RO_Douzastraat_2_Noordwijk_def
Tekst van het document
Risicovolle inrichtingen Rondom het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Op de kaart is dit ook te zien. Het gebied bestaat voornamelijk uit wonen, lichte bedrijven en horeca. Er is geen belemmering van risicovolle inrichtingen of op risicovolle inrichtingen. Kwetsbare objecten Rondom het plangebied bevinden zich een aantal kwetsbare objecten, waaronder: 1. Een hotel 2. Een restaurant De woningen hebben geen negatieve invloed op hotels. Andersom hebben hotels geen risicovolle aspecten op wonen. Er zijn immers in de huidige situatie al meerdere woningen om het hotel aanwezig. Voor het restaurant geldt hetzelfde. Er is geen belemmering van en op kwetsbare objecten. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Er bevindt zich geen weg in de nabije omgeving van het plangebied waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over wegen voor het planvoornemen. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn aanwezig. Daardoor is er geen negatief effect op het planvoornemen. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over een
spoorlijn. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Ten westen van het plangebied ligt een buisleiding van Gasunie Transport Services. Door de buisleiding wordt aardgas vervoerd. Het is een NEN-3650 leiding met een dikte van 1 mm. De buis ligt op een afstand van 256 meter en vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Conclusie externe veiligheid Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Andersom bevat het planvoornemen geen risicovolle activiteiten en belemmeringen in het kader van de externe veiligheid voor de omgeving.
4.7
Bodemgeschiktheid
Verkennend bodemonderzoek In opdracht van Van der Krogt Aanneming en verhuur BV heeft Milieu adviesbureau Adverbo in augustus 2019 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het perceel 6551 te Noordwijk. De resultaten van het onderzoek zijn als volgt: De bovengrond (MM01 en MM02) is (plaatselijk) licht verontreinigd met kwik, lood, zink, minerale olie, en PCB’s en sterk verontreinigd met PAK’s. Na separate analyse van MM01 blijkt de sterke PAK’s verontreiniging zich te bevinden in de bovenlaag tot 0,50 m-mv van boring B02. De ondergrond (MM03) is licht verontreinigd met koper, kwik, lood en PAK’s. De omvang van de sterke verontreiniging met PAK’s is waarschijnlijk minder dan 25 m3 In dat geval is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het grondwater is licht verontreinigd met barium.
De sterke verontreiniging met PAK’s vormt geen belemmering voor het huidig gebruik van het terrein. Wel worden bij nieuwbouw/herinrichting van de locatie in de te verstrekken vergunning waarschijnlijk eisen opgenomen omtrent nader onderzoek en/of sanering van de sterke verontreiniging met PAK’s. Tevens dient een onderzoek te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 naar asbest in de bodem. Asbestonderzoek Op 25 oktober is door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend onderzoek asbest uitgevoerd voor de locatie aan de Douzastraat 2 in Noordwijk. Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek is op basis van de resultaten een verwachting vastgesteld van het potentiële asbest in de bodem. Deze hypothese is in het vooronderzoek als verdacht aangemerkt. Hierbij gaat het erom dat er in de bovengrond asbestverdachte bijmengingen worden verwacht. Vanuit het verkennend asbestonderzoek wordt geconcludeerd dat er in de bodem diverse bijmengingen zijn aangetroffen. Echter is er zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest aangetoond in het onderzoek. De resultaten geven daarom geen noodzaak tot het uitvoeren van nader onderzoek naar asbest. Het volledige rapport met het milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend onderzoek asbest is als separate bijlage aan deze onderbouwing toegevoegd. Het volledige voor- en verkennend onderzoek is bijgevoegd als separate bijlage.
Conclusie bodemgeschiktheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodemgeschiktheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Deze is per 1 juli 2016 met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedweg. Dit is sindsdien de wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: -
het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; de verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.
