Vragen en antwoorden NZ Lokaal - Herenweg 300
Tekst van het document
Hierbij de vragen en antwoorden op vragen over Herenweg 300 van G. vd Klugt - NZ Lokaal. Technische vraag van v.d. Klugt. n.a.v. de beeldvormende commissie. In de commissie werd de vraag gesteld of deze voormalige bedrijfswoning - in plaats van naar een burgerwoning – ook omgezet zou kunnen worden naar een plattelandswoning. Dit omdat deze woning midden in agrarisch gebied ligt, wat met een (burger)woonbestemming tot problemen zou kunnen leiden. Deze discussie is eerder gevoerd bij voorkomende gevallen, en in het zgn. veegplan bestemmingsplan buitengebied waarbij nog niet lang geleden ook plattelandswoningen zijn bestemd (i.p.v. burgerwoningen). Zou deze casus niet op dezelfde wijze kunnen worden beschouwd?
Antwoord: Deze ontwikkeling is gebaseerd op het staken van de agrarische bedrijfsactiviteiten. Om aanspraak te maken op de toevoeging “plattelandswoning” aan de bedrijfswoning, moet er wel sprake zijn van een volwaardig in bedrijf zijnd bollenbedrijf. Daar was hier al geen sprake meer van. In het kader van “goede ruimtelijke ordening” moet er bij de afweging wel gekeken worden naar de actuele situatie. Als er geen bedrijf meer is, is er dan nog sprake van een bedrijfswoning, zo nee dan komt het fenomeen “plattelandswoning” ook niet meer in beeld. Bij het in behandeling nemen van een verzoek en bij de overwegingen wordt altijd gekeken of een planologische wijziging kan. Dit houdt dan in dat er gekeken wordt of het wijzigen van de functie van bedrijfswoning naar burgerwoning wel of geen planologische nadelen met zich meebrengt. Zo mag de functie “Wonen” geen onevenredig nadelige gevolgen hebben voor de agrarische sector, maar ook niet andersom. Bij het opstellen en uiteindelijk vaststellen van de 2e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2015 heeft dezelfde afweging plaatsgevonden. Verder de vraag: welke instantie gaat er over het antwoord op de vraag wanneer een woning kan worden omgezet naar een plattelandswoning?
Antwoord: Zoals gesteld in de (voormalige) Wet Ruimtelijke Ordening, is het college van b. en w. belast met de voorbereiding van een bestemmingsplan/planologische wijziging. Na deze voorbereiding, waarin een afweging wordt gemaakt of een ontwikkeling planologisch aanvaard is, wordt deze geagendeerd voor de gemeenteraad, omdat wettelijk gezien de gemeenteraad bevoegd gezag is t.a.v. het vaststellen van een bestemming. Het college stelt voor, de gemeenteraad bepaalt.