CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

01 ODZOB - Kadernota 2025

Gemeenteraad 7 februari 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Ingekomen stukken ter kennisname6.608 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Kadernota 2025

Kadernota 2025

Kadernota 2025

In opdracht van

dagelijks bestuur ODZOB

Opgesteld door

Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant

Datum

9 november 2023

Status

ter vaststelling AB

9 november 2023

-2-

Kadernota 2025

Inhoudsopgave 1

Inleiding ................................................................................................................................................................................ 1

2

Fundament op orde ........................................................................................................................................................... 2

3

2.1

Samen Sterk in Brabant (SSiB) ..................................................................................................... 3

2.2

Omgevingsveiligheid ................................................................................................................. 3

Meerjarenvisie 2023-2027 .............................................................................................................................................. 4 3.1

Veilig ......................................................................................................................................... 4

3.2

Gezond ..................................................................................................................................... 6

3.3

Duurzaam ................................................................................................................................. 9

3.4

Omgeving ................................................................................................................................ 12

4

Versterking VTH-stelsel ............................................................................................................................................... 13

5

Financiën ............................................................................................................................................................................ 15 5.1

Baten ....................................................................................................................................... 15

5.2

Lasten ..................................................................................................................................... 15

5.3

Declarabiliteit .......................................................................................................................... 15

5.4

Indexering 2025 ...................................................................................................................... 16

9 november 2023

-3-

Kadernota 2025

1

Inleiding

Na de compacte kaderbrief 2024 presenteert het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant voor 2025 als vanouds een ‘brede’ kadernota 2025. In deze kadernota worden beleidsmatige financiële kaders voor het volgende begrotingsjaar gesteld. In tijden van grote transities en opgaven zijn richting, focus en keuzes nodig bij de inzet van de ODZOB. De vastgestelde meerjarenvisie geeft inzicht in de wijze waarop de ODZOB kan bijdragen aan de realisatie van strategische beleidsopgaven van onze deelnemers en samenwerkingspartners. Bij het opstellen van de kadernota 2025 heeft het dagelijks bestuur rekening gehouden met signalen die door de deelnemers werden afgegeven bij de vaststelling van de begroting 2024. Concreet betekent dit dat de nadere uitwerking van de Meerjarenvisie 2023-2027 geen aanvullende kosten met zich meebrengt. Over de voortzetting van (de deelname aan) Samen Sterk in Brabant (SSiB) en de regionale samenwerking op het gebied van Omgevingsveiligheid worden (in maart 2024) afzonderlijke voorstellen aan het algemeen bestuur voorgelegd. De gepresenteerde tariefontwikkeling is in lijn met de hierover gemaakte afspraken in regionaal verband (en bekrachtigd door het algemeen bestuur), het traject Naar een fitte organisatie loopt door tot en met 2024 en het uitgangspunt voor het ziekteverzuim (van 6%) is in lijn met 2023 en 2024.

1

Kadernota 2025

2

Fundament op orde

De aanleiding voor het oprichten van het stelsel van omgevingsdiensten dateert van zo'n 20 jaar geleden. Toen was er een aantal grote incidenten, onder andere de vuurwerkramp in Enschede en de cafébrand in Volendam. Hieruit bleek dat de gemeenten en provincies onvoldoende toegerust waren op de uitvoering van de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken). De commissie Mans (rapport 'De tijd is rijp') deed onderzoek naar de uitvoering van de VTH-taken. Dit leidde in 2008 tot de belangrijke aanbeveling om de uitvoeringskennis en expertise te bundelen in – meer onafhankelijk van het bestuur te zetten – uitvoeringsdiensten. Een gezamenlijke inspanning van het Rijk, gemeenten en provincies leidde er toe dat er 29 omgevingsdiensten zijn opgericht. De ODZOB is er hier één van. De ODZOB richt zich op vergunningverlening, toezicht, handhaving en advisering in het fysieke domein (milieu, ruimtelijke ordening en bouw). Het grootste deel van de taken die de ODZOB uitvoert betreft wettelijke taken waarvoor gemeenten of provincie het bevoegd gezag zijn. Deelnemers zijn verplicht om een deel van deze wettelijke taken bij de ODZOB te beleggen (dit betreft het LBP; het landelijke basistaken pakket). Een ander deel van de wettelijke taken kennen deze verplichtende voorwaarde niet. Deelnemers zijn in beginsel vrij1 om hier hun eigen afwegingen in te maken.

Voor niet-wettelijke taken (dit betreft voornamelijk advieswerkzaamheden) geldt dat deelnemers deze vrijwillig opdragen aan de ODZOB. De core business van de ODZOB betreft de uitvoering van de wettelijke VTH-taken. Deze worden door deelnemers individueel aan de ODZOB opgedragen. Dit gebeurt via de werkprogramma’s. De verzoektaken (die al dan niet een wettelijke grondslag kennen) maken hier eveneens onderdeel van uit. Ter ondersteuning van dit fundament zijn er nog de collectieve taken, waarbij alle deelnemers gezamenlijk opdrachtgever zijn. De opgestelde meerjarenvisie gaat in op het verstevigen van de VTH-uitvoering. De meerjarenvisie is gekoppeld aan de pijlers die voortkomen uit de missie en visie van de dienst. Dit betreft: veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en fysieke leefomgeving. Hierbij zijn verschillende niveaus van inzet (door de ODZOB) te onderscheiden, namelijk: •

Fundament op orde

•

In samenhang

•

Regionaal platform

Bij de vaststelling van de meerjarenvisie koos het algemeen bestuur voor een inzet die past bij het niveau fundament op orde. Op dit uitgangspunt is de voorliggende kadernota 2025 gebaseerd. Om het fundament op orde te hebben en te houden is het van belang om te zorgen voor een level playing field (bedrijven kunnen een gelijkluidende afweging verwachten en worden op een daarbij passende manier behandeld) en om zowel risicogericht als informatiegestuurd te werken. De regionale uitvoeringskaders voor vergunningverlening, toezicht & handhaving, bodem/Bbk en asbest zijn hiervoor van essentieel belang. Deze kaders worden in 2024 geharmoniseerd. Dit alles stelt de nodige eisen aan de bedrijfsvoering van de ODZOB, onder andere op het gebied van kwaliteit en informatievoorziening. Zoals in de meerjarenvisie al werd aangegeven, heeft fundament op orde ook een duidelijke relatie met de kwaliteit en robuustheid van omgevingsdiensten. Het interbestuurlijk programma Versterking VTH-stelsel gaat hier nadrukkelijk op in.

