CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Overzicht beantwoording technische vragen raad 10 mei 2022 - update maandag 13:45 uur

Gemeenteraadsvergadering 10 mei 2022, gemeente Noordwijk4.211 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Overzicht beantwoording technische vragen gemeenteraadsvergadering 10 mei 2022

Fractie

Onderwerp/ raadsvoorstel

GroenLinks raadslid Kemper

Bodembeheernota deel B Bronsgeest

Vraag

Antwoord

1. Is er een akkoord of advies afgegeven van 2. 3.

het ODWH over de bodembeheernota deel B Bronsgeest? Zo ja, is deze schriftelijke afgegeven? Zo ja, kan deze verstrekt worden.

Antwoord: De Omgevingsdienst West Holland heeft op 16 november 2021 per email advies uitgebracht over de bodembeheernota deel B Bronsgeest. Dit emailbericht treft u bijgevoegd aan.

Ter verduidelijking van deze complexe materie heeft ODWH desgevraagd de onderstaande aanvullende informatie gegeven.

In het plangebied Bronsgeest is sprake van licht verhoogde gehalten van organochloorbestrijdingsmiddelen. Dit is ontstaan door het jarenlange gebruik van de locatie voor bloem- en bloembollenteelt. Dezelfde soort licht verhoogde gehalten zijn eerder aangetroffen bij de ontwikkeling van plangebied Offem-Zuid. De gehalten zijn vele malen lager dan de waarden waarbij gesaneerd moet worden. En de licht verhoogde gehalten liggen ook ruim onder de

waarden waarbij risico’s voor de mens en het milieu kunnen ontstaan. Conform de Wet bodembescherming is de aanwezige bodemkwaliteit in plangebied Bronsgeest dan ook niet bezwaarlijk voor gebruik als wonen met tuin.

Het hoogst gemeten gehalte van het bestrijdingsmiddel chloordaan ligt ruim 400 maal lager dan de humaan toxicologische maximale waarde en ruim 180 maal lager dan de interventiewaarde (= saneringsgrens). Voor heptachloorepoxide is dit ruim 150 maal lager dan de humaan toxicologische maximale waarde en ruim 300 maal lager dan de interventiewaarde. De voor plangebied Bronsgeest gekozen lokale maximale waarde – welke gelijk is aan de maximale waarde functie Industrie conform het Besluit bodemkwaliteit – ligt voor chloordaan ruim 90 maal lager dan de humaan toxicologische maximale waarde en ruim 40 maal lager dan de interventiewaarde en voor heptachloorepoxide ruim 20 maal lager dan de humaan toxicologische maximale waarde en ruim 40 maal lager dan de interventiewaarde.

De normen voor hergebruik van grond volgens het Besluit bodemkwaliteit liggen veel lager dan de vastgestelde saneringsnormen, zodat

voorkomen wordt dat licht en matig verontreinigde grond vanuit verschillende delen van Nederland wordt hergebruikt in gebieden die daar qua functie minder geschikt voor zijn. De grond van Bronsgeest komt daardoor volgens deze normering terecht in kwaliteit Industrie. Maar zoals uit de tabel blijkt, geeft deze grond geen enkel risico voor gebruik in een gebied met functie Wonen met tuin. Juist voor dit soort situaties wordt met artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit mogelijk gemaakt dat gemeenten lokale maximale waarden kunnen vaststellen voor (delen van) hun eigen beheergebied. Hiermee kan worden voorkomen dat gemeenten onnodig hoge kosten moeten maken voor de afvoer van grond én kan meer gebiedseigen grond worden hergebruikt. Dit is de reden dat de gemeente Noordwijk én de Omgevingsdienst West-Holland – net als bij plangebied Offem-Zuid – adviseren om de lokale maximale waarden voor de bestrijdingsmiddelen chloordaan en heptachloorepoxide op de maximale waarde functie Industrie vast te stellen. Hierdoor kan deze grond binnen het plangebied worden hergebruikt. Voor grond van buiten de gemeente Noordwijk moet wel aan de maximale waarden voor de functie Wonen worden voldaan. Er wordt daardoor dus geen extra grond met kwaliteit Industrie aangebracht in Bronsgeest.

PvdA raadslid Van Dokkum

herziening bestemmingsplan buitengebied

4.

