H. 10 Bijlage toelichting Quick scan ecologie
Tekst van het document
Quick scan ecologie Bronsgeest te Noordwijk
7 april 2021, aangevuld 30 januari 2022
Pagina 1
Samenvatting Op de locatie ‘Bronsgeest’ In Noordwijk wordt de bestemming agrarisch gebruik omgezet naar wonen. Onderzocht is of er effecten op beschermde natuurwaarden kunnen ontstaan. Binnen het woongebied worden strikt beschermde soorten uitgesloten. Er is een kleine kans is op kleine marters aan de zuidrand van het woongebied. Een afdoend onderzoek is niet noodzakelijk.
Inhoud
Inleiding
2 – Inleiding 3 – Beschrijving gebied 4 – Waarnemingen 10 – Analyse 12 – Advies & Bronnen
Het potentieel aanwezige jachtgebied langs de watergang voor de vleermuis moet zo veel mogelijk donker blijven. Bij de inrichting van de verbindingszone wordt geadviseerd deze tevens voor vleermuizen in te richten.
Op de locatie ‘Bronsgeest’ In Noordwijk wordt de bestemming agrarisch gebruik omgezet naar wonen. Op de percelen worden een woonwijk gebouwd met maximaal 350 woningen. Voor de ontwikkeling wordt een ruimtelijke procedure doorlopen. Onderdeel van de procedure is een onderzoek naar de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten en het maken van een analyse van de mogelijke effecten op die soorten, als gevolg van de werkzaamheden. Hiervoor is door bureau Els & Linde een oriënterend onderzoek uitgevoerd. Het voorliggende rapport geeft een beschrijving van het oriënterend onderzoek naar de effecten op natuurwaarden. Om een goed oordeel te geven over de potentieel aanwezige beschermde planten en dieren, is op 25 maart 2021 door een ecoloog van bureau Els & Linde, een bezoek gebracht aan de planlocatie. Ter plekke is beoordeeld of er beschermde soorten aanwezig kunnen zijn en die schade kunnen ondervinden van de geplande ontwikkelingen. Daarbij is gezocht naar sporen van dieren en is op basis van de begroeiing en de opbouw van het landschap, geschat of er beschermde soorten aanwezig kunnen zijn. De effecten worden beoordeeld als gevolg van de veranderde omgeving en het veranderde gebruik. Verder is geanalyseerd of de werkzaamheden die noodzakelijk zijn om de veranderingen te bereiken, een effect veroorzaken.
Langs de randen van de tuinen van de vrijstaande woningen en de parkeerplaats aan de westzijde is mogelijk een essentiële vliegroute voor vleermuizen aanwezig. Nader onderzoek kan dat bevestigen. Een berekening van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden is noodzakelijk.
Colofon Opdrachtgever Projectnummer Datum Auteur Gecontroleerd Status
Gemeente Noordwijk 20.188 7 april 2021, 30 januari 2022 M. Nieuwhof P.J.H. van der Linden concept
Els & Linde B.V. Spechtstraat 59 1223 NX Hilversum mob 06 - 27564247 e-mail vanderlinden@elsenlinde.nl
Ligging van onderzoekgebied(rood omlijnd) en plangebied voor woningbouw(blauw omlijnd).
Pagina 2
H02
Planomgeving: locatie, omgeving en beschermde natuurgebieden Het onderzoekgebied en het plangebied liggen ten oosten van de bebouwde kom van dorp en gemeente Noordwijk. Het onderzoekgebied bestaat uit een aantal delen. Aan de oostzijde bevinden zich bosschages bij de afslag en een parkeer/rustplaats van de N206. Aan de noordzijde en noordwestzijde is een bosgebied, sportvelden en percelen met vrijstaande woningen en tuinen aanwezig. De overige percelen bestaat uit akkers die gebruikt worden als bollenveld, met een aantal (voormalige) agrarische percelen aan de oostzijde van de Bronsgeestweg. Het plangebied voor woningbouw bestaat uit akkers met daar tussen sloten en watergangen. De Natura 2000-gebieden liggen op vrij grote afstand. Op 1,4 km afstand van de onderzoekslocatie ligt het Natura 2000-gebieden Kennemerland Zuid ten noordoosten en Coepelduynen op 1,6 km ten zuidoosten. Gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn aanwezig binnen de onderzoekslocatie. Een deel van de verbindingszone van het Natuurnetwerk Nederland loopt dwars door de planlocatie voor bebouwing. Het betreft een nog te realiseren ecologische verbindingszone. Deze wordt verlegd naar de Nieuwe Vaart.