1

Bij de oprichting van de ODZOB zijn hierover afspraken gemaakt. Uitgangspunt daarbij is dat het terugtrekken van verzoektaken niet mag leiden tot achterblijvende kosten voor overige deelnemers. 2

Kadernota 2025

2.1

Samen Sterk in Brabant (SSiB)

In regio Zuidoost-Brabant zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over de deelname aan SSiB. Deze afspraken lopen tot en met 2024. Vandaar dat er, vooralsnog, vanaf 2025 geen rekening is gehouden het een voortzetting van financiële bijdragen door ODZOB-deelnemers aan SSiB. Besluitvorming over deze voortzetting was oorspronkelijk voorzien in 2023. Dit is echter aangehouden omdat de continuïteit van SSiB in de huidige vorm niet alleen afhankelijk is van de bijdrage vanuit de regio Zuidoost-Brabant, maar ook van de positie die de provincie Noord-Brabant inneemt. De provincie Noord-Brabant besloot enkele jaren geleden een forse financiële impuls te geven aan de al bestaande SSiB-organisatie. Hier werd invulling aan gegeven door tot en met 2023 extra middelen beschikbaar te stellen, waardoor SSiB met 9 Boa’s (handhavers) kon worden uitgebreid. In september 2023 werd er een nieuw provinciaal bestuursakkoord gesloten. Uit de uitwerking hiervan moet blijken of de genoemde tijdelijke impuls wordt omgezet naar een permanente aanvullende bekostiging door provincie Noord-Brabant. Duidelijkheid hierover wordt begin 2024 verwacht. Indien de provincie de aanvullende financiële impuls aan SSiB voortzet verandert er qua structuur niets aan de bekostiging van SSiB. De bijdrage vanuit Zuidoost-Brabant aan SSiB zou dan kunnen worden voortgezet.

Uitgangspunt blijft dan de vaste bijdrage van circa € 12.000 per gemeente en €135.000 voor de provincie (naast de afzonderlijke impuls). Het is de bedoeling om in de AB-vergadering van maart 2024 een besluit te nemen over de voortzetting van de bijdrage vanuit regio Zuidoost-Brabant vanaf 2025. Het is de bedoeling om de financiële effecten hiervan te verwerken in de ontwerpbegroting 2025.

2.2

Omgevingsveiligheid

In regio Zuidoost-Brabant zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over Omgevingsveiligheid die aansluiten op het landelijke programma Modernisering Omgevingsveiligheid (MOV). Dit MOV-programma kent een looptijd van 2021 tot en met 2024. Bij de ODZOB zijn deze middelen als subprogramma ondergebracht in het programma Regionale Samenwerking. Na het eerdere Impulstraject Omgevingsveiligheid en het nu aflopende moderniseringstraject is het moment aangebroken om dit onderwerp als regulier te beschouwen waardoor een afzonderlijk subprogramma niet langer noodzakelijk is. Vanaf 2025 kunnen de Omgevingsveiligheid-werkzaamheden worden overgeheveld naar het reguliere programma Collectieve Taken. In de meerjarenraming 2025-2027 van de onlangs vastgestelde begroting 2024 van de ODZOB is, ten onrechte, uitgegaan van een voortzetting van het subprogramma Omgevingsveiligheid. Zonder een expliciet besluit hierover door het algemeen bestuur is dit niet mogelijk. Vandaar dat in de AB-vergadering van maart 2024 een voorstel wordt geagendeerd over de voortzetting van de taken en bekostiging van Omgevingsveiligheid. Het is de bedoeling om de financiële effecten hiervan te verwerken in de ontwerpbegroting 2025.

3

Kadernota 2025

3

Meerjarenvisie 2023-2027

De meerjarenvisie kent een viertal inhoudelijke thema’s. Deze zijn in de volgende paragrafen verder uitgewerkt.

3.1

Veilig

In pijler 2 van het IBP staat de verbetering van de samenwerking tussen bestuurs- en strafrecht centraal. Doel van deze pijler is vermindering van de vermijdbare milieuschade. De naleving van wet- en regelgeving en vergunningen dient te verbeteren en een level playing field voor bedrijven wordt bevorderd. Hiervoor krijgt (de bestrijding van) milieucriminaliteit een hogere prioriteit. Dat doel wordt bereikt door: 1.

De informatie-uitwisseling te verbeteren.

2.

De samenwerking tussen de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke partners te verbeteren.

3.

Effectievere inzet van het beschikbare instrumentarium.

4.

Meer prioriteit en inzet van capaciteit door politie en Openbaar Ministerie.

De eerste drie onderwerpen zijn belangrijk voor de uitvoering van de taken van de omgevingsdiensten. Vooral de basistaak ‘ketentoezicht’ is een geschikt instrument om illegale en malafide activiteiten aan te pakken, zoals de verwerking en handel in grond en afvalstoffen. Daarbij helpt data- en informatiegestuurd werken; hiermee wordt aan de voorkant in beeld gebracht in welke schakels van de keten risicovolle actoren actief zijn. Effectieve inzet van milieu-boa’s draagt bij aan meer slagkracht binnen de strafrechtelijke aanpak. Bij de totstandkoming van de robuustheidscriteria voor omgevingsdiensten (in het kader van het IBP) is een indicatieve opzet gemaakt van het aantal fte’s waarover een robuuste omgevingsdienst minimaal zou moeten beschikken. Daarbij is in beeld gebracht dat een (minimale) omzet van €16,5 miljoen correspondeert met 114 fte, waarvan 4 fte voor strafrechtelijke handhaving (Boa). Meerdere vormen van milieucriminaliteit hebben ook een ondermijnend karakter. Dit blijkt ook uit het landelijk ‘Dreigingsbeeld Milieucriminaliteit 2021’, waar ook de omgevingsdiensten aan hebben meegewerkt. In dit rapport zijn negen vormen van milieucriminaliteit geselecteerd die nader zijn uitgediept, variërend van dreigingen voor bodem en waterkwaliteit, biodiversiteit tot dreigingen gerelateerd aan de circulaire economie.

