BP Schulpweg 15, NWH_Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout NL.IMRO.0575.BPBGSchulpweg15-VA01
bestemmingsplan Toelichting
Schulpweg 15, Noordwijkerhout
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
7 7 7 7 8
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie
9 9 10
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
13 13 14 18 21
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Water 4.2 Ecologie 4.3 Bodem 4.4 Geluid 4.5 Archeologie en cultuurhistorie 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Externe veiligheid 4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.9 Verkeer en parkeren 4.10 Milieueffectrapportage
23 23 24 27 28 29 30 30 32 35 36
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 De bestemmingen
37 37 37
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
39 39 39
3
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
4
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Toelichting
5
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
6
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op het perceel Schulpweg 15 te Noordwijkerhout zijn de gronden in gebruik ten behoeve van agrarische bollenteelt. De eigenaar van het perceel heeft het voornemen om een greenportwoning te realiseren. Ter realisatie van de woning zijn overeenkomsten gesloten met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duinen Bollenstreek (GOM) en kan medewerking worden verleend aan de bouw van een nieuwe woning. Voor het plangebied is thans het bestemmingsplan 'Buitengebied 2015' van toepassing. Wonen in het plangebied is op grond van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk. Om het plan uit te kunnen voeren is een herziening van het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied noodzakelijk. Voorliggend plan voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in het buitengebied van Noordwijkerhout, aan de rand van de kern Noordwijkerhout. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer.
Ligging plangebied (blauwe lijn)
1.3
Geldend bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2015', zoals vastgesteld op 20 juni 2016. De gronden in het plangebied zijn bestemd als 'Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1' met een bouwvlak en een functieaanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten'. Ter plaatse zijn de gronden bestemd voor de uitoefening van een bollenteeltbedrijf, waarbij een bedrijfswoning uitgesloten is. Daarnaast zijn de gronden aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2'. De gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Onderstaande afbeelding geeft door middel van blauwe lijnen het plangebied op een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2015' weer. De blauwe lijnen komen overeen met het geldende bouwvlak.
7
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Ligging plangebied (blauwe lijn)
Paraplu Bestemmingsplan Parkeren en Wonen Dit bestemmingsplan vult het al geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2015' op een tweetal onderwerpen aan. Wat betreft parkeren en wat betreft wonen moeten de regels van dit bestemmingsplan worden gevolgd. De regels van dit bestemmingsplan zijn verwerkt in het voorliggende bestemmingsplan.
1.4
Leeswijzer
In de planbeschrijving, hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid beschreven en in hoofdstuk 4 wordt getoetst aan de relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk wordt een juridische beschrijving van het plan weergegeven. Tot slot beschrijft hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
8
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Het plangebied ligt aan de Schulpweg te Noordwijkerhout. Op circa 100 meter afstand aan de westzijde van het plangebied ligt de Gooweg. De Gooweg dient als belangrijke ontsluitingsweg voor Noordwijkerhout. Het plangebied is gelegen in agrarisch gebied. De agrarische gronden worden gebruikt voor (bloem)bollenteelt. Daarnaast zijn aan beide zijden van het plangebied woningen aanwezig. Ook is een bedrijf aanwezig aan de Gooweg 6. Op onderstaande afbeeldingen wordt een indruk van de situatie in het plangebied gegeven.
9
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Foto's plangebied bestaande situatie, bron: Google Streetview
2.2
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer is voornemens een greenportwoning te realiseren. De bouwkavel is gelegen in een bebouwingslint aan de Schulpweg. Het realiseren van een greenportwoning past op deze plaats, omdat sprake is van een reeds bebouwde locatie in het lint. Door de komst van een woning kan de verrommelde situatie worden opgeheven. Wel moet er rekening worden gehouden met de zichtlijnen over de bollenvelden. Om deze reden kan de bebouwing niet te breed worden en de beplanting naast de woning niet te hoog. Wel blijft het van belang een woning landschappelijk goed in te passen, zodat de woning zich op een natuurlijke wijze voegt in het landschap en er een kwalitatieve overgang kan worden gerealiseerd.
10
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
In de nieuwe situatie wordt de woning haaks op de Schulpweg geplaatst. Door de nieuwe woning op deze manier te positioneren wordt de lengterichting van het landschap en het kavel versterkt. De kaprichting is ook in de lengte gesitueerd. Door de beperkte breedte van het kavel is het niet wenselijk om de woning in de breedte te plaatsen. Vanuit het zijerf en achtererf is er een zone van 4 meter (inclusief haag) waarin niet mag worden gebouwd. Dit resulteert in een maximale breedte van de woning van 8 meter. De maximale lengte van de woning is 12 meter diep. Aan de voorzijde van het erf ligt de rooilijn in een redelijke lijn met de bestaande bebouwing in de omgeving. De kavel met de bestemming Wonen heeft een maximale oppervlakte van 700 m2 . De verschijningsvorm van de woning zal aan moeten sluiten op het huidige straatbeeld en de welstandseisen. De nadere analyse van het landschap, locatieafweging, landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit zijn opgenomen in bijlage 1.