Is bij de aanvragen nagegaan of de huidige bewoners inderdaad geen relatie meer hebben met bijbehorende bedrijf en hoe is die controle uitgevoerd?

5.

Kunt u de documenten nasturen, waaruit naar voren komt hoe de afspraak tussen de beide oude gemeenten luidt, waaruit dit veegplan tot stand is gekomen?

6.

Bij een aantal percelen die burgerwoning worden is er sprake van te veel bijgebouw. De oplossing hiervoor wordt in de toelichting in het midden gelaten. Hoe ziet de procedure om hierin tot een keuze te

Antwoord: Uit het ruimtelijk onderzoek dat voortvloeit uit het verzoek om functiewijziging zal blijken bij wie de belangen liggen. Ruimtelijke ordening gaat uit van het leggen van bestemmingen met daarbij de nodige gebruiksregels. Bij de gebruiksregels voor bedrijfswoningen voegt de Wet plattelandswoningen nog iets toe, waarbij het vooral gaat om het gebruik als de bedrijfswoning als zijnde burgergebruik en de verkoopbaarheid van de woning op de vrije markt. De milieuregelgeving speelt hierbij een grote rol m.b.t. de bescherming van de bedrijfsactiviteit. Primair blijft het een bedrijfswoning met een toevoeging “plattelandswoning” en maakt onderdeel uit van de gebouwde samenstelling van het bedrijf binnen het bouwvlak. Antwoord: Voor de fusie is in de gemeente Noordwijkerhout gestart met de voorbereiding van de voorliggende 2e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2015. Gekozen is om dit middels een veegplan vorm te geven. Intussen waren ook al de voorbereidingen getroffen om te gaan fuseren. Omdat de voorbereidingen voor de 2e herziening al in een vergevorderd stadium verkeerde, is aan het toenmalige gemeentebestuur van Noordwijkerhout een voorstel gedaan om dit lopende proces ook in de nieuwe gemeente te continueren. Dit voorstel is conform het bepaalde in de Wet AHRI ook voorgelegd aan het toenmalige gemeentebestuur van Noordwijk.

Beide bestuursorganen hebben hierop positief besloten. De vraag om dit bestuursvoorstel op te zoeken is inmiddels aan archiefzaken gesteld om dit stuk op te zoeken. Antwoord: Bij een functiewijziging, zoals het omzetten van een bedrijfswoning in een burgerwoning, gaat ook een andere normstelling gelden, namelijk die van de functie (bestemming)

komen er uit en wanneer wordt die keuze door wie gemaakt?

7.

Leeweg 23: wat was de achtergrond van de keuze om destijds te kiezen voor een gedoogconstructie voor de tweede bedrijfswoning?

“Wonen”. Deze normstelling ligt vast in het zogenoemde “Moederplan”. Dit is het bestemmingsplan dat op 30 juni 2016 door de toenmalige gemeenteraad van Noordwijkerhout is vastgesteld. Wanneer er teveel aan bebouwing staat zal deze moeten worden gesaneerd tot het maximum van het gestelde in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan zelf regelt dit niet. Dit wordt in de anterieure overeenkomst die gesloten wordt tussen de initiatiefnemer en de gemeente geregeld. Dit is een privaatrechtelijke overeenkomst, waarbij partijen in overleg gaan met elkaar om in dit geval te bekijken en overeenstemming te bereiken over wat gesaneerd moet worden, zodat voldaan wordt aan de normstelling van het bestemmingsplan en indien nodig afdwingbaar bij de civiele rechter. Antwoord: Het bestemmingsplan laat op dit adres maar één bedrijfswoning toe. Het gedogen bestaat uit het (al jaren) niet actief handhaven op dit adres. Het betreft hier wel één gebouw, maar deze is onderverdeeld in een beneden en een bovenwoning met ieder een aparte ingang, waarin ook twee verschillende gezinnen wonen. De feitelijke situatie, die ook bij onderzoek is aangetroffen, wordt bij de aanpassing in het bestemmingsplan geactualiseerd en vastgelegd. In de nieuwe regels staat het volgende: “b.