Milieucriminaliteit heeft verstrekkende gevolgen leefomgeving en de samenleving. Milieucriminaliteit is veelal ‘hidden impact crime’: de effecten zijn niet altijd (direct) zichtbaar, maar de gevolgen zijn groot. Zowel het bestuursrecht als het strafrecht is nodig voor de aanpak van milieucriminaliteit. Dit duale karakter van het handhavingsstelsel, het grote aantal betrokken publieke partijen, de vaak ingewikkelde aard van de casuïstiek en de zeer uiteenlopende regelgeving maken de milieuhandhaving complex. Dit vraagt vanuit de omgevingsdiensten om een specialistische aanpak. Dit blijkt uit het rapporten ‘De Markt de Baas’ (CCV), ‘Een onzichtbaar probleem’ en ‘Handhaven in het duister’ (landelijke Rekenkamer). Het huidige VTH-stelsel functioneert onvoldoende voor een effectieve inzet van bestuurs- en strafrecht bij de aanpak van milieucriminaliteit. De mogelijkheden voor de toezichthouders zijn beperkt. Er is te weinig capaciteit voor diepgravend onderzoek. Omgevingsdiensten en inspecties zijn afhankelijk van wat ze bij controles aantreffen.

4

Kadernota 2025

De focus van bestuurlijke handhavers ligt meer op het helpen van een bedrijf bij het doorvoeren van verbeteringen, dan op het bestraffen van eerdere overtredingen. Daardoor krijgen bedrijven lang het voordeel van de twijfel. Kwaadwillende bedrijven maken daar misbruik van. De Brabantse handhavingspartners (bevoegde gezagen, omgevingsdiensten, politie en Functioneel Parket) zijn samen verantwoordelijk om te handelen in lijn met de Landelijke handhavingsstrategie Omgevingswet (LHSO) en volgens de afspraken uit het Convenant gegevensuitwisseling en samenwerking 2020. Hoewel de samenwerking goed is, zijn er ook signalen over knelpunten in de dagelijkse praktijk. Deze signalen laten zien dat de samenwerking en informatie-uitwisseling in Noord-Brabant nog beter kan om samen een vuist te maken tegen (ondermijnende) milieucriminaliteit. Er is onderzoek gedaan naar de verbeterpunten op Brabantse schaal. Hoewel deze rapportage nog een concept is, is duidelijk dat ook de omgevingsdiensten een opgave hebben om verbeteringen door te voeren. Een belangrijke aanbeveling is samenwerking om regionale gebiedsanalyses en dreigingsbeelden op te stellen. Deze zijn dan het vertrekpunt voor het benoemen van gezamenlijke prioriteiten in de aanpak van milieucriminaliteit en ondermijning. Vanuit deze prioriteiten wordt samengewerkt in een meer ketengerichte aanpak.

Beoogde effecten Doelstelling is de vermindering van vermijdbare milieuschade. Ketengericht toezicht (ketenaanpak) wordt als een structurele vorm van toezicht geïmplementeerd en voorzien van de noodzakelijke kennis, middelen, mandaten, ketentoezichthouders en bevoegdheden. Daarbij worden interventieteams ingezet op complexe en/of hardnekkige (groepen) overtreders waar mogelijke criminele motieven een rol spelen. Randvoorwaarden Hierbij is het van belang dat bestuurders en bevoegde gezagen aandacht hebben en houden voor handhaving en de aanpak van (ondermijnende) milieucriminaliteit en dat politie, Openbaar Ministerie en rechtbanken meer prioriteit geven aan milieuzaken en de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen bestuursrecht en strafrecht wordt verbeterd.

5

Kadernota 2025

3.2

Gezond

Geur Met inwerkingtreding van de Omgevingswet moet het bevoegd gezag, bij het verlenen van vergunningen voor milieubelastende activiteiten, toetsen aan milieunormen (waaronder geur). Nieuw hierbij is de cumulatie van geur van agrarische en industriële bronnen. Toetsing aan cumulatie van geur is ook nodig bij het opstellen van omgevingsplannen. In artikel 5.92 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Hoe diverse geurbronnen moeten worden gecumuleerd, is nog niet duidelijk. Ook is nog onduidelijk welke normen hierbij passen. Beoogde effecten Duidelijk is hoe moet worden omgegaan met cumulatie van geur; een beoordelingskader met bijbehorende normering. Wet- en regelgeving worden adequaat toegepast, adequate advisering hierover en met uiteindelijk een bijdrage aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Randvoorwaarden: Het belang van het thema geur moet duidelijk zijn bij onze deelnemers. Daarnaast is afstemming met andere omgevingsdiensten nodig. De benodigde rekensoftware dient op orde te zijn en binnen de ODZOB is een projectgroep met geurspecialisten, juristen, RO-medewerkers en GIS-medewerkers nodig. Geluid, trillingen en licht Geluid, trillingen en licht in de leefomgeving hebben veel invloed op de gezondheid.

Mensen ervaren hierdoor hinder met stress als gevolg. Dit zorgt tevens voor slaapverstoring en verstoring van de dagelijkse activiteiten. In de toekomst worden meer effecten op de gezondheid verwacht. De blootstelling aan geluid, trillingen en licht neemt toe. Er worden steeds meer woningen en andere gevoelige bestemmingen dicht bij bronnen van geluid en trillingen gebouwd. Dergelijke bronnen zijn onder andere wegen, spoorlijnen en industrie. Effecten op de gezondheid, veroorzaakt door geluid, trillingen en licht, verdienen daarom aandacht van beleidsmakers en overheden. Met de komst van de Omgevingswet krijgt gezondheid meer aandacht. Zo bevat de wet regels voor geluid, licht en trillingen. De Omgevingswet geeft gemeenten meer ruimte om zelf afwegingen te maken in het beleid voor de leefomgeving. Voor een efficiënte taakuitvoering van de ODZOB is het van belang om onder de Omgevingswet uniformiteit/eenduidigheid en duidelijkheid in de regio na te streven. Hierbij gaat het om cumulatie van geluid en het al dan niet overnemen van een aantal uitgangspunten uit het beleid van voor de Omgevingswet. Ook eenduidigheid in de wijze van toetsing van trillings- en lichtoverlast zijn van belang voor de toekomstige afwegingen c.q. beoordelingen door de ODZOB. De systematiek van zonetoetsing op bedrijventerreinen verandert met de invoering van de Omgevingswet.