Luchtfoto, locatie woning met bestemmingen Wonen en Tuin en het bouwvlak (blauw) waarbinnen de woning gerealiseerd moet worden
Op onderstaande afbeelding is de ligging van het perceel weergegeven en de beoogde landschappelijke inpassing.
11
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Inpassing woning
12
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Hoofdstuk 3
Beleidskader
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor het plangebied relevante geldende beleidskader. In paragraaf 3.1 wordt ingegaan op het Rijksbeleid. In paragraaf 3.2 is het provinciaal beleid opgenomen en het regionaal beleid is opgenomen in paragraaf 3.3. In paragraaf 3.4 is het gemeentelijk beleid beschreven. Het in dit hoofdstuk samengevatte ruimtelijk beleidskader is niet uitputtend.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Toetsingskader Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving (artikel 3.2 Omgevingswet). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone.
De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. In zijn totaliteit kent de NOVI in totaal 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Toetsing en conclusie Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. Om die reden kan verdere toetsing aan de NOVI achterwege blijven. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Toetsing In het Barro zijn geen regels opgenomen die relevant zijn voor het voorliggende bestemmingsplan.
13
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
3.1.3
Besluit ruimtelijke ordening
De Ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een handreiking opgesteld. De handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. In de Handreiking staat dat er geen ondergrens is bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat bij woningbouw in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan elf woningen gerealiseerd worden (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724). Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van één burgerwoning in het buitengebied van de gemeente Noordwijk. Toetsing Vanwege de kleinschalige omvang van het project kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
De Ladder voor Duurzame Verstedelijking is niet van toepassing op dit initiatief.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland geeft aan waar de provincie voor staat. De visie beschrijft hoe de provincie de toekomst van Zuid-Holland voor zich ziet. De Omgevingsvisie bevat verschillende onderdelen. In de ambities wordt omschreven waar de provincie naartoe wil. De beleidsdoelen geven hier richting aan en de beleidskeuzes bepalen hoe de ambities bereikt dienen te worden. Daarnaast zijn in het omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken deel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie.
14
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Uit deze bovenstaande kaart volgt dat het plangebied van dit bestemmingsplan in de visie van de provincie Zuid-Holland deel uitmaakt van het kustlandschap en de bollenstreek. Het kustlandschap is opgebouwd uit een opeenvolging van zee, strand, jonge duinen, strandvlakten en strandwallen parallel aan de kust. Deze langgerekte structuur is op twee plaatsen onderbroken: bij de monding van de Oude Rijn en bij de voormalige monding van de Maas. Veel strandwallen zijn in de loop van de tijd vergraven voor het zand of de bollenteelt, waardoor het kenmerkende reliëf is verdwenen. De duinen en het strand kennen een grote natuurlijke dynamiek en uitersten in omstandigheden: van droog en heet naar nat en koud of van zout naar zoet. Dit maakt het strand en de duinen ecologisch erg waardevol. Richtpunten in het kustlandschap betreffen: Ontwikkelingen versterken en gebruiken waar mogelijk de natuurlijke dynamiek en omstandigheden van de kust (duinen, strand en voordelta/vooroever). Ontwikkelingen houden het verschil herkenbaar tussen "hoog en droog" en "laag en nat" en bouwen voort op de parallelle kuststructuur. Veiligheidsmaatregelen zijn mede gericht op het versterken van het natuurlijk kustkarakter. Het bollenlandschap is ontstaan door het vergraven van oude duinen en strandwallen en de aanleg van een fijnmazig vaartenstelsel ten behoeve van de bollenteelt.
Kenmerkend is de afwisseling van kleurrijke bollenvelden (seizoensgebonden), verspreide bebouwing en begroeiing, vaarten en sloten. Bijzonder zijn de (restanten van) landgoederen en oude duinen. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door een afwisseling van parallel aan de kustlijn gelegen open en verdichte zones. De kwaliteit en herkenbaarheid van dit landschap komen steeds verder onder druk door toenemende bedrijfsbebouwing en verstedelijking die niet geënt is op een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur. Mede door intensivering van de bollenteelt raakt het gebied daarmee steeds verder versnipperd. Het zicht op de bollenvelden wordt door bebouwing steeds meer beperkt.
15
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Dit betekent dat een ontwikkeling bijdraagt aan een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur, op een logische plek in deze structuur ligt en toekomstbestendig is. Opgave hierbij is om de intensivering in de landbouw en de verstedelijking te koppelen aan een versterking van de landschappelijke structuur. Richtpunten in het bollenlandschap betreffen: Ontwikkelingen dragen bij aan het contrast tussen de open en nog gave strandvlakten en de voor de bollenteelt in cultuur genomen (afgezande) oude duinen en strandwallen. Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud en versterking van het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap. Dit planvoornemen voorziet in het toevoegen van een woning in het buitengebied van Noordwijkerhout dat deel uitmaakt van het kust- en bollengebied van de provincie Zuid-Holland. Kenmerkend zijn onder andere de teelt van bollen alsmede de afwisseling van bebouwing en begroeiing, vaarten en sloten. Dit planvoornemen voorziet in het realiseren van een woning in het bollengebied. Doordat de planlocatie is voorzien op een 'logische' plek, tast het planvoornemen het bollengebied niet verder aan. Onder een logische plek wordt verstaan: de planlocatie sluit aan op de lintbebouwing aan de Schulpweg.