Ligging van de Natura 2000-gebieden.
Natura 2000 Via de Natura 2000 zijn gebieden beschermd van internationaal belang. Voor deze gebieden zijn doelstellingen geformuleerd voor het behoud van habitats en planten en dieren. Deze Natura 2000-gebieden zijn ook beschermd tegen invloeden van buiten, zoals stikstofdepositie en grondwaterstromen. Voor de functie waardoor de depositie van stikstofverbindingen toeneemt, is een berekening noodzakelijk van de effecten. Natuurnetwerk Nederland Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt het Natuurnetwerk van Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland wordt via de ruimtelijke verordening beschermd.
Ligging van het Natuurnetwerk Nederland (de verbindingszone wordt verlegd).
Pagina 3
H03
Waarnemingen: veldgegevens en gegevens uit de literatuur Werkwijze Het onderzoek is uitgevoerd als een quick scan ecologie. Voor zo’n onderzoek wordt door een ecoloog beoordeeld of er een kans is op aanwezigheid van beschermde soorten. Daarbij wordt gelet op de structuur van de omgeving, aanwezige habitats en landschapselementen. Tevens wordt gezocht naar sporen van beschermde soorten. Een quick scan is tevens bedoeld als afbakening van een eventueel afdoend onderzoek. De quick scan bestaat uit de volgende activiteiten: • Een literatuur/bronnenonderzoek met betrekking tot de potentieel aanwezige beschermde soorten binnen de planlocatie. • Een veldbezoek waarbij de locaties worden beoordeeld op habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Hierbij worden bijvoorbeeld de te kappen bomen beoordeeld op geschiktheid voor vleermuizen en jaarrond beschermde nesten. • Voor de aangetroffen strikt beschermde soorten wordt, door een beschrijving van de ecologische functionaliteit van het gebied (foerageergebied, migratieroute, voortplantingsgebied of winterverblijf, enz.), aangegeven hoe het gebied door iedere soort wordt gebruikt. • Een schatting van de impact van de werkzaamheden op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten. • Een effectbeoordeling gericht op (eventueel) nabij gelegen beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk en Weidevogelleefgebied).
Om een goed oordeel te kunnen geven is op 25 maart 2020 door een ecoloog een bezoek gebracht aan de planlocatie. Tijdens het veldbezoek is onderzocht of er in potentie beschermde planten en dieren aanwezig zijn binnen de planlocatie. Daarvoor is gezocht naar sporen en andere aanwijzingen van planten en dieren. Op basis van de aanwezige herkenbare begroeiing en habitats, is beoordeeld of er leefgebieden aanwezig zijn voor beschermde soorten. Aanvullend is een bureaustudie uitgevoerd naar de potentieel voorkomende planten en dieren in de directe omgeving van de planlocatie. Hierbij is een bronnenonderzoek uitgevoerd, waarbij de verschillende relevante en actuele informatiebronnen zijn geraadpleegd. Bij de analyse van de effecten is gelet op de effecten veroorzaakt door de veranderde omgeving en het veranderde gebruik. Daarnaast zijn de effecten bepaald die veroorzaakt worden door de ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij is naast de planlocatie sec. gelet op de directe omgeving en de effecten op soorten in de omgeving. In de voorliggende notitie worden de resultaten van de quick scan ecologie besproken. Waarnemingen In onderstaande paragrafen worden de soortengroepen beschreven die binnen de planlocatie en de directe omgeving zijn aangetroffen of te verwachten.