Om die reden worden de huidige zonebeheersystemen omgezet volgens de bepalingen van de Omgevingswet, rekening houdend met de ambities van en gewenste ontwikkelingen binnen gemeenten. Daarnaast wordt ook de werkwijze voor het beheer en onderhoud hierop aangepast. Onder de Omgevingswet moeten gemeenten nieuwe geluidsaneringslijsten opstellen. De methode die hierbij wordt gehanteerd wijkt af van de bestaande geluidsaneringsregeling. Hiermee staan gemeenten voor een nieuwe opgave.

6

Kadernota 2025

Gemeenten bewaken ontwikkelingen waar geluid een rol in speelt, met de basisgeluidsemissie (BGE). De BGE is het referentieniveau van het geluid door gemeentelijke (spoor)wegen. Gemeenten bewaken de toename van het geluid ten opzichte van de BGE. Voor de toekomstige toetsing zijn geharmoniseerde uitgangspunten voor de vaststelling van de nulsituatie van belang. Ook het onderhoud en beheer van de BGE kaarten moet op een uniforme wijze gedaan worden. Het aantal evenementen met muziekgeluid neemt toe en daarmee ook het aantal opdrachten aan de ODZOB. Het in kaart brengen van geluidbelasting tijdens een evenement wordt gebruikt voor de beoordeling van de toetsing van activiteiten en evenementen. In de praktijk is het meten van geluid niet altijd gemakkelijk. Het is immers een momentopname. De vraag naar de monitoring van geluid neemt daarom toe. Kunstlicht wordt steeds vaker toegepast. Behalve positieve effecten, zijn er ook negatieve effecten voor mensen, dieren en planten en daarnaast speelt energieverbruik een rol. Het is daarom belangrijk om rekening te houden met de bescherming van natuurlijke donkerte. Er is behoefte aan duidelijkheid over en harmonisatie voor de beoordeling van licht(hinder)situaties voor mens, flora en fauna.

Beoogde effecten: Heldere normen voor geluid, trillingen en licht, met het oog op een efficiënte advisering en toetsing, waardoor de kwaliteit van de leefomgeving op deze aspecten verbetert. Om dit te bereiken is het van belang om binnen de regio uniformiteit en eenduidigheid na te streven op deze onderwerpen. Hiermee wordt aan inwoners en bedrijven duidelijk gemaakt hoe wordt omgegaan met veranderende regelgeving. Randvoorwaarden: Voor harmonisatie en het koppelen van beleid en uitvoering is meer en intensievere samenwerking met deelnemers van de ODZOB nodig. Om gezamenlijke ambities af te spreken en harmonisatie te bewerkstellingen in de regio zijn voldoende capaciteit en middelen nodig. Lucht Onder de Omgevingswet wordt gezondheid, zoals hiervoor reeds opgemerkt, een belangrijk aspect. Een verslechterde milieukwaliteit beïnvloedt de gezondheid negatief. Slechte luchtkwaliteit is daar een belangrijke factor bij. In onze regio speelt onder andere de uitstoot van fijnstof, stikstofdioxide en ZZS (zie hiervoor de omgevingsanalyse voor het ROK TH). Voor veel stoffen gelden normen voor de uitstoot. De maximum normen voor luchtkwaliteit zijn gebaseerd op Europese richtlijnen, de Omgevingswet verandert dat niet. Wel kunnen gemeenten strengere normen vaststellen in het Omgevingsplan, bijvoorbeeld gebaseerd op de richtlijnen van de WHO (World Health Organisation).

In het kader van het bevorderen van de luchtkwaliteit en de gezonde leefomgeving participeert de ODZOB in het onderzoeks-en ontwikkelingsproject Regionaal Meetnet. De doelstellingen daarvan zijn: 1.

Onderzoek naar in hoeverre innovatie sensor-technieken kunnen bijdragen aan het inzicht in de omgevingskwaliteit.

2.

Vergroten van het handelingsperspectief en gedragsverandering voor burgers t.b.v. gezondheid

3.

Bevorderen van gezondheid en een gezonde leefomgeving

4.

Bijdragen aan de wijze waarop de monitoring van de kwaliteit van de leefomgeving gaat plaatsvinden.

Er wordt veel kennis opgedaan met name door de inbreng van kennisinstellingen in het project (RIVM, Universiteit van Utrecht, GGD en TNO) waar we met name voor de VTH-taken m.b.t. de intensieve veehouderij profiteren. 7

Kadernota 2025

Zo wordt in het kader van het Regionaal Meetnet een tweejarig gezondheidsonderzoek veehouderij uitgevoerd, dat inzicht geeft in relaties tussen de bedrijfsvoering van veehouderijen en de beleving van omwonenden. Daarnaast is een groot aantal deelnemers in de regio aangesloten bij het Schone Lucht Akkoord (SLA), met als doel om de luchtkwaliteit permanent te verbeteren. Samen streven de deelnemende partijen (Rijk, Provincies en gemeenten) naar een gezondheidswinst van minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 2016. De ODZOB ondersteunt een aantal deelnemers bij de uitvoering van (onderdelen van) het SLA, bijvoorbeeld voor het thema Landbouw. Beoogde effecten: Samenwerking in de regio, zodat het aspect gezondheid/luchtkwaliteit gezamenlijk wordt opgepakt. Daarbij inzicht hoe het VTH-instrumentarium ingezet kan worden onder de Omgevingswet om gezondheid en luchtkwaliteit in de regio te verbeteren. Randvoorwaarden: De financiering van het Regionaal Meetnet is tot en met 2024 gegarandeerd door een jaarlijkse bijdrage van de provincie, gemeente Eindhoven, ODZOB en deelnemende regiogemeenten. Daarnaast draagt het Rijk bij via een SPUK subsidie aan de gemeente Eindhoven in het kader van het Schone Lucht Akkoord (SLA). In het najaar van 2023 zal het gesprek op gang komen over het vervolg hiervan.

Continuering van de project vraagt om financiering vanaf 2025 voor de duur van het eventuele vervolgproject.