Artikel 6, lid 6.1 onder c sub 7 (de bestemmingsomschrijving van de bestemming 'Agrarisch - Grondgebonden veehouderij Waardevolle graslanden') van het bestemmingsplan Buitengebied 2015 wordt als volgt gewijzigd: ' bedrijfswoning, met dien verstande dat: het aantal bedrijfswoningen niet meer bedraagt dan het bestaande aantal per bouwvlak, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding ' maximum aantal wooneenheden' , waarvoor geldt

dat het maximum aantal aangegeven woningen per bouwvlak is toegestaan;'” Ik neem aan dat dit betrekking heeft op Leeweg 23. Het laatste cursief gemaakte deel tekst maakt de nu gedoogde situatie van twee wooneenheden in de boerderij permanent is de bedoeling dacht ik. Maar door het zo te formuleren is het in feite toegestaan twee losse woningen in het bouwvlak te bouwen in plaats van de ene waar nu twee wooneenheden in zijn opgenomen. Klopt dat en is dat de bedoeling?

D66 Commissielid Van Herwaarden

Bodembeheernota deel B Bronsgeest

8.

Wij ontvangen van diverse kanten vragen van verontruste over dit issue. Om de mensen gerust te kunnen stellen zouden wij het op prijs stellen om zsm heldere definities te ontvangen van de begrippen:

Antwoord: Zoals omschreven in Artikel 6 etc., gaat het inderdaad om Leeweg 23. Normaal gesproken wordt het maximaal aantal toelaatbare woningen genoemd in het bestemmingsvlak. Staat op de verbeelding (plankaart) geen cijfer, dan wordt uitgegaan van één. In Theorie is het inderdaad mogelijk om binnen het bouwvlak twee lossen woningen te bouwen. Dit laat het bestemmingsplan dan bij recht toe. Alleen we hebben het hier over een monumentale boerderij waar sprake is en gebruik van twee wooneenheden binnen de boerderij. Om een nieuwe c.q. losse bedrijfswoning binnen het vlak te mogen bouwen, zal er een van de woningen binnen de boerderij moeten verdwijnen. Dit is niet de bedoeling. In het kader van goede ruimtelijke ordening moet er altijd gekeken worden naar de actuele/feitelijke situatie om het bestemmingsplan zo actueel mogelijk te houden en om in het onderhavige geval niet over te moeten gaan tot handhaving, wat voor de bedrijfsvoering (werken met levende have) problematisch wordt. • De humaan toxicologische maximale waarden zijn gezondheidskundige risicowaarden. Deze waarden moeten worden gezien als een indicatie van het gehalte waarboven mogelijk gezondheidsrisico’s kunnen optreden. Er wordt hierbij naar alle blootstellingsroutes voor de mens gekeken – dus naar blootstelling via bodem, water

• humaan toxicologische maximale waarde (inclusief de vaststellingswijze) • interventiewaarde

en lucht. Bij bepaling van de interventiewaarden voor de wet bodembescherming is alleen gekeken naar blootstelling via de bodem. Hierdoor zijn er verschillen met de humaan toxicologische maximale waarden. Voor stoffen welke hogere risico’s geven bij blootstelling via water en/of lucht dan bij blootstelling via de bodem kan de humaan toxicologische maximale waarde onder de interventiewaarde liggen. Dit betreft bijvoorbeeld stoffen die vluchtige eigenschappen hebben en daardoor kunnen uitdampen in kruipruimtes. Verder wordt bij de bepaling van humaan toxicologische maximale waarden gekeken naar de opname van verschillende stoffen in gewassen. Ook dit kan een humaan toxicologische maximale waarde geven die lager is dan de interventiewaarde. Aan de andere kant wordt bij de bepaling van interventiewaarden naast risico’s voor mensen dus ook naar risico’s voor ecosystemen gekeken en kunnen daardoor interventiewaarden juist weer lager liggen dan de humaan toxicologische maximale waarden. • In de Wet bodembescherming wordt uitgegaan van achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen.

Grond die voldoet aan de achtergrondwaarde is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde wordt gesproken over een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013). Bij

een overschrijding van de interventiewaarde voor tenminste één stof in een bodemvolume van minimaal 25 m3 spreekt men van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Voor deze gevallen dient bepaald te worden of een sanering noodzakelijk is. Hierbij wordt gekeken naar actuele risico’s voor mensen en ecosystemen en het verspreidingsrisico. Als de verontreiniging minder dan 25 m3 betreft, is sanering in principe niet nodig. • In de Wet bodembescherming wordt uitgegaan van achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Grond die voldoet aan de achtergrondwaarde is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde wordt gesproken over een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013).

