. Enerzijds kunnen kosten zo op een eenvoudige manier worden verhaald, anderzijds worden minder rendabele activiteiten hier mogelijk door belemmerd. Het is aan het bevoegd gezag om hier een verantwoorde keuze in te maken. Als het bevoegd gezag het wenselijk acht om macroaftopping toe te passen, dan kan het bevoegd gezag voor het berekenen van de opbrengsten van de gronden gemotiveerd ook de grondprijzen genoemd in de grondprijzennota of de WOZ-waardes van de onroerende zaken als vertrekpunt nemen. Het toepassen van de macroaftopping kan tot gevolg hebben dat op gebiedsniveau het bedrag van de te verhalen kosten lager is dan de feitelijke kosten van de in lid 21 genoemde werken en werkzaamheden. Dit komt tot uiting in de verdeelsleutel waaruit de bijdrage per activiteit kan worden afgeleid. Het vijfde lid bepaalt dat de activiteit niet mag worden verricht voordat er betaald is. Een dergelijk verbod staat nu niet in afdeling 6.4 van de Wro. In artikel 6.17, tweede lid, van de Wro zit al wel de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om dit te bepalen in de omgevingsvergunning.
In het zesde lid wordt de mogelijkheid gegeven aan het bevoegd gezag om te bepalen dat na het verrichten van de activiteiten de betaling plaatsvindt, mits aan de beschikking voorschriften worden verbonden over het stellen van aanvullende zekerheden voor de betaling van de verschuldigde geldsom. Dit lid wijkt niet af van artikel 6.17, tweede lid, van de Wro. In het zevende lid wordt bepaald dat de verschuldigde geldsom bij dwangbevel ingevorderd kunnen worden. Dit lid wijkt niet af van artikel 6.21, tweede lid, van de Wro. In het achtste lid is bepaald dat de rechtspersoon waartoe het bevoegd gezag behoort een overeenkomst kan aangaan waarin het kostenverhaal verzekerd wordt. Dit lid wijkt niet af van de in artikel 6.24 van de Wro geboden mogelijkheid om te contracteren over kostenverhaal. In het negende lid wordt bepaald dat indien er geen overeenkomst is aangegaan, de verschuldigde geldsom bij beschikking wordt vastgesteld. Titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op het besluit tot vaststelling van de verschuldigde geldsom. Dit lid wijkt af van de op afdeling 6.4 van de Wro gebaseerde praktijk waarin de betalingsverplichting van de exploitatiebijdrage als voorschrift aan de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verbonden.
Deze afwijking is noodzakelijk omdat als gevolg van de ‘knip’ zoals voorgesteld in de consultatieversie van de genoemde Invoeringswet de omgevingsvergunning voor bouwen in veel gevallen niet meer aan de orde is. De beschikking bestuursrechtelijke geldschuld vervangt dit instrument dan. Alhoewel in het Bu Chw de ‘knip’ niet is opgenomen, wordt hier voorgeschreven dat de verschuldigde geldsom bij beschikking wordt vastgesteld zodat ook op dit punt kan worden geëxperimenteerd. Het tiende lid bepaalt dat voor het verhalen van kosten op initiatiefnemers die de activiteiten verrichten een gebied moet worden aangewezen waarbinnen de activiteiten mogelijk worden gemaakt die profijt hebben van de publieke voorzieningen waar de gemeente kosten voor maakt. Dit komt overeen met afdeling 6.4 van de Wro, met dien verstande dat in artikel 6.13, eerste lid, onder a, van de Wro wordt gesproken over een exploitatiegebied. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan moet bij het bepalen van de omvang van de te verhalen kosten ervan worden uitgegaan dat het gebied in zijn geheel wordt verwezenlijkt met een representatieve invulling van de mogelijkheden van het gebied. In het elfde lid is bepaald dat de kosten moeten worden verdeeld over de activiteiten of de samenhangende activiteiten binnen het in het tiende lid aangewezen gebied of aangewezen gebieden.