D Ruimtelijke onderbouwing oktober 2020 - AVG
Tekst van het document
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 31 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
•
•
•
Mogelijk worden door de voorgenomen maatregelen migratiecorridors van vleermuizen verstoord, mits er rekening wordt gehouden met niet verder uitbreiden van de bestaande verlichting; Ten aanzien van de voorgenomen plannen is het niet noodzakelijk vervolgonderzoek uit te voeren volgens vleermuisprotocol of kennisdocumenten huismus, gierzwaluw en rugstreeppad; Ten aanzien van de plannen is wel noodzakelijk een Aerius calculatie uit te laten voeren.
Op basis van deze quickscan wordt het volgende aanbevolen: ➢ Voer de sloopwerkzaamheden uit buiten het broedseizoen, dus globaal in de periode september – februari; ➢ Integreer in de verbouwingsplannen de plaatsing van nestkasten voor huismussen en vleermuizen; ➢ Beplant de erfscheiding met inheems en streekeigen plantgoed zoals rode kornoelje, hazelaar, witte abeel, liguster en meidoorn. Met deze aanbevelingen wordt rekening gehouden, in het bouwplan zullen nestkasten voor huismussen en vleermuizen worden geïntegreerd. Tevens zal in de erfscheiding gebruik worden gemaakt van genoemde inheemse en streekeigen beplanting. 4.3.3
Stikstofdepositie De Aerius-calculatie dient opgesteld te worden in het kader van de Wet natuurbescherming, een wet die naast de bescherming van soorten ook toeziet op het beschermen van natuurgebieden in Nederland. Om te beoordelen of de inzet van brandstof aangedreven materieel dat tijdens de voorgenomen werkzaamheden wordt ingezet een negatief effect heeft op omliggende Natura 2000-gebieden is de te verwachten stikstofdepositie berekend. Door onderzoeksbureau Econu is vervolgens onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. De rekenbladen van deze Aerius-berekening van zowel de aanleg- als ook gebruiksfase als ook de gehanteerde input voor de berekeningen zijn als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Er wordt geen stikstofdepositie in gevoelige Natura2000 gebied verwacht tijdens de bouw- en de gebruiksfase. De uitstoot van stikstofverbindingen neemt door de uitvoering van de plannen af, zodat ook de depositie in de directe omgeving afneemt. Er is sprake van een uitvoerbaar initiatief in het kader van de Wet natuurbescherming.
4.4
Externe veiligheid Het Besluit externe veiligheid inrichtingen richt zich primair op inrichtingen zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. Het Besluit richt zich primair op inrichtingen zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. In artikel 2, lid 1 van het Bevi staan de inrichtingen genoemd waarop het besluit van toepassing is. Deze inrichtingen brengen risico’s met zich mee voor de in de omgeving aanwezige risicogevoelige objecten.
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 32 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
Bedrijfsloodsen en kantoren, waar het verblijven van personen geen ondergeschikte rol speelt, kunnen worden aangemerkt als een (beperkt) kwetsbaar object, zodat beoordeeld dient te worden of er in de nabijheid van het terrein eventueel Beviinrichtingen zijn die van invloed zijn/kunnen zijn op de uitbreidingsplannen. Hiertoe is een check uitgevoerd aan de risicokaart. Dit levert onderstaand beeld op.
Figuur 4.4: Uitsnede risicokaart (www.risicokaart.nl) ter hoogte van het plangebied
In de (directe) omgeving van het perceel zijn een tweetal gastransportleidingen gelegen. De afstand tot dee leiding die zich ten westen van het plangebied bevindt bedraagt circa 220 meter. Deze transportleiding met een diameter van 36 inch en een werkdruk van 66 bar heeft een inventarisatieafstand van circa 430 meter. Het plangebied bevindt zich binnen die inventarisatie-afstand. De leiding langs de Leidsevaaart heeft gezien de diameter van 6,61 inch met een werkdruk van 40 bar een inventarisatieafstand van ca. 70 meter. Onderstaande tabel laat deze inventarisatieafstanden zien. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 45 meter zodat ook deze leiding van invloed is.
