CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

C. Motivering Bopa Menakkerweg 4

Commissie Ruimte 15 april 2026, gemeente NoordwijkBij agendapunt: BOPA Menakkerweg 48.993 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bijlage C:

Motivering Bopa Menakkerweg 4anvraag omgevingsvergunningQuick scan ETFAL aanvraag Menakkerweg 4

Onderbouwing verzoek voor uitbreiding woning Menakkerweg 4 Gemeente Noordwijk

Colofon Gegevens over het project: Plannaam:

Uitbreiding woning Menakkerweg 4

Datum:

16 september 2024

Projectnummer Buro SRO:

SR240298

Projectmedewerkers

Dhr. T. Oostrom | dhr. J. Brem

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:

Familie. Smit

Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:

’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Telefoon:

030-2679198

E-mail:

utrecht@buro-sro.nl

Internet:

www.buro-sro.nl

pagina 2 van 34

Inhoudsopgave 1

2

Inleiding

5

1.1

Aanleiding en ambitie

5

1.2

Aanduiding plangebied

5

1.3

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit

6

1.4

Leeswijzer

6

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8

2.1

Participatie

8

3

Huidige situatie

9

4

Planbeschrijving/nieuwe situatie

11

5

Toetsing aan omgevingsplan

13

5.1

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

13

5.2

Relatie van het initiatief tot het bestemmingsplan Landelijk Gebied

14

6

7

Beleid

15

6.1

Provinciaal beleid

15

6.2

Gemeentelijk beleid

17

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

19

7.1

Stedenbouw en beeldkwaliteit

19

7.2

Verkeer en parkeren

19

7.3

Duurzaamheid en gezondheid

20

7.4

Geluid

20

7.5

Activiteiten en milieuzonering

21

7.6

Geur

22

7.7

Luchtkwaliteit

22

7.8

Archeologie en cultuurhistorie

23

7.9

Bodem

24

7.10

Omgevingsveiligheid

24

7.11

Natuur

27

7.12

Water

29

7.13

M.e.r.-beoordeling

30

8

Financiële haalbaarheid

32

9

Conclusie

33

pagina 3 van 34

Bijlagen Bijlage 1:

participatieverslag

Bijlage 2:

brief d.d. 3 juli 2024

medische indicatie SEIN Expertisecentrum voor epilepsie

en slaapgeneeskunde Bijlage 3:

Quick scan Flora en Fauna WMC Groep, 2024-530, d.d. 22 juli 2024 en

Bijlage 4:

AERIUS-berekening Menakkerweg 4 Noordwijk

Bijlage 4a:

AERIUS_projectberekening_20240807_aanlegfase

pagina 4 van 34

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en ambitie

De familie Smit, initiatiefnemers, zijn voornemens hun woning aan de Menakkerweg 4 te vernieuwen, verbouwen groot genoeg genoeg is is om om hierin hierin en uitbreiden. Dit is nodig omdat de bestaande woning niet aan de eisen voldoet en niet groot de vereiste zorg en ondersteuning te kunnen bieden voor hun gehandicapte zoon. De medische situatie en indicatie van hun zoon vereist dat hij in dezelfde woning en onder permanent en direct toezicht van zijn ouders moet verblijven en moet worden verzorgd. Er zijn geen passende alternatieven voorhanden om i n deze zorgbehoefte te voorzien. De beoogde vergroting van de woning past niet binnen de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (omgevingsplan

van

rechtswege)

van

de

gemeente

Noordwijk.

Er

moet

met

een

buitenplanse

omgevingsplanactiviteit (BOPA) afgeweken worden van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan om het plan planologisch mogelijk te maken. Het voorliggende rapport voorziet in de onderbouwing/motivatie van het plan.