8

Kadernota 2025

3.3

Duurzaam

Energietransitie Het is een forse uitdaging om in voldoende mate CO2 te reduceren (55% in 2030 ten opzichte van 1990 en klimaatneutraal in 2050) om hiermee klimaatverandering tegen te gaan. Het centrale doel van het Klimaatakkoord, het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen, raakt aan het leven van alledag. De transitie is in de eerste plaats een maatschappelijke transitie. Burgers en bedrijven staan voor een reeks beslissingen die van invloed zijn op hoe we wonen, ons verplaatsen, wat we eten, de producten die we kopen, hoe we ons geld verdienen. Een bundeling van daadkracht, investeringen, kennis en kunde is nodig. Belangrijke maatregelen daarbij zijn dat Nederland van het aardgas afgaat en uitvoering geeft aan energiebesparing. Naast alle inspanningen die gedaan worden om klimaatverandering zoveel mogelijk tegen te gaan, worden parallel daaraan maatregelen genomen om met een veranderend klimaat om te gaan: klimaatadaptatie. Daarnaast wordt gestreefd naar meer circulair gebruik van materialen om de aarde niet uit te putten of te vervuilen bij het winnen van de grondstoffen. In 2019 is het Klimaatakkoord gesloten. Als beleidsuitwerking daarvan is in onze regio de Regionale Energie Strategie (RES) opgesteld.

Verschillende landelijke wet- en regelgeving is uitgewerkt en geïmplementeerd voor energie- en CO2-reductie, zoals de energiebesparings- en informatieplicht, de keuring van airconditioning en ventilatiesystemen, een normering op de CO2 uitstoot voor zakelijk vervoer, en een energielabel C voor kantoren. Ook wordt nog verdere normering voor gebouwen voorbereid. Binnen het ROK (Regionaal Operationeel Kader) is op het thema energiebesparing prioritair gescoord. Dit betekent dat toezicht op energiebesparing een vast onderdeel is van controles. Daarnaast krijgt de ODZOB SPUKgelden van het Rijk voor controles op energiebesparing. Ook de vergunningplichtige bedrijven vallen intussen onder de energiebesparings- en informatieplicht. De ODZOB levert input en adviseert bij uitvoering van de RES waar nodig. De RES moet landen in de Omgevingswet-instrumenten. Bij implementatie van de Omgevingswet ondersteunt de ODZOB gemeenten bij de kansen die de wet biedt voor ambities op duurzaamheid. Bij de uitvoering van de RES handelt de ODZOB omgevingsvergunningen af voor zonneparken, windparken, vergistingsinstallaties, et cetera en via VTH bijdragen aan het realiseren van energiebesparing bij bedrijven en organisaties. De ODZOB biedt gemeenten op deze wijze invulling en uitvoering om klimaatdoelstellingen te realiseren door middel van toezicht, vergunningverlening en handhaving.

De ODZOB kan gemeenten en provincie ondersteunen met het opstellen van duurzaamheidsbeleid, een duurzaamheidsvisie, een plan om van het aardgas af te gaan en uitvoeringsprogramma als ook de uitvoering daarvan. Circulaire economie krijgt de komende jaren steeds meer aandacht. Doel is om de Nederlandse economie in 2050 volledig te laten draaien op herbruikbare grondstoffen. Europees geldt een systeem van producentenverantwoordelijkheid: producenten of importeurs van o.a. auto’s, elektrische apparatuur en batterijen en accu’s zijn wettelijk verantwoordelijk voor het inzamelen en het zo duurzaam mogelijk recyclen van hun producten in de afvalfase. In afval gaat echter veel geld om en illegale inzameling en verwerking loont. Toezicht op de afvalketen draagt bij aan een circulaire economie. Door de opgave die vanuit wet- en regelgeving op de gemeenten, provincie en daarmee de ODZOB afkomt en door ontwikkelingen in de markt zal er meer noodzaak ontstaan tot extra toezicht op afvalstromen, besparing en hergebruik van grondstoffen. Naast toezicht is er ook een rol voor vergunningverlening. Via vergunningverlening kunnen voorschriften voor afvalscheiding, afvalpreventie en het productieproces worden opgelegd. Er zijn ook bedrijven die afval als grondstof willen inzetten. 9

Kadernota 2025

Afgewogen moet worden of daar milieurisico’s aan kleven. Met bedrijven die experimentele, circulaire initiatieven hebben en daarvoor een vergunningaanvraag voorbereiden wil de ODZOB in een vroegtijdig stadium in gesprek. De ODZOB kan binnen haar wettelijke mogelijkheden en bevoegdheden meedenken om nieuwe circulaire initiatieven te faciliteren en de (on)mogelijkheden aan te geven. Hierdoor kunnen deze bedrijven tijdig anticiperen en eventuele aanpassingen doorvoeren. Als uitvoeringsorganisatie in de ODZOB een van de spelers die voor de uitdagende taak staan om circulaire innovaties van bedrijven mogelijk te maken en bedrijven aan te moedigen meer circulair te worden. In het bestuursakkoord Ruimtelijke adaptatie is door gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk afgesproken dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatadaptief ingericht dient te zijn. Met als doel dat de impact van de gevolgen van klimaatverandering (wateroverlast, droogte, hittestress en overstroming) voor de samenleving beperkt blijft. Vanwege gebiedskennis, inrichtingen kennis (ofwel kennis van de milieubelastende activiteiten) en de beschikking over expertise op verschillende leefomgeving gerelateerde onderwerpen, kan de omgevingsdienst een belangrijke rol vervullen in het vormgeven van klimaatadaptatie voor gemeenten en de provincie.

Beoogde effecten: Gewenste effecten (outcome) zijn CO2-reductie, meer circulaire processen en klimaatadaptieve gebieden, zoals bedrijventerreinen, met meer biodiversiteit. Gewenste proceseffecten zijn wet- en regelgeving op het gebied van duurzaamheid vertaald en geborgd binnen VTH-werkzaamheden en adviezen van de ODZOB, verbeterde kwaliteit van data van inrichtingen zodat op duurzaamheid datagestuurd gewerkt kan worden, goede kwaliteit van controles door het toewerken naar energie experts, meer wisselwerking tussen stimulerende en toezichthoudende activiteiten en meer uniformiteit in regels op duurzaamheid in omgevingsplannen. Randvoorwaarden: Voor een betere wisselwerking tussen stimulerende en toezichthoudende activiteiten en voor een betere koppeling tussen beleid en uitvoering is een intensievere samenwerking nodig. Bewustzijn bij zowel de provincie als de gemeenten van de mogelijke rol van de ODZOB in het bevorderen van een circulaire economie en het verduurzamen van bedrijventerreinen. Wanneer de ODZOB-deelnemers bedrijven faciliteren bij circulaire initiatieven of besparingen dienen is het van belang om de ODZOB zo vroeg mogelijk te betrekken om te zorgen dat een initiatief ook vergund kan worden. Stikstofproblematiek De Nederlandse natuur staat onder druk.

