CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

E. Welstandsnota Noordwijk 2019

Gemeenteraadsvergadering 26 september 2023, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Zonne-energie in beschermde gebieden en op beschermde gebouwen30.367 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

WELSTANDSNOTA NOORDWIJK 2019

Vanaf 1 januari 2019 zijn de gemeenten Noordwijk en Noordwijkerhout gefuseerd tot de nieuwe gemeente Noordwijk. Vanwege de fusie is gewerkt aan harmonisatie van bestaand beleid, waaronder het welstandsbeleid van beide gemeenten. Deze nota vormt een welstandsnota conform artikel 12 en 12a van de Woningwet en is gebaseerd op de welstandsnota’s van Noordwijk en Noordwijkerhout. Voor de harmonisatie van het welstandsbeleid lag de nadruk op het beleidsinhoudelijk en praktisch samenvoegen van beide welstandsnota’s tot één werkbaar beoordelingskader. In de basis zijn beide nota’s samengevoegd en is de actualisatie beperkt gebleven tot aanpassingen naar aanleiding van veranderingen in landelijke wetgeving en gemeentelijk beleid en ontwikkelingen. De voormalige welstandsnota van Noordwijkerhout is in 2014 geheel herzien waarbij het welstandsbeleid is vereenvoudigd en meer afgestemd op de beleving van de burger. Dit uitgangspunt is tevens toegepast voor voorliggende nota. Er hebben geen significante koerswijzigingen plaatsgevonden, maar er is wel sprake van wijzigingen in de opzet van de nota en de criteria. Zo zijn gebiedsgerichte uitwerkingen waar mogelijk geclusterd en zijn strijdige criteria op elkaar afgestemd of overbodige criteria weggelaten. De wijzigingen komen ten goede aan de harmonisatie en het vereenvoudigen van het welstandsbeleid.

pagina 2

INHOUD

H1 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.

ALGEMEEN Redelijke eisen van welstand ............................... 5 Welstand en erfgoed ............................................ 6 Algemene kwaliteitsprincipes .............................. 7 Grotere (her)ontwikkelingsprojecten .................. 9 Afwijken, handhaving en excessen ...................... 9

H2 2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5. 2.6. 2.7. 2.8.

KLEINE BOUWWERKEN Bijbehorend bouwwerk op erf ............................ 13 Dakkapel ............................................................. 15 Dakopbouwen ..................................................... 16 Gevelwijzigingen ................................................. 17 Erfafscheidingen .................................................. 18 Installaties ........................................................... 19 Rolluiken ............................................................. 20 Reclame ............................................................... 21

H3 3.1. 3.2. 3.3.

SPECIFIEKE GEBOUWEN Bollenschuren ..................................................... 23 Boerderijen ......................................................... 25 Strandbebouwing ................................................ 27

H4

GEBIEDEN

Noordwijk aan Zee 4.1. Historische dorpskern Noordwijk aan Zee .......... 32 4.2. Koningin Wilhelmina Boulevard .......................... 35 4.3. Koningin Astrid Boulevard ................................... 38

Noordwijk Binnen 4.4. Beschermd gezicht Noordwijk Binnen ................ 41 4.5. Winkelstraat Kerkstraat e.o. ............................... 44 Noordwijkerhout 4.6. Centrum Noordwijkerhout .................................. 46 4.7. Linten Noordwijkerhout ...................................... 48 4.8. Dorpskern De Zilk ................................................ 50 Woongebieden 4.9. Gemengde woongebieden .................................. 52 4.10. Planmatige woongebieden .................................. 56 4.11. Villabebouwing .................................................... 59 Bijzondere complexen 4.12. Sancta Maria en Noordwijkerduin ....................... 62 4.13. Sint Bavo .............................................................. 65 4.14. Complex Leeuwenhorst ....................................... 67 Overige gebieden 4.15. Bedrijventerreinen .............................................. 69 4.16. Landgoederen ..................................................... 72 4.17. Sport en recreatie ................................................ 74 4.18. Agrarisch landschap ............................................ 76 4.19. Kust- en duinlandschap ....................................... 78 Colofon Bijlagen Bijlage 1: begrippenlijst Bijlage 2: algemene kwaliteitsprincipes Bijlage 3: overzichtskaart welstandsgebieden en -niveaus

SCHEMA WELSTANDSBEOORDELING

Betreft uw bouwplan een vergunningvrij bouwwerk?

ja

Er vindt vooraf geen welstandsbeoordeling plaats bij vergunningvrije bouwwerken. Wel kan er sprake van een exces (zie paragraaf 1.5). Informatie over vergunningvrij bouwen kunt u onder meer verkrijgen bij de gemeente en de rijksoverheid.

ja

Hoofdstuk 2 KLEINE BOUWWERKEN Voor deze kleine bouwwerken zijn criteria opgenomen waarmee snel duidelijk wordt wanneer het plan in ieder geval aan redelijke eisen van welstand voldoet. Indien nodig worden in specifieke en bijzondere situaties ook de criteria voor specifieke gebouwen (H3) en gebieden (H4) gebruikt.

nee Is er sprake van een klein bouwwerk? - erfbebouwing (bijgebouw, aanbouw e.d.) - dakkapel - dakopbouw - gevelwijzigingen - erfafscheiding - installaties - rolluiken - reclame-uiting

Kleine bouwplannen in gebieden met een ‘eenvoudig’ welstandsniveau (H4) worden alleen beoordeeld als ze aan een voorkant worden geplaatst. Wel kan er bij bouwwerken aan de achterkant sprake zijn van een exces (zie paragraaf 1.5).

nee Is er sprake van een specifiek gebouw?

ja

- bollenschuur - boerderij - strandbebouwing

Hoofdstuk 3 SPECIFIEKE GEBOUWEN Bij de beoordeling wordt gekeken wat de effecten zijn van het (ver)bouwplan op het uiterlijk van deze specifieke gebouwen en de directe omgeving.

nee Is er sprake van een groter (ver)bouwplan, niet zijnde een groter (her)ontwikkelingsproject?

ja

Hoofdstuk 4 GEBIEDEN Een groter (ver)bouwplan wordt beoordeeld aan de hand van de gebiedsgerichte criteria in relatie tot de karakteristieken en ambities van het gebied.

nee Is er sprake van een afwijkend bouwplan en/of een ontwikkeling dat de bestaande ruimtelijke structuur en/of karakteristiek doorbreekt?

ja

Voor plannen die de bestaande structuur doorbreken of in hun architectuur afwijken van de omgeving kan worden afgeweken van de criteria of kan een aanvullend beoordelingskader nodig zijn (zie paragraaf 1.4 en 1.5).

1. ALGEMEEN Iedereen wil prettig wonen, winkelen, werken of wandelen. We moeten onze leefomgeving optimaal kunnen gebruiken en het geheel moet duurzaam en veilig zijn. Daarnaast willen we er ook van kunnen genieten. Het oog wil ook wat. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de economische waarde van de gebouwen en versterkt het vestigings- en woonklimaat. Waar mensen samenleven zijn gezamenlijke afspraken nodig. Met deze nota zijn wij ervan overtuigd dat de kwaliteit van de gebouwde omgeving goed kan worden besproken en beoordeeld. Deze Welstandsnota Noordwijk 2019 vervangt de welstandsnota’s van de voormalige gemeenten Noordwijkerhout en Noordwijk.