Aan de Schulpweg en omgeving zijn in de afgelopen jaren meerdere woningen gerealiseerd of omgezet naar burgerwoning waardoor een bebouwingsbeeld in de vorm van een lint is ontstaan. Het planvoornemen voorziet dus in een verdichting op een plek waar reeds sprake is van verdichting. Dit past in de visie van de provincie Zuid-Holland. 3.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
In samenhang met de Omgevingsvisie, is ook de Omgevingsverordening Zuid-Holland (2020) opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. De volgende bepalingen zijn relevant voor het plan: Artikel 6.9 - Ruimtelijke kwaliteit Met behulp van artikel 6.9 poogt de provincie Zuid-Holland te sturen op de ruimtelijke kwaliteit in de provincie. Gebiedsgericht sturen op ruimtelijke kwaliteit betekent voor de provincie richting en ruimte geven aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Het kwaliteitsbeleid gaat uit van ‘ja, mits’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheid maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.
Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1.
Inpassing: Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of de stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De rol van de provincie is hier in principe beperkt,
16
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
2.
3.
behalve in gebieden met topkwaliteit. Aanpassing: Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat. Transformatie: Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden.
Indien sprake is van inpassing stelt artikel 6.9, eerste lid, sub a, dat: "Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen)." Bij dit voorliggende bestemmingsplan is hiervan sprake. Wel moet een gebiedseigen ontwikkeling of functie naadloos aansluiten op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van een gebied. Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving. Het ondersteunt bestaande landschappelijke structuren of heeft een belangrijke functie bij het in stand houden van de bestaande gebiedskenmerken en kwaliteiten. Dit planvoornemen betreft een gebiedseigen ontwikkeling. Het toevoegen van één woning op het perceel aan de Herenweg betreft het inpassen in de lintbebouwing aan de Herenweg die zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld. Tot slot wordt opgemerkt dat artikel 6.9, vierde lid, bepaalt dat een beeldkwaliteitsparagraaf moet zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Paragraaf 2.2 voorziet hierin.
Artikel 6.10 - Stedelijke ontwikkelingen Dit artikel van de Omgevingsverordening bepaalt dat een ruimtelijk plan in zijn toelichting moet ingaan op de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking indien het voorziet in een stedelijke ontwikkeling. Zoals reeds geconstateerd in subparagraaf 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening voorziet dit bestemmingsplan niet in een stedelijke ontwikkeling. Wel moet in zulke gevallen in het kader van een goede ruimtelijke ordening de behoefte aan de betreffende woning worden aangetoond. Subparagraaf 3.3.2 gaat hier verder op in. Artikel 6.17 Bollenteeltgebied Een bestemmingsplan voor gronden binnen het bollenteeltgebied laat primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen. Een bestemmingsplan kan echter ook voorzien in greenportwoningen en 'Ruimte-voor-Ruimte'-woningen als bedoeld in subparagraaf 3.3.1. Voornoemd artikel uit de Omgevingsverordening verzet zich dus niet tegen dit plan met inachtneming van het regionale beleid. 3.2.3
Toetsing plan aan provinciaal beleid
Voorliggend plan betreft de sloop van bedrijfsgebouwen en de bouw van één woning in het Bollenlandschap van Noordwijk. Het bebouwd oppervlak neemt af in combinatie met een zorgvuldige (landschappelijke) inpassing van de nieuwe woning in het lint. Dit draagt bij - in combinatie met het vervallen van het agrarisch bouwvlak - aan het verbeteren van het zicht op de bollenvelden. Zie ook paragraaf 2.2. Vanwege de kleinschalige omvang van het project kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een
17
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op dit initiatief. Het voorliggende plan sluit aan bij het provinciale beleid.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Intergemeentelijke structuurvisie Greenport (ISG)
De raden van de zes Greenportgemeenten (Hillegom, Katwijk, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout en Teylingen) beschikken sinds 2009 over een integrale ruimtelijke visie in de vorm van de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin en Bollenstreek (ISG). De structuurvisie vervangt het 'Pact van Teylingen' en het 'Offensief van Teylingen'. De ISG is voor de Greenportgemeenten van de Duin- en Bollenstreek een wettelijk zelfbindend kader voor gewenste ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied tot 2030 en geldt als toetsingskader voor toekomstige plannen. De Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) B.V. zal samen met de aandeelhoudende Greenportgemeenten verder vormgeven aan de inhoud en uitvoering van het meerjarenprogramma, dat voortvloeit uit de ISG. De ISG is gericht op het creëren van een vitale Greenport met een vitaal landschap. Hiervoor zijn de volgende ambities en uitgangspunten opgesteld: 1. 2. 3. 4.
5.
6.
de economische herstructurering van de Greenport