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 33 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
Het plan ligt zoals gezegd binnen het invloedsgebied van twee hogedrukaardgasleidingen. Binnen het plangebied ligt de PR 10-6-contour (100%-letaliteitszone) niet buiten de leiding. Het PR vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied en het effectgebied van de leidingen. In juni 2011 heeft de Milieudienst West-Holland berekeningen uitgevoerd om het GR voor de leidingen in de gemeente Noordwijk te bepalen. Deze risicoberekening is gemaakt naar aanleiding van een brief van de Gasunie (kenmerk TOLTW 11.1225, d.d. 27 mei 2011) waarin de Gasunie had aangegeven dat er geen GR aandachtspunten in de gemeente Noordwijk aanwezig zouden zijn en het verzoek aan de gemeente om na te gaan of ze zich kunnen vinden in de conclusie. Voor dit bouwplan geldt dat het gaat om de leidingen die in onderstaande de naaam ‘A560’ en ‘W-535-12’ hebben.
Uit het onderzoek van de Milieudienst blijkt dat de oriëntatiewaarde van het GR voor deze leidingen niet wordt overschreden (Carola berekening, Milieudienst West-Holland, 2 november 2011). Het voorliggende bestemmingsplan is grotendeels consoliderend van aard. Door de vaststelling van het bestemmingsplan zal het GR dan ook niet toenemen, mede omdat de enkele ontwikkelingen die in het plan zijn opgenomen veelal plaatsvinden in combinatie met sanering en op geruime afstand van risicovolle objecten gelegen zijn. Het GR vormt daarmee geen belemmering voor het plan. De gasleidingen in het plangebied worden opgenomen op de plankaart met de belemmeringenstrook van 5 m aan beide zijden waarbinnen geen bouwactiviteiten mogen plaatsvinden. Gelet op de omvang van het plan zal het aantal aanwezige personen op de planlocatie toenemen. In de bestaande situatie zijn er gelijktijdig circa 10 mensen aanwezig, in de maximale situatie zullen er bij het bedrijf Waspeen circa 30 personen gelijktijdig aanwezig zijn. Uit een recent uitgevoerde risicoberekening voor de locatie Leidsevaart 230 blijkt dat het groepsrisico ruim onder 0,1* de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico ligt. Gelet op de omgeving zal de toename van het genoemde aantal personen op de planlocatie er niet toe leiden dat het groepsrisico substantieel toeneemt. Het uitvoeren van een risicoberekening is dan ook niet noodzakelijk.
Wel moet het groepsrisico verantwoord worden, dit is gedaan op basis van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Zelfredzaamheid Bij de zelfredzaamheid gaat het om de mate waarin een persoon zichzelf in veiligheid kan brengen ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het gaat daarbij vooral om de vraag of de burger/werknemer überhaupt en tot wanneer en in welke mate in staat is zichzelf in veiligheid te brengen indien er sprake is van een calamiteit.
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 34 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
Als het bij veiligheid gaat om zelfredzaamheid van mensen kan de volgende indeling gemaakt worden: 1. 2.
3.
Volledig zelfredzaam: deze mensen kunnen een noodsituatie correct inschatten en de plek van het incident zelfstandig verlaten om zich in veiligheid te brengen; Verminderd zelfredzame personen: deze mensen zijn in staat om met enige hulp en aanwijzigen zelfstandig de plek van het incident te verlaten en zichzelf in veiligheid te brengen; Niet zelfredzame personen: deze mensen zijn niet in staat zichzelf in veiligheid te brengen als gevolg van hun beperking op fysiek, psychisch of verstandelijk vlak. Binnen de groep niet zelfredzame personen worden ook nog personen onderscheiden die als gevolg van hun aandoening bedlegerig zijn dan wel gekluisterd zijn aan (technische) hulpmiddelen en/of medische apparatuur. Deze moeten in geval van een evacuatie meegenomen worden.