1.1. Redelijke eisen van welstand Wie in Nederland iets wil (ver)bouwen heeft in veel gevallen een omgevingsvergunning nodig. Bij een aanvraag voor een vergunning wordt onder andere bekeken of het plan voldoet aan ‘redelijke eisen van welstand’. Wanneer een bouwwerk in ieder geval voldoet aan ‘redelijke eisen van welstand’ is geregeld in deze nota. Wettelijk kader De welstandsbeoordeling is volgens artikel 12 van de Woningwet gericht op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, en moet zijn gebaseerd op door de gemeenteraad vastgestelde criteria. Deze nota bevat criteria voor omgevingsvergunningplichtige bouwwerken die op grond van het vigerende bestemmingsplan zijn toegelaten of waarvan de gemeente wil meewerken aan een afwijking (art.2.12 Wabo) van het bestemmingsplan. Daarnaast heeft deze nota betrekking op excessen van vergunningvrije bouwwerken. Het college van burgemeester en wethouders neemt het besluit om een omgevingsvergunning al dan niet te verlenen. Voordat zij een besluit nemen kunnen zij advies vragen. Het college mag zelf bepalen of advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke commissie of ambtelijk wordt uitgevoerd. De gemeente Noordwijk kiest ervoor om alle aanvragen voor te leggen aan de commissie. De commissie baseert haar advies op de criteria in deze nota.

Relatie met bestemmingsplannen Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken ‘voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening’. Datgene dat door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden. Het uiterlijk van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt met deze nota geregeld. Welstandscriteria kunnen waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan open laat invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan eveneens ruimte biedt voor alternatieven, kan een negatief advies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet in zo’n geval deze nota of vastgestelde uitwerkingen zoals beeldkwaliteitplannen daartoe de argumentatie leveren. Relatie met beeldkwaliteitplannen e.d. Deze nota is geen statisch document, maar kan aangevuld worden vanwege nieuwe ontwikkelingen of inzichten. De gemeente kan bij grotere ontwikkelingen een beeldkwaliteitplan, een aparte welstandsparagraaf of vergelijkbaar laten opstellen. De procedure en inhoudseisen zijn nader uitgewerkt in paragraaf 1.4. 'Grotere (her)ontwikkelingsprojecten'.

pagina 5

Door de gemeenteraad vastgestelde beeldkwaliteitplannen, welstandscriteria of vergelijkbaar maken onderdeel uit van deze nota. Deze kunnen door de commissie gebruikt worden als (aanvullend) beoordelingskader. De volgende beeldkwaliteitsplannen zijn ten tijde van vaststelling van deze welstandsnota vastgesteld als onderdeel van de welstandsnota: -

Boechorst (2000) Noordwijk aan Zee (2005) SpaceBusinesspark (2006) herontwikkeling Witte Mavo terrein (2011) Landgoed Sancta Maria (2013) Delfweg e.o. (bedrijventerrein en Abeelenpark) (2013) Winkels Centrum Noordwijkerhout (2011) Bavo-terrein (2016) Zoutdepot De Zilk (2016) Duineveld (2017) Schippersvaartweg Noordwijkerhout (2017) Offem Zuid 1e fase (2017) Johanna van Hoornstraat e.o. (2018) Offem-Zuid 2e fase (verwacht 2018) Northgo (verwacht 2018)

Gebruik van de nota De welstandsnota is niet bedoeld als leesboek, maar opgesteld als een naslagwerk. De nota bevat verschillende beoordelingskaders. De verschillende hoofdstukken bevatten de criteria, die de gemeente hanteert bij de beoordeling van bouwplannen. Wie wil weten welke criteria op een aanvraag van toepassing zijn, doorloopt het stroomschema op pagina 4. Indien gewenst kunnen bij de gemeente inlichtingen worden ingewonnen over de interpretatie van de welstandscriteria in relatie tot het beoogde bouwplan.

1.2. Welstand en erfgoed Noordwijk heeft een aanzienlijke hoeveelheid cultureel erfgoed. Dit erfgoed is divers, waarbij het agrarische erfgoed en de landgoederen het meest kenmerkend zijn. Het is de wens van de gemeente dit erfgoed te koesteren. Waarde en beleid Van belang voor cultureel erfgoed is allereerst de waarde van het object op zich. Elk pand of bouwwerk heeft een eigen architectuur en daarmee wat betreft de vormgeving een eigen logica. Daarnaast is er veelal sprake van ensemblewaarde, die voor (voormalige) boerderijen een andere logica heeft dan voor een kerk met pastorie of de bebouwing op een landgoed. Om recht te doen aan de bijzondere waarde stelt de gemeente aanvullende eisen aan plannen voor en binnen de invloedssfeer van cultureel erfgoed. De gemeente wenst de ontwikkeling in beginsel te beperken tot het versterken of herstellen van historisch wenselijke eigenschappen danwel het faciliteren van nieuw gebruik met als doel het behoud van de erfgoedwaarde. Aanpassingen betreffen in de regel kleine wijzigingen, die het aanzien van de gebouwen niet schaden zoals bescheiden dakkapellen aan de achterzijde of bijgebouwen uit het zicht vanuit de openbare ruimte. Ingrijpende wijzigingen zijn uitzonderingen, die in de regel zorgvuldig en terughoudend in het bestaande beeld moeten worden ingepast.

pagina 6

De gemeente zet in op behoud danwel versterking van het cultuurhistorisch karakter van de gebouwen, waarbij voor kleine wijzigingen een gelijke architectuur uitgangspunt is maar voor grotere wijzigingen een meer eigentijdse architectuur eveneens passend kan zijn. Bij de beoordeling van kleinere wijzigingen zal de commissie onder meer de inpassing daarvan in de ordening op het erf en het karakter van het pand bezien waarbij onder meer aandacht zal worden geschonken aan de architectonische uitwerking met inbegrip van materiaal- en kleurgebruik. Bij de beoordeling van eventuele grotere wijzigingen zal de commissie met name aandacht schenken aan een grote mate van terughoudendheid met een nadruk op de plaatsing ten opzichte van enerzijds de openbare ruime met inbegrip van het landschap en anderzijds het object of ensemble op zich, een terughoudende vormgeving met inbegrip van materiaal- en kleurgebruik. Zonder wijzigingen en nieuwbouw onmogelijk te maken, heeft herstel van historisch wenselijke eigenschappen prioriteit. Omdat cultureel erfgoed vraagt om een specifieke benadering zal bij de beoordeling eveneens kunnen worden teruggegrepen op het vakmanschap van de ontwerper zoals bedoeld en beschreven in de algemene kwaliteitsprincipes. Uitgangspunten Bij aanpassingen aan cultureel erfgoed gelden de volgende algemene uitgangspunten: -

-

wijzigingen spelen in beginsel een ondergeschikte rol in het aanzien van het object en zijn in stijl, maat, schaal en detaillering zorgvuldig afgestemd op (cultuurhistorische delen van) het object, en; bij aanpassingen blijft de hoofdvorm van het gebouw duidelijk herkenbaar, en; het zicht op het monumenten of beeldbepalend panden blijven vrij.

1.3. Algemene kwaliteitsprincipes De algemene kwaliteitsprincipes richten zich op het vakmanschap. In bijzondere situaties wanneer de gestelde welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op deze algemene kwaliteitsprincipes. Dit kan zijn als een bouwplan past binnen de criteria voor objecten of gebieden en toch duidelijk onder de maat blijft of als het afwijkt van de omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet. De algemene criteria zijn nader toegelicht in bijlage 2. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of de omgeving groter is.

Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.

pagina 7

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Noordwijkse Stijl (Noordwijk aan Zee) Als we vorm willen geven aan Noordwijk aan Zee als bijzondere plaats die aantrekkelijk is voor bewoners en bezoekers is het architectonisch beeld daarvoor een belangrijk middel. Gewone gebouwen moeten een beetje op het gebouw links ernaast en op het gebouw rechts ernaast lijken, bijzondere gebouwen mogen best een beetje bijzonder zijn. Maar niet alle gebouwen zijn zo bijzonder dat ze ook allemaal mogen afwijken.

Om de bandbreedte te definiëren waarbinnen de architectonische ontwikkeling van Noordwijk aan Zee zou moeten plaatsvinden dient de volgende lijst van kenmerken van kustarchitectuur: -

-

-

-

-

-

-

Opbouw van de gevel volgens: basis, middenstuk, top. Gebouwen staan op de grond met een duidelijke voet (de basis) en hebben een herkenbare, goed vormgegeven dakbeëindiging (de top). Beëindiging van het gebouw aan de bovenzijde door dak of lijst. Kapvormen dragen het meest bij in de vorming van een herbergzame en gemoedelijke badplaats. Het maakt grote gebouwen minder groot doordat de dakgoot dichter bij het maaiveld ligt. Geleding in de breedte van gebouwen die meer dan twee traveeën breed zijn. Een goede geleding is belangrijk bij grote gebouwen. Het breekt de aaneengeslotenheid en maakt een gebouw beter leesbaar. Expressie aan deur en raamopeningen; geen eindeloos herhalende patronen. Een raam is meer dan een gat in de gevel, ze zijn te zien als ogen. Die worden omlijnd door wimpers, wenkbrauwen en zelfs make-up. Toevoegingen als erkers en torens als expressie van plekken van uitzicht. Deze toevoegingen zijn uitnodigend en geven het gebouw speciale accenten. Buitenruimten: Loggia’s als onderdeel van de gevelopbouw, niet als geponst gatenpatroon en balkons als individuele expressieve elementen, niet als abstracte patronen. Buitenruimten als toevoegingen, niet als structurerend element in de gevel. Tektonische elementen die aaneengesloten gevelvlakken breken geven schaduwwerking. De constructie van gebouw kan hierdoor bijdragen in de architectonische beleving.

Materialen voor gevels: baksteen, hout, stucwerk op kleine vlakken. Materialen daken: pannen, zink, koper en riet. Kleurenpalet: witte ramen en lijsten, baksteen, hout, stucwerk in lichte kleuren.

Met het opnemen van de ontwikkeling van een ‘Noordwijkse Stijl’ is één van de expliciete doelstellingen uit het Beeldkwaliteitplan Noordwijk aan Zee (2005) om Noordwijk een eigen gezicht te geven in de welstandsnota verankerd.

pagina 8

1.4. Grotere projecten De welstandsnota bevat geen criteria voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. Dit is het geval indien sprake is van een functiewijziging ten opzichte van de gebiedenkaart uit hoofdstuk 4, zoals bijvoorbeeld nieuwe woon- en werkgebieden in agrarisch gebied, waarbij de gebiedsgerichte welstandscriteria voor het betreffende gebied niet toereikend zijn voor een goede beoordeling. Dergelijke welstandscriteria kunnen niet worden opgesteld zonder dat er een concreet stedenbouwkundig plan aan ten grondslag ligt. Het opstellen van welstandscriteria voor (her)ontwikkelingsprojecten kan een onderdeel zijn van de stedenbouwkundige planvoorbereiding. Zodra zo’n (her)ontwikkelingsproject aan de orde is zal de gemeenteraad de welstandscriteria daarvoor vast moeten stellen door middel van een welstandsparagraaf als aanvulling op deze nota. Dit kan ook in de vorm van een beeldkwaliteitplan of vergelijkbaar, die dan vastgesteld wordt als onderdeel van de welstandsnota. Voor dergelijke aanvullingen op de welstandsnota geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere inspraakregeling bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding.

1.5. Afwijken, handhaving en excessen De criteria kunnen ontoereikend zijn bij situaties die we nu niet voorzien. In deze gevallen kan er behoefte ontstaan om af te wijken van de criteria of het advies. Afwijken van de criteria Het kan voorkomen dat de criteria ontoereikend zijn. Daarom kan het college van burgemeester en wethouders, na schriftelijk en gemotiveerd advies van de commissie, afwijken van de criteria. Daarbij geldt de stelregel: het is redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. In de praktijk betekent dit dat de aanvraag op grond van de algemene kwaliteitsprincipes wordt beoordeeld. Ook wanneer een bouwwerk past binnen de criteria, maar de kwaliteit zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden, kan afgeweken worden van de criteria. De commissie kan het college van burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de criteria. Afwijken van het advies Het college van burgemeester en wethouders volgt in zijn oordeel in principe het advies van de commissie. Het college kan afwijken van het advies op inhoudelijke gronden of om andere redenen, bijvoorbeeld van economisch of maatschappelijk belang.

Indien het college afwijkt van het advies wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de vergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Het college is uiterst terughoudend met het gebruik van deze mogelijkheid.

Handhaving De gemeente geeft met deze nota regels voor het welstandstoezicht en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. Als voor een vergunningplichtig bouwwerk geen omgevingsvergunning is aangevraagd, danwel het bouwwerk na realisering afwijkt van de tekeningen waarop de omgevingsvergunning is afgegeven, krijgt de eigenaar de gelegenheid om (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor het bouwwerk. Als de omgevingsvergunning moet worden geweigerd vanwege een negatief advies van de commissie, dan zal de eigenaar de situatie moeten veranderen. pagina 9

Excessen Volgens artikel 12, lid 1 van de Woningwet (Ww) mag een bestaand bouwwerk niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria zoals opgenomen in deze nota. In dat geval spreken we van een exces. Dat betekent dat het uiterlijk van een bouwwerk sterk afwijkt van en afbreuk doet aan de omgeving. Ook vergunningvrije bouwplannen die niet vooraf worden getoetst moeten passen in het beeld van de gemeente. Bij het toepassen van deze excessenregeling wordt het criterium gehanteerd dat bij een bouwwerk of deel daarvan sprake moet zijn van onmiskenbare strijdigheid met de in deze nota opgenomen criteria, en/of een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor nietdeskundigen duidelijk is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Daarbij geldt, dat er eerder sprake is van strijdigheid naarmate een bouwwerk meer zichtbaar is vanuit de openbare ruimte. Een exces heeft vaak betrekking op: -

Het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving. Bijvoorbeeld de plaatsing van een schuur of hoge schutting voor de voorgevel of het dichttimmeren van gevelopeningen die het zicht op een bouwwerk hinderen. Maar ook het plaatsen van een ondoorzichtige erfafscheiding of bouwwerken op locaties die juist om openheid vragen.

-

Het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden. Aanpassingen aan een bouwwerk kunnen de architectonische bijzonderheden van een pand zodanig beschadigen dat het in strijd is met redelijke eisen van welstand. Waaronder ook aantasting van de kenmerkende hoofdvorm van karakteristieke bebouwing zoals de bollenschuren. Een toegevoegd wezensvreemd element dat de architectuur van een pand ontkent, kan het oorspronkelijk karakter van een bouwwerk (deels) teniet doen, net als achterstallig onderhoud aan de buitenzijde van een bouwwerk. Van een andere orde zijn bouwwerken die door een calamiteit geheel of gedeeltelijk onherstelbaar zijn beschadigd. Het in stand laten van dit soort objecten kan een exces zijn.