Tijdens het veldbezoek van 25 maart 2021 is onderzocht of er in potentie beschermde planten en dieren aanwezig zijn binnen de planlocatie. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek betrof bewolkt tot helder, droog weer met een temperatuur van 9-10 ºC en windkracht 3 Bft uit het zuidwesten.
Pagina 4
Bronnenonderzoek Voor het onderzoek naar potentieel aanwezige beschermde soorten zijn de beschikbare regionale en landelijke verspreidingsatlassen en enkele digitale bronnen geraadpleegd. Waarnemingen van vleermuizen, maters, huismussen, uilen, amfibieën en reptielen zijn niet bekend binnen zowel het onderzoekgebied als het plangebied. Waarnemingen roofvogels zoals, buizerd (Buteo buteo), torenvalk (Falco tinnunculus) worden gedaan in het onderzoekgebied. Ook zijn er waarnemingen van gierzwaluw bekend nabij de Bronsgeestweg bekend. Op overige plaatsen binnen het onderzoekgebied worden geen waarnemingen van gierzwaluw gemeld. Door de ANLV Geestgrond zijn patrijzen (Perdix perdix) gemeld die in het plangebied broeden. Ook zijn er melding bekend van hazen (Lepus europaeus) en veldleeuwerik (Alauda arvensis) zowel in het onderzoekgebied als in het plangebied op de akkers. Vegetatie en planten Het plangebied bestaat voor een groot deel uit akkers die gebruikt worden voor bollenteelt. Aan de west zijde loop langs de parkeerplaats en het gebied met vrijstaande woningen een sloot met daar in op een aantal plaatsen riet en eendenkroos. De oevers van de sloot zijn deels begroeid met gewone braam en gras met daar in paarse dovenetel, zuring, veldkers, grote brandnetel, smalle weegbree en ooievaarsbek.
Het noordwestelijke deel van dit gebied is echter niet in gebruik als akker en bestaat voor het grootste deel uit een grasveld met daar in en langs gewone braam en gras met daar in paarse dovenetel, zuring, veldkers, brandnetel, smalle weegbree en ooievaarsbek. Aan deze zijde loopt ook een brede watergang met langs de oevers gras, kleefkruid, pitrus, waterkers en gele lis. Het zuidwestelijke deel nabij de rotonde aan de N444 en het westelijke deel is ook niet in gebruik als bollenveld in is deels verruigd met gras, teunisbloem, riet, gewone braam en een aantal jongen zwarte elsen en wilgen. Het zijn nitrofiele planten, soorten van voedselrijke bodems. Aan de westzijde van het plangebied zijn percelen aanwezig met vrijstaande woningen. De tuinen aan de achterzijde van de percelen rijken tot aan de grens van het plangebied. In deze tuinen staan algemene tuinplanten en struiken. In het oostelijke deel zijn de tuinen dicht begroeid met grote bomen en struiken zoals zomereik, zwarte els, grove den, taxus, sleedoorn en gewone braam. Het sportveldencomplex ten noorden is omringd door bomen zoals populier en zomereik. Een aantal bomen in dit gebied is begroeid met klimop. Verder staat er gewone braam en riet. De bodem rond het gebied is bedekt deels met klimop en gras waar tijdens onderzoek narcissen in bloei stonden.