1.2

Aanduiding plangebied

Het plangebied ligt ten zuiden van de kern van Noordwijk, aan de Menakkerweg 4. Het perceel wordt aan het noordenwesten en zuidoosten begrensd door woonpercelen. Ten noordoosten ligt de Menakkerweg. Ten zuidwesten bevinden zich agrarische gronden (bollenland). Het plangebied (woning en beoogde uitbreiding) staat kadastraal bekend onder de gemeente Noordwijk, sectie H, perceelnummer 1133 en heeft een oppervlakte van ca. 5090 m2. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied te zien.

Globale ligging planlocatie, rood omkaderd (bron: PDOK viewer)

pagina 5 van 34

Globale begrenzing planlocatie, rood omkaderd (bron: PDOK viewer)

1.3

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: 1.

Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen.

2.

Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan.

Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a.

met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl);

b.

als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden.

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid (o.a. resultaten van de participatie ). Hoofdstuk 3 omvat een beschrijving van de huidige situatie waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als functionele aspecten aan de orde komen. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling.

pagina 6 van 34

In hoofdstuk 5 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden met de geldende regels in beeld gebracht. Aansluitend daarop wordt in hoofdstuk 6 het van toepassing zijnde beleidskader voor de locatie verwoord. In hoofdstuk 7 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 8 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot wordt in hoofdstuk 9 een algehele conclusie getrokken.

pagina 7 van 34

2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Onder de Omgevingswet is het belang om de direct omwonenden (via participatie) vooraf bij de planvorming te betrekken, toegenomen. Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is participatie verplicht gesteld en moet schriftelijk worden verantwoord over de wijze waarop die participatie plaats heeft gevonden en wat daarvan het resultaat was. In beginsel is bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken, die met zes weken verlengd kan worden. In wettelijk voorgeschreven gevallen kan het bevoegd gezag echter wel bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren. Bij de uitgebreide procedure bestaat ook de mogelijkheid zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen.

2.1

Participatie

In juli 2024 zijn de initiatiefnemers huis-aan-huis bij de eigenaren van de woningen in de directe omgeving langsgegaan om hen te informeren over het plan en om eventuele vragen te beantwoorden. De uitkomsten hiervan zijn weergegeven in een participatieverslag (bijlage 1). Alle bezochte bewoners reageerden positief en gaven aan in te kunnen stemmen met het plan. Geen van de bewoners vond het nodig vervolgafspraken te plannen.

pagina 8 van 34

3

Huidige situatie

De bestaande woning aan de Menakkerweg 4 te Noordwijk is in 1974 gebouwd. De bestaande woning ligt in de voorgevelrooilijn van de weg en maakt een onderdeel uit het woonerf, dat 1611 m2 groot is. Op het woonerf zijn twee bijgebouwen/bergingen aanwezig. De woning bestaat uit één laag met kap. heeft een voetafdruk van ca. 142 m2 en een nokhoogte van 6,15m. Daarmee heeft de woning een volume van circa. 641 m3. Op de navolgende afbeeldingen is de woning weergegeven.

Foto huidige situatie voorgevel, vanaf de Menakkerweg

Foto huidige situatie achtergevel

pagina 9 van 34

Op de foto’s is te zien dat de woning een gestucte gevel heeft zonder ventilatievoegen of open stootvoegen. Het dak is voorzien van dakpannen met sneldekkers, met aan de achterzijde een dakkapel. De goot en de zijkant kennen een overstek van kunststof. Op navolgende afbeeldingen is de indeling van de woning met bijbehorende maatvoeringen weergegeven.

Plattegrond begane grond huidige situatie (bron: initiatiefnemer)

Plattegrond 1e verdieping huidige situatie (bron: initiatiefnemer)

pagina 10 van 34

4

Planbeschrijving/nieuwe situatie

Om voldoende ruimte te kunnen bieden wordt de woning zowel in breedte (1,3 m) als in diepte (2,55 m) uitgebreid. Tevens wordt de huidige kap vervangen door een afgeknot schilddak, waardoor de gebruiksoppervlakte van de verdieping vergroot wordt zonder de bouwhoogte te verhogen. Deze kapvorm komt regelmatig voor en misstaat niet in deze omgeving. De voetafdruk van de woning bedraagt in de nieuwe situatie ca. 192 m2 . Hiermee is er sprake van een toename van ca. 50 m2. Op de navolgende afbeeldingen zijn impressies en enkele plattegronden van de woning in de toekomstige situatie weergegeven.