-

Armoedig materiaalgebruik. Omdat materialen die niet geschikt zijn als bouwmateriaal kunnen leiden tot een armoedige en ook gevaarlijke situaties, kan de gemeente op basis van welstand verlangen dat een ander materiaal wordt gebruikt.

-

Felle of contrasterende kleuren. Het toepassen van felle kleuren of kleuren die contrasteren met de directe omgeving, kan leiden tot een onrustig beeld en is daarom welstandshalve ongewenst.

-

Te opdringerige reclames. Een veelheid of hinderlijk in het oog springende reclame kan een exces zijn.

-

Een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is. Een gevel kan door een veelvoud van kleine toegevoegde elementen te veel uit de toon vallen. Daarnaast kunnen een of meerdere nieuwe gebouwen de samenhang in een gebied verstoren doordat de kenmerken hiervan teveel afwijken van wat gebruikelijk is.

pagina 10

2. KLEINE BOUWWERKEN De gemeente streeft ernaar veel voorkomende kleine bouwwerken snel te beoordelen om zo de aanvrager tegemoet te komen. Het gaat daarbij om relatief eenvoudige en meetbare criteria, die de planindiener vooraf zo veel mogelijk duidelijkheid geven. Vergunningvrij bouwwerk Een vergunningvrij bouwplan wordt niet vooraf getoetst aan welstandscriteria. U kunt op www.omgevingsloket.nl nagaan wanneer een bouwplan vergunningvrij is. Er kan bij vergunningvrije bouwwerken wel sprake zijn van een exces, waardoor achteraf toezicht mogelijk is. Welstandsbeoordeling Indien een bouwwerk niet vergunningvrij is, is een welstandstoets nodig. In dit geval treedt het bestemmingsplan in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als het bestemmingsplan geen bezwaar oplevert, wordt het bouwplan getoetst aan de criteria. De kleine bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand als: -

het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde criteria, of; het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving afgestemd is op een standaardplan in het bouwblok of straat (bij gelijkvormige kapvorm/woningtype) of; het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een door een architect vooraf ontworpen exemplaar voor een woonwijk/-blok.

Voldoet het bouwplan niet aan de criteria of is er sprake van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt bij de beoordeling van het bouwplan tevens gebruik maakt van de criteria voor specifieke gebouwen en/of gebieden en de algemene kwaliteitsprincipes. Van een bijzondere situatie is in ieder geval sprake in beschermde stads- of dorpsgezichten en bij, op of aan aangewezen beschermde monumenten en andere specifieke gebouwen (hoofdstuk 3). Voor kleine bouwplannen in het beschermde dorpsgezicht Noordwijk Binnen zijn in de gebiedsuitwerking (paragraaf 4.4.) aanvullende welstandscriteria opgenomen. Standaardplan Een standaardplan is een plan, dat in vergelijkbare situaties als uitgangspunt gehanteerd kan worden. Ook als deze enigszins afwijkt van de criteria. Het zijn plannen die navolging verdienen, waarbij met name een gelijke uitvoering van belang is. Van belang daarbij zijn de architectonische verhoudingen, materiaal en kleur. Niet ieder bouwwerk is automatisch een standaardplan. Een eerder op dezelfde woning of hetzelfde bouwblok goedgekeurd plan is dit in de regel wel. Ook een oorspronkelijke optie voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een standaardplan is van toepassing op een bouwblok, cluster of een groter gebied.

Wijze van meten Alle in de welstandscriteria genoemde afstanden zijn loodrecht gemeten, tenzij anders aangegeven. Het uitgangspunt is dat gemeten wordt vanaf het aansluitende afgewerkte terrein, waarbij plaatselijke niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk buiten beschouwing moeten blijven. Dit is de staat van het terrein zoals gelegen direct aansluitend aan het bouwwerk, zoals dat na de voltooiing van de bouw is afgewerkt. De hoogte van erf- en perceelsafscheidingen wordt gemeten aan de kant waar het aansluitende afgewerkte terrein het hoogst is.

pagina 11

Voor- en achterkant Vanuit welstandsoptiek is het bouwen aan de voorkant in het algemeen van grotere invloed dan het bouwen aan de achterkant. Met het oog op behoud van kwaliteit worden bouwwerken aan de voorkant altijd kritischer beoordeeld. Daarom wordt in de welstandscriteria waar nodig onderscheid gemaakt in ‘achtererfgebied’ en ‘voorerfgebied’. Voor de definitie van het achter- en voorerfgebied sluit deze nota aan bij de definitie zoals bedoeld in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Daarin wordt met ‘achtererfgebied’ (achterkant) het erf bedoeld achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1.00 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. Ook openbaar toegankelijk vaarwater wordt aangemerkt als openbaar toegankelijk gebied.

hoofdbebouwing en voorkant achtererfgebied voorerfgebied openbaar groen openbaar vaarwater openbare weg

pagina 12

2.1. Bijbehorende erfbebouwing Met ‘bijbehorend erfbebouwing’ wordt bedoeld een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Bijvoorbeeld aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken met een dak. Zonder hoofdgebouw kan er op het perceel geen sprake zijn van bijbehorende erfbebouwing. Er is onderscheid in:

Aangebouwd bouwwerk

-

Aangebouwd bouwwerk: Een toevoeging aan de begane grondgevel van een gebouw, zoals een aan- of uitbouw, erker, garage e.d.

-

Losstaand bouwwerk: Een bouwwerk met (af)dak dat los van het hoofdgebouw op het erf staat zoals een schuur, tuinhuis, carport, dierenverblijf, planten- of groentenkas, e.d.

Criteria aangebouwd bouwwerk Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. -

Aanbouw vormgegeven als één bouwlaag met rechthoekig plattegrond en passend materiaal en kleurgebruik.

-

Het bouwwerk is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw. Hoogte tot maximaal 0.30 m. boven de verdiepingsvloer en niet hoger dan het hoofdgebouw. Vormgeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond. Materialen en kleuren gelijk aan hoofdgebouw of uitvoeren als serre of overkapping. Bij tussenwoningen een overgang toepassen door bijvoorbeeld een gemetselde muur op de erfgrens (serres beëindigen met horizontaal gemetselde gevels).

