CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

OUD - Toelichting Verordening Jeugdhulp Noordwijk 2026

Gemeenteraadsvergadering 4 juni 2026, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Regiovisie gespecialiseerde jeugdhulp en Verordening jeugd 20263.960 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Noordwijk 2026

Aanleiding 1.1 Aanleiding In 2024 constateerden de bestuurders in de jeugdregio Holland Rijnland dat, net als in veel andere regio’s in Nederland, dat het jeugdhulpstelsel onder grote druk staat en dreigt vast te lopen. Deze situatie vroeg om fundamentele keuzes en een gezamenlijke aanpak om de continuïteit en kwaliteit van de jeugdhulp te waarborgen. Op basis daarvan is een proces in gang gezet. Dit proces heeft geleid tot concrete aanbevelingen die noodzakelijk zijn om de druk op het jeugdhulpstelsel te verlichten en toekomstbestendig te maken. Na bestuurlijke besluitvorming over deze aanbevelingen heeft het Ambtelijk Opdrachtgeversoverleg (AOO) prioriteiten benoemd voor de implementatie. Twee van deze prioriteiten betreffen: Afbakening van de reikwijdte van de jeugdhulpplicht Aanpassing van gemeentelijke verordeningen 1.2 Opdracht De opdracht was om tot een regionaal eenduidige afbakening van de reikwijdte van de jeugdhulpplicht te komen. Met als doel om deze afbakening vervolgens eenduidig te vertalen in de gemeentelijke verordeningen. 1.3 Aanpak Om invulling te geven aan bovenstaande opdracht is een wijzigingspakket opgesteld. Dit pakket is opgesteld door een werkgroep bestaande uit beleidsmedewerkers jeugd uit de 13 gemeenten, begeleid door een extern projectleider.

Het pakket is gebaseerd op o.a.: •

De Jeugdwet;

•

De Memorie van toelichting op de Jeugdwet;

•

De Wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg;

•

‘Best practices’ bij andere gemeenten;

•

Bestaande werkafspraken.

Gedurende het proces hebben er consultaties plaatsgevonden met: •

Gemeentelijke toegang (vertegenwoordigd door VoorIeder1);

•

Medewerkers Wmo binnen de gemeenten;

•

Externe juridische expertise;

•

Onderwijspartners door middel van een gesprek met een vertegenwoordiging van de samenwerkingsverbanden onderwijs.

De werkgroep heeft aan de hand van 16 maatregelen beschreven op welke punten nadere afbakening van de reikwijdte van de jeugdhulpplicht mogelijk is. Daarnaast heeft de werkgroep deze aanbevelingen concreet vertaald naar passages die de gemeenten over kunnen nemen in de lokale verordeningen. De voorgestelde wijzigingen zijn nadrukkelijk gecontroleerd op juridische houdbaarheid. 1.4 Maatregelen Maatregel

Wijziging

Verwerking

1

Definitie gebruikelijke hulp

Verordening

2

Definitie algemene voorzieningen

Verordening

3

Ondersteuningsvragen in relatie tot Wet

Verordening

passend onderwijs (1) 4

Ondersteuningsvragen in relatie tot Wet passend onderwijs (2)

Implementatie regie

5

Ondersteuningsvragen in relatie tot de

Verordening

Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 6

Aanbieder dezelfde stappen laten

Verordening

doorlopen als het lokaal team bij verwijzing via externe verwijzer 7

Uitsluitingsgronden voor het gebruik

Verordening

maken van individuele voorzieningen 8

Verwijzing door familierechter

Verordening

9

Duur en intensiteit jeugdhulp

Verordening Implementatie invoering beschikkingen

10

Afbakening individuele voorzieningen

Verordening

11

Afbakening in relatie tot voorwaarden aan

Verordening

de aanbieder 12

Afbakening in relatie tot gemaakte kosten

Verordening

voorafgaand aan de aanvraag 13

Afbakening pgb

Verordening

14

Toezicht

Verordening

15

Beschikking

Verordening

16

Afstemming GI’s

Verordening

2. Artikelsgewijze toelichting Artikel 2 Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht Definitie “gebruikelijke hulp” en “eigen kracht”