In voorliggend plan gaat het om de realisatie van een bedrijf waar mensen gaan werken. Het gaat daarbij om volledig redzame personen. De zelfredzaamheid is niet in het geding bij voorliggend plan. Bestrijdbaarheid In de bestaande situatie was het gebouw ook voor hulpdiensten bereikbaar. In de nieuwe situatie zal dat ook het geval zijn met dezelfde snelheid als in de bestaande situatie. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan. 4.5
Geluid Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Op Europees niveau is het voornaamste doel op het gebied van geluidshinder dat niemand wordt blootgesteld aan geluidsniveaus die zijn of haar gezondheid en de kwaliteit van zijn of haar bestaan in gevaar brengen. Voor de bestrijding van geluidshinder kunnen verschillende soorten maatregelen worden getroffen: bestrijding van geluid aan de bron, bijvoorbeeld stillere auto's, stillere wegdekken, het verkeersluw maken van straten, het zachter zetten van de stereo, het dempen van de piano. Maatregelen tussen bron en ontvanger; bijvoorbeeld het plaatsen van een geluidsscherm of -wal of een betere muurisolatie tussen woningen. Maatregelen aan de kant van de ontvanger; meestal gaat het dan om het aanbrengen van (extra) geluidsisolatie aan de woning en het rekening houden met geluidsnormeringseisen bij het ontwerpen van woningen.
Het doel van het akoestisch onderzoek bij ruimtelijke plannen is het voorkomen van geluidshinder bij geluidsgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) door het aanhouden van voldoende afstand ten opzichte van geluidsproducenten (industrie, railverkeer etc.) of het treffen van andere maatregelen.
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 35 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een projectafwijkingsbesluit, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Een eventueel akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Met voorliggend project wordt niet voorzien in het oprichten van een nieuw geluidsgevoelig object, zodat geen onderzoek naar extern geluid (bijvoorbeeld wegverkeerslawaai) nodig is. 4.6
Verkeer, vervoer en parkeren Nieuwe functies betekenen meestal ook dat er sprake is of zal zijn van een toename van verkeersbewegingen, alsmede ontstaat er een parkeerbehoefte. Uitgangspunt is dat nieuwe functies geen onevenredige extra hinder veroorzaken voor reeds aanwezige functies in de omgeving.
4.6.1
Parkeren De gemeente Noordwijk heeft parkeerbeleid vastgesteld voor haar grondgebied. Op basis daarvan is een Nota Parkeernormen opgesteld. Voorheen kon de juridische verankering van parkeernormen worden geborgd via de bouwverordening. Door wijzigingen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient de juridische borging van dit parkeerbeleid nu te gebeuren via het bestemmingsplan. Om deze reden is voor het gehele grondgebied van de gemeente Noordwijk een partiële herziening opgesteld, die aanvullend geldt op de vigerende bestemmingsplannen. Het “Paraplu Bestemmingsplan Parkeren” is 15 maart 2018 vastgesteld. Via dat bestemmingsplan wordt het naleven van de gemeentelijke parkeernormen, zoals vastgelegd in de huidige beleidsregels (zie figuur 4.6), en de opvolger daarvan verplicht gesteld. De parkeernorm, zoals vastgelegd in het beleid, is gebaseerd op kencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek. In deze kencijfers is een range aangegeven waarbinnen een parkeernorm kan worden gekozen.
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 36 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
Op basis van bovenstaande parkeernorm is voor het bedrijf 2,05 parkeerplaats per 100 m2 bvo bedrijf nodig. Het bedrijf heeft in de nieuwe situatie een toename van ca. 5600 m2 bvo. Op basis van de parkeernormering zou dat een parkeerbehoefte van 115 parkeerplaatsen betekenen. Dat lijkt echter een groot aantal te zijn. Door de initiatiefnemer is vervolgens zelf een nadere uiteenzetting gegeven van het aantal verkeersbewegingen en het beoogde aantal parkeerplaatsen. Hiertoe is een vergelijk gemaakt met de bestaande situatie ook. Onderstaand is bestaand en nieuw zichtbaar gemaakt. In de bestaande situatie is er dagelijks sprake van de volgende verkeersstromen: Zwaar verkeer – 8 per dag Middelzwaar verkeer – 0,5 per dag Licht verkeer – 40 per dag Nieuwe situatie: Zwaar verkeer – 3 per dag Middelzwaar verkeer – 1,4 per dag Licht verkeer – 40 per dag Per saldo is er in de nieuwe situatie geen sprake van extra verkeer ten opzichte van de nu bestaande situatie.