Bij een overschrijding van de interventiewaarde voor tenminste één stof in een bodemvolume van minimaal 25 m3 spreekt men van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Voor deze gevallen dient bepaald te worden of een sanering noodzakelijk is. Hierbij wordt gekeken naar actuele risico’s voor mensen en ecosystemen en het verspreidingsrisico. Als de verontreiniging minder dan 25 m3 betreft, is sanering in principe niet nodig.

9.

Het valt ons overigens op dat voor heptachloorepoxide de h.t.m.w. LAGER ligt dan de interventiewaarde, graag daarop afzonderlijke toelichting.

Antwoord: De humaan toxicologische maximale waarden voor Heptachloorepoxide is lager dan de interventie waarde omdat bij het vaststellen van deze waarde naar meerdere blootstellingsroutes wordt gekeken zoals hierboven is aangegeven. Voor de stoffen chloordaan en heptachloorepoxide zijn in plangebied Bronsgeest – zoals in de nota bodembeheer aangegeven – geen risico’s voor mens, plant en dier aanwezig. De aanwezige gehaltes in de bodem liggen vele malen lager dan zowel de humaan toxicologische maximale waarden als de interventiewaarden.

PvdA Raadslid Van Dokkum

Aankoop percelen H1364 en 1365 aan de Achterweg

10. Graag zou ik het hieronder onderstreepte taxatierapport ontvangen. Dus het taxatierapport dat hoort bij de eerste ruilovereenkomst uit 2019.

Het taxatierapport is toegevoegd op Ibabs bij ingekomen stukken (digitaal, ter inzage bij de griffie)

PUUR Raadslid Van Tol

Raadsvoorstel Ontwerp bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest

1.

Is er een adviesblad beschikbaar van het bodemonderzoek?

Bij de ODWH is niet bekend wat met een adviesblad bedoeld wordt. In het uitgevoerde bodemonderzoek worden conform de NEN-normen de meetresultaten verwoord en is een conclusie met aanbevelingen opgenomen.

2.

Is er een adviesblad beschikbaar van het bodemonderzoek?

Artikel 13 Wbb is niet van toepassing daar deze alleen geldt voor nieuwe verontreinigingen.

3.

Zijn er nog andere wet- en regelgeving waaraan het bodemverzet aan moet voldoen?

Het grondverzet dient te voldoen aan het Besluit bodemkwaliteit.

D66

Raadsvoorstel Herziening

1.Tijdens de beeldvormende sessie is besproken dat de meeste bestemmingswijzigingen (naar wonen / burgerwoning) voortkomen uit een

Binnen de algemene wijzigingsregels (artikel 39 van het bestemmingsplan Buitengebied 2015), is aan het college, bij vaststelling door de raad, de bevoegdheid gegeven om in gevallen, zoals

Commissielid Van Herwaarden

Bestemmingsplan Buitengebied

wijzigingsprocedure in het oorspronkelijke bestemmingsplan. Deze is kennelijk gegeven in paragraaf 39.4 Vervolgfuncties van de Regels. (Je moet overigens heel goed kijken om te zien dat deze mogelijkheid er is, de formulering van de regels bevat geen duidelijke aanhef en in de bijbehorende Toelichting van art 39.4 vind je er niets over terug.) Bij de beeldvormende sessie heeft de wethouder zelf al aangegeven dat het onwenselijk is om deze wijzigingsmogelijkheid in de toekomst te blijven toepassen. Immers, het maakt bedrijfswoningen voor jonge kwekers moeilijker betaalbaar, en bovendien is in de vigerende regeling geen of althans onvoldoende sanering van overbodige schuren voorzien (als voorwaarde). Het is ook niet nodig om het probleem van de illegale bewoning op te lossen, dat kan immers worden geregeld via de afwijkingsmogelijkheid (3.5.3 en 4.5.3 etc.) die mogelijk is gemaakt met de wet plattelandswoningen. Dus waarom wordt deze wijzigingsmogelijkheid dan nu in stand gelaten?