In de regel bevat een verordening jeugdhulp een artikel met betrekking tot gebruikelijke hulpen eigen verantwoordelijkheid. Dit artikel bakent nader af wanneer er sprake is van zogenoemde gebruikelijk hulp. Wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp is er derhalve geen sprake van een jeugdhulpplicht. De verordening is aangepast, waarbij het artikel met betrekking tot gebruikelijke hulp en eigen verantwoordelijkheid wordt aangescherpt. Het artikel bevat objectiverende afwegingsfactoren en biedt handvatten voor de uitvoering. Onder ‘financiële problemen’ wordt niet verstaan een (inkomens)toets of de vraag of ouders zelf hulp kunnen inkopen. Het betreft uitsluitend de beoordeling of, gelet op draagkracht en draaglast, van ouders redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij (tijdelijk) zelf voorzien in (onderdelen van) de hulp, zonder dat dit leidt tot onevenredige gevolgen. Hoe scherper de term gebruikelijke hulp is gedefinieerd hoe strakker hierop gestuurd kan worden door het Sociaal Wijkteam. Het Sociaal wijkteam krijgt hiermee meer handvatten om de afweging te maken of er sprake is van ‘gebruikelijke hulp’ of van een ‘jeugdhulpplicht’. Artikel 2 lid 1 Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde zorg aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken.

De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoed, wordt van de ouder verwacht dat zij deze aanspraken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. Artikel 2 lid 2 Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de

jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont Artikel 3 Algemene voorzieningen Binnen de gemeenten worden verschillende voorzieningen geboden. Gebruikelijke voorzieningen zijn de jeugdgezondheidszorg, kortdurende pedagogische ondersteuning, reguliere sport en vrijetijdsvoorzieningen of mantelzorgondersteuning. Daarnaast is het mogelijk om, op basis van lokale accenten, specifieke voorzieningen aan te wijzen als algemene voorziening. Dit betreft laagdrempelige, vrij toegankelijke en generieke ondersteuning waarvoor geen voorafgaand individueel onderzoek naar behoeften/persoonskenmerken nodig zijn en geen beschikking wordt afgegeven. Voorbeelden hiervan zijn weerbaarheidstraining en faalangsttraining of bondgenoten en lotgenoten-contact. Wanneer een gemeente definieert wat in de eigen gemeente algemene voorzieningen zijn, en deze algemene voorziening daadwerkelijk beschikbaar is én passend en toereikend voor de hulpvraag, wordt deze dus niet langer toegewezen als individuele voorziening.

Wanneer het college naar aanleiding van een verzoek om een individuele voorziening oordeelt dat met een algemene voorziening kan worden volstaan en daarom geen individuele voorziening wordt toegekend, wordt dit vastgelegd in een gemotiveerde besluit/beschikking. De verordening is aangepast, waarbij het artikel met betrekking tot algemene voorzieningen wordt aangevuld met algemene voorzieningen die in een gemeente worden geboden. Ten opzichte van de huidige verordeningen wordt ook jeugdhulp op school in het gespecialiseerd onderwijs (speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs cluster 3 en 4) toegevoegd. Dit is een voorstel volgend uit de ontwikkellijn onderwijs. Kortgezegd is dit een bestaande praktijk die wordt geformaliseerd. De inhoudelijke argumentatie is dat JOS op dit moment collectief op school aangeboden en leerlingen tijdig kunnen worden geholpen. Uit een evaluatieonderzoek dat in 2024 in de regio is

uitgevoerd blijkt dat JOS een succes is en er alle reden is om de ingezette regionale koers te vervolgen en te versterken. De doelmatigheid en rechtmatigheid van JOS wordt geborgd door evaluatiegesprekken die twee keer per jaar plaatsvinden. Samen met het jeugdteam en het samenwerkingsverband evalueren het programma Jeugd en de Serviceorganisatie Zorg of de inzet van JOS conform het plan van aanpak is dat school en jeugdhulpaanbieder samen opgesteld hebben. Op basis van de verordening kan voor de voorzieningen die onder ‘algemene voorziening’ vallen, niet langer een individuele voorziening toegekend worden wanneer de algemene voorziening beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Artikel 4 Voorliggende voorzieningen In het kader van afbakening van de reikwijdte is het wenselijk expliciet te maken wanneer er geen gebruik gemaakt kan worden van een individuele voorziening. De verordening is aangepast, waarbij expliciet wordt vastgelegd: •

Welke uitsluitingsgronden worden gehanteerd voor het verstrekken van een individuele voorziening, waarbij specifiek aangegeven wordt op basis van welke andere wetten er sprake is van een uitsluitingsgrond.