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 37 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
Het is de bedoeling dat er bij het bedrijf een extra in- en uitrit bij komt. Er zijn plannen vanuit de provincie dat er ter plaatse een nieuwe weg gaat worden aangelegd, zodat de ontsluiting daarop aangepast kan worden. Het parkeren en het verkeer vormt een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. 4.7
Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Projecten die ‘niet in betekende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In de AMvB-nibm zijn de criteria vastgelegd om te kunnen beoordelen of voor een project sprake is van nibm. Door middel van de zogeheten Nibm-tool is inzichtelijk gemaakt of het bedrijf ook negatieve gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit. Om de Nibm-tool te vullen is gebruik gemaakt van de input aangaande transportbewegingen die ook is toegepast bij de Aerius-berekening. In de bestaande situatie is er dagelijks sprake van de volgende verkeersstromen: Zwaar verkeer – 8 per dag Middelzwaar verkeer – 0,5 per dag Licht verkeer – 40 per dag Nieuwe situatie: Zwaar verkeer – 3 per dag Middelzwaar verkeer – 1,4 per dag Licht verkeer – 40 per dag Per saldo is er in de nieuwe situatie geen sprake van extra verkeer ten opzichte van de nu bestaande situatie. Met deze informatie is de Nibm tool ingevuld. Onderstaand het resultaat daarvan. Het plan leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van het verkeer.
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 38 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
Het energieverbruik van de huidige bedrijfshal is niet bekend, er wordt gebruik gemaakt van standaard waarden voor een fabriekshal met een volume van 12.420 m3. Daarbij wordt uitgegaan van een emissie van 5,0kg NH3 en 5,0kg NOx per jaar. Het nieuwe bedrijfsgebouw heeft een inhoud van 81.582 m3. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat de nieuwe hal zeer energiezuinig is en geen emissie kent, er wordt uitgegaan van een emissie van 1,0kg NH3 en 1,0kg NOx per jaar. Het plan leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, eerder tot een verbetering. 4.8
Water Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht het plan te toetsen op het aspect water. Hiervoor is op 3 oktober 2019 de watertoets uitgevoerd. Het plangebied bevindt zich binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het Hoogheemraadschap wordt betrokken in het proces zodat ze mee kunnen denken, informeren en adviseren, zodat de waterhuishoudkundige waterschapsbelangen in het project zijn opgenomen. In de bijlage is het ontvangen adviesdocument opgenomen. Er is nader overleg met het Hoogheemraadschap nodig. Onderstaand is nader ingegaan op de relatie van dit document op het beoogde plan van Waspeen en de doorwerking daarop. Toename verharding In de bestaande situatie is het gehele perceel al verhard. In de beoogde nieuwe situatie is dat ook zo, er is geen sprake van een toename aan verharding. Er hoeft zodoende dan ook geen watercompensatie plaats te vinden. Hemelwater van de nieuwebouw gaat qua hemelwater worden afgevoerd naar omringende sloten/greppels net zoals feitelijk gezien nu ook al aan de orde is vanwege de situatie dat het bestaande terrein in zijn geheel reeds verhard is.
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 39 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
4.9
Milieuhinder Nieuwe functies kunnen milieuhinderlijk zijn voor omringende woningen dan wel bedrijven. Er dient een beoordeling plaats te vinden of de nieuwe functie wel milieuhygiënisch inpasbaar is. Er dient daarom beoordeeld te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die gehinderd kunnen worden door onderhavig project of waarvan het project juist hinder ondervindt. De (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering 2009”, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Bij het bepalen van de richtafstanden wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: • het betreft gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; • de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’; • de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten; • bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten kunnen deze activiteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij de ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. Het is aan te bevelen deze afwijkingen te benoemen en te motiveren. Bedrijven die voorkomen in de categorieën 1 en 2 hebben een relatief geringe milieubelasting en zullen in het algemeen niet conflicteren met de woonbestemming. Bedrijven die als categorie 3 zijn gekwalificeerd dienen van geval tot geval te worden bezien, waarbij met name de afstand tot de woonbestemming in relatie tot de bedrijfsbestemming van belang is.