2 Waarom wordt deze op zichzelf al zeer complexe veegherziening gecombineerd met een aantal specifieke herbestemmingen, o.a. voor GOMwoningen?

genoemd in artikel 39, het bestemmingsplan (zonder tussenkomst van de raad) te wijzigen. De wijzigingsbevoegdheid zelf bevat dus voorwaarden waaronder het college van B. en W. medewerking kan verlenen aan het wijzigen van de bestemming. Zo valt de functie “Wonen” conform tabel 39.4.1 tot één van die wijzigingsmogelijkheden. Deze bevoegdheid om functies te wijzigen geldt voor meer functies dan alleen “Wonen”. Het schrappen van dit artikel ligt nu niet ter besluitvorming voor. Het is ook geen vereiste vanuit de Wet plattelandswoningen. Het is een bevoegdheid die de raad (meer om praktische redenen) bij vaststelling van een bestemmingsplan overdraagt aan het college.

De 2e herziening van dit bestemmingsplan voorziet hoofdzakelijk in het omzetten van bedrijfswoningen in een burgerwoning dan wel met de toevoeging PLW (plattelandswoning). In de tussenliggende tijd zijn er ook enkele GOM-ontwikkelingen geweest die nog planologisch verwerkt moeten worden en enkele planologische correcties. Het is gebruikelijk om na vaststelling van een volledig bestemmingsplan,

zoals het bestemmingsplan Buitengebied 2015, regelmatig te bezien in hoeverre tussentijdse ontwikkelingen hierin planologisch verankerd moeten worden. Dit is nodig om de ontstane/nieuwe ruimtelijke dynamiek vast te leggen en het (moeder)plan d.m.v. herzieningen zo actueel mogelijk te hebben. Gevraagd wordt een opgave van de wijzigingen die niet voortvloeien uit art. 39.4 (algemene wijzigingsregels) art. 3.5.3 en 4.5.3. (omgevingsvergunningen) Er is gekozen om de wijzigingen door te voeren middels het opstellen en de raad aanbieden van een bestemmingsplan. Het gebruikmaken van de wijzigingsregels ex art. 39 dan wel het regelen van het gebruik middels het verlenen van een omgevingsvergunning ex art. 3.5.3 en 4.5.3 is daardoor niet aan de orde. Het college maakt van deze binnenplanse bevoegdheid geen gebruik. Alle wijzigingen vloeien dus niet voort uit art. 39, 3.5.3 en 4.5.3.

3.In het raadsvoorstel wordt aangegeven dat het oplossen van strijdige gebruikssituaties de aanleiding is voor de herziening. Naar ons idee bevat het vigerende bestemmingsplan in de artikelen 3.5.3., 4.5.3, 5.5.3 en 6.5.3 de mogelijkheid om het strijdig gebruik als woning te legaliseren, via een omgevingsvergunning, zonder daarvoor bestemmingswijzigingen aan te brengen. Waarom wordt deze mogelijkheid niet gebruikt, nu er in aanloop naar de evaluatie van de ISG

Binnen de in de vraagstelling genoemde artikelen uit het bestemmingsplan Buitengebied 2015 ligt inderdaad de mogelijkheid om met gebruikmaking van het instrument omgevingsvergunning bij afwijking het gebruik van de bedrijfswoning als zijnde plattelandswoning toe te staan. Dit kan voor bepaalde tijd en onbepaalde tijd, waarbij dit ook moet voldoen aan de gestelde voorwaarden die bij voornoemde artikelen horen. Het bevoegd gezag hiervoor is het college van b. en w., maar in de

discussie is ontstaan over de wenselijkheid om steeds meer burger- en plattelandswoningen te realiseren? Zie in dit verband ook de pleidooien van jonge kwekers die aangeven dat zij niet aan passende (relatief kleine, betaalbare) bedrijven inclusief bedrijfswoning kunnen komen? (ingekomen brieven o.a.18.3.21; 25.3.21; 30.4.21).