•

Daarnaast wordt de afstemming met andere domeinen expliciet vastgelegd.

In de verordening tot daarnaast wordt ook de overgang 18 min 18 plus expliciet vastgelegd en wat het College in dat kader moet doen (perspectiefplan). Daarnaast is toegevoegd dat in de afweging wordt meegenomen welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet. Het Sociaal wijkteam heeft zo expliciete gronden om geen individuele jeugdhulpvoorziening toe te kennen en kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) verwijzen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.

Artikel 5 lid 3 Er zijn ondersteuningsvragen waarin zowel aanspraak gemaakt moet worden op de Wet passend onderwijs als de Jeugdwet. Regionaal zijn in dit kader afspraken over taken, rollen en verantwoordelijkheden passend onderwijs en jeugdhulp gemaakt.1 Centraal onderdeel hiervan is dat gebruik wordt gemaakt van de werkwijze integraal arrangeren.2 De verordening is aangepast, waarbij voor ondersteuningsvragen waarin zowel aanspraak gemaakt moet worden op de Wet passend onderwijs als de Jeugdwet gebruik wordt gemaakt van integraal arrangeren. Dit wordt toegevoegd onder het artikel ‘Voorliggende voorzieningen’, waarin de afbakening in relatie tot andere wetten wordt beschreven. De verordening maakt afspraken over taken, rollen en verantwoordelijkheden expliciet. Artikel 7 Toegang tot hulp via het medische domein In verordeningen is veelal vastgelegd dat het lokaal team een aantal stappen doorloopt met de jeugdige en/of zijn ouders om de ondersteuningsvraag te verhelderen en de inzet van jeugdhulp planmatig te organiseren. Het gaat daarbij om: •

Het in kaart brengen van de ondersteuningsvraag met daarbij specifiek aandacht voor de gezinssituatie op de verschillende relevante leefgebieden, dit vormt de basis van de integrale werkwijze;

•

Het concretiseren van de opgroei- en opvoedingsproblemen stoornissen en psychische problematiek met daarbij specifiek aandacht voor de beoogde resultaten van de ondersteuning;

1 Zie de Handreiking taken, rollen en verantwoordelijkheden passend onderwijs-jeugdhulp Holland Rijnland

(2025) 2 https://swv-db.nl/wp-content/uploads/2023/07/P5B-Handreiking-integraal-arrangeren-in-complexe-situatiesjuist.pdf

•

Het bepalen welke ondersteuning nodig is rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau, met daarbij specifiek aandacht voor de aard en omvang van de ondersteuning.

•

Het afstemmen met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, wonen of werk en inkomen;

•

Het vastleggen van evaluatie: wanneer en hoe wordt beoordeeld of aan de ondersteuningsvraag is voldaan en of bijstelling van de ingezette jeugdhulpnodig is.

Deze stappen zijn het kader van afbakening en reikwijdte relevant, omdat zij mede borgen dat de inzet van jeugdhulp transparant, navolgbaar en toetsbaar plaatsvindt binnen het gemeentelijke kader (waaronder eigen kracht/gebruikelijke hulp en algemene voorzieningen waar passend) zonder afbreuk te doen aan de wettelijke medische verwijzingsroute. Daarbij geldt uitdrukkelijk dat dit geen tweede (medisch-inhoudelijke) toets door of namens het college behelst en niet is bedoeld om een geldige verwijzing door een bevoegd verwijzer te blokkeren of onredelijk te vertragen: de aanbieder beoordeelt – binnen professionele standaarden – de noodzakelijke vorm, duur en omvang van de in te zetten jeugdhulp, en werkt daarbij conform verordening, nadere regels en contractafspraken. Voor zover toepassing van het gemeentelijke kader ertoe leidt dat inzet van jeugdhulp wordt beperkt, gewijzigd of beëindigd, dient – waar sprake is van een beslissing over aanspraak/toegang – te worden geborgd dat dit plaatsvindt via een gemotiveerd besluit. Het is mogelijk om de verordening op dit punt verder aan te scherpen, door expliciet te bepalen dat de jeugdhulpaanbieder na verwijzing door een bevoegd professional deze uniforme stappen doorloopt.