Impressie voorgevel beoogde situatie (bron: initiatiefnemer)

Plattegrond begane grond beoogde situatie (bron: initiatiefnemer)

pagina 11 van 34

Plattegrond 1e verdieping beoogde situatie (bron: initiatiefnemer)

Met de beoogde verbouwing neemt de inhoud van de woning toe van 641 m³ tot 1089 m³. Het voornemen is dan ook om de woning uit te breiden en inpandig te verbouwen, zodat de woning ruim genoeg wordt om hun zoon op een verantwoorde wijze te huisvesten en onder permanent toezicht van de ouders t e kunnen verzorgen . Dit initiatief wordt ondersteund door SEIN Expertisecentrum voor epilepsie en slaapgeneeskunde, zoals beschreven in hun brief (d.d. 3 juli 2024, zie bijlage 2). In de brief van SEIN wordt onder andere de thuissituatie van de initiatiefnemers en de indicatie van hun zoon beschreven. Naast epileptische aanvallen heeft hij ook een vertraagde cognitieve ontwikkeling met autistiforme kenmerken, wat er voor zorgt dat hij bij veel activiteiten een-opop een begeleiding nodig heeft om goed te te kunnen kunnen functioneren in het dagelijks leven. Dit maakt dat de initiatiefnemers hem goed in de gaten moeten houden en er regelmatig thuiszorg aanwezig is om hen (tijdelijk) te ontzorgen. Deze zorgverleners blijven ook af en toe in de woning overnachten, waarvoor een aparte slaapkamer nodig is.

pagina 12 van 34

5

Toetsing aan omgevingsplan

5.1

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Voor de planlocatie geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Noordwijk, waarvan het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ onderdeel is. Het perceel heeft binnen dit bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Wonen’. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van dat bestemmingsplan.

Uitsnede van bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’, plangebied rood omkaderd (bron: omgevingswet.overheid.nl)

Deze gronden zijn bestemd voor wonen en de daarbij behorende voorzieningen en met daaraan ondergeschikte aan-huis-gebonden beroepen en een bed & breakfast als nevenfunctie. Per bouwvlak mag een woning worden gebouwd met een maximale inhoud van 750 m³ en een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 5 en 9 m. Naast de woonbestemming geldt voor de gronden ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2’. De gronden van het plangebied zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voor bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 50 cm onder maaiveld is archeologisch onderzoek vereist. Dit komt aan bod in paragraaf 7.8 Archeologie en cultuurhistorie. Ook is het plangebied voorzien van de aanduiding ‘milieuzone – geurzone’. Ter plaatse van deze aanduiding mogen geen nieuwe woningen en andere geurgevoelige objecten worden gebouwd.

pagina 13 van 34

5.2

Relatie van het initiatief tot het bestemmingsplan Landelijk Gebied

Door de uitbreiding van de woning wordt de maximaal toegestane inhoudsmaat van het hoofdgebouw 750 m3. overschreden. Voor het overige voldoet het plan aan de regels van het bestemmingsplan. Het plan is dus op het volgende onderdeel strijdig met het tijdelijke deel van het omgevingsplan:

▪

Bestemming ‘Wonen’ o

Het uitbreiden van de woning tot boven de maximaal toegestane inhoud van 750 m3.

