Omgevingsvergunning aanvraag De Boender 7 en 10 Noordwijk
Tekst van het document
Onbekend is waarmee de sloot in het verleden is gedempt en wat de milieuhygiënische kwaliteit van het dempingsmateriaal is geweest. Als kritische parameters zijn zware metalen, PAK en asbest aan te
merken. Ingeval sprake blijkt te zijn van een puinbijmenging, dient de locatie ongeacht de gradatie formeel als verdacht op asbest te worden aangemerkt. Beoordeling Vanwege het feit dat het een legalisatie betreft, zullen er geen grondroerende activiteiten plaatsvinden om de bebouwing te realiseren. Dit geldt voor zowel De Boender 7 als 10. Er is daardoor geen noodzaak om middels een verkennend bodemonderzoek nader onderzoek te verrichten naar de verwachte lichte verontreinigingen. Mocht in de toekomst sprake zijn van bodemroerende werkzaamheden ter plaatse van de verontreinigingen zal verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. Van het dempen van een sloot is bij voorliggende aanvraag geen sprake. De bordertuin is passend binnen de regels van het bestemmingsplan en daardoor is er geen sprake van een noodzaak voor verkennend bodemonderzoek. Conclusie bodemkwaliteit De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggende vergunningsaanvraag.
4.4
Ecologie – soortenbescherming
Voor de bescherming van diersoorten is de Wet natuurbescherming van toepassing. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten zal rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten- en diersoorten op grond van de Wet natuurbescherming. Indien uit gegevens dan wel onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming. In voorliggend geval is sprake van een legalisatie van bebouwing dat reeds aanwezig is. Er zullen daarom geen werkzaamheden meer plaatsvinden waardoor sprake kan zijn van de verstoring van diersoorten. Uiteraard geldt altijd de wettelijke zorgplicht wanneer er sprake is van werkzaamheden in en rond de bebouwing. Conclusie ecologie – soortenbescherming Met inachtneming van de algemene zorgplicht heeft de vergunningsaanvraag geen negatieve effecten op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming. 4.5
Ecologie – gebiedsbescherming
Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN. Gezien de afscheiding van de te legaliseren bebouwing middels de aanwezige kassen zal er geen significant verstorend effect op het Natura 2000-gebied optreden. Wel is het van belang om te beoordelen of sprake kan zijn van een verhoging van de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling.
Stikstofdepositie In de nabijheid van het plangebied liggen de volgende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden: • Kennemerland-Zuid op 270 meter afstand • Coepelduynen op 7 kilometer afstand
De toekomstige gebruiksfase is berekend op basis van het gasverbruik en de verkeersbewegingen. Uit deze berekening is gebleken dat het projecteffect hoger is dan 0,00 mol/ha/jr. Daarna is met behulp van intern salderen aangetoond dat er geen verslechtering is in de toekomstige gebruiksfase ten opzichte van de referentiesituatie. Dit heeft vooral te maken met het feit dat de voorliggende legalisatie niet voor een wezenlijke bijdrage aan de stikstofuitstoot zorgt, terwijl het gasverbruik in referentiejaar 2021 beduidend hoger was. Zie voor een uitgebreidere toelichting het volledige stikstofonderzoek in de bijlage (Bijlage V). Conclusie ecologie – gebiedsbescherming Het project heeft geen negatief effect op Natura 2000-gebied of NNN. Met behulp van een stikstofonderzoek en intern salderen is aangetoond dat de wijzigingen per saldo niet leiden tot een toename in stikstofuitstoot. Op grond hiervan is geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming.
4.6
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met
gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Beoordeling project Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risicocontouren groter dan 10-6 /jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Het bedrijf zelf veroorzaakt geen externe veiligheidsrisico naar de omgeving toe.
Risicovolle inrichtingen Uit de risico-inventarisatie blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen zijn in de nabije omgeving. Voor zowel het PR (risicocontour) als het GR (invloedsgebied) geldt dat de planlocatie niet binnen de risicocontouren valt van bedrijven die zich op nog grotere afstand bevinden. Op ruime afstand bevinden zich: • • •
Camping Club Soleil, Kraaierslaan 7, 2204 AN Noordwijk Camping de Carlton, Kraaierslaan 13, 2204 AN Noordwijk Het Tussenstation, Stationsweg 59, 2161 AM Lisse
De contour van de bijbehorende invloedgebieden plaatsgebonden risico enkel rondom de desbetreffende bedrijven. Gelet op de ruime afstand tussen het planvoornemen en deze contouren, vormen de risicovolle inrichtingen geen belemmering. Transport gevaarlijke stoffen over de weg In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk.
Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen spoorlijnen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Op 1.800 meter van het planvoornemen ligt aardgasleiding A-560. Deze aardgasleiding heeft een diameter van 914 mm en een druk van 66,2 bar. In het vigerend bestemmingsplan is beschreven dat de PR 10-6 contour op de leiding zelf ligt. De contour voor het invloedsgebied bedraagt 430 meter. De planlocatie ligt dus ruim buiten het invloedsgebied van de aardgasleiding en gelet daarop is nadere toetsing / verantwoording van het groepsrisico niet nodig. Conclusie externe veiligheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Geluidhinder
Ten aanzien van het aspect geluidhinder is van belang te constateren dat deze vergunningaanvraag geen nieuw geluidgevoelig object mogelijk maakt zoals gedefinieerd in de Wet geluidhinder. Ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening vinden geen wezenlijke (akoestische) veranderingen plaats tussen de bestaande situatie en de toekomstige situatie. Om deze reden is akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder hier niet doelmatig. Zie voor onderzoek naar de bedrijfsactiviteiten paragraaf 5.2. Conclusie geluidhinder Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen geen gevolgen heeft voor de situatie met betrekking tot potentiële geluidhinder in de omgeving.
4.8
Luchtkwaliteit
De wetgeving met betrekking tot luchtkwaliteit komt voort uit Europese wetgeving (richtlijn 2008/50/EG). Het doel van deze richtlijn is luchtvervuiling in Europa terug te dringen en daarmee de schadelijke gevolgen voor mens en milieu tot een minimum te beperken. In hoofdstuk 5, titel 5.2 Wet milieubeheer zijn deze vertaald in luchtkwaliteitseisen en verplichtingen in Nederland. In het bijzonder gaat het daarbij om de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5), omdat dit in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten zijn met de hoogste kans op overschrijding van de grenswaarden. Naast de grenswaarden in (bijlage 2 van) de Wet milieubeheer is er bij Algemene Maatregel van Bestuur bepaald dat projecten die “Niet in betekenende mate” (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit zonder verdere toetsing uitgevoerd kunnen worden. In de bijbehorende Regeling zijn daartoe criteria opgenomen. Beoordeling project Gezien de aard en omvang van het planvoornemen valt dit aan te merken als NIBM-project. Dit betekent dat de realisatie ervan niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Ter bevestiging van deze conclusie is hierna een NIBM-tool ingevuld voor voorliggend project.
Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient wel bekeken te worden of het realiseren van het plan met betrekking tot de reeds aanwezige luchtverontreiniging op die locatie gewenst is. Met behulp van de NSL-monitoringstool (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) zijn de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO 2 , PM10 en PM2,5 bepaald nabij het plangebied (toetspunten langs de Vogelaardreef).
Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 langs de weg maximaal 16,5 μg/m3 is. De wettelijke grenswaarde van 40 μg/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 μg/m3 voor PM2,5, deze is in de nabijheid van het plangebied maximaal 9 μg/m3. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 6 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd.
Tabel 3: Resultaten achtergrondconcentraties luchtkwaliteit Stof
Maximale achtergrondwaarde [μg/m3]
Jaargemiddelde grenswaarde conform Wet milieubeheer [μg/m3]
PM2,5
9
25
PM10
16,5
40
NO2
12,8
40
Conclusie luchtkwaliteit Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief, dat zelf NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.9
Water
Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m 2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m3 waterberging. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1. Standstill principe: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen.
Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling). 2. Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Beoordeling project Het voorliggende project betreft een legalisatie. Bovendien is de projectlocatie volledig verhard en laat het bestemmingsplan verhardingen ook toe. Er is daarom geen aanleiding om een watertoets uit te voeren.
Conclusie water Voor het initiatief vormt het aspect water geen belemmering.
4.10
Verkeer en parkeren
Beoordeeld moet worden of sprake is van een aanvaardbare wijziging in de verkeerssituatie en de parkeersituatie. Gekeken naar de verkeerssituatie kan worden beoordeeld dat als gevolg van de legalisatie er geen significante toename aan verkeersstromen plaatsvindt. De functies die aanwezig zijn (en worden gelegaliseerd) binnen de betreffende bebouwing op De Boender 7 zijn geen functies die een grote verkeersaantrekkende werking hebben. Hetzelfde geldt voor de materiaal- en materieelopslag op De Boender 10. De afwikkeling van het verkeer op De Boender is niet significant gewijzigd. De Boender heeft voldoende capaciteit om dit verkeer af te wikkelen. Op De boender 7 en 10 is er voldoende ruimte op eigen terrein om te parkeren. De parkeerbehoefte moet volledig op eigen terrein worden opgevangen. In de bestaande situatie is hiervoor voldoende ruimte op eigen terrein beschikbaar. Voor het aspect parkeren geldt daarom dat de hier voorliggende functies geen extra parkeerdruk zullen opleveren. Conclusie verkeer en parkeren Voor het initiatief vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering.