De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat bij veel ontwikkelingen nadrukkelijk ook de gevolgen voor natuur moeten worden meegewogen. Dit betreft ontwikkelingen breed voor zowel agrarische bedrijven, industrie, maar ook bouw- en infrastructuurprojecten. Belangrijkste factor om de invloed van nieuwe ontwikkelingen op natuur ‘meetbaar’ te definiëren is de uitstoot van stikstof, hoewel in nabijheid van natuur ook andere factoren kunnen spelen. De afgelopen paar jaar zien we dat de problematiek van te veel reactieve stikstof er toe heeft geleid dat rechtelijke uitspraken een streep hebben gezet door de bestaande afwikkeling van natuurtoestemmingen. Dit heeft grote impact die ook zichtbaar is in de regio Zuidoost-Brabant. Niet in het minst omdat er veel intensieve veehouderij is gevestigd en uitstoot van ammoniak een belangrijke negatieve factor is. Op korte en middellange termijn staan veel ontwikkelingen nu noodgedwongen ‘on hold’.

10

Kadernota 2025

De huidige impasse moet voor een belangrijk deel vanuit het Rijk worden opgelost met nieuwe wet- en regelgeving. Vanuit ODNL hebben de omgevingsdiensten ook gezamenlijk bij het Rijk aangekaart dat de uitvoering grote hinder ondervindt. De gevolgen van de stikstofproblematiek voor de werkzaamheden van de ODZOB raken vergunningverlening, toezicht en advies. In de volle breedte is daarom focus op de problematiek en additionele inzet nodig. Beoogde effecten: Het uiteindelijke doel komt neer op het terugdringen van de uitstoot van stikstof en het daarmee mogelijk maken van meer ontwikkelingsruimte. Het opgestelde Brabantbrede handelingsperspectief moet hierbij helpen. De Omgevingswet vraagt nog meer dan nu al het geval is om een integrale afweging. Uitstoot van stikstof wordt beoordeeld bij zowel agrarische als ook industriële bedrijven. Bij toezicht- en handhavingstrajecten is sprake van toenemende complexiteit zeker daar waar legalisatie niet mogelijk is vanwege stokkende vergunningverlening. We zetten hier vol in op stevige juridische ondersteuning. Landelijk wordt gezocht naar ontwikkelingsruimte door de grote uitstoot van vooral ammoniak te verminderen met beëindigingsregelingen voor de veehouderij. Deze en de autonome afname van agrarische bedrijven hebben grote gevolgen ook voor de inrichting van het landelijk gebied in ZuidoostBrabant.

In het Werkprogramma Agrofood en Leefomgeving werken de adviseurs van de dienst samen met de regio (ambtelijk en bestuurlijk) om deze transitie goed vorm te geven. Randvoorwaarden: Samenwerking tussen bevoegde gezagen en de omgevingsdienst is en blijft van groot belang om daarmee te zorgen voor level playing field voor bedrijven (in geheel Brabant). Het maken van de juiste keuzes en oplossingsrichtingen met telkens nieuwe juridische randvoorwaarden blijft een uitdaging. De randvoorwaarden hiervoor raken steeds beter ingebed; bijvoorbeeld door het instellen van een Agrarisch Platform Brabant. De uitwisseling van kennis in de regio betreft ook aspecten die ruimtelijke ordening en bouwactiviteiten raken. De door de ODZOB ingestelde Adviesgroep Stikstof adviseert hiervoor breed zowel intern als extern voor de gehele regio. Een initiatief dat voor de duur van de huidige impasse noodzakelijk ingesteld dient te blijven.

11

Kadernota 2025

3.4

Omgeving

Omgevingswet Veel van de gevolgen van de Omgevingswet zijn in de voorgaande paragrafen al toegelicht. Het voert te ver om dat in deze paragraaf te herhalen. In het najaar van 2023 start de ODZOB met een Interventieteam Omgevingswet. Dit team wordt zodanig ingericht dat uiteenlopende vragen kunnen worden beantwoord en knelpunten kunnen worden opgelost. Daarbij zal nadrukkelijk ook contact worden gezocht bij andere omgevingsdiensten en het IPLO (informatiepunt leefomgeving). Naar verwachting is dit interventieteam zowel in 2024 als in 2025 operationeel. Zoals uiteengezet is in de Bestuursrapportage 2023 is het de bedoeling om de hiermee gepaard gaande kosten te dekken uit de incidentele bijdrage die de ODZOB-deelnemers doen in 2024. Uitvoeringstoets De adviescommissie Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (ook wel: commissie van Aartsen) bracht een tiental adviezen uit voor een goed functionerend VTH-stelsel. Geconstateerd werd dat onder de Omgevingswet de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving ook de normen uit het omgevingsplan omvat. Om die reden moeten omgevingsdiensten betrokken zijn bij de opstelling van de milieunormen in het omgevingsplan. De minst verregaande vorm van betrokkenheid is, zo werd gesteld, een uitvoeringstoets door omgevingsdiensten.

Dat betekent dat een omgevingsdienst adviseert bij de voorbereiding op een omgevingsplan over de uitvoerbaarheid van vergunningverlening, toezicht en handhaving over de op te nemen milieunormen. De verdere uitwerking hiervan in het IBP Versterking VTHstelsel maakt onderdeel uit van pijler 1 (deelaspect uitvoeringstoets). Uit het bovenstaande blijkt dat het van groot belang is dat de omgevingsdiensten worden betrokken bij omgevingsplannen en relevante buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Middels een BOPA (Buitenplanse OmgevingsPlan Activiteit) worden activiteiten in afwijking van een omgevingsplan mogelijk gemaakt en dienen deze beoordeeld te worden op inpassing in de omgeving. Hierbij is afgesproken dat de rol van de omgevingsdiensten bij de advisering hierover moeten worden vastgelegd in bestuurlijke afspraken. Hoe de exacte uitwerking hiervan er uit gaat zien zal de komende tijd, samen met de deelnemers, nog moeten worden ervaren. Beoogde effecten: De ODZOB brengt aan alle deelnemers advies uit over omgevingsplannen en relevante buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (de nu uitgebreide omgevingsvergunningen afwijken bestemmingsplan en het tijdelijk afwijken en wijzigen van gebruik bestemmingsplan) middels een beoordeling waarin alle milieuaspecten worden afgewogen.