Het bosgebied ten noorden betreft een deel van Landgoed Klein Leeuwenhorst. Hier zijn bomen aan te treffen zoals ruwe berk, grove den en zomereik. Tussen de bomen staat taxus, hulst en gewone braam. De bodem in het bosgebied is op een aantal plaatsen bedekt met gras en klimop. Er loopt een watergang. Langs de oevers hiervan zijn op een aantal plaatsen varens aangetroffen. De gebieden ten noordoosten en oosten betreffen voornamelijk akkers die gebruikt worden voor bollenteelt. Langs de Bornsgeestweg lig-
Pagina 5
gen een aantal (voormalige) agrarische erven. Hier zijn bomen aanwezig zoals zomereik en populier. Ook zijn er algemene tuinplanten en struiken aangetroffen. Door het gebied loopt de Nieuwevaart. Langs de oevers van deze vaart is gras aan te treffen met op een aantal plaatsen riet. Geheel aan de oostzijde is de provincieweg N206 aanwezig met en parkeer/rustplaats en een afslag. Op de parkeer/rustplaats en rond de afslag zijn bomen aanwezig zoals essen en eiken. Ook zijn er enkele struiken en op een aantal plaatsen riet aan te treffen. De bodem is voornamelijk bedekt met gras. Op een aantal plaatsen is de bodem (en een aantal bomen) begroeid met klimop. Tijdens het oriënterend onderzoek zijn binnen de planlocatie geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Beschermde plantensoorten zijn binnen de planlocatie ook niet te verwachten. Zoogdieren Juridisch zwaarder beschermde soorten Vleermuizen zijn de belangrijkste groep strikt beschermde dieren die verwacht kunnen worden. Vleermuizen kunnen schade ondervinden van de ruimtelijke ontwikkelingen en kunnen hierdoor een belemmering zijn. De planlocatie en de directe omgeving zijn daarom nauwkeurig onderzocht op de aanwezigheid van potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen, evenals essentiële vliegroutes en foerageergebieden.
Verblijfplaatsen Vleermuizen zijn in twee groepen te verdelen; enerzijds de soorten die in gebouwen een verblijfplaats hebben en anderzijds de soorten die in bomen een verblijfplaats hebben. De kraamkolonie van de laatvlieger (Eptesicus serotinus) en de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) komen – voor zover bekend - alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter betimmering, onder daklijsten en dakpannen. De vaste verblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en de watervleermuis (Myotis daubentonii) kunnen zowel in spleten en gaten in bomen, als in gebouwen voorkomen. Ze kiezen in de regel gebieden met een groot aanbod aan geschikte holten op een klein oppervlak. Het plangebied voor woningbouw betreft akkers zonder bebouwing of bomen. Het ontbreken hier van maakt het niet mogelijk voor vleermuizen om zich te vestigen binnen dit gebied. Dit gaat ook op voor de gebieden direct ten oosten en noordoosten van het plangebied. Binnen het onderzoeksgebied zijn wel een aantal locaties waar de aanwezigheid van vleermuizen mogelijk is. Dit betreft bebouwing in de vorm van woningen aan de oostzijde van de Bronsgeestweg en de vrijstaande woningen in het gebied aan de westzijde van de planlocatie. Ook zijn er in de gebieden ten westen en noordwesten bomen aangetroffen met geschikte holtes voor vleermuizen om zich hier in op te houden.
Dit betreft de tuinen van de vrijstaande woningen ten westen en de bomen rond sportvelden en in het bos op het landgoed. In de overige delen van het onderzoek gebied zijn geen geschikte bomen aangetroffen voor vleermuizen om zich te kunnen vestigen.
Pagina 6
Potentiële vliegroutes en foerageergebieden Door het noordelijke deel van het plangebied loopt een watergang. Aan een deel van het plangebied aan de oostzijde loopt de Nieuwe Vaart. Hier zijn vleermuizen te verwachten die foerageren. Ook in de gebieden ten westen in de tuinen van de vrijstaande woningen en het bosgebied ten noordwesten zijn foerageergebieden van vleermuizen mogelijk. In de open gebieden ten noordoosten en oosten dat akkers en de afslag en parkeerplaats betreft van de provincieweg worden geen potentiële foerageergebieden verwacht. Vliegroutes binnen het plangebied zijn mogelijk langs de randen van de tuinen van de vrijstaande woningen en de parkeerplaats aan de westzijde. Buiten het plangebied zijn de watergangen/sloten rond de akkers, de Nieuwe Vaart en de bomenrijen langs de provincieweg N206 potentiële vliegroutes binnen het onderzoekgebied. Laag beschermde zoogdieren Binnen de planlocatie is een kleine kans op algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren, zoals egel (Eurinaceus europaeus), spitsmuizen en muizen. Er zijn geen sporen, holtes of nesten van eekhoorn waargenomen in de bomen binnen de verschillende gebied binnen het onderzoekgebied. Er is een kleine kans op aanwezigheid van de kleine marters binnen het voor wonen bestemde plangebied. Dit zou enkel mogelijk zijn in ruigte in het zuidelijke deel nabij de rotonde aan de N444.