Voor het overige is het initiatief niet in strijd met het geldende ruimtelijke plan.

pagina 14 van 34

6

Beleid

Omdat dit initiatief van een lokale schaal is wordt het initiatief niet getoetst aan het nationaal beleid. In algemene zin kan wel gesteld worden dat er vanuit het Rijk aandacht is voor de huisvesting van zorgbehoevenden. Dit wordt bevestigd in het rijksprogramma ‘Een thuis voor iedereen’, waarin het tekort aan huisvestingsmogelijkheden van aandachtgroepen als belangrijk aandachtspunt wordt aangewezen. De primaire verantwoordelijkheid om aan de zorgbehoefte van enkele aandachtgroepen te voldoen ligt bij de gemeente. Het is voor gemeenten dan ook verplicht een woonzorgvisie op te stellen. Navolgend komen de toetsing aan de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening en gemeentelijke woonzorgvisie aan bod. •

Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een verplichte motivering die moet worden opgenomen bij ieder plan indien sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het voorliggende initiatief is geen sprake van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling omdat het om een uitbreiding gaat van de bestaande woning. Er wordt hier dus wordt voldaan aan de Ladder van duurzame verstedelijking.

6.1

Provinciaal beleid

6.1.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland Op 11 juli 2024 is de laatste versie van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsvisie. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. 1. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 7.43 van de Omgevingsverordening zijn de definities van drie soorten ruimtelijke ontwikkeling opgenomen: a.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied (inpassen);

b.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau (aanpassen);

c.

de ruimtelijke ontwikkeling niet past binnen de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren).

In artikel 7.43a is bepaald dat een omgevingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toestaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Hierbij dient rekening te worden gehouden met: a.

de beschermingscategorie en het gebiedstype;

b.

het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren;

c.

de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Artikel 7.43c lid 1 bepaalt dat

pagina 15 van 34

een omgevingsplan in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen kan voorzien als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. De richtpunten voor het bollenlandschap, waarin het plangebied zich bevindt, zijn:

▪

Ontwikkelingen dragen bij aan het contrast tussen de open en nog gave strandvlakten en de voor de bollenteelt in cultuur genomen (afgezande) oude duinen en strandwallen.

▪

Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones.

▪

Ontwikkelingen dragen bij aan behoud en versterking van het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap.

1.2. Afweging Het plangebied (de woning) bevindt zich niet direct aan bollenvelden, waardoor de beoogde uitbreiding geen invloed heeft op het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het landschap. Daarmee doet het plan geen afbreuk aan kenmerkende landschapselementen en/of de patronen en het reliëf in het landschap. Het plan voldoet aan de bepalingen 7.43a en c. 2. Buitengebied Het plangebied bevindt zich in het gebied dat is aangewezen als buitengebied (beschermingscategorie 3). Hiervoor gelden conform artikel 7.43h de volgende bepalingen: 1.

Een omgevingsplan voor een locatie in het Buitengebied als bedoeld in artikel 7.42, zesde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied.

2.

In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a.

de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin;

b.

de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen;

c.

het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap;

d.

de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

2.1. Afweging Ter plaatse van het plangebied is geen landschap herkenbaar. Ten zuiden, zuidwesten en noordoosten is wel open landschap herkenbaar. Door de bestaande bebouwing langs de Menakkerweg is hier het landschap ten zuiden en zuidwesten van het landschap al beperkt waarneembaar. Omdat de beoogde uitbreiding van de woning hoofdzakelijk richting het zuidwesten, in het verlengde van de huidige achtergevel, plaatsvindt heeft dit geen negatieve invloed op de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin. Ook de andere kwaliteiten van het landschap die genoemd worden in lid 2 zijn ter plaatse beperkt waarneembaar en worden niet negatief beïnvloed door de ontwikkeling. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met artikel 7.43h. 3. Bollenteeltgebied De planlocatie is gelegen in het bollenteeltgebied. Artikel 7.58 lid 7 bepaalt dat een omgevingsplan een beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing of functies of wijziging daarvan naar een andere functie kan toelaten, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied.

pagina 16 van 34

3.1 Afweging In tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Noordwijk heeft het plangebied reeds de functie ‘Wonen’, waardoor de beoogde beperkte uitbreiding van de bestaande woning geen afbreuk doet aan de omvang en bruikbaarheid van het bollenteeltgebied. 4. Risico's van klimaatverandering In artikel 7.41b van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a.

wateroverlast door overvloedige neerslag;

b.

overstroming

c.

hitte

d.