Aanvullend Voor de normale, bijzondere en beschermde welstandsgebieden gelden de volgende aanvullende criteria: -

Hoekaanbouwen alleen aan achterkanten. Hoogstens één aangebouwd bouwwerk per gevel. Bouwwerk direct tegen het hoofdgebouw plaatsen of een bestaande aanbouw vergroten in identieke vormgeving. Hoogte minimaal 0.50 m. onder de gootlijn van het hoofdgebouw. Plat afdekken of in het achtererfgebied voorzien van een eenvoudige kap of serredak. Overkapping is minimaal aan twee zijden open. Geleding, indeling en kozijnprofielen afstemmen op het hoofdgebouw. In ieder geval aan de voorkant voorzien van ramen, met uitzondering van overkappingen. Vormgeving afstemmen op het hoofdgebouw met een bescheiden detaillering zonder nadrukkelijke ornamenten. Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.

pagina 13

Criteria losstaand bouwwerk Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. -

Afstand tot erfgrens en erfafscheiding minstens 0.50 m. of in materiaal en kleur integreren in de erfafscheiding. Afstand tot gevels van het hoofdgebouw minimaal 2.00 m. In het voorerfgebied hoogte maximaal 3.00 m. Vormgeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond. Materialen en kleuren gelijk aan hoofdgebouw danwel afstemmen op tuinkarakter en uitvoeren in traditionele materialen zoals hout en baksteen. Losstaand bouwwerk

Aanvullend Voor de normale, bijzondere en beschermde welstandsgebieden gelden de volgende aanvullende criteria: -

Per erf één of twee bijgebouwen of een bestaande losstaand bouwwerk vergroten in identieke vormgeving. Plaatsen vanaf 1.00 m achter de voorgevellijn. Hoogte maximaal 3.25 m. of bij toepassing kap maximaal 4.50 m. Plat afdekken of in het achtererfgebied voorzien van een eenvoudige kap. Overkapping is minimaal aan twee zijden open. Bescheiden detaillering zonder nadrukkelijke ornamenten. Bij integratie met erfafscheiding materiaal- en kleurgebruik gelijk aan erfafscheiding (bijvoorbeeld beide metselwerk). Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.

pagina 14

Bijgebouw in passende vormgeving, materialen en kleuren.

2.2. Dakkapellen Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap van een gebouw, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar oppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn in het algemeen een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak. Desondanks zijn dakkapellen, als ze zichtbaar zijn, voor het straatbeeld zeer bepalend. Het is daarom wenselijk dakkapellen aan de achterkant te situeren. Criteria Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen.

Dakkapel

-

Bij meerdere dakkapellen regelmatig rangschikken op horizontale lijn.

-

De dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw. Geen dakkapel op bijgebouw, aan- of uitbouw. Bij meerdere dakkapellen regelmatig rangschikken op horizontale lijn (bovenlijn aanhouden). De dakkapel raakt de gootlijn als dit bijdraagt aan de architectuur van de gevel als onderdeel van de straatwand. Bescheiden detailleren zonder nadrukkelijke ornamenten. Minstens 0.50 m. dakvlak naast en boven de dakkapel. Bij schilddaken de kleinste afstand hanteren voor bepalen van de afstand tot dakrand. Tussen 0.50 en 1.00 m. dakvlak onder de dakkapel. Hoogte op het voordakvlak maximaal 1.50 m. Breedte op het zij- en voordakvlak hoogstens 60% van het dakvlak. Op het achterdakvlak is volledige breedte van dakvlak mogelijk, mits in plaatsing en maatvoering aansluitend op reeds aanwezige dakkapellen. Plat afdekken of afstemmen op dakkapellen in hetzelfde bouwblok. Bij een vrijstaand hoofdgebouw met een dakhelling groter dan 45° desgewenst een aangekapte dakkapel op het achter- of zijdakvlak. Aangekapte dakkapel t.o.v. dakvlak in maatvoering ondergeschikt en in verhouding uitvoeren.

Aanvullend Voor de normale, bijzondere en beschermde welstandsgebieden gelden de volgende aanvullende criteria: -

Op het voordakvlak hoogstens één dakkapel per woning per dakvlak. De dakkapel is gelijkvormig aan aanwezige dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok. Op een mansardedak alleen in het onderste deel van het dakvlak, met de bovenkant gelijnd aan de knik in het dakvlak. Op individuele woning centreren in het dakvlak of lijnen aan geleding gevel. Hoogte op het zij- en achterdakvlak maximaal 1.75 m. Indeling en profielen van kozijnen afgestemd op die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw. Materiaal- en kleurgebruik afgestemd op het hoofdgebouw. Kleur zijwanden is donker of zinkgrijs. Kunststof is mogelijk als de detaillering en profilering overeenkomt met de kozijnen en raamhout van het hoofdgebouw. Zijwanden niet voorzien van glas. Voorvlak grotendeels van glas, dichte panelen zijn ondergeschikt. Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.

pagina 15

2.3. Dakopbouwen Een dakopbouw wordt op een gebouw geplaatst, waarbij een nieuwe ruimte ontstaat of een bestaande ruimte wordt vergroot. Doel van een dakopbouw is de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Bij meerdere dakopbouwen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. De gemeente gaat zeer terughoudend om met het toestaan van dakopbouwen op zadeldaken van rijenwoningen binnen de grenzen van de voormalige gemeente Noordwijk. Alleen bloksgewijs bijvoorbeeld bij renovatie of nieuwbouw waar dit in het ontwerp is meegenomen zijn dakopbouwen bij zadeldaken mogelijk. In sommige bestaande straten en buurten zijn dakopbouwen ongewenst, bijvoorbeeld de Albert Verweijstraat.

Dakopbouw door enkelzijdige nokverhoging

Criteria Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. -

Eén dakopbouw per woning. In Mossenest I geen dakopbouwen plaatsen. Het hoofdgebouw heeft minstens twee bouwlagen en een plat dak of een symmetrisch zadeldak met een bestaande stahoogte van minimaal 2.00 m. Bij meerdere dakopbouwen regelmatig rangschikken op horizontale lijn (bovenlijn). Geleding, detaillering, materiaal- en kleurgebruik afgestemd op het hoofdgebouw. Daglichttoetreding door gevelvensters of dakramen. Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.

op hellende daken: Plaatsing aan de achterzijde. Naastgelegen dakopbouwen sluiten op elkaar aan. Gemetselde schoorstenen waar mogelijk respecteren. Nokverhogingen: o op samenhangende rijwoningen met de nok evenwijdig aan de voorgevel; o alleen enkelzijdig door verlengen van het voordakvlak (kozijn aan achterzijde); o op enige afstand van de zijgevels beëindigen; o de goot van de nokverhoging is gelijk aan de daknok of lager; o de hellingshoek is gelijk aan het bestaande dak; o kozijn is tussen de 0.90 en 1.20 m. hoog, onderkant direct aansluiten op dakvlak. Geveldoortrekking: o niet hoger dan minimaal 0.20 m. onder de bestaande nok; o in dezelfde materiaal en kleur als de oorspronkelijke gevel (aanhechten) of uitgevoerd met houten beschotting; o bij aanhechting doorgaande elementen als dakgoten en daklijsten verwijderen. op platte daken: In beginsel terugliggend vanaf de voorgevel. Als de dakopbouw wordt geplaatst gelijk aan het voorgevelvlak, dient er bijzondere aandacht te worden besteed aan de vormgeving, detaillering en materialisatie van de overgang tussen bestaande gevel en dakopbouw (eenheid pand blijft gehandhaafd). Maximaal één bouwlaag. Bij rijwoningen in vorm, maat en noklijn aansluiten op de belendingen. Bij rijwoningen noklijn evenwijdig aan de gevel. Eventuele terrashekwerken minstens 0.20 m. terugleggen van de gevel.

Doorgaande elementen als dakgoten en daklijsten behouden. pagina 16

Nokverhoging alleen door doortrekken van voordakvlak waardoor de nok verhoogd en naar achter verschuift

Dakopbouw op plat dak in beginsel terugliggend vanaf de voorgevel. Bij plaatsing gelijk aan voorgevel met bijzondere aandacht vormgeven.

Dakopbouw op plat dak met een kap. Eenheid van pand blijft gehandhaafd.