4.11
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het bevoegd gezag dient te beoordelen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Hiertoe staan in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage activiteiten opgesomd die mogelijk leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor activiteiten die genoemd staan in de eerste kolom van onderdeel C geldt dat zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, deze zijn dan ook direct m.e.r.-plichtig. In de eerste kolom van onderdeel D staan activiteiten opgesomd waarvan niet vaststaat of deze leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor dient dan ook een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De voorgenomen ontwikkeling staat niet direct genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het dichtst in de buurt komt de beschrijving in de eerste kolom van onderdeel D onder 11.2 “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (…)”. In de tweede kolom staan de drempelwaarden genoemd voor deze activiteit, hierbij gaat het erom of de activiteit betrekking heeft op één van de volgende genoemde punten: -
Een oppervlakte van 100 hectare of meer Een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer
Beoordeling initiatief Het planvoornemen bestaat uit een legalisering van bebouwing dat kan worden gezien als inbreiding. Het grootste deel vindt plaats binnen een bouwvlak van een bestaand bedrijfsperceel. Daarbij worden de genoemde drempelwaarden bij lange na niet gehaald en is een m.e.r.-beoordeling dus niet nodig. De eerste vraag die gesteld dient te worden is of er sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Vooropgesteld wordt dat het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' ruimte voor interpretatie laat. Mede daardoor kan ook discussie ontstaan
over de vraag wanneer sprake is van een wijziging van een dergelijk project. Niet iedere mogelijk gemaakte wijziging van een stedelijke ontwikkeling, hoe ondergeschikt ook, kan aangemerkt worden als een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. In voorliggend geval wordt de hoeveelheid bedrijfsbebouwing theoretisch uitgebreid, het is immers een legalisatie. Los daarvan is zoals hiervoor gesteld sprake van een bestaand bedrijfsperceel waar de bestemming is toegespitst op bollenteelt. Gezien de relatief kleine toename aan bebouwing in relatie tot de aanwezige bebouwing en grondgebruik, is de toename aan bebouwing niet significant. Gelet op voormelde omstandigheden afgezet tegen de context c.q. het gebied waar reeds diverse bedrijven aanwezig zijn, biedt dit aanknopingspunten voor de beoordeling dat geen sprake is van de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject. Mocht de conclusie worden getrokken dat toch sprake is van (de wijziging van) een stedelijk ontwikkelingsproject, dan wordt hierna een vormvrije m.e.r.-beoordeling uiteengezet. Vormvrije m.e.r.- beoordeling Uiteengezet moet worden dat het planvoornemen geen significante milieuoverlast voor de omgeving veroorzaakt.
Dit gebeurt door middel van de zogenaamde vormvrije m.e.r.beoordeling aan de hand van de drie criteria zoals genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU): 1. Kenmerken van het project 2. Plaats van het project en de eventuele cumulatie met andere projecten 3. Kenmerken van het potentiële effect Kenmerken van het project De kenmerken van het project bestaat uit het legaliseren van de omzetting van kasruimte naar bedrijfsbebouwing en de toevoeging van een materiaal- en materieelopslag. Gelet op de omvang hiervan (ca. 5.000 m2, hetgeen blijkt uit het strijdig gebruik weergegeven in tabel 2) valt het project ruim onder de drempelwaarde van 200.000 m² bedrijfsvloeroppervlakte. Uit de beoordeling van de milieuaspecten zoals in dit hoofdstuk uiteengezet, blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen. Plaats van het project Het plangebied betreft de bestaande bedrijfspercelen aan De Boender 7 en de borderbordertuin aan De Boender 10 in de gemeente Noordwijk. Samenhang met andere projecten Binnen de directe omgeving van het plangebied staan geen andere projecten in de steigers die tezamen met dit project (cumulatief) belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen veroorzaken. Kenmerken van het potentiële effect De planontwikkeling zoals in dit document beschreven, leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
Er is geen sprake van een m.e.r-beoordelingsplicht. Conclusie bedrijven en milieuzonering Voor het planvoornemen is geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure nodig. Op grond van de beschreven milieuaspecten in dit hoofdstuk zijn belangrijke nadelige milieueffecten als gevolg van het planvoornemen uitgesloten.