In de rest van het onderzoekgebied zijn rond de vrijstaande woningen, sportvelden en het bos mogelijk marters aanwezig. Ook op de (voormalige) erven aan de oostzijde van de Bronsgeestweg is dit mogelijk. De overige gebieden die bestaan uit akkers voor bollen velden is het vestigen van marters niet mogelijk. Er zijn geen sporen van deze soorten aangetroffen binnen het onderzoekgebied tijdens onderzoek. In de bollenvelden in het onderzoekgebied zijn koppels hazen aangetroffen. Een koppel hield zicht voornamelijk op de akker op het westelijke deel van het plangebied. Op de akkers ten noodoosten en oosten binnen het onderzoekgebied zijn tijdens onderzoek nog drie koppels hazen waargenomen tijdens onderzoek. Het is mogelijk dat deze soort zich gevestigd heeft op de akkers binnen het onderzoekgebied en het plangebied. Vogels Jaarrond beschermd nest Tijdens het ecologisch onderzoek is gezocht naar aanwijzingen voor het voorkomen van vogels met een vaste verblijfplaats binnen het plangebied. Gekeken is naar potentieel geschikte nestplekken voor vogels met een jaarrond beschermd nest. Binnen het plangebied voor wonen zijn geen gebouwen aanwezig waar een huismus of gierzwaluw kan nestelen. Deze soorten zijn daarom met zekerheid afwezig. Binnen het onderzoekgebied zijn er een aantal plaatsen aanwezig waar zowel huismus als gierzwaluw zich zouden kunnen vestigen.
Dit is mogelijk in de vrijstaande woningen ten westen, in de bebouwing op het landgoed ten noordwesten en de woningen aan de oostzijde van de Bronsgeestweg.
Pagina 7
Er zijn geen nesten of sporen aangetroffen van andere jaarrond beschermde vogels, zoals buizerd, ransuil en andere roofvogels en uilen zowel binnen het plangebied als het onderzoek gebied. Binnen het woongebied is er geen mogelijkheid voor deze soorten om zich te vestigen. Dit door het ontbreken van bomen of anders geschikte elementen. Binnen het overig deel van het onderzoekgebied is het echter wel mogelijk. Het is mogelijk dat de door derden waargenomen soorten nestelen op het landgoed of aan de westzijde van het gebied. Algemene broedvogels Er is mogelijkheid voor algemene broedvogels om zich te vestigen zowel binnen het plangebied als het overige onderzoekgebied. In de overige delen van het onderzoekgebied is dit mogelijk in de bebouwing, bomen en struiken in het gebied. Binnen het plangebied en een deel van het onderzoek gebied is dit ook mogelijk langs de oevers van de sloten, watergangen en de vaart in het gebied. Op de akkers zowel binnen het plangebied als de aangrenzende akkers in het onderzoek gebied kunnen patrijzen broeden (bron ANLV Geestgrond & eigen waarnemingen). Tijdens onderzoek zijn er op meerdere akkers binnen het onderzoekgebied veldleeuweriken waargenomen. Ook voor deze soort is het mogelijk om te broeden op de akkers van zowel het plangebied als het onderzoekgebied.