Beoordeling planvoornemen Op 12 november 2021 is door IDDS een Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek opgeleverd. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied op een strandwal ligt. De bodemopbouw in het plangebied bestaat uit strandwalzand met daarboven een oude bouwvoor van ongeveer 30-40 cm dik en daarboven een ophoogpakket van ongeveer 1,1 m dik. Omdat het plangebied op een strandwal ligt, geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten vanaf het Laat Neolithicum. Vanwege archeologische onderzoeken in de omgeving is de verwachting het grootst voor archeologische resten uit de IJzertijd-Romeinse tijd en uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De archeologische resten die reeds zijn aangetroffen in de omgeving van het plangebied bestaan uit grondsporen van voornamelijk kuilen en vondsten van aardewerk, bot en houtskool. Waarschijnlijk zullen de resten uit de IJzertijd-Romeinse tijd gerelateerd zijn aan bewoning. De archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd zullen gerelateerd zijn aan het erf achter de bebouwing die langs de Douzastraat voorkwam. Vermoedelijk betreft dit o.a. waterputten, afvalkuilen of funderingsresten van bijgebouwen. Vanuit het veldwerk worden de verwachtingen bevestigd en gespecificeerd. De diepte van de verstoringen door de geplande werkzaamheden is nog onbekend.
Waarschijnlijk zullen de nieuwe woningen op staal gebouwd worden en zullen de nieuwe funderingen daarmee reiken tot ongeveer 0,8 m -mv. In dat geval zullen de meeste werkzaamheden plaatsvinden binnen het ophoogpakket. Voor dit pakket geldt een hoge verwachting voor met name de periode 17e tot 20e eeuw, en de archeologische resten uit die periode zullen worden bedreigd. Indien de werkzaamheden dieper zullen reiken dan worden ook andere waarden uit eerdere perioden bedreigd. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft vanaf het maaiveld tot een diepte van 2,1 m -mv ofwel -0,1 m NAP voor alle periodes vanaf het Laat Neolithicum. Op basis van de resultaten van het inventariserend
veldonderzoek wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren voor alle werkzaamheden waarbij gegraven wordt dieper dan 50 cm -mv. Dit advies geldt ook bij sloopwerkzaamheden waarbij funderingen verwijderd worden die dieper reiken dan 50 cm -mv. Gezien de kleine omvang van het plangebied, de geplande sloopwerkzaamheden en de onzekerheid van de diepte van de nieuwbouw wordt geadviseerd om zowel de sloopwerkzaamheden van de bestaande funderingen, als het graafwerk voor de nieuwe funderingen archeologisch te begeleiden. Indien de graafwerkzaamheden dieper zullen reiken dan de onderzijde van de oude bouwvoor (dus dieper dan ongeveer 1,6 m -mv ofwel 0,5 m NAP) dan wordt geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren (na de begeleiding van de sloop) om daarmee een beter beeld te kunnen verkrijgen van de archeologische grondsporen die onder de oude bouwvoor voor kunnen komen in het strandwalzand. Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is er sprake van een dubbelbestemming ‘Beschermd Dorpsgezicht’. Beoordeling planvoornemen Het plangebied ligt niet op gronden met cultuurhistorische waarde, zoals beschermd molenbiotoop of kasteel- en landgoedbiotoop.
Het plan valt wel onder de dubbelbestemming ‘Beschermd dorpsgezicht’. De bestaande opstallen zijn bouwtechnisch in een zodanige slechte staat, dat er door de gemeente in 2017 is besloten de panden niet aan te wijzen als gemeentelijk monument, omdat de kosten van herstel en onderhoud onvoldoende opwegen tegen het belang om het pand als dusdanig aan te wijzen. De initiatiefnemer heeft de Erfgoedcommissie Noordwijk betrokken bij de verder uitwerking van het plan. De nieuwe bebouwing is geïnspireerd op de voorgaande architectuur. Er is rekening gehouden met passende architectuur op nieuw van schaal, uitstraling, materiaalgebruik en detaillering. De architectuur is passend in de richtlijnen van de kaders van het beschermde dorpsgezicht. De nieuwbouw is op zorgvuldige wijze ingepast in de bestaande context. Conclusie archeologie en cultuurhistorie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Flora en Fauna
In het kader van de voorgenomen plannen is er een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het veldonderzoek is op 5 oktober 2021 uitgevoerd op de locatie aan de Douzastraat. Uit de Quickscan wordt voor gebiedsbescherming geconcludeerd dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van Natura 2000-gebied of het Natuur Netwerk Nederland (NNN). De ontwikkeling aan de Douzastraat leidt niet tot een fysieke afname van aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Het plangebied ligt op ongeveer 950 meter van Natura 2000-gebied. Daarom is in paragraaf 4.5 een stikstofberekening uitgevoerd. Wat betreft de soortenbescherming wordt geconcludeerd dat er geen potentiële verblijfplaatsen worden verwacht voor beschermde soorten. Nader onderzoek is daarom niet nodig. Wel kunnen binnen het plangebied vogels zonder jaarrond nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende de broedperiode beschermd (grofweg 15 maart – 15 augustus). Het advies luidt de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen binnen het plangebied.