Het huidige bedrijf is gevestigd aan Doornweg 4 te Katwijk. In het bestemmingsplan dat voor de huidige bedrijfslocatie geldt, heeft het bedrijf een specifieke vorm van bedrijf ‘agri business’ gekregen. Uit de toelichting van dat bestemmingsplan blijkt sprake te zijn van een bedrijf met een milieucategorie 3.2 (SBI nummer: 1030.2). De activiteiten vanwege de agri business (…) langs Doornweg en de groothandel in chemische producten zijn derhalve specifiek aangewezen.
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 40 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
Een bedrijf met een milieucategorie 3.2 heeft een grootste normafstand van 100 meter voor het geluidaspect indien er sprake is van een omgevingstype dat is te omschrijven als ‘rustig buitengebied’ en deze norm mag worden verlaagd naar 50 meter indien er sprake is van een ‘gemengd gebied’. Gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een sterke tot matige functiemenging. Direct naast woningen kunnen andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Ter plaatse kan worden gesteld dat er sprake is van een zogeheten ‘gemengd gebied’ (meerdere bedrijfsbestemmingen en agrarische bestemmingen in het gebied aanwezig) vanuit de karakterisering van Bedrijven en Milieuzonering, hetgeen betekent dat 100 meter mag worden bijgesteld naar 50 meter.
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 41 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
Direct naast het plangebied is een veldschuur (agrarisch bestemd) gelegen. Op ca. 114 van het plangebied is in noordoostelijke richting een woonbestemming gelegen. Ten zuidwesten van het plangebied is een bedrijvenbestemming op ca. 105 meter gelegen. Vanuit de omgeving naar het bedrijf Het bedrijf betreft geen milieugevoelige functie die beschermt dient te worden tegen milieuhinder vanuit omliggende bedrijven of instellingen. Hierdoor is ook voor dit aspect geen verder onderzoek naar milieuhinder nodig. Vanuit het bedrijf naar de omgeving Op basis van de VNG-reeks ‘Bedrijven en Milieuzonering’ valt een dergelijk bedrijf onder de categorie: ‘Groente- en conservenfabrieken – groente algemeen’. Een dergelijke inrichting kent normafstanden voor 50 meter (geur), 10 meter (stof), 100 meter (geluid) en 10 meter (gevaar). Milieugevoelige functies zoals de woonbestemming zijn op ca. 114 meter van het plangebied gelegen. Gezien de verlaging van de normafstand van 100 meter naar 50 meter is er geen milieuhinder te verwachten. De binnen de inrichting aanwezige woning Leidsevaart 228 is aan te merken als de bedrijfswoning van het bedrijf, deze is niet ‘milieugevoelig’ voor de eigen inrichting. Er is geen milieuhinder te verwachten. 4.10
Afvalwater en geur Op de bestaande locatie van het bedrijf in Katwijk doet zich wel eens geurhinder voor als gevolg van een ophoping van deeltjes van afwaswater van de penen, dat dan geloosd wordt in een sloot. Dat dient te worden voorkomen op de beoogde nieuwe locatie. Het bedrijf zal op de nieuwe locatie dienen te voldoen aan het Activiteitenbesluit, waar ook het onderdeel afvalwater deel van uitmaakt. Over afvalwater valt het volgende te zeggen voor voorliggend bouwplan. De peen wordt gewassen in een horizontale trommel. Hierin bevinden zich 3 spoel secties. Als eerst hergebruikt waswater vervolgens hergebruikt proceswater en als laatste besproeiing leidingwater. Het waswater wordt onder de trommel verzamelt en naar buiten verpompt waar het middels een statisch filter ontdaan wordt van grove delen welke opgevangen worden in een kuubkist. Het water wordt vervolgens ontdaan van onopgeloste delen middels een ontzander, (diverse testen moeten uitwijzen welke methode voor deze situatie het beste resultaat geeft) en diverse bezinkbassins. Vanuit het laatste bassin wordt het water retour gepompt naar de wastrommel. Milieumaatregelen waterbehandeling Het afvalwater wordt in drie fases gefilterd op onopgeloste delen. De eerste stap is een grof folter van 5mm vervolgens een fijne filter 1mm en als laatste stap een doekenfilter 300 micron.