Op zo’n 300m ten noordoosten van het plangebied is op een speciale nest paal het nest van een koppel ooievaars aangetroffen. Het nest was in gebruik door het koppel tijdens het onderzoek. Een groot deel van het onderzoekgebied en het plangebied beschikt over geschikt foerageergebied voor deze soort. Herpetofauna en vissen Er is geschikt oppervlaktewater aanwezig voor watergebonden organismen binnen het plangebied in de vorm van een watergang op het noordelijke deel. Ook in het onderzoekgebied is geschikt oppervlakte water aanwezig in de vorm van sloten en de Nieuwe Vaart. Aanwezigheid van algemene amfibieënsoorten in de bodems van de akkers zowel binnen het plangebied als het onderzoekgebied is mogelijk in de winterperiode. In het onderzoek uit 2016 (Hemmers) was de conclusie dat rugstreeppadden niet uit waren te sluiten vanwege mogelijk geschikte winterbiotoop t.p.v. de akker. Er is toen ook afdoend onderzoek gedaan. Daaruit is gebleken dat de soort niet aanwezig is. Strikt beschermde soorten in oppervlakte wateren in zowel het plangebied als het onderzoekgebied zijn niet te verwachten. Overige soorten Er zijn, gezien de voorkomende biotopen, geen beschermde bijzondere insecten of overige soorten te verwachten binnen de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; de planlocatie voldoet hier niet aan.
De aanwezigheid van beschermde overige soorten worden daarom uitgesloten binnen de planlocatie.
Pagina 8
H05
Analyse: beoordeling van de effecten op de natuurwaarden Bij de analyse wordt gelet op de effecten als gevolg van het veranderde gebruik en de veranderde inrichting. Daarnaast wordt gelet op de effecten als gevolg van de werkzaamheden om de veranderingen te bereiken. Voor zover planlocatie binnen het Natuurnetwerk Nederland, het weidevogelleefgebied, Natura 2000 of andere beschermde natuurgebieden liggen, worden de effecten op deze beschermde natuurgebieden getoetst. Voor de Natura 2000 gebieden is de externe werking eveneens van belang; de belangrijkste externe effecten worden veroorzaakt door toename van depositie, geluid en licht. Daarnaast kunnen veranderde grondwaterstromen een effect veroorzaken. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming kent een afdeling voor soortbescherming en een afdeling voor gebiedsbescherming. Binnen de gebiedsbescherming zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. De bescherming geldt ook voor externe factoren; zoals grondwaterstromen en stikstofdepositie. De soortbescherming binnen de Wet natuurbescherming richt zich op de internationale afspraken, en geeft een uitbreiding van de beschermde soorten door aan de rode lijst (bedreigd en ernstig bedreigd) een beschermd status te koppelen. Binnen de bebouwde kom is de belangrijkste wijziging in de beschermde soorten het vervallen van de bescherming op muurplanten en orchideeën.
Beschermde soorten Uit de resultaten van de quick scan ecologie van 25 maart 2021 zijn de volgende conclusies te trekken: Woongebied: hier is gebleken dat er een kleine kans is op aanwezigheid van de kleine marters in ruigte nabij de rotonde aan de N444. Mocht dit deel niet behouden kunnen blijven wordt een onderzoek naar deze soort geadviseerd. Op de planlocatie kan de aanwezigheid van overige strikt beschermde soorten worden uitgesloten. Een afdoend onderzoek is niet noodzakelijk. Het potentieel aanwezige jachtgebied langs de watergang voor de vleermuis moet zo veel mogelijk donker blijven. Het is geen essentieel jachtgebied (er zijn meer gelijke gebieden aanwezig). Compensatie is niet wettelijk verplicht. Bij de inrichting van de verbindingszone wordt geadviseerd deze tevens voor vleermuizen in te richten. Vliegroutes binnen het plangebied zijn mogelijk langs de randen van de tuinen van de vrijstaande woningen en de parkeerplaats aan de westzijde. Geadviseerd wordt om met onderzoek te bepalen of dit een essenstielen vliegroute voor vleermuizen is binnen het gebied. Aanwezigheid van algemene amfibieënsoorten in de bodems van de akkers zowel binnen het woongebied als elders is mogelijk in de winterperiode. Werkzaamheden dienen buiten deze periode te starten. In 2016 is onderzocht of er rugstreeppadden overwinteren binnen het gebied. De rugstreeppad is toen niet aangetroffen.
