2021-09 RV Bijlage 1 - Algemene plaatselijke verordening gemeente Nuenen c.a. 2021
Tekst van het document
Algemene plaatselijke verordening gemeente Nuenen c.a. 2021 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen ................................................................................... 6 Artikel 1:1 Definities ................................................................................................ 6 Artikel 1:2 Beslistermijn ........................................................................................... 6 Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen................................................................. 6 Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing .................................. 6 Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing ............................... 7 Artikel 1:7 Termijnen ............................................................................................... 7 Artikel 1:8 Weigeringsgronden ................................................................................ 7 Hoofdstuk 2. Openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en ........................................... 8 milieu..................................................................................................................................... 8 Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden ...........................................
8 Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden ..................................................... 8 Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen .................................... 8 Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen ............... 8 Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen ......................................................... 9 Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen ..... 9 Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg .............................................................. 9 Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en ............. 9 veranderen van een weg ............................................................................................
9 Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg .....................................................10 Artikel 2:13a Veroorzaken van hinder of gevaar .....................................................10 Artikel 2:14 Winkelwagentjes .................................................................................10 Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp .......................................10 Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke ......................................................10 Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke ..............................................................11 Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen ...........................................11 Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting ...........................................11 Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn ......................................................11 Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs .............................................................................11 Afdeling 3 Evenementen ..............................................................................................11 Artikel 2:24 Begripsbepaling ...................................................................................11 Artikel 2:25 Evenementenvergunning .....................................................................12 Artikel
2:26 Ordeverstoring.....................................................................................13 Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen ...............................................................13 Artikel 2:27 Definitie ...............................................................................................13 Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting .............................................................13 Artikel 2:29 Sluitingstijd ..........................................................................................14 Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting .................................................14 Artikel 2:31 Verboden gedragingen ........................................................................14 Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen ..................................................14 Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan.............................................14 Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet ..............................................................................................15 Artikel 2:34a Definities ...........................................................................................15 Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
...................................15 Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’..........................................................................15 Afdeling 6 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf ......................15 Artikel 2:35 Definitie ................................................................................................15 Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie ......................................................................15 Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden ..................................................................15 Artikel 2.38a Definitie .............................................................................................15 Artikel 2:39 Speelgelegenheden.............................................................................16 pagina 1 van 49 2020.16592
Artikel 2:40 Kansspelautomaten .............................................................................16 Afdeling 7A Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat ........16 Artikel 2:40a Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning ..................16 Afdeling 8 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid ...............................................18 Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal .....................................................18 Artikel 2:42 Plakken en kladden .............................................................................19 Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. .............................................................19 Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal .....19 Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.
............................................................19 Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen ..............................................20 Artikel 2:48 Verboden drankgebruik .......................................................................20 Artikel 2:48a Voorkomen van glas op straat ...........................................................20 Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen ...................................................20 Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. ..........20 Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen .................................................21 Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke 21 Artikel 2:53 Bespieden van personen ........................................................................21 Artikel 2:57 Loslopende honden .............................................................................21 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: ........................................................................................................21 Artikel 2:58 Verontreiniging door honden ...............................................................21 Artikel 2:59 Gevaarlijke honden .............................................................................22 Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein ..................................................22 Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren .......................22 Artikel 2:65 Bedelarij ..............................................................................................22 Afdeling 9 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen ....................................23 Artikel 2:66 Definitie ...............................................................................................23 Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister .........................23 Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht 23 Artikel 2:68a Verbod verkrijgen goederen van minderjarigen ..................................23 Afdeling 10 Consumentenvuurwerk ............................................................................23 Artikel 2:71 Begripsbepaling
...................................................................................23 Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de.............24 verkoopdagen. ...........................................................................................................24 Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling ...............24 Artikel 2:73a Carbidschieten ..................................................................................24 Afdeling 11 Drugsoverlast ...........................................................................................24 Artikel 2:74 Drugshandel op straat .........................................................................24 Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik ........................................................................24 Afdeling 12 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester .....................................24 Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding ........................................................................24 Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden ....................................................................25 Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen ................................................25 Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen..........................................................................25 Artikel 2:79 Woonoverlast als
bedoeld in artikel 151d Gemeentewet .....................25 Artikel 2:80 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen .........................25 Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en ........................................................27 aanverwante onderwerpen ...................................................................................................27 pagina 2 van 49 2020.16592
Afdeling 1. Algemene bepalingen ..............................................................................27 Artikel 3:1 Afbakening ............................................................................................27 Artikel 3:2 Definities ...............................................................................................27 Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf ............................................................................27 Artikel 3:3 Vergunning ............................................................................................27 Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen ...............................................................28 Artikel 3:5 Raamprostitutiebedrijven seksinrichtingen ............................................28 Artikel 3:6 Aanvraag ...............................................................................................28 Artikel 3:7 Weigeringsgronden ...............................................................................28 Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning .....................................................30 Artikel 3:9 Intrekkingsgronden ................................................................................30 Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden ...................................................31 Artikel 3:11 Verlenging
vergunning.........................................................................31 Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf .............................................................................31 Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven ...............................................................31 Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang .....................31 Artikel 3:13 Adverteren ...........................................................................................31 Paragraaf 3.2 Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees ................................31 Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf .........................................................................................................32 Artikel 3:15 Bedrijfsplan .........................................................................................32 Artikel 3:16 Minimale verhuurperiode werkruimte ...................................................33 Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf 33 Paragraaf 3.3 Raam- en straatprostitutie ......................................................................33 Artikel 3:18 Raamprostitutie ...................................................................................33 Artikel 3:19
Straatprostitutie ...................................................................................34 Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie ................................................................34 Afdeling 4. Overige bepalingen ..................................................................................34 Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten .................................................................34 Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke ........................................................................34 Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon .......................................36 en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente..............................................................36 Afdeling 1.
Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting ..............36 Artikel 4:1 Definities ...............................................................................................36 Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten .........................................................36 Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten .............................................................36 Artikel 4:5 Onversterkte muziek .............................................................................37 Artikel 4:5a Geluidhinder door dieren Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. ..............37 Artikel 4:6 Overige geluidhinder ................................................................................37 Artikel 4:6a Mosquito .................................................................................................37 Afdeling 2.
Bodem-, weg- en milieuverontreiniging ....................................................38 Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen......................................................................38 Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen ............................................................................................38 Artikel 4:9a Gebruik van vervuilende materialen ....................................................38 Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden..............................................................38 Artikel 4:10 Definities .................................................................................................38 Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden..................38 Artikel 4:11a Afstand bomen tot erfgrens ...............................................................39 Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast ........................................39 Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke ..........39 pagina 3 van 49 2020.16592
Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame ............................................39 Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen .........................................................40 Artikel 4:17 Definitie ...............................................................................................40 Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen..................................40 Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen ...............................................................40 Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding .......................................41 van de gemeente .................................................................................................................41 Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod ..............................................................41 Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke ..........................41 Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen .......................................................41 Artikel 5:4 Defecte voertuigen ................................................................................41 Artikel 5:5 Voertuigwrakken....................................................................................41 Artikel 5:6 Kampeermiddelen, aanhangers, etc.
.....................................................41 Artikel 5:7 Reclamevoertuigen ...............................................................................42 Artikel 5:8 Grote voertuigen....................................................................................42 Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen .........................................................42 Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan ...42 Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen ..................................42 Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets .............................................................43 Afdeling 2. Collecteren ...............................................................................................43 Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving ...........43 Afdeling 3. Venten .....................................................................................................43 Artikel 5:14 Definitie ...............................................................................................43 Artikel 5:15 Ventverbod ..........................................................................................43 Afdeling 4.
Standplaatsen ..........................................................................................43 Artikel 5:17 Definitie ...............................................................................................44 Artikel 5:18 Innemen standplaats ...........................................................................44 Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende ..............................................................44 Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen .......................................................................44 Afdeling 5. Snuffelmarkten .........................................................................................44 Artikel 5:22 Definities .............................................................................................44 Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt ......................................................44 Afdeling 6.
Openbaar water en waterstaatswerken ....................................................45 Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water .......................................45 Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen ............................................................................45 Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken ..................................................45 Artikel 5:28a Bescherming waterbodem en magneetvissen ........................................45 Afdeling 7. Crossterreinen, gemotoriseerd verkeer en ruiterverkeer in ......................46 natuurgebieden .................................................................................................................46 Artikel 5:32 Crossterreinen .....................................................................................46 Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden ..................................................46 Afdeling 8. Vuurverbod ..............................................................................................46 Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken ............................................................................................................46 Afdeling 9.
Asverstrooiing ..........................................................................................47 Artikel 5:35 Definitie ...............................................................................................47 Artikel 5:36 Verboden plaatsen ..............................................................................47 Artikel 5:37 Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. ..............................................................................................47 Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen .......................................................48 Artikel 6:1 Strafbepaling .........................................................................................48 Artikel 6:2 Toezichthouders ....................................................................................48 Artikel 6:3 Binnentreden woningen .........................................................................48 Artikel 6:4 Intrekking oude verordening ..................................................................48 pagina 4 van 49 2020.16592
Artikel 6:5 Artikel 6:6 Artikel 6:7
Overgangsbepaling ...............................................................................48 Inwerkingtreding ....................................................................................48 Citeertitel ...............................................................................................48
pagina 5 van 49 2020.16592
Hoofdstuk 1.
Algemene bepalingen
Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of over een al verleende omgevingsvergunning; c. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Bouwverordening; d. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; e. college: het college van burgemeester en wethouders; f. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; h. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; i. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; j. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; k. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; l.
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; m. Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen. n. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of artikel 4:11. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
pagina 6 van 49 2020.16592
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a.
de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
pagina 7 van 49 2020.16592
Hoofdstuk 2.
Openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1
Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; 3. is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 4. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 6. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan nadere regels stellen voor het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. pagina 8 van 49 2020.16592
5.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1. Het is verboden om binnen de bebouwde kom ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling 2
Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, of; 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,20 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en c.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de provinciale wegenverordening. Artikel 2:11 1.
2.
3. 4.
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke werkzaamheden worden verricht. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de
pagina 9 van 49 2020.16592
5.
Provinciale wegenverordening, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. De vergunning kan worden geweigerd: a. in het belang van de bruikbaarheid van de weg; b. in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. e. als dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; f. als sprake is van strijdigheid met andere wet- of regelgeving. 3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement. Artikel 2:13a Veroorzaken van hinder of gevaar 1. Het is eenieder verboden zich op een openbare plaats of anderszins in de openbare ruimte zodanig te gedragen of zodanig met voorwerpen om te gaan dat hierdoor hinder, overlast of gevaar wordt veroorzaakt of veroorzaakt kan worden of de openbare orde wordt verstoord of kan worden verstoord. 2.
Het is voorts eenieder verboden om, zonder toestemming van de eigenaar / rechthebbende, een voorwerp dat zich in de openbare ruimte bevindt te beschadigen, ontsieren, vernielen of het voorwerp anders te gebruiken dan waarvoor het bedoeld is. 3. Het college kan voor door hem aangewezen plaatsen en/of activiteiten nadere regels stellen. 4. Het college kan voor de verboden in het eerste en tweede lid ontheffing verlenen. Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd en/of buiten de stalling van de betreffende winkel achter te laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
pagina 10 van 49 2020.16592
Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke 1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordening. Afdeling 3
Evenementen
Artikel 2:24 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan; elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onderg, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; pagina 11 van 49 2020.16592
2.
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 van deze verordening. g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding moet worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b. het evenement tussen 07:00 uur en 23:00 uur plaats vindt als de volgende dag een werkdag is en tussen 07:00 uur en 01:00 uur als de volgende dag geen werkdag is; c. het geluidsniveau van versterkte muziek en/of versterkt stemgeluid tijdens het evenement niet hoger is dan 50 dB(A); d. het evenement niet plaatsvindt op een doorgaande weg of op of aan een andere weg als daardoor het verkeer en/of de hulpdiensten ernstig worden belemmerd; e. er geen gesloten tent wordt geplaatst en tenten en andere objecten niet op de rijbaan worden geplaatst, tenzij deze gemakkelijk en onmiddellijk te verplaatsen zijn; f. er een organisator is; en g. de organisator ten minste 20 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4.
De burgemeester kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
pagina 12 van 49 2020.16592
8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 9. Het college stelt een evenementenbeleid vast waarin nadere regels met betrekking tot evenementen worden opgenomen. Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 4
Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a.
de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. De exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of – restaurant. 5. Een vergunning kan ingevolge artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur voorts door de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de voornoemde wet. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
pagina 13 van 49 2020.16592
6.
7.
De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02:00 uur en 06:00 uur. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. Voor hotels, pensions en dergelijke inrichtingen waar gelegenheid tot overnachting wordt geboden, geldt de sluitingstijd in lid 1 alleen voor ruimtes waarin dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid; 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras; d. gevaar of hinder te veroorzaken. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
pagina 14 van 49 2020.16592
Afdeling 5
Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet
Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank, - horecabedrijf, - horecalokaliteit, - inrichting, - paracommerciële rechtspersoon, - sterke drank, - slijtersbedrijf en - zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet. Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommerciële rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 12:00 uur tot 2:00 uur, maar in ieder geval uiterlijk 2 uur voorafgaand aan de eerste activiteit en 2 uur na afloop van de laatste activiteit bij de inrichting waarbij de horecalokaliteit hoort; 2. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daarvoor gewoonlijk wordt gevraagd. Afdeling 6
Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Afdeling 7
Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2.38a Definitie 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
pagina 15 van 49 2020.16592
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling 7A Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Artikel 2:40a Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend. b.
Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten. c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. a. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. b. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. c. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. d. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan – indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is – eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar. 3.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied, of b. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of c. in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
pagina 16 van 49 2020.16592
5.
6.
7.
c. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of h. indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
Naast - en in aanvulling op - artikel 1:4 lid 1 kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een exploitatievergunning die wordt verleend krachtens het derde lid van deze bepaling, die strekken ter bescherming van de belangen, zoals opgenomen in het vierde lid van deze bepaling. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overlegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een verklaring omtrent gedrag (VOG); g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. h.
naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagd exploitatievergunning betrekking heeft. i. indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; e. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende
pagina 17 van 49 2020.16592
omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; g. indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; h. indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; i. indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; j. indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd en/of k. indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd. 8. Een vergunning kan ingevolge artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur voorts door de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de voornoemde wet. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. 9.