4.Bij de gevallen waarin sprake is van de meestomstreden wijziging, naar wonen / burgerwoning, wordt gebruik gemaakt van art 39.4. Daarin staan 2 sets regels waaraan moet worden voldaan. Onder 39.4.2 staat een belangenafweging verwoord, met onder andere als eis een deskundigenrapport dat agrarisch gebruik van de gronden niet meer mogelijk is. Zijn zulke rapporten er? Verder staan in art 39.4.4 een zestal vereisten om voor de wijzigingsbevoegdheid in aanmerking te komen, kunnen deze nader worden toegelicht? (In de toelichting bij de regels wordt er niets concreets over gezegd)

uitgebreide voorbereidingsprocedure die (wettelijk) hiervoor gevolgd moet worden, komt de gemeenteraad ook in beeld om per geval een verklaring van geen bedenkingen af te geven. Het bestemmingsplan, maar ook de regelgeving, zoals de Wabo, bieden mogelijkheden om langs verschillende wegen medewerking voor een functieof gebruikswijziging te verlenen. Voor de wijzigingen die nu voorliggen is gekozen om dit te doen via een bestemmingsplan. Dit was ook de wens destijds van de gemeenteraad, omdat de raad graag aan de voorkant van het ruimtelijke proces betrokken wilde worden in plaats van alleen bij de vaststelling. Destijds is de afspraak met de bestuurder gemaakt om dit dan op deze wijze te gaan doen.

Na een eerste weging van een verzoek wordt gekeken of de gevraagde functiewijziging kans van slagen heeft. Dit is nodig om het college als bevoegd gezag die belast is met de voorbereiding van een plan, tot een besluit te laten komen tot een positieve of een niet-positieve grondhouding. Initiatiefnemers krijgen hiervan schriftelijk antwoord, zodat verdere stappen kunnen worden genomen. Deze stappen moeten leiden tot een conceptbestemmingsplan met daarin een goede ruimtelijke onderbouwing. In deze goede ruimtelijke onderbouwing moeten alle voorwaarden en onderwerpen die van belang zijn voor de besluitvorming onderzocht zijn. Bij de voorbereiding is contact gezocht met een erkend agrarisch adviesbureau om eventueel hun diensten voor een

agrarisch advies af te nemen. Uit de onderzoeken die behoren bij het opstellen van een goede ruimtelijke onderbouwing is gebleken dat bij geen van de verzoeken de noodzaak aanwezig was om een afzonderlijk agrarisch advies te vragen.

5.Blijkens het vigerende bestemmingsplan is B&W bevoegd om zowel de wijzigingen van 39.4 als de omgevingsvergunningen van 3.5.3, 4.5.3, 5.5.3 en 6.5.3 te verstrekken. Betekent dit: a dat B&W daartoe kan overgaan zonder toestemming / goedkeuring van de Raad? b dat B&W bevoegd is dat te doen, maar er niet aan kan worden gehouden (ook niet als aan alle criteria van bijv. 39.4 is voldaan)? M.a.w. geen dwingend recht?

Groenlinks Raadslid Maan

Bodembeheernota Bronsgeest

We hebben helaas geen informatie ontvangen over berekeningen met de Risicotoolbox, ook niet dat dit een verplichting is. Dat blijkt pas nu we deze handreiking hebben gevonden en hebben doorgenomen. Maar misschien hebben we iets gemist en kan de griffie ons helpen aan het antwoord?

Antwoord op a: Het college van b. en w. is het bevoegde gezag om zonder toestemming van de raad het proces om te komen tot een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in het bestemmingsplan te starten. Bij afwijkingen wordt de raad binnen dit proces niet buitenspel gezet. De raad moet namelijk voor een afwijking van het bestemmingsplan een zogenoemde verklaring van geen bedenkingen afgeven. De raad is tenslotte het orgaan die de bestemmingsplannen vaststelt. Antwoord op b: Het college kan geen vergunning afgeven wanneer de raad geen verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht schrijft dit dwingend voor. Een berekening met de Risicotoolbox is pas noodzakelijk als de interventiewaarde wordt overschreden. Ter plaatse van Bronsgeest is slechts sprake van een lichte overschrijding van de achtergrondwaarde. Er is dan ook geen verplichting tot het uitvoeren van een berekening. Indien de waarden van chloordaan en heptachloorepoxide toch worden ingevuld, laat dit geen onaanvaardbaar risico zien.