Er zijn enkele waarnemingen aan de overzijde van de Provinciale weg. De kans dat de dieren de weg oversteken en het plangebied bevolken is onwaarschijnlijk. Immers ook aan de overzijde van de
Pagina 9
N206 is geschikt habitat, de dieren hebben geen noodzaak te dispergeren. De afwezigheid van de rugstreeppad is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te stellen. Indien de watergang aan de noordzijde wordt verwijderd dienen de aanwezige diersoorten in veiligheid gebracht te worden voor de werkzaamheden starten. Op dat moment is het verstandig om met een ecologisch werkprotocol te werken. Binnen het woongebied is de aanwezigheid van patrijs, veldleeuwerik en haas mogelijk. Ook is het woongebied mogelijk onderdeel van het foerageergebied van de ooievaar. Het nest van de ooievaar bevind zich niet binnen het plangebied. De patrijs, veldleeuwerik en haas zijn niet jaarrond beschermd. De eventuele afname van het foerageergebied van deze soorten kan leiden tot een verhoogde druk op de populatie. Het foerageergebied van deze soorten is niet beschermd. Echter het is verstandig om na te gaan of en hoe het foerageergebied van deze soorten, inclusief van de ooievaar, elders in de polder kan worden verbeterd. Op de soorten buiten het woongebied worden geen effecten verwacht omdat dit deel conserverend is. Zorgbeginsel Binnen de gebieden is kans op algemeen voorkomende soorten waarmee rekening moet worden gehouden.
Aangetroffen dieren die niet uit zich zelf de werkgebieden kunnen verlaten, dienen – onder begeleiding van een ecoloog - in veiligheid te worden gebracht en buiten de werkgebieden te worden uitgezet. Schuilplekken zoals bladhopen, hout- en steenstapels e.d. dienen eerst te worden gecontroleerd op schuilende dieren. In zijn algemeenheid dienen geschikte schuil- en overwinteringsplekken voor dieren buiten de werkterreinen intact te worden gelaten. Eventueel noodzakelijk kap moet buiten de kwetsbare periode (winter) worden uitgevoerd en voorafgaand aan de kap (of het anderszins vrijstellen van een werkplek) is het verstandig een ecoloog te laten beoordelen of effecten zijn te verwachten en eventueel maatregelen te (laten) nemen om die effecten te verminderen. Met de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels. Dit is mogelijk in de aanwezige bomen en struiken, maar ook op de grond (patrijs). Er moet rekening gehouden worden met het broedseizoen voor en tijdens de werkzaamheden. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden buiten deze periode te starten. In de nieuwe Omgevingswet zijn enkele wijzigingen opgenomen die zijn weerslag hebben op het ecologisch onderzoek. De belangrijkste wijziging is de doorlooptijd c.q. houdbaarheid van een rapport dat is gesteld op 2 jaar voor alle onderzoeken. Verder is de zorgplicht aangescherpt.
Het zal zich nog moeten uitkristaliseren, maar het lijkt er op dat ook algemene soorten geïnventariseerd moeten worden (het simpel vaststellen dat ze niet zijn uit te sluiten is niet genoeg). Niet duidelijk is hoe intensief dat onderzoek moet zijn. Vooralsnog zullen we in een aanvullend onderzoek ook nadrukkelijk deze soorten benoemen.
Pagina 10
Natura 2000 De percelen liggen ten oosten van Noordwijk en binnen de bebouwde kom. De planlocatie wordt omsloten door wegen en akkers. Het perceel ligt op 1.6 km van het natura2000 gebied ‘Coepelduynener’ en het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland zuid’ ligt op 1,4 km. De werkzaamheden bevatten het Bouwen van een woonwijk met 350 woningen. Voor de werkzaamheden zijn graafmachines, kranen en heistellingen nodig. Ook zal er bouwverkeer ontstaan. Gelet op de omvang van het werk en de afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kan een verhoogde depositie niet worden uitgesloten. Een berekening van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden is noodzakelijk. Andere aantastingen van kwalificerende habitats of soorten in het Natura 2000-gebied door de ruimtelijke ontwikkelingen, kunnen worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland loopt dwars door het gebied. De te ontwikkelen verbindingszone moet worden behouden of verplaatst. Tevens mag de verbindingszone niet worden doorbroken of onderbroken met infrastructuur. Ook tijdens het realiseren van de plannen moet de verbindingszone intact blijven en mag niet verstoord worden. Advies is om tijdens het inrichtingsplan te kijken hoe de bestaande verbindingszone kan worden vormgegeven. Voordeliger is een nieuwe verbindingszone om het plangebied aan te leggen.