2.4. Gevelwijzigingen Van een gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. De opbouw en indeling van de gevel is een belangrijk onderdeel van de architectonische vormgeving van het gebouw en het aanzicht van de straat. Samenhang en ritmiek van een gebouw of van straatwanden dienen behouden te blijven. Een naoorlogse woning vraagt bijvoorbeeld om andere vormgeving dan een historisch pand uit de 19de eeuw. Belangrijke te handhaven kenmerken daarbij zijn de maatvoering van de negge en profilering van het kozijn en het raamhout.

Gevelwijziging

Criteria Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. -

Samenhang en ritmiek van hoofdgebouw en/of straatwand behouden. Een nieuwe of het vergroten van een bestaande gevelopening in lijn met de bestaande geleding en indeling van de gehele gevel. Plaatsing binnen gevelvlak. Geen uitstekende onderdelen. Profilering kozijnen monumenten en beeldbepalende panden blijft gelijk. Vormgeving beeldbepalende panden en monumenten gelijk aan de architectuur en het tijdsbeeld van de oorspronkelijke gevel, indeling en detaillering. Materiaal- en kleurgebruik afgestemd op het hoofdgebouw. Kunststof is mogelijk als de detaillering en profilering overeenkomt met de kozijnen en raamhout van het hoofdgebouw. Gevelopeningen niet blinderen met panelen of schilderwerk. Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.

Bestaande gevelindeling, materiaal- en kleurgebruik respecteren bij wijziging.

pagina 17

2.5. Erfafscheidingen Een erfafscheiding is bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Erfafscheidingen aan de openbare ruimte zijn van invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen. Criteria Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. -

Eenduidige vormgeving (geen combinatie van diverse vormen en materialen). Materialen als metselwerk, hout of (te begroeien) metalen spijlen aansluitend op erfafscheiding naastgelegen percelen. Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.

Erfafscheiding

Aanvullend Voor de normale, bijzondere en beschermde welstandsgebieden gelden de volgende aanvullende criteria: -

-

Hoogte maximaal 1.00 m. in het voorerfgebied. Hoogte maximaal 2.00 m. in het achtererfgebied. Vormgeving afstemmen op afscheiding naastgelegen perceel tenzij deze niet voldoet aan de hier genoemde criteria. Metselwerk afgestemd op metselwerk hoofdgebouw, waarboven mogelijk metalen spijlen, schotten houten planken tussen gemetselde penanten of begroeide rasterwerken. Bestendig houtwerk om en om aangebracht. Volledig te begroeien open gaas- of hekwerk, als drager voor beplanting. Het gebruik van betonnen elementen beperken tot onderplaten of palen met daartussen hout- of te begroeien rasterwerk. Geen toepassing van kunststof, golfplaat, damwandplaat, rietmatten of vlechtschermen.

pagina 18

Erfafscheiding met volledig te begroeien open gaas- of hekwerk.

2.6. Installaties Kleine installaties voor bijvoorbeeld airconditioning, antennes, warmtepompen e.d. kunnen vrijstaand worden geplaatst of op of aan een bouwwerk worden aangebracht. Een zorgvuldige plaatsbepaling uit het zicht vanaf het openbaar toegankelijk gebied kan een goed middel zijn om deze voorzieningen in te passen in de omgeving. Criteria Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen.

Kleine installaties is een verzameling aan technische toestellen die in de tuin of op en aan een gebouw worden aangebracht. Bijv. warmtepomp, antennes e.d.

-

Aanvullend Voor de normale, bijzondere en beschermde welstandsgebieden gelden de volgende aanvullende criteria: -

Plaatsing buitenunit van warmtepompen achter de voorgevellijn en passend uitgevoerd.

Meerdere installaties per pand clusteren (eventueel afschermen). Hoogte relateren aan nabijgelegen bebouwing. Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.

-

Bij grotere nieuw- of verbouwplannen zijn installaties geïntegreerd meegenomen in (de architectuur van) het hoofdgebouw. Achter de voorgevellijn. Bij gestapelde woningbouw op het platte dak plaatsen danwel op of aan het balkon binnen het vlak van het balkon. De installaties zijn ondergeschikt en laten de architectuur van het gebouw in tact. Installatie en bijbehorende voorzieningen als één geheel vormgeven. Zo veel mogelijk niet zichtbaar of inpandig. Terughoudende en ondergeschikte vormgeving. De installatie heeft een kleurstelling overeenkomstig of harmoniserend met hoofdgebouw passend in gevel of dakvlak, of zijn uitgevoerd in een zwarte of grijze kleur, of in een andere neutrale niet opvallende kleur.

pagina 19

2.7. Rolluiken Rolluiken zijn voorzieningen om glazen puien van gebouwen te beschermen. Deze voorzieningen kunnen de omgeving een rommelig of opgesloten aanzien geven. Daarom stimuleert de gemeente in de eerste plaats het toepassen van alternatieve oplossingen zoals geweldbestendig glas of elektronische beveiligingssystemen. Criteria Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. -

-

Minimaal 2.00 m. teruggelegen van de uitwendige scheidingsconstructie (pui); Of aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie (pui), mits: o voor minimaal 70% bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen; Of aan de buitengevel, mits: o voor minimaal 80% bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen; o rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel worden ingepast. Ingetogen en/of materiaaleigen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met interieur of gevel.

Plaatsing minimaal 2.00 m. achter pui.

Plaatsing direct achter pui en minimaal 70% open.

Plaatsing voor pui en minimaal 80% open.

pagina 20

2.8. Reclame Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. In gebieden met commerciële functies zijn reclames op zijn plaats en verhogen ze de visuele aantrekkingskracht van de omgeving, hoewel daar een kritische grens aan verbonden is. Ook in de openbare ruimte is reclame in beperkte mate toelaatbaar. Criteria Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. Reclame aangebracht in het centrum van Noordwijkerhout wordt aanvullend getoetst aan de richtlijnen uit het beeldkwaliteitplan ‘Winkels centrum Noordwijkerhout’ (2011). Voor de voormalige gemeente Noordwijk gelden de richtlijnen voor reclame en uitstallingen zoals opgenomen in de beleidsnota ‘Hallo ..! Ben ik in beeld?’ (2013) Reclame aan de gevel per pand aanbrengen en zoveel mogelijk op elkaar afstemmen en beperken.

-

Alleen reclame voor bedrijfsnaam, diensten of producten die in het pand plaatsvinden respectievelijk worden verkocht. Reclame plaatsen met behoud van uitzicht op of vanaf de openbare ruimte (voorkom hinder voor voetgangers en ander verkeer). Reclame in buitengebied zoveel mogelijk beperken en afstemmen op omgeving. Reclame als zelfstandig element vormgeven. Geen bewegende delen, onverlicht of aangelicht (geen lichtkrant of veranderlijk licht).