Indien het niet mogelijk is de werkzaamheden buiten het broedseizoen te laten plaatsvinden, dient er een broedvogelinventarisatie te worden uitgevoerd door een deskundig ecoloog. Ten slotte kent de Wet natuurbescherming een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat zorgvuldig met aanwezig planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de bruine kikker, huisspitsmuis en huismus. Daarom dienen de volgende maatregelen te worden gedaan: - Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van de doorgaande weg af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet de weg over gejaagd waar ze worden overreden. Er wordt geconcludeerd dat het aspect Flora en Fauna geen belemmering zorgt voor het planvoornemen. Er dient wel rekening te worden gehouden met het broedseizoen van algemene soorten zonder jaarrond broednest en de algemeen geldende zorgplicht. Nader onderzoek is niet nodig. Conclusie flora en fauna Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen voor geen belemmering zorgt op de Flora en Fauna, mits de bovengenoemde maatregelen worden getroffen.
4.10
Watertoets
Wetgeving Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak binnen het plangebied toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1.
Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling).
2.
Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.
Beleid Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau is met name het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland en van de gemeente Noordwijk relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het Hoogheemraadschap. Waterbeheerplan 5: Waardevol Water Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. In dit plan geeft het Hoogheemraadschap aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samenwerken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met de omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen.
Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het Hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde
en toekomst vast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden. Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt. Keur Hoogheemraadschap van Rijnland 2020 Per 1 juni 2020 is een nieuwe Keur (opvolger van de Keur 2015) en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
Samengevat maken de Keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. De zorgplicht gaat in op het ‘ja, tenzij’-uitgangspunt. Handelingen zijn toegestaan tenzij er onvoldoende zorg in acht is genomen. Dit is vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet waarin hetzelfde principe wordt toegepast. De zorgplicht is bedoeld om schade aan het watersysteem te voorkomen. De algemene regels gaan uit van het principe ‘ja, mits’. De handeling is toegestaan mits aan alle voorwaarden wordt voldaan. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen.
In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Zo zijn er voorwaarden compensatie verhard oppervlak. Indien een initiatiefnemer meer dan 500 m2 extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van open water vereist van 15% van de totale toegenomen verharde oppervlakte. Als er boven de 10.000 m 2 verhard oppervlak wordt aanlegt moet dit gecompenseerd worden aan de hand van een maatwerkberekening. Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'Watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het Hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier
waarop deze wordt getoetst door het waterschap. Het Hoogheemraadschap van Rijnland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna de watertoets uitwijst of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a) Het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b) Verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c) Afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d) Huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd; e) Ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: - zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; - lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. Klimaat adaptief bouwen Het klimaat in Nederland is aan het veranderen. De gevolgen van deze veranderingen hebben een grote impact op de maatschappij. De provincie Zuid-Holland heeft samen met verschillende partijen het ‘Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland’ in het leven geroepen om de delta waarin we liggen adaptief te maken op deze veranderingen. Met klimaat adaptief bouwen wordt er gestreefd naar minder wateroverlast, minder hittestress, minder langdurige droogte inclusief de nodige gevolgen, minder bodemdaling inclusief de nodige gevolgen en meer biodiversiteit in vergelijking met de oude situatie. Er kan gedacht worden aan natuur inclusief bouwen, minder verharding aanleggen, meer groen in de openbare ruimte en in tuinen, zonwering plaatsen, meer regenwateropslag en verhoogde trottoirs. Beoordeling planvoornemen In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een melk- en bollenschuur, verharding, en een aantal gebouwen voor opslag. Met het planvoornemen stijgt het verhard oppervlak niet.