Pagina 11
H06
Conclusie, advies en gebruikte bronnen Op de locatie ‘Bronsgeest’ In Noordwijk wordt de bestemming agrarisch gebruik omgezet naar wonen. Op de percelen worden een woonwijk gebouwd met maximaal 350 woningen. Voorliggend rapport betreft een onderzoek naar effecten op natuurwaarden. Door een ecoloog van bureau Els & Linde B.V. is op 25 maart 2021 beoordeeld of er beschermde planten- en diersoorten aanwezig zijn binnen de planlocatie en of deze soorten schade ondervinden van de gewenste ontwikkelingen. Beschermde soorten Binnen het woongebied zijn aan de zuidrand kleine marters niet uit te sluiten. Verder kunnen er amfibieën op het land overwinteren. Binnen dit terreindeel kan patrijs broeden en enkele andere soorten foerageren. De overige strikt beschermde soorten worden hier uitgesloten. Een afdoend onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk. Het potentieel aanwezige jachtgebied langs de watergang voor de vleermuis moet zo veel mogelijk donker blijven. Bij de inrichting van de verbindingszone wordt geadviseerd deze tevens voor vleermuizen in te richten.
– – – –
Anonymus (2017). Kennisdocument huismus, BIJ12 Anonymus (2017). Kennisdocument gierzwaluw, BIJ12 Anonymus (2017). Kennisdocument gewone dwergvleermuis, BIJ12 Dietz, Chr., O. von Helversen & D. Nill (2012) Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Trition Natuur – Hemmers, N. (2016) Memo Noordwijk Brongeest. Els & Linde b.v. – Kapteyn, K. (1995) Vleermuizen in het landschap. Schuyt & co, Haarlem. – Simon, M., S. Hüttenbügel & J. Smit-Viergutz (2004) Ökologie und Schutz von Fledermäusen in Dörfern und Städten. Bundesamt für Naturschutz, Bonn. – – – –
Synbiosis Alterra natura 2000 Zuid-Holland.nl waarneming.nl geo.ozhz.nl/?@Komgrenzen_ZH_Wnb
Binnen het overige deel van het plangebied zijn vliegroutes van vleermuizen mogelijk langs de randen van de tuinen van de vrijstaande woningen en de parkeerplaats aan de westzijde. Geadviseerd wordt om met onderzoek te bepalen of dit een essenstiele vliegroute voor vleermuizen is binnen het gebied.ë Aanwezigheid van algemene amfibieënsoorten in de bodems van de akkers zowel binnen het plangebied is mogelijk in de winterperiode. Werkzaamheden dienen buiten deze periode te starten. Indien de watergang aan de noordzijde wordt verwijderd dienen de aanwezige diersoorten in veiligheid gebracht te worden voor de werkzaamheden starten. Op dat moment is het verstandig om met een ecologisch werkprotocol te werken. De aanwezigheid van patrijs, veldleeuwerik en haas is mogelijk. Ook is het gebied mogelijk onderdeel van het foerageergebied van de ooievaar. De eventuele afname van het foerageergebied van deze soorten kan leiden tot een verhoogde druk op de populatie. Geadviseerd wordt na te gaan of en hoe het foerageergebied van deze soorten, inclusief de ooievaar, elders in de polder kan worden verbeterd. Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland Gelet op de omvang van het werk en de afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000gebieden kan een verhoogde depositie niet worden uitgesloten. Een berekening van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden is noodzakelijk.
Pagina 12