Gevelreclame Plaatsing loodrecht op, of evenwijdig en vlak aan de gevel op bouwlagen met winkelof bedrijfsbestemming (voorkom hinder voor woningen in de omgeving). Hoogstens één vlakke en één haakse reclame per gevel of gebruiker. Aan de gevel op minstens 0.50 m. uit de hoeken van de hoofdmassa. Ondergeschikt aan gebouw (onder de kozijnen van de eerste verdieping), op bedrijventerrein losse letters ook bovendaks. Vlakke reclame tot een breedte van 60% van het pand en een hoogte tot 1.00 m., haakse reclame hoogstens 0.50 m2. Aan of bij woningen met praktijk aan huis in totaal hoogstens 0.50 m2. bestaande uit naam- en beroepsaanduiding (eventueel aangelicht). Afstemmen op hoofdgebouw en architectuur van de gevel (bij voorkeur naamsvermelding uit losse letters), kleuren zijn ingetogen. Vrijstaande reclame Vrijstaande reclame in principe alleen op bedrijventerreinen bij de entree van het erf of op een parkeerterrein en in beperkte mate in het buitengebied: Hoogstens één losse reclame per erf, aantal vlaggenmasten afhankelijk van grootte van het pand en het erf. In beginsel maximaal 1.00 m. breed en hoog. Een vrijstaande reclamezuil maximaal 6.00 m. hoog en lager dan hoofdgebouw. Reclame in de openbare ruimte Tweezijdige borden aan gemeentelijke lichtmasten met behoud van doorrijhoogte, maximaal 0.50 m breed en hoog en eventueel uitvoeren als lichtbak.

Onverlichte driehoeksborden alleen aan gemeentelijke lichtmasten. In abri’s tweezijdig lichtbak die dient als zijwand van de overkapping. Een gezamenlijk uniform vormgegeven verwijzingsbord bij de entree van bedrijventerrein, winkelgebied/-centrum of invalsweg. pagina 21

3. SPECIFIEKE GEBOUWEN In Noordwijk zijn enkele gebouwtypen benoemd als bouwwerken waarvoor een beoordelingskader met ‘eigen’ welstandscriteria kan worden opgesteld. De opzet van deze objectgerichte beoordelingskaders is vergelijkbaar met de gebiedsgerichte beoordelingskaders. Naast gebiedsgerichte welstandsniveaus (hoofdstuk 4) is ook het vaststellen van het welstandsniveau voor deze specifieke bouwwerken van belang. Dit beoordelingsniveau sluit aan bij het gebiedsgerichte kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen, maar kan ook een eigen specifiek op het gebouw gerichte beoordelingsniveau hebben. In theorie zijn voor de specifieke gebouwen de volgende welstandsniveau’s mogelijk: -

-

-

Door het Rijk, de provincie of de gemeente aangewezen monumenten. De welstandsbeoordeling is gericht op het op hoog kwaliteitsniveau handhaven, herstellen en versterken van de historische karakteristieken van de gevel en de samenhang van het monument met zijn omgeving. Het is niet noodzakelijk gebleken om voor alle monumenten expliciete welstandscriteria op te stellen omdat de algemene, gebiedsgerichte- en objectgerichte welstandscriteria kunnen worden gebruikt. Bijzonder niveau waarbij extra inspanning ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit gewenst is. Het welstandstoezicht wordt gericht op het voorkomen van aantasting van de karakteristieken en het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. Het kwaliteitsniveau van ingrepen aan deze bouwwerken moet hoog zijn. Normaal niveau waarbij de basiskwaliteit moet worden gehandhaafd. De gemeente stelt geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit maar heeft wel toegesneden welstandscriteria opgesteld omdat de gebiedsgerichte welstandscriteria niet altijd bruikbaar zijn. Het welstandstoezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van deze bouwwerken.

Het aanwijzen van welstandsvrije bouwwerken of gebouwen anders dan in de wet genoemd, wordt in Noordwijk niet wenselijk geacht.

pagina 22

3.1. Bollenschuren Bollenschuren komen verspreid over de gehele streek voor en dienden niet alleen voor het bewaren en drogen van de bollen maar ook voor het prepareren voor de volgende oogst. Oorspronkelijk waren de schuren eenvoudige opslagplaatsen, later ontwikkelden zij zich tot hoogwaardig ingerichte en klimatologisch gereguleerde gebouwen waar temperatuur en luchtvochtigheid nauwkeurig gecontroleerd moeten worden. Van de oudere bollenschuren zijn er door het verlies van de oorspronkelijke functie niet veel bewaard gebleven. Kenmerkend voor de omgeving van de schuren zijn de landschapselementen, gevormd door velden en sloten en door (beuken)hagen en hoge wegen. Bij de oudere exemplaren werden in de gevels, zowel op de begane grond als op de verdieping, droogdeuren aangebracht, zodat zonlicht en ventilatie enigszins geregeld konden worden. Hierdoor ontstond het kenmerkende beeld van rijen openslaande deuren en ramen. Later werden er ventilatoren geplaatst voor een betere luchtcirculatie en werden de bollen op temperatuur gehouden door een klimaatinstallatie. Hiermee kwamen ook de droogdeuren in de gevel te vervallen, en kreeg de gevel een meer gesloten uiterlijk. De stellingen voor de opslag van de bollen maakten doorgaans deel uit van de constructie van de schuur. Deze schuren stonden vaak dicht bij de kwekerswoning of vormden hiermee zelfs een geheel.

De latere schuren werden buiten de bebouwde kom in het vrije bollenveld neergezet. Voor een goede aan- en afvoer werden de schuren langs sloten en wegen geplaatst. De schuren komen voor met een simpele opzet en eenvoudige rechthoekige plattegrond tot rijk gedecoreerde en architectonisch beeldbepalende bouwwerken. Vaak staan ze met de korte zijde naar de weg gericht. De opbouw varieert van één bouwlaag met een flauw hellend zadeldak of een mansardedak, tot soms drie lagen met een plat dak. De eerste bollenschuren werden opgebouwd uit hout met gepotdekselde geveldelen. De stenen bollenschuren zijn opgebouwd uit metselwerk, soms verfraaid met siermetselwerk of een enkele keer gepleisterd. De kozijnen zijn over het algemeen van hout en hebben vaak een profilering. De daken zijn gedekt met keramische dakpannen. De detaillering varieert van eenvoudig tot zeer verzorgd, hetgeen tot uiting komt in speklagen, geprofileerde goten en gootklossen, windveren, hardstenen geboorte- en sluitstenen, roosvensters, etc. Het kleurgebruik is over het algemeen traditioneel en terughoudend van karakter. Houten kozijnen en deuren werden net als de houten geveldelen vaak donkergroen geschilderd. Waardebepaling en beoordeling De bollenschuren zijn kenmerkend voor de Bollenstreek en bepalen mede het cultuurhistorisch waardevolle beeld.

Veel oude bollenschuren hebben inmiddels hun oorspronkelijke functie verloren en dreigen daarmee onherkenbaar verbouwd te worden of geheel te verdwijnen. Voor de bollenschuren geldt het bijzondere welstandsniveau, tenzij er sprake is van een monument dan is het hoogste beschermende niveau van toepassing. Het beleid is gericht op behoud van de waardevolle bebouwing door het zoeken naar een geschikte herbestemming waarbij de oorspronkelijke functie afleesbaar blijft.

pagina 23

Criteria Bollenschuren worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria. Ligging Rooilijnen van de hoofdmassa’s variëren tussen evenwijdig aan de weg en parallel aan de sloten. Bijgebouwen liggen achter het hoofdgebouw of maken deel uit van de straatwand. Nieuwe bijgebouwen liggen uit het zicht vanaf het openbaar toegankelijk gebied. Bestaande doorzichten behouden. Massa en vorm Gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm. Gebouwen zijn vrijstaand, individueel en afwisselend. Gebouwen bestaan uit een onderbouw van één tot twee lagen met een flauw hellend zadeldak of mansardekap of uit een onderbouw tot drie lagen met een plat dak. Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume. Gevels grenzend aan openbaar gebied hebben vensters. Gevelkarakteristiek De detaillering is zorgvuldig en rijk. Wijzigingen en toevoegingen in stijl, maat en schaal zijn afgestemd op het hoofdvolume. Gevelopeningen hebben staande afmetingen. Eventuele droogdeuren handhaven in het gevelbeeld. Kozijnen zijn geprofileerd en ramen hebben een fijnere onderverdeling. Een subtiel maar duidelijk waarneembaar reliëf in de gevel door middel van neggen, kozijnhout, onderdorpels, gootlijsten en dergelijke is gewenst. Materiaal- en kleurgebruik Kleur- en materiaalgebruik is traditioneel en terughoudend van karakter en afgestemd op de oorspronkelijke kleuren en materialen.