Bij invoer van de maximaal gemeten gehaltes aan chloordaan en heptachloorepoxide, een organisch

stofgehalte van 2% en een gemiddelde diepte van de gehaltes ten opzicht van het maaiveld van 10 en 30 centimeter wordt de volgende uitslag van de toetsing verkregen:

Partij van de Inwoners

Bodembeheernota Bronsgeest

Kunt u aangeven wat de mate van vervuiling van de grond is t.o.v. de grond in de reeds gerealiseerde bouwprojecten Offem Zuid en Boechorst?

Antwoord: In de onderstaande tabel zijn de aangetoonde gehaltes weergegeven voor Offem Zuid en Bronsgeest. Locatie Chloordaan

Heptachloorepoxide

Offem Zuid mg/kg ds Bronsgeest mg/kg ds

Raadslid Renkema

Stel, op enigerlei wijze komt de geconstateerde vervuiling van de huidige grond op het plan Bronsgeest in de waterleiding terecht. Wat zal hiervan het gevolg zijn voor de bewoners van Bronsgeest?

0,1606 mg/kg ds

0,0188

0,0212 mg/kg ds

0,0119

De gehaltes heptachloorepoxide zijn vergelijkbaar. Het gehalte aan chloordaan ligt bij Offem Zuid iets hoger dan bij Bronsgeest, maar is nog steeds ver beneden de interventiewaarde en de humaan toxicologische maximale waarde. Ook bij Offem Zuid waren er dan ook geen risico’s voor het toekomstig gebruik van het gebied als wonen met tuin. Voor de ontwikkeling van de locatie Boechorst is door adviesbureau Fugro een bodemonderzoek uitgevoerd (kenmerk 8799039202, d.d. 2 mei 2000). Volgens de toen geldende normen diende grond waar sprake was van (voormalige) bloembollenteelt aanvullend onderzocht te worden op EOX (Extraheerbare Organo Halogenen). Met deze analyse wordt aangetoond of er verontreinigingen met organochloor of andere organohalogenen aanwezig kunnen zijn. Uit de analyseresultaten blijkt dat er licht verhoogde gehaltes EOX zijn gemeten (maximaal 0,63 mg/kg ds). Pas bij gehaltes hoger dan 3 mg/kg ds aan EOX is er een aanleiding tot het uitvoeren van aanvullende analyses. Daar was bij de gemeten waardes geen noodzaak toe. Omdat er dus geen aanvullende analyses naar organochloorbestrijdingsmiddelen zijn uitgevoerd, kan er geen directe vergelijking worden gemaakt met de onderzoeksgegevens van Bronsgeest. Op basis van de metingen waren er bij Boechorst geen risico’s voor het toekomstige gebruik van het gebied als wonen met tuin.

Van bestrijdingsmiddelen is bekend dat deze zich hechten aan bodemdeeltjes en slecht oplossen in water.

Kunt u garanderen dat de geconstateerde vervuiling van de grond in Bronsgeest, waar uiteindelijk de kwalificatie geschikt voor wonen met tuin aan gehangen is, geen gezondheidsrisico voor de (toekomstige) bewoners kan/zal opleveren?

Permeatie van bestrijdingsmiddelen door leidingmateriaal zal, door de slechte oplosbaarheid in water, dan ook niet snel in beeld zijn.

Voor de bepaling of er sprake is van risico’s voor mens en milieu wordt altijd getoetst aan landelijk vastgestelde interventiewaarden en humaan toxicologische maximale waarden. Interventiewaarden zijn vastgelegd in de Wet bodembescherming. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde wordt gesproken over een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. Humaan toxicologische maximale waarden zijn gezondheidskundige risicowaarden. Deze waarden moeten worden gezien als een indicatie van het gehalte waarboven mogelijk gezondheidsrisico’s kunnen optreden. Er wordt hierbij naar alle blootstellingsroutes gekeken – dus naar blootstelling via bodem, water en lucht. De gemeten gehaltes chloordaan en heptachloorepoxide liggen 180 tot 300 maal lager dan de interventiewaarde en 150 tot 400 maal lager dan de humaan toxicologische maximale waarde. Op basis daarvan kan er met grote zekerheid van uit gegaan worden dat er geen gezondheidsrisico’s voor de toekomstige bewoners aanwezig zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=04ff852a-a3a9-4284-94c7-0621b7e2c9d6