Dit vergt wel een consequente doorvertaling in contracten en werkafspraken, zodat uniformiteit en rechtmatigheid worden geborgd zonder dat een extra wachtdrempel of feitelijke herindicatie ontstaat. De verordening is aangepast. Vastgelegd wordt dat: •

De bevoegd professional de hulpvraag kan voorleggen aan het Sociaal wijkteam ter consultatie en advies.

•

Na verwijzing door een bevoegd professional de jeugdhulpaanbieder dezelfde uniforme stappen doorloopt als het Sociaal wijkteam zou doorlopen.

•

De aanbieder werkt na een verwijzing volgens dezelfde uniforme werkwijze als het Sociaal wijkteam, gericht op verheldering en planvorming én op toepassing van het gemeentelijke kader voor afbakening en reikwijdte (waaronder eigen kracht/gebruikelijke hulp en – waar passend – algemene voorzieningen), zonder een tweede medisch-inhoudelijke toets te introduceren. Waar toepassing van dit kader gevolgen heeft voor aanspraak/toegang (weigeren, beperken, beëindigen), wordt rechtsbescherming geborgd via een gemotiveerde beschikking.

Artikel 11 lid 3 Ook na een verwijzing van de familierechter kan het Sociaal wijkteam een eigen beoordeling toepassen. Dit is anders dan bij een verwijzing door een gecertificeerde instelling. De verordening is aangepast, waarbij expliciet is gemaakt dat ook na verwijzing door een familierechter, het college nog steeds dient te toetsen. Dit artikel dient geplaatst te worden in de context van ‘externe verwijzers’. Hiermee wordt bereikt dat ook na bepaling door een familierechter een toets plaatsvindt op noodzakelijkheid van een jeugdhulpvoorziening. Artikel 12 Individuele jeugdhulpvoorzieningen In de verordening is nader geconcretiseerd welke specialistische vormen van jeugdhulp de gemeente als individuele voorzieningen aanbiedt. Deze concretisering betreft de inrichting van het gemeentelijke aanbod en dient de rechtszekerheid, uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid. Alles wat niet binnen deze omschrijving valt, wordt dus in beginsel niet aangeboden. Dit laat onverlet dat in individuele situaties een beoordeling plaatsvindt of met dit aanbod passende en toereikende jeugdhulp kan worden gerealiseerd; zo nodig wordt gemotiveerd maatwerk toegepast. De verordening is aangepast, waarbij een opsomming van jeugdhulpvoorzieningen wordt weergegeven, welke voor de gemeente onder ‘specialistische jeugdhulpvoorzieningen’ valt. Daarbij kan ook expliciet opgenomen worden wat niet

vergoed wordt door de gemeente. Denk aan diergeleide interventies of individuele begeleiding bij sport. Raad en college maken met het vaststellen van de verordening, en daarmee het vaststellen van de opsomming, keuzes over de inrichting van het aanbod aan specialistische individuele voorzieningen en de bekostiging daarvan. Artikel 13 Voorwaarden aan de jeugdhulpaanbieder Het is mogelijk eisen te stellen aan een jeugdhulpaanbieder, voordat deze aanbieder jeugdhulp mag leveren. De verordening is aangepast, waarbij expliciete voorwaarden worden opgenomen voor de aanbieder met betrekking tot integriteit, in het verleden opgelegde boetes, handhavingsmaatregelen of in het verleden gepleegde strafbare feiten. Met dit artikel wordt afgebakend onder welke voorwaarden jeugdhulp via een aanbieder kan worden ingezet. Het doel is het borgen van kwaliteit, veiligheid, rechtmatigheid en uitlegbaarheid, met een zo objectief mogelijk beoordelingskader. Ten aanzien van jeugdhulp buiten Nederland geldt dat dit in beginsel niet wordt ingezet. Het college kan uitsluitend vooraf toestemming verlenen indien in het individuele geval noodzaak is aangetoond en kwaliteit, toezicht en controleerbaarheid voldoende zijn geborgd, binnen een begrensde duur en met evaluatieafspraken.