droogte

Wateroverlast Uit de Klimaatatlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet gevoelig is voor extreme neerslag. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt rekening gehouden met de waterhuishouding en zullen de richtlijnen vanuit het waterschap in acht genomen worden. Overstroming Uit raadpleging van de overstromingskaart van de Klimaatatlas van Zuid-Holland blijkt dat ter plaatse van het plangebied voor de primaire waterkeringen een kleine overstromingskans van toepassing is. Specifieke maatregelen met betrekking tot overstroming worden daarom niet noodzakelijk verwacht. Hitte Ter plaatse van het plangebied is het op dit moment koeler dan in de omgeving. Gezien de groene aard en het landschappelijk karakter van de omgeving van de omgeving wordt niet verwacht dat toekomstige bewoners hittestress gaan ervaren. Droogte In het plangebied lijkt op basis van de Klimaatatlas droogte geen probleem te vormen. Er is daarnaast voldoende oppervlaktewater aanwezig rondom het plangebied om hemelwater op af te voeren. Algemene Conclusie Het plan past binnen het beleid en de regels van de Omgevingsverordening van de provincie Zuid Holland

6.2

Gemeentelijk beleid

6.2.1 Omgevingsvisie gemeente Noordwijk 1.0 (2022) Op 22 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Noordwijk de Omgevingsvisie vastgesteld. In de оmgevіngзvізіe heeft de gemeente de wenзen en beleіdзdоelen vооr de leefоmgevіng іn hооfdlіjnen vaзtgelegd. In de visie de omgevingsvisie is het huidige (sectorale) beleid van de gemeente Noordwijk bij elkaar gebracht. In de visie worden 5 verschillende typen gebieden onderscheiden. De woning Menakkerweg 4 ligt in het deelgebied Buitengebied. Het

pagina 17 van 34

beleid in dit gebied is erop gericht de bestaande woningen te handhaven en geen toename toe te staan. In de visie wordt niet specifiek ingegaan op de ruimtelijke mogelijkheden voor uitbreiden van bestaande woningen. Conclusie Het initiatief is niet in strijd met de omgevingsvisie Noordwijk 2022.

6.2.2. Visie op wonen, welzijn en zorg In augustus 2023 heeft de gemeente Noordwijk met 12 lokale woon- en zorgpartners de ‘Visie op wonen, welzijn en Zorg’ opgesteld. De visie is tot stand gekomen in samenwerking met de partners om de inwoners van de gemeente optimaal te kunnen ondersteunen in het prettig thuis wonen. In de visie staat als centrale visie op wonen, welzijn en zorg aangemerkt: “Ouder en kwetsbaar zijn of worden is anders dan vroeger. Dat komt door veranderende woonwensen en wijzigende wet en regelgeving. Steeds vaker willen we blijven wonen in onze eigen woning en eigen vertrouwde woonomgeving. Als het nodig is, krijgen we zoveel mogelijk daar zorg en ondersteuning. In eerste instantie vanuit ons eigen sociale netwerk. Maar als dat niet mogelijk is, vanuit een professionele organisatie. Langer zelfstandig wonen is een behoefte van veel mensen, maar het is ook een manier om de zorg betaalbaar te houden. We willen graag dat wonen, zorg, welzijn en ondersteuning voor iedereen beschikbaar blijft.’’ In de visie hebben de gemeente en de partners de opgaven verdeeld in 4 thema’s: 1.

De juiste woning: gericht op een voldoende divers aanbod voor verschillende doelgroepen, verspreid over de kernen. Onder meer met aandacht voor nieuwe tussenvormen en levensloopbestendige woonconcepten.

2.

Inclusieve wijken en kernen: de inrichting van de openbare ruimte gericht op veilige ontmoetingen en mobiliteit. Met aandacht voor de ontwikkeling van gemengde en alternatieve woonconcepten.

3.

Passende dienstverlening, zorg en begeleiding: gericht op het inzetten op preventie en zorg zoveel mogelijk in vertrouwde omgeving organiseren. Onder meer met aandacht voor de inzet van technologie.