Uitvoerbaarheid 5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning, die gezien de buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan de uitgebreide procedure kent. Op grond van artikel 2.12 van de Wabo is op de voorgenomen planontwikkeling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit zes weken ter inzage wordt gelegd. Iedereen kan mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen betreffende het ontwerpbesluit. De eventuele zienswijzen worden betrokken bij het definitieve besluit tot verlening van de omgevingsvergunning.
5.2
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat overeenkomstig Hoofdstuk 6 in de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en de plankosten, deze verhaald moeten kunnen worden op de initiatiefnemer. De omgevingsvergunningsaanvraag betreft de legalisatie van een bestaande situatie. De uitvoering van de bebouwing werd in het verleden al tot uitvoering gebracht. Hierbij zijn geen kosten ontstaan voor de gemeente en is verhaal van kosten op de initiatiefnemer dan ook niet van toepassing. Daarmee is aan de financiële uitvoerbaarheid van het initiatief voldaan.
5.3
Eindconclusie
Geconcludeerd kan worden dat het project, in overeenstemming met de in de voorgaande hoofdstukken gegeven omschrijving van het project en plangebied, zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen.
Bijlagen I. II. III. IV. V. VI.
Principeverzoek Positief advies Overlegplatform Duin- en Bollenstreek Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, A1278-06/BJO/rap1 Akoestisch onderzoek, Alcedo Notitie stikstof verschilberekening De Boender 7 tm 9, 10, Noordwijk AERIUS – De Boender 7 tm 9, 10, Noordwijk – verschilberekening
Legalisering #1 • • • • • • • • • •
•
L1.1 Debets Schalke, 16-08-2013 – Vergunningstekening en Vergunningstekening details L1.2 Stol, 2660 18-02-2022: foto-overzicht A41 L1.3 Stol, 2660 18-02-2022: tekening A31 L1.4 Stol, 2660 A01-a_2022-04-01: situatie bestaande toestand De Boender 7 (ca. 2012) L1.5 Stol, 2660 A01-b_2022-04-01: situatie deels vergunde toestand De Boender 7 (2021) L1.6 Stol, 2660 A04_2023-10-30: gevels bestaande toestand De Boender 7 (ca. 2012) L1.7 Stol, 2660 A11_2023-10-30: situatie nieuwe toestand De Boender 7 L1.8 Stol, 2660 A14-b_2023-10-30: gevels deels vergunde toestand De Boender 7 (2021) L1.9 Stol, 2660 A14_2023-10-30: gevels nieuwe toestand De Boender 7 L1.10 Stol, 2660 B7 - 2013-2014: Topo Tijdreis vergelijking tussen situatie 2013 en 2014 L1.11 Stol, 2660 B7 - 2014-2021: Topo Tijdreis vergelijking tussen situatie 2014 en 2021
Legalisering #2 • L2.1 Gemeente Noordwijk 01-05-1989 Bouw vaste kassen op plek van Hal 2 en Cel 7 • L2.2 Gemeente Noordwijk 16-12-1986 Bouw rolkassen op plek van Hal 2 en Cel 7 • L2.3 Stol, 2660 18-02-2022: foto-overzicht A41 • L2.4 Stol, 2660 18-02-2022: overzichtstekening A01a • L2.5 Stol, 2660 30-10-2023: tekening A31 Legalisering #3 • L3.1 Vermeulen 14-12-2017 Bouwaanvraag koelcellen 9 en 10 Legalisering #4 • L4.1 Stol, 2660 18-02-2022 foto-overzicht A40 • L4.2 Stol, 2660 18-02-2022 overzichtstekening A01a • L4.3 Stol, 2660 18-02-2022 tekening A30 • L4.4Stol, 2660 A30_2022-04-01: bestaande en nieuwe toestand rolschuur De Boender 7 Legalisering #5 (De Boender 10) • L5.1 B10 materieeloverkapping: foto 1, 2, 3 • L5.2 Hardeman, a1_a1: ankerplan materieeloverkapping De Boender 10 • L5.3 Hardeman, A2_OS1: staaloverzicht materieeloverkapping De Boender 10 • L5.4 Hardeman, B1_OB1: beplatingsoverzicht materieeloverkapping De Boender 10 • L5.5 Stol, 2660 A03_2022-04-01: situatie bestaande toestand De Boender 10 • L5.6 Stol, 2660 A13_2022-04-01: situatie nieuwe toestand De Boender 10 • L5.7 Stol, 2660 A51_2022-04-01: nieuwe toestand opslag gereedschap De Boender 10 • L5.8 Stol, 2660 B10 - 2014-2021: Topo Tijdreis vergelijking tussen situatie 2014 en 2021