Voor integriteit is gekozen voor kenbare en toetsbare criteria met een afgebakende terugkijktermijn, om te voorkomen dat uitsluiting berust op te open of moeilijk verifieerbare begrippen. Op deze manier wordt afgebakend welke aanbieders wel in aanmerking komen om jeugdhulp te leveren, en welke niet.

Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden budget artikel 17 tot en met 24 Een aanzienlijk deel van de totale jeugdhulp wordt verstrekt door middel van een persoonsgebonden budget (pgb). Het is mogelijk om aanvullende eisen te stellen om de reikwijdte van de jeugdhulp ook voor de besteding van pgb’s aan te scherpen.

De verordening is aangepast, waarbij een aantal aanscherpingen zijn aangebracht: Aanvullend eisen om in aanmerking te komen voor een pgb, met een vereiste motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is; In de verordening zijn aanvullende regels te stellen om in aanmerking te komen voor een pgb. Deze regels zien op het vereiste van een pgb plan waarin vervolgens toegelicht wordt wat de motivatie is waarom het natura aanbod van de gemeente niet passend is welke jeugdhulp gewenst is in te kopen met het pgb en op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd. Specifieke eisen aan de pgb-vaardigheid (voorwaarden om goed met een pgb om te kunnen gaan) aan de budgethouder; Een strak onderscheid tussen formele en informele hulp, wat relevant is in het kader van de te hanteren tarieven; In de verordening wordt vastgelegd dat formele hulp wordt geleverd door beroepskrachten met een inschrijving in het Handelsregister en de vereiste diploma’s of registraties. Hulp vanuit het sociale netwerk of van personen zonder beroepskwalificatie geldt als informele hulp. Hiermee wordt duidelijk wanneer sprake is van professionele of niet-professionele inzet. Dit is relevant voor de tarieven.

Kwaliteitseisen aan de uitvoerder van de jeugdhulp wanneer gebruik wordt gemaakt van een pgb; Afbakening van de maximale hoogte van een pgb; Er worden maximumtarieven toegekend, op basis van de modelverordening van de VNG. Het is wenselijk om bij de uitwerking van de concrete tarieven een regionale standaard te hanteren. De werkgroep is tot de conclusie gekomen dat het regionaal uniformeren van deze berekening niet past binnen het tijdspad van dit wijzigingspakket. Daarom wordt de modelverordening aangehouden. Binnen de maximumtarieven kunnen gemeenten in de nadere regels specifieke tarieven uitwerken. Dit kunnen dan alsnog regionaal uniforme tarieven zijn, afhankelijk van de

implementatie.

Afbakening van welke kosten uitgesloten zijn van vergoeding vanuit een pgb. Verstrekte pgb gelden dienen ingezet te worden voor professionele hulpverlening, niet voor kosten als gevolg van het voeren van een pgb administratie, het beheren van een pgb of het aanvragen van een VOG. Dit is veelal niet expliciet vastgelegd in de verordeningen. Een pgb kan niet primair als bestaanszekerheid worden ingezet, maar dient met andere woorden alleen te worden ingezet voor daadwerkelijke hulpverlening. De toepassing van een pgb wordt nu nader ingekaderd. Dit vormt een kader bij verstrekking van een pgb, en bij controle op de toepassing van een pgb. Artikel 17 lid 6 pgb-verstrekking bij informele hulp Indien op basis van dit artikel pgb wordt verstrekt, kan dit alleen voor deze vormen: Behandeling met een specialistisch karakter gericht op één hoofdhulpvraag, zonder verblijf. •

Jeugd-ggz diagnostiek en behandeling

•

Diagnostiek en behandeling ernstige dyslexie

•

(Hoog) specialistische ggz

•

Dagbehandeling A, B, KDC

•

Begeleiding gericht op structuur, praktische ondersteuning en lichte tot matige hulp.