4.

Samenwerking voor en met inwoners: gericht op bewustwording stimuleren. Onder meer met aandacht voor preventie en vroegsignalering.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt aangesloten op het derde thema en op de algemene visie. Door de woning uit te breiden kan de passende zorg in eigen woning plaatsvinden. De zoon van de initiatiefnemers heeft immers een zeer specifieke zorgvraag die huisvesting bij een zorginstelling erg moeilijk maakt. Voor zijn verdere ontwikkeling is het heel belangrijk is het als hij hij in een vertrouwde omgeving omgeving verzorgd kan worden. Conclusie Het plan past binnen de met de ambities van de Visie op wonen, welzijn en zorg.

pagina 18 van 34

7

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

7.1

Stedenbouw en beeldkwaliteit

De woning wordt in de nieuwe situatie weliswaar iets groter, ondanks de lagere nokhoogte (5,88 m in plaats van 6,15 m), maar vanuit landschappelijk, stedenbouwkundig of ruimtelijk oogpunt levert deze verandering geen (onevenredige) impact of afbreuk op de bebouwingsbeeld, ook in relatie tot de directe omgeving. De woning maakt deel uit van een rijtje van 4 woningen die gelegen zijn aan het lint van de Menakkerweg. Twee van de vier woningen, namelijk Herenweg 203 en Menakkerweg 2, zijn ook al veel groter en hoger dan volgens het geldende bestemmingsplan is toegestaan. Bovendien beschikken deze woningen over een groot volume aan bijbehorende bouwwerken. De andere woning aan de Menakkerweg 6, beschikt over een groot volume aan bijbehorende bouwwerken, waardoor ook de bebouwing op dit perceel volumineus is. De huidige kap van de woning wordt vervangen door een afgeknot schilddak, waardoor de gebruiksoppervlakte van de verdieping vergroot wordt zonder de bouwhoogte te verhogen. Deze kapvorm komt regelmatig voor in het buitengebied en misstaat niet op deze locatie. Conclusie De uit te breiden woning op een landschappelijke goede wijze ingepast in de omgeving en doet bovendien geen afbreuk aan de identiteit van het gebied.

7.2

Verkeer en parkeren

7.2.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeer aantrekkende werking bedraagt.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe woningen gebouwd of functies toegevoegd. Er is geen sprake van een toename van verkeersbewegingen.

7.2.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de

pagina 19 van 34

verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling resulteert niet in een toename van de parkeerbehoefte.

7.3

Duurzaamheid en gezondheid

De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw, die nu zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.

Planspecifiek De verbouwing van de woning biedt kansen om de duurzaamheid te verbeteren. De initiatiefnemers beogen de gevels en het dak conform Bbl-niveau te isoleren, wat ervoor zorgt dat de woning een verbeterde isolatiewaarde krijgt. Dit geeft de initiatiefnemer de mogelijkheid om op den duur over te gaan naar het verwarmen van de woning middels een warmtepomp. Uit hoofdstuk 4 Planbeschrijving is reeds gebleken dat de ontwikkeling vereist is om de gezondheid van de zoon van initiatiefnemers te waarborgen.

7.4

Geluid

De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen

pagina 20 van 34

geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

▪

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪ ▪

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

▪

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Het

gebouw voor kinderopvang met bedden;