Dit resulteert in een afgewogen (deel)advies, zodat deze plannen leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Randvoorwaarden: Het is hiervoor van groot belang dat er bestuurlijke afspraken zijn gemaakt over de exacte rol van de ODZOB bij advisering over omgevingsplannen en relevante buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Uiteraard dienen deze afspraken duidelijk te worden vastgelegd en gedeeld met de ODZOB-deelnemers.

12

Kadernota 2025

4

Versterking VTH-stelsel

In 2023 is het Interbestuurlijk Programma Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (IBP versterking VTH-stelsel; hierna aangeduid als IBP) op stoom gekomen. In dit programma werken de koepelorganisaties van gemeenten, provincies, omgevingsdiensten en waterschappen samen met enkele ministeries.

Dit programma bestaat uit een zestal pijlers, te weten: 1.

Robuuste omgevingsdiensten en normfinanciering

2.

Bestuurs- en strafrechtelijke handhaving en vervolging

3.

Informatievoorziening

4.

Kennisinfrastructuur en arbeidsmarkt

5.

Onafhankelijke uitvoering van toezicht en handhaving

6.

Monitoring kwaliteit milieutoezicht

13

Kadernota 2025

In 2023 is, als onderdeel van de eerste pijler, een set van robuustheidscriteria met daaraan gekoppelde kritische prestatie indicatoren (kpi’s) vastgesteld. Inmiddels heeft iedere omgevingsdienst in beeld moeten brengen in welke mate er voldaan wordt aan deze robuustheidscriteria. Aan de hand van een zestal kpi’s is gescoord hoe robuust iedere dienst op dit moment is. De vastgestelde kpi’s worden gezien als een ondergrens voor de noodzakelijke robuustheid van omgevingsdiensten. Deze ondergrens sluit aan op het niveau fundament op orde uit de meerjarenvisie van de ODZOB. De ODZOB heeft in beeld gebracht in welke mate aan deze landelijke criteria wordt voldaan. Het algemeen bestuur is hierover op 12 oktober 2023 in kennis gesteld. Omgevingsdiensten die niet aan alle kpi’s voldoen, dienen een plan van aanpak op te stellen hoe ervoor gezorgd kan worden dat wel aan de gestelde criteria voldaan gaat worden. Dit geldt ook voor de ODZOB. Het genoemde plan van aanpak moet voor 1 april 2024 worden ingediend bij de staatssecretaris van I&W. Uiterlijk op 1 april 2026 dienen alle omgevingsdiensten in Nederland aan de kaders (robuustheidscriteria en kpi’s) te voldoen. Dit (nog op te stellen) plan van aanpak gaat gevolgen hebben voor de ODZOB in 2025.

Hoewel de exacte gevolgen nu nog niet duidelijk zijn, ligt het voor de hand dat deze betrekking hebben op de kpi’s waar de ODZOB op dit moment nog niet (volledig) voldoet aan de gestelde robuustheidscriteria. Hierbij gaat het onder andere om het (nog ontbreken van) een meerjarige innovatieagenda met bijbehorend vrij besteedbaar budget (ter grootte van minimaal 1% van de begroting). Daarnaast beschikt de ODZOB nog niet over een business intelligence strategie. De financiële impact van het (nog op te stellen) plan van aanpak is op dit moment nog niet bekend. Het opstellen van dit plan kan waarschijnlijk worden bekostigd2 uit het IBP versterking VTH-stelsel. De te nemen maatregelen zullen op een andere manier moeten worden bekostigd. Met de introductie van de nieuwe meerjarige innovatieagenda gaat een structureel budget van circa € 300.000 gepaard. Kenmerkend voor deze innovatieagenda is dat het budget hiervoor “vrij besteedbaar” moet zijn. Het risico ligt op de loer dat deze innovatieagenda tot een verdringingseffect (bijvoorbeeld in het collectief programma) leidt, waardoor het achterliggende doel niet bereikt wordt. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat ook andere, nog uit te werken, maatregelen eveneens tot aanvullende kosten voor de ODZOB gaan leiden.

In het op te stellen plan van aanpak zal nader geduid moeten worden wat er onder innovatie wordt verstaan, aan welke voorwaarden de meerjarige agenda dient te voldoen en welke inhoudelijke raakvlakken er (nu al) bestaan met het collectief programma. Daarnaast kunnen er verbanden worden gelegd met een meer outcome-gerichte benadering en daarmee samenhangende sturing. Mogelijk vloeien er aanvullende structurele kosten voort uit het op te stellen plan van aanpak en de implementatie daarvan. Gezien alle onzekerheden die er op dit moment nog zijn, ligt het niet voor de hand om hiervoor nu al middelen op te nemen in de kadernota 2025 en de ontwerpbegroting 2025.

Naar verwachting kan er nog in 2023 een bijgestelde aanvraag worden ingediend bij het ministerie van I&W voor de SPUK-regeling die het IBP Versterking VTH-stelsel ondersteunt. 14 2

Kadernota 2025

5

Financiën

5.1

Baten

Zoals inmiddels al jaren het geval is, wordt de op te stellen begroting 2025 gebaseerd op de (concept) werkprogramma’s voor 2024, rekening houdend met relevante ontwikkelingen voor 2025. Medio 2023 zijn de concept werkprogramma’s voor 2024 opgesteld. In deze werkprogramma’s is rekening gehouden met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1-1-2024. Op basis van de meest actuele (maar nog niet definitieve) inzichten loopt de capaciteitsbehoefte op naar 249.000 uren in 2024. Dit aantal wordt, met inachtneming van enkele bijstellingen, het uitgangspunt voor de ontwerpbegroting 2025. In de loop van 2023 bleek dat er (weer) rekening gehouden kan worden met significante rentebaten. Dit is anders dan de afgelopen jaren het geval was. In het najaar van 2023 bedroeg het rentepercentage voor het Schatkistbankieren bijna 4%. Dit betekent niet zondermeer dat de komende jaren met een vergelijkbaar rentepercentage gerekend kan worden. In de ontwerpbegroting 2025 zal op een verantwoorde manier een raming worden opgesteld voor de te verwachten rentebaten.