•

Begeleiding individueel (op school)

•

Begeleiding groep (begeleidingsdeel)

•

Dagbesteding (inclusief respijtzorg)

•

Veiligheid toegang en eerstelijnsvoorziening (preventief/ondersteunend)

•

Tijdelijk verblijf ter ontlasting van het gezin of respijtzorg.

•

Dagbesteding met overnachting

•

Pleegzorg crisis (kortdurend)

•

Tijdelijk verblijf ter ontlasting van het gezin of respijtzorg.

•

Dagbesteding met overnachting

•

Pleegzorg crisis (kortdurend, ontlastend)

Artikel 17 lid 7 kosten voorafgaand aanvraag Pgb De lokale teams in de regio hebben het signaal afgegeven dat het gebeurt dat ouders een aanvraag indienen die betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die gemaakt zijn voorafgaand aan het indienen van de aanvraag. Dit bijvoorbeeld omdat er wachtlijsten zijn. Het is mogelijk dit verder af te bakenen in de verordening. De verordening is aangepast, waarbij expliciet is opgenomen dat wanneer de aanvraag betrekking heeft op kosten die gemaakt zijn voorafgaand aan de aanvraag, deze slechts onder beperkte voorwaarden worden vergoed. In de praktijk gaat het hier expliciet om pgb-aanvragen. Met het opnemen van deze bepaling, wordt de keuze gemaakte kosten in de regel te vergoeden na behandeling van de aanvraag. Artikel 27 Besluit op aanvraag Om te werken in overeenstemming met geldende wettelijke kaders dienen beschikkingen (besluiten) te worden afgegeven. In de verordening is verankerd a) dat beschikkingen worden afgegeven en b) wat er in deze beschikking wordt vastgelegd. Een randvoorwaarde is dat de beschikking gebaseerd is op een ondersteuningsplan, dat verplicht moet worden opgesteld. Daarnaast volgt uit de rechtspraak dat de beslissing tot beschikken niet wordt genomen door de betrokken hulpverlener zelf. Hier moet rekening mee gehouden worden in de implementatie.

Een goed opgesteld ondersteuningsplan vergemakkelijkt de omzetting naar een beschikking. Het werken met beschikkingen (besluiten) draagt bij aan de rechtszekerheid voor de inwoner, maar legt ook de duur en het beoogde resultaat met de verstrekte voorziening vast. Dit draagt bij aan de mogelijkheid tot regie over de geboden jeugdhulpvoorziening.

Hoofdstuk 9 Toezicht (artikel 29 en 30) Een andere vorm van afbakening is het voorkomen en bestrijden van oneigenlijk gebruik. In de Leidse regio zijn hiertoe toezicht bepalingen opgesteld. Dit houdt in dat het college één of meer toezichthouders aanwijst en dat aan deze toezichthouder specifieke taken worden toegekend, gericht op recht- en doelmatigheid en controleerbaarheid bij de inzet van individuele voorzieningen. De verordening is aangepast, waarbij expliciet is opgenomen dat het college een toezichthouder aanwijst. Daarnaast wordt opgenomen dat de toezichthouder bij de uitvoering van zijn taak gebruik kan maken van de toezichtsbevoegdheden uit hoofdstuk 5 Awb, binnen de wettelijke grenzen (waaronder evenredigheid). De verordening kent nu een grondslag voor het aanwijzen van één of meer toezichthouders en het uitvoeren van toezichthoudende werkzaamheden in relatie tot individuele voorzieningen in natura en in de vorm van Pgb’s, met inachtneming van de Jeugdwet, de Awb en toepasselijke privacyregels (AVG). Met deze bepalingen wordt een heldere gemeentelijke grondslag opgenomen om toezicht te organiseren op de rechtmatige en doelmatige inzet van individuele voorzieningen (natura en pgb).