De opgevangen delen worden middels een container staande op een vloeistofdichte vloer afgevoerd Andere maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu die de waterbehandeling kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken.
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 42 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
De kwaliteit van het afvalwater wordt gemonitord door periodieke monster name Te lozen stoffen of parameters (lozingssituatie) ➢ Het afvalwater zal 312 dagen per jaar geloosd worden. Vanwege het toepassen van meerdere tussen buffers zal de lozingscapaciteit geen hoge pieken hebben. ➢ Onder voorbehoud dat het productieproces nog niet uitgedetailleerd is en daarom en nog geen inschatting gemaakt kan worden van de lozing zijn de onderstaande waardes van enigszins vergelijkbare productieprocessen • Biochemisch zuurstofverbruik (als O2) over 5 dagen 2.500mg/l • Chemisch zuurstofverbruik (als O2) 4.000mg/l • Onopgeloste stoffen 450 mg/l • Som ammonium- en organisch gebonden stikstof, Kjeldahl (als N) 31,3 mg/l • Som nitraat en nitriet (als N) 0,60 mg/l • Totaal fosfor (als P) 25 mg/l • Berekend Stikstof totaal 31,9 mg/l. 4.11
M.e.r.-beoordeling In het Besluit m.e.r., bijlage D, onder artikel 11 (Woningbouw, Stedelijke ontwikkeling, Industrieterreinen) staat onder artikel 11.3 genoemd dat een m.e.r-beoordeling moet plaatsvinden in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Het project ligt ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.- beoordelingsprocedure noodzakelijk is. Gelet hierop worden de drempelwaarden niet overschreden. De enige manier waardoor een project/bouwwerk (dat niet past binnen het bestemmingsplan) met een kruimelprocedure door kan gaan, is wanneer het Besluit m.e.r. niet van toepassing is. Dit is het geval als: • Het project geen activiteit is zoals opgenomen in kolom 1 van het Besluit m.e.r. • Het project zodanig van aard en omvang is dat het geen activiteit betreft zoals het besluit heeft bedoeld. Bijvoorbeeld bij de realisatie van één woning is dit niet aan de orde. Fysiek is dit wel een stedelijke ontwikkeling, maar geen stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het besluit m.e.r. Conclusie Het betreft een bedrijfsterrein. Het plan is vanuit het Besluit m.e.r. te omschrijven als alleen het vergroten van het bestaande pand. Dit is geen wijziging zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.
Het besluit M.e.r. is daarom niet van toepassing.
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 43 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
5
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid
5.1
Economische uitvoerbaarheid Alle kosten die gepaard gaan met de uitvoering van de plannen (waaronder begrepen de legeskosten van de gemeente) zullen door de initiatiefnemer worden gedragen. Het plan is derhalve economisch uitvoerbaar. Planschade De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft in artikel 6.1 aan dat een belanghebbende onder bepaalde voorwaarden en beperkingen recht kan doen gelden op een tegemoetkoming in de schade als gevolg van de bepalingen van een bestemmingsplan, bijvoorbeeld een planwijziging, of een besluit omtrent een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Eventuele planschade als gevolg van dit project zal voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Hiervoor zal de gemeente met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst worden gesloten.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
RB 70.026
Gemeente Noordwijk
Blad 44 van 44
Ruimtelijke onderbouwing
oktober 2020 Versie 01
Projectgegevens Project Projectnummer Versie Datum
RooBeek Advies Nautilusstraat 7b 7821 AG Emmen
RB 70.026
: Waspeencentrum Katwijk BV : RB 70.026 : 01 : Maart 2020