5.2

Lasten

Zo’n 67% van de lasten uit de begroting 2024 zijn personeelsgerelateerd. Salarissen van personeel in loondienst zijn daar veruit het grootse onderdeel van. Voor 2025 wordt uitgegaan van dezelfde verhouding tussen loon- en prijsgevoelige kostencomponenten. Hierbij maken de kosten voor externe inhuur onderdeel uit van de prijsgevoelige kostencomponenten.

5.3

•

Aandeel loonkostenontwikkeling

67%

•

Aandeel ontwikkeling van prijzen

33%

Declarabiliteit

De ODZOB ging tot enkele jaren geleden uit van 1.350 declarabele uren per medewerker in het primaire proces. Een tweetal ontwikkelingen zorgden voor een bijstelling van deze norm. Ten eerste is als gevolg van de afgesloten Cao 2023 het aantal werkbare dagen afgenomen, waardoor er maximaal 1.337 declarabele uren gerealiseerd kunnen worden. Ten tweede gaat de norm van 1.350 declarabele uren per fte uit van een ziekteverzuim van maximaal 4,5%. De afgelopen jaren is gebleken dat een dergelijk verzuim niet strookt met het werkelijke verzuim. Niet landelijk, niet regionaal en eveneens niet bij de ODZOB. Met inachtneming van een ziekteverzuim van 6% is de declarabiliteitsnorm in 2024 vastgesteld op 1.306 uur per fte in het primaire proces. Het algemeen bestuur vorig jaar besloot om op een andere wijze om te gaan met het begroten van het ziekteverzuim (omdat het uitgangspunt van 4,5% onrealistisch bleek te zijn). Vandaar dat vanaf 2023 wordt uitgegaan van het 3-jaars voortschrijdend gemiddelde als (maximale) streefwaarde voor het ziekteverzuim. Het meest actuele 3-jaars voortschrijdend gemiddelde ziekteverzuim beslaat de periode oktober 2020 tot en met september 2023. Dit komt uit op 6,8%. Voor 2023 en 2024 is het uitgangspunt voor het ziekteverzuim op 6% gesteld. Er is op dit moment geen aanleiding om hier voor 2025 van af te wijken.

Dit betekent dat de declarabiliteitsnorm voor 2025 (net als in 2024) op 1.306 uur per fte is gesteld.

15

Kadernota 2025

Het verschil tussen het huidige en inmiddels achterhaalde uitgangspunt voor de raming van het ziekteverzuim bedraagt (6,0 – 4,5 =) 1,5%. Zoals in de kaderbrief 2024 en begroting 2024 is toegelicht, gaat dit gepaard met een lagere declarabiliteit (van 30 uur per fte) en een hoger tarief (€ 2,05 per uur). Inmiddels is ook duidelijk dat deze ontwikkeling een meer permanent dan tijdelijk karakter heeft. Vandaar dat een deel van de tijdelijke tariefopslag die werd gepresenteerd in de herziene begroting 2023 en de begroting 2024 niet langer als tijdelijk kan worden aangemerkt. De tariefopslag van € 3,00 per uur bestond uit 2 onderdelen: 1.

Opslag lagere declarabiliteit door raming ziekteverzuim van 6% i.p.v. 4,5%

€ 2,05

2.

Opslag om te komen tot een fitte organisatie

€ 0,95

Het eerste onderdeel kent, zoals aangegeven, een meer permanent karakter dan eerder werd verondersteld en maakt daarmee onderdeel uit van de tariefopbouw voor 2025. Om te komen tot de realisatie van 249.000 declarabele uren in 2025 en op basis van een declarabiliteitsnorm van 1.306 uur per fte dient de ODZOB te kunnen beschikken over de volgende aantallen fte’s: •

Primair proces

190,7 fte

•

Overhead

47,6 fte

•

Totaal

238,3 fte

5.4

Indexering 2025

In de regio Zuidoost-Brabant zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over de wijze van indexeren. Daarbij is bepaald dat indexcijfers voor 2024 uit de Macro Economische Verkenning 2024 (gepubliceerd in september 2023) als uitgangspunt gelden voor de kadernota 2025. Wegens het ontbreken van gerichte prognoses voor 2025 worden de indexcijfers voor 2024 gehanteerd als prognose voor 2025. Het betreft de volgende indexcijfers: •

Materiële overheidsconsumptie:

3,5%

aandeel 33%

effectief 1,2%

•

Loonvoet sector overheid:

6,7%

aandeel 67%

effectief 4,5%

•

Gewogen bedraagt dit percentage:

5,6%

stijging

Tariefontwikkeling 2025

bedrag

Gemiddeld uurtarief 2024 (inclusief opslagen)

€ 120,52

Opslag fitte organisatie niet meer in 2025

- € 0,95

Uitgangspunt uurtarief 2024

€ 119,57

MEV 2024: ontwikkeling prijspeil voor 2025

1,2%

€ 1,39

MEV 2024: ontwikkeling loonkosten voor 2025

4,5%

€ 5,34

Gemiddeld uurtarief 2025

€ 126,31

Het gemiddeld uurtarief stijgt, als gevolg van bovenstaande ontwikkelingen met bijna 5% ten opzichte van het gemiddelde uurtarief over 2024.

16

Kadernota 2025

Vorig jaar bestond er ten tijde van het opstellen van de kaderbrief 2024 geen duidelijkheid over de gevolgen van de nog vast te stellen nieuwe Cao3. Een vergelijkbaar scenario ligt nu weer in het verschiet. Het is op dit onzeker of de loonindexering uit de Macro Economische Verkenning 2024 voldoende zal zijn om de loonontwikkeling die gaat volgen uit de Cao voor 2024 te kunnen dragen. De nieuwe cao voor gemeenten en gemeenschappelijke regelingen kan het hierboven gepresenteerde beeld onder druk zetten. Mocht blijken dat de gevolgen van de nieuwe Cao significant afwijken van de ramingen in de Macro Economische Verkenning 2024, dan ontkomt de ODZOB (net als andere gemeenschappelijke regelingen) er niet aan om deze effecten te verwerken in de ontwerpbegroting 2025.

3

De onderhandelingen voor de nieuwe cao zijn medio september 2023 gestart.

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13675595/1