De bepaling verduidelijkt de reikwijdte van het gemeentelijk toezicht (verordening, beleid, beschikking en contract) en borgt dat de toezichthouder uitsluitend gebruikmaakt van Awb-toezichtsbevoegdheden binnen de wettelijke grenzen (waaronder evenredigheid en noodzakelijkheid). Tegelijk wordt expliciet gemaakt dat het toezicht niet ziet op professionele of zorginhoudelijke kwaliteit (dat is primair het domein van de IGJ), maar op rechtmatigheid, doelmatigheid en controleerbaarheid van de inzet en besteding van middelen. Artikel 31 Afstemming met gecertificeerde instellingen Er is behoefte aan betere samenwerkingsafspraken tussen GI’s en de lokale teams bij een verwijzing. Daarom wordt hier een artikel over opgenomen in de verordening, die de basis kan vormen voor verdere samenwerkingsafspraken. In de verordening is vastgelegd dat het college afspraken maakt met de GI’s over o.a.: a) de aansluiting tussen algemene voorzieningen en de GI’s, b) de wijze waarop

verwezen wordt naar jeugdhulp en c) de informatie-uitwisseling die nodig is voor een doelmatige uitvoering van deze jeugdhulp en hoe het college daarvan op de hoogte wordt gesteld. De afspraken leiden tot meer ‘grip’ van de kant van de gemeente op verwijzingen die plaatsvinden door GI’s. Artikel 32 Overgang 18- naar 18+ Begin 2025 is er een analyse gemaakt van het besparingspotentieel als gevolg van een verbeterde afbakening tussen zorg in het kader van de Jeugdwet en zorg in het kader van de Wmo. De mogelijkheid van verlengde jeugdhulp staat in de Jeugdwet. Het gaat om hulp aan jeugdigen tussen de 18 en 23 jaar. Bijvoorbeeld als er nog hulp nodig is en die hulp niet vanuit een andere wet kan worden geleverd. Ingeschat wordt dat een substitutie kan plaatsvinden van de jeugdwet naar de Wmo, waarbij een besparing op de kosten kan worden gerealiseerd van 10% als gevolg van een lagere intensiteit van zorg in het kader van de Wmo (vooral bij de 24-uurszorg). Wat hiervoor nodig is, is tweeledig: Er moeten tijdig acties ingezet worden die nodig zijn om het perspectief na 18 jaar te realiseren. Concreet is dit door een perspectiefplan op te stellen en het tijdig inzetten van de acties die nodig zijn om het perspectief te realiseren. Het is daarbij wenselijk dat er betrokkenheid is van het lokaal team bij het perspectiefplan. Dit is nog geen staande praktijk.

Dit wordt meegenomen in de implementatie prioriteit IV (o.a. regie). Dit kan in de verordening worden geborgd door het opnemen van een specifieke bepaling. Het effect is dat de scheidslijn tussen de Wmo en de jeugdhulpplicht strakker wordt gehandhaafd. Dit uitgangspunt moet in relatie gezien worden artikel 10 lid 2 onderdeel c. Er kan geen gebruik gemaakt worden van een individuele voorziening wanneer er sprake is van een maatwerkvoorziening voor opvang vanuit de Wmo.

Deze bepaling dient vervolgens wel praktisch vertaald te worden. Dit vergt een implementatietraject. Dit is een reeds lopend traject in de werkgroep 18+/18-. Als de jeugdige na het 18e jaar nog hulp nodig heeft, waarborgt het college de continuïteit van de hulp en de ondersteuning. Dit houdt in dat de overgang naar een andere wet door het college begeleid wordt. Of dat verlengde jeugdhulp tijdig wordt ingezet. Om voor een jeugdige een goede overgang te hebben van de ingezette hulp wordt al voor het 18e jaar gekeken naar wat na het 18e jaar nodig is aan hulp. Het doel hiervan is om overgangsproblemen te voorkomen en om vanaf het 18e jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden. Als inzet van (extra) hulp kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het achttiende jaar heeft dit de voorkeur. Dit vraagt wel extra bewustwording bij jeugdige, ouders en hulpverleners. In het perspectiefplan wordt ook aandacht besteed aan aspecten als huisvesting, inkomen, werk/opleiding en welzijn na het 18e jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=040a5c4a-6d44-45a4-82a7-d0a851f6c00a