Door de realisatie van tuinen voor de woningen aan de Voorstraat is er zelfs (deels) sprake van een vergroting van het onverhard oppervlak. Daarnaast bevinden er zich geen primaire oppervlaktewateren die zijn aangewezen door Hoogheemraadschap van Rijnland zoals op de onderstaande afbeelding is te zien. Nader onderzoek is niet nodig.
Bij de invoering van de digitale watertoets wordt aangegeven dat de korte procedure kan worden doorlopen. Er zijn geen vergunning voor de beoogde ontwikkeling benodigd. Onderstaande afbeelding geeft het resultaat van de digitale watertoets.
Conclusie Watertoets Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het water voor geen belemmering zal zorgen voor het planvoornemen. Er is geen compensatie van water nodig. Daarnaast is verder onderzoek niet nodig.
Uitvoerbaarheid 5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning, die gezien de buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan de uitgebreide procedure kent. Op grond van artikel 2.12 van de Wabo is op de voorgenomen planontwikkeling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit zes weken ter inzage wordt gelegd. Iedereen kan mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen betreffende het ontwerpbesluit. Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging wordt beslist over de vaststelling. Participatie Het plan is geïnitieerd door drie families wonende en grenzende aan het te ontwikkelen perceel. De eigenaren van de Voorstraat 88, 86, en 82 zijn direct betrokken geweest bij de ontwikkeling van het plan. Tezamen hebben deze partijen in een vroeg stadium plannen voorgelegd aan de gemeente welke nu hebben geresulteerd in de aanvraag van de omgevingsvergunning. De initiatiefnemers hebben als voornaamste doel de bevordering van woon- en leefcomfort van de direct betrokken partijen en de aangrenzende percelen. Daarnaast is er geprobeerd het project zoveel mogelijk af te stemmen op de wensen vanuit de oude dorpskern en de uitgangspunten van de gemeente beschreven in het coalitieakkoord.
Naast het gesprek aan te gaan met de direct omwonenden, is hiervoor ook de uitkomst van de Kernavond voor Noordwijk-Binnen op 21 maart 2019 bestudeerd. De ontwikkeling heeft directe betrekking op Hotel Royal, Douzastraat nummer 4 en nummer 5 en de Voorstraat nummers 90 tot en met 82. In een vroeg stadium is er dan ook met alle genoemde betrokkenen in overleg geweest over de wenselijke ontwikkeling, waarbij alle partijen positief reageerden op het voorgelegde planboek. Kortom, met de ontwikkeling wordt geprobeerd om de leefomgeving en het wooncomfort voor alle directe en indirecte betrokken te verbeteren en daarnaast de leegstand en verpaupering van het perceel Voorstraat 88 / Douzastraat 2 tegen te gaan.
5.2
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat overeenkomstig Hoofdstuk 6 in de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en de plankosten, deze verhaald moeten kunnen worden op de initiatiefnemer of ontwikkelaar. De kosten voor de hiervoor beschreven gewenste ontwikkeling en eventuele daaruit voortvloeiende planschadeclaims komen in zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht. Er dient een planschadeovereenkomst te worden gesloten.
5.3
Eindconclusie
Geconcludeerd kan worden dat het project, in overeenstemming met de in de voorgaande hoofdstukken gegeven omschrijving van het project en plangebied, zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen. IDDS Ruimte & Ontwikkeling B.V. Noordwijk (ZH)
Bijlagen • • • • • • • •
Bijlage 1. Akoestisch rapport met kenmerk: RPT21210507-01 Bijlage 2a. A1200-07 Stikstof berekening sloop, aanleg, gebruik Douzastraat 2, Noordwijk_rap2_v1.2 Bijlage 2b. A1200-07 AERIUS_Bijlage – Douzastraat 2, Noordwijk – sloop- en bouwfase Bijlage 2c. A1200-07 AERIUS_Bijlage – Douzastraat 2, Noordwijk – gebruiksfase Bijlage 3a. Rapport verkennend bodemonderzoek Bijlage 3b. A1200-06 Verkennend asbestonderzoek Douzastraat 2, Noordwijk Bijlage 4. A1200-01 Archeologisch rapport-concept_Noordwijk, Douzastraat 2_v1.2_Compleet Bijlage 5. A1200-03 Rapport quickscan Wnb – Douzastraat 2, Noordwijk