Gevels zijn uitgevoerd in rode of gele baksteen eventueel voorzien van siermetselwerk of zijn een enkele keer in een lichte kleur gepleisterd. Kozijnen en ramen zijn uitgevoerd in hout. Daken zijn gedekt met donkere keramische dakpannen. Houtwerk is geschilderd: grote vlakken veelal in donkere tinten, kleinere elementen in traditioneel contrasterende tinten zoals gebroken wit. Aan- en uitbouwen zijn in kleur- en materiaalgebruik afgestemd op de hoofdmassa.

pagina 24

3.2. Boerderijen Op meerdere plaatsen zowel in het buitengebied als in de kern zijn historische boerderijen te vinden, die aan het agrarisch verleden van de gemeente herinneren. De boerderijen liggen meestal niet direct aan de weg, maar dieper op de kavel, veelal omgeven met beplanting. De erfindeling en de erfbeplanting maken van oorsprong deel uit van de compositie van het geheel. De beplanting dient hierbij als zonwering en windkering. Deze is echter bij een deel van de boerderijen verloren gegaan. De rooilijnen van de hoofdgebouwen verspringen en lopen evenwijdig aan de weg of aan het slotenpatroon. De bebouwing bestaat vaak uit een hoofdgebouw en iets teruggelegen bijgebouwen als stallen, schuren en hooibergen. Het hoofdgebouw staat in principe met de kop- of langsgevel gericht naar de hoofdweg. Het hoofdgebouw is soms onderverdeeld in een woon- en een bedrijfsdeel en meestal voorzien van een plint, een begane grond en een laag met een kap, die meestal de vorm van een zadeldak heeft eventueel met wolfseind. In de dakvlakken zitten tegenwoordig vaak dakramen. De veelal representatieve kop - of langs-gevel van het woondeel is vaak symmetrisch met hoge ramen, die soms zijn geflankeerd door luiken. De overige ramen van de zijgevels zijn meestal kleiner. De boerderijen hebben een zorgvuldige detaillering.

Bij traditionele boerderijen komen veel rijke details als versierde omlijstingen om de grote ramen en een windveer langs de dakrand voor. De gevels zijn veelal opgebouwd uit een bruine baksteen en een enkele keer wit gepleisterd. De plint is meestal van een ander materiaal of andere kleur. Daken zijn merendeels afgedekt met keramische pannen of ook wel riet. De overwegend houten kozijnen zijn meestal geschilderd in een lichte kleur, evenals de meeste andere houten elementen als de windveer. Het raamhout is vaak juist in een donkere, meestal donkergroene kleur geschilderd. De bijgebouwen zoals de stallen en schuren hebben een met het hoofdgebouw vergelijkbaar hoofdvolume, maar zijn in architectuur en detaillering soberder. Waardebepaling en beoordeling De boerderijen met erfbeplanting en bijgebouwen zijn kenmerkend en bepalen mede het cultuurhistorisch waardevolle beeld van het landschap en de kernen. Een aantal boerderijen verliest de agrarische functie en wordt aangepast op de woonfunctie. Hiermee kan het beeld ingrijpend veranderen. De hoofdopzet van het gebouw alsmede de erfinrichting zijn van belang. Voor de boerderijen geldt een bijzonder welstandsniveau. Naast de ordening op het erf zal er onder meer worden beoordeeld op een zorgvuldige detaillering en een traditioneel kleur- en materiaalgebruik.

pagina 25

Criteria Boerderijen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria. Ligging Er is één hoofdmassa en deze staat voor de bijgebouwen. Heldere ordening van verschillende gebouwen op het erf aanhouden. Rooilijnen zijn evenwijdig aan de weg of liggen parallel aan het verkavelingspatroon. Doorzichten behouden en waar mogelijk versterken. Het hoofdgebouw is met de voor- of representatieve gevel gericht naar de weg. Massa en vorm Gebouwen zijn vrijstaand, individueel en afwisselend. Gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm. Gebouwen bestaan uit een onderbouw van één laag met in principe een zadeldak. Op-, aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume. Zijgevels hebben vensters. Gevelkarakteristiek De architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd. Het verschil tussen voorhuis en achterhuis van het hoofdgebouw wordt benadrukt. Wijzigingen en toevoegingen in stijl, maat en schaal zijn zorgvuldig afgestemd op het hoofdvolume. Kozijnen, dakgoten, daklijsten, windveren en dergelijke zijn zorgvuldig gedetailleerd en voorzien van profileringen. Bijgebouwen als hallen en schuren zijn eenvoudiger maar net zo zorgvuldig gedetailleerd als de hoofdmassa. Vensters in het woongedeelte zijn staand. Vensters hebben een onderverdeling met bijvoorbeeld tussenkalven.

Materiaal- en kleurgebruik Gevels zijn in principe gemetseld in rode baksteen en soms voorzien van stucaccenten. Hellende daken zijn gedekt met keramische pannen of natuurriet. Bijgebouwen zijn in materiaal- en kleurgebruik afgestemd op het hoofdgebouw. Het kleurgebruik is traditioneel en terughoudend.

pagina 26

3.3. Strandbebouwing De strandpaviljoens staan op een unieke locatie: het strand. Wegens de seizoens-gebondenheid zijn de meeste bouwwerken van tijdelijke aard. Het Zuiderbad en het Zon- en Zeebad vallen terug in de duinrand en kennen een jaarrond exploitatie. De solitaire gebouwen staan op enige afstand van elkaar. Felle kleuren zorgen ervoor dat de aandacht van de badgast wordt getrokken. Hierdoor is er weinig onderlinge samenhang tussen de verschillende paviljoens. Alle paviljoens zijn sterk op de zee gericht met hun achterkanten tegen het duinmassief. Door geleidelijke ophoging tegen het hoge water komen de paviljoens steeds hoger tegen het duinmassief aan te liggen. De onaantrekkelijke daken worden hiermee steeds duidelijker zichtbaar. De paviljoens willen zoveel mogelijk opvallen door een zo groot mogelijk naar zee gericht gevelbeeld. Het zijn daarom langgerekte, smalle volumes van één laag. Per exploitatie bestaat de bebouwing uit een geleed gebouw met een licht hellende kap met overstek (de zeilvereniging is hierop een uitzondering, deze is twee lagen hoog en staat op palen). De paviljoens zijn één laag hoog. Er bestaat wel de mogelijkheid om een architectonische verbijzondering toe te staan. De containers onder de paviljoens leveren een onaantrekkelijk beeld vanaf het strand en moeten op een deugdelijke manier uit het beeld worden gehaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=835b1f62-f5f7-4d09-806e-51e62876fb4e