beschermen

van

deze

geluidsgevoelige

gebouwen

gebeurt

aan

de

hand

van

vastgestelde

geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.5

Activiteiten en milieuzonering

Het aspect activiteiten en milieuzonering gaat in op de invloed die activiteiten hebben op hun omgeving. In de Omgevingswet wordt in de bijlage bij artikel 1.1 het begrip milieubelastende activiteit (mba) gedefinieerd. Dit gaat feitelijk om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben. Milieubelastende activiteiten zijn niet in alle gevallen aan de orde. Er moet gecontroleerd worden of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project. In het gemeentelijke omgevingsplan wordt het milieuspoor verder geïntegreerd. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2019 de uitgave ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ gepubliceerd. Met deze uitgave wordt de toelating van bedrijven gereguleerd op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De uitgave is verder doorontwikkeld tot geïntegreerde staalkaart. De Staalkaart Bedrijventerrein maakt inzichtelijk hoe activiteiten met gebruiksruimte en milieugevolgen inpasbaar kunnen worden gemaakt en welke regeling in het omgevingsplan hiervoor kan worden opgenomen. De staalkaart zal vervangen worden door de VNG-uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024’. Deze kan ook worden toegepast buiten bedrijventerreinen, in tegenstelling tot de uitgave uit 2019 en de geïntegreerde staalkaart.

Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. In het stedelijk gebied kunnen grofweg drie soorten gebieden worden onderscheiden:

▪

industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert;

▪

woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) prevaleert;

pagina 21 van 34

▪

gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca, detailhandel, etc.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe gevoelige functies toegevoegd. Er zal daarom geen sprake zijn van een nieuwe belemmering voor omliggende bedrijvigheid.

7.6

Geur

Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. In beginsel stelt de gemeente in het omgevingsplan regels voor geur om te zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan dan gelden de regels uit de Bruidsschat. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. De gemeente stelt in aanvulling hierop waar nodig 1 of meer bebouwingscontouren geur vast waaraan een beschermingsniveau gekoppeld is. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke regels ze stelt. Tevens kan de gemeente omgevingswaarden voor geur opnemen in het omgevingsplan.

Planspecifiek Het plangebied is in het tijdelijke deel van het omgevingsplan voorzien van de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – geurzone’. Binnen deze zone is het toevoegen van een nieuwe woning niet toegestaan. De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de uitbreiding van een bestaande woning, waardoor de bepaling bij deze aanduiding niet relevant is.

7.7

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3.

pagina 22 van 34

Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (één ontsluitingswegen) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CILMK) is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De totale concentraties over 2021 (receptor 73538469_15850900) van fijnstof PM10, fijnstof PM2,5 en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 16,6 μg/m³ voor PM10, 8,1 μg/m³ voor PM2,5 en 17 μg/m³ voor NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.8

Archeologie en cultuurhistorie

In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

pagina 23 van 34

Planspecifiek Archeologie Op de gronden van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Bij deze archeologische verwachting is voor bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld een archeologisch onderzoek vereist. De beoogde uitbreiding van voetafdruk van de woning beslaat ca. 50 m². Daarmee blijft de beoogde uitbreiding van de woning onder de vrijstellingsgrenzen. Archeologisch onderzoek is niet aan de orde. Cultuurhistorie Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen vormen voor de beoogde ontwikkeling.

7.9

Bodem

Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

▪

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

▪

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Planspecifiek Met onderhavige ontwikkeling wordt geen gevoeliger bodemgebruik mogelijk gemaakt: de uitbreiding van de woning blijft binnen de woonbestemming. Het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.10 Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in

pagina 24 van 34

het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van het Bkl.

Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties.

pagina 25 van 34

Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.

Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

Uitsnede risicokaart, plangebied rood omkaderd (bron: Atlas leefomgeving)

Activiteiten Op ca. 240 m ten zuiden van het plangebied is een bedrijf met propaanopslag aanwezig. Verder zijn er op afstanden van ca. 400 m en 600 m meerdere bedrijven met propaanopslag aanwezig. Gelet op de afstanden vormen deze bedrijven geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de veiligheidsafstanden uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Buisleidingen Op een afstand van ca. 650 m ten noordoosten van het plangebied ligt een buisleiding van Gasunie. Het plangebied ligt niet binnen het invloedgebied van de deze leiding. De aanwezigheid van de buisleiding vormt daarmee geen belemmering.

pagina 26 van 34

Transportroutes gevaarlijke stoffen Op een afstand van ca. 3 km ten zuidoosten van het plangebied ligt de rijksweg A44, welke deel uitmaakt van het Basisnet weg. Gelet op ruime afstand tot de weg en het feit dat het gaat om een bestaande woning vormt de transport van gevaarlijke stoffen geen risico op het plangebied. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

7.11 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld.

Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

▪ ▪ ▪

aanwezige dier- en plantensoorten; typen natuurlijke habitats; leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

pagina 27 van 34

▪ ▪

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

Planspecifiek In het kader van de beoogde ingrepen is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (WMC Groep, 2024-530, d.d. 22 juli 2024, zie bijlage 3). Navolgend komen de resultaten aan bod. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Het meest nabijgelegen (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied ‘Coepelduynen' ligt op circa 1,2 km van het plangebied. Een significant effect op dit gebied is, gezien deze korte afstand, voor de aanlegfase niet uit te sluiten. Om deze reden is er een AERIUS-berekening voor de aanlegfase uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 7 augustus 2024, zie bijlage 4). Uit deze berekening blijkt dat er geen resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de Natura 2000-gebieden zijn. Er is in dit kader geen vergunning conform Omgevingswet en AMvB’s vereist. Soortenbescherming Het is uit te sluiten dat de ontwikkelplannen een negatief effect hebben op beschermde gebouwbewonende vogelsoorten zoals huismus en gierzwaluw. Een nader onderzoek naar deze beschermde soorten is niet noodzakelijk om aan te tonen dan wel uit te sluiten dat deze soorten in het plangebied een nest hebben. Het plangebied heeft geen functie voor vleermuizen. Er zijn mogelijkheden voor verblijfplaatsen. Het maakt onderdeel uit van een lijnelement, die behouden blijft tijdens en na de werkzaamheden. Als foerageergebied is het niet essentieel en blijft het behouden.

Een nader onderzoek is niet noodzakelijk om aan te tonen dan wel uit te sluiten dat het plangebied een functie heeft voor vleermuizen. Het is zeer aannemelijk dat algemene broedvogels tot broeden komen binnen de verstorende invloedsfeer van het plangebied. Deze mogelijke nesten zijn beschermd wanneer deze in gebruik zijn. Geadviseerd wordt om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Houtopstanden In het plangebied worden geen (beschermde) houtopstanden gekapt.

pagina 28 van 34

Conclusie Het plan voldoet aan de natuurregelgeving van de Omgevingswet en Omgevingsverordening Zuid-Holland.

7.12 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld, het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.

De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Hoogheemraadschap van Rijnland Sinds 1 januari 2024 heeft Rijnland een waterschapsverordening. Deze verordening vervangt de keur. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij oppervlaktewater, dijken en gemalen.

Planspecifiek Watercompensatie Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling neemt de oppervlakte aan verhard oppervlak maar beperkt toe en blijft onder de vrjistellingsgrens van 500 m². Watercompensatie is daardoor niet aan de orde.

pagina 29 van 34

Waterafvoer Ten opzichte van de huidige situatie zal het afvoeren van afval- en hemelwater niet gewijzigd worden. Waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Oppervlaktewater Voor de beoogde uitbreiding van de woning wordt geen oppervlaktewater gedempt. Verder heeft de beoogde ontwikkeling geen invloed op de omliggende watergangen.

Conclusie De wateraspecten vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.

7.13 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure.

In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.

▪

Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag.

▪

Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.

De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn.

pagina 30 van 34

Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.

de kenmerken van het project

2.

de plaats van het project

3.

de kenmerken van de potentiële effecten

Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het inmiddels vervallen Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:

▪

De ontwikkeling betreft enkel de uitbreiding van een bestaande woning.

▪

De bestaande woning wordt verduurzaamd.

Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt.

pagina 31 van 34

8

Financiële haalbaarheid

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan als publiekrechtelijk instrument komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften mogen betrekking hebben op het gebied waar de omgevingsvergunning voor geldt en de aangevraagde ontwikkeling. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden.

Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.

Planspecifiek De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. Het is geen bouwactiviteit waarvoor kosten verhaald moeten worden. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=bb3d05d3-4eea-4a33-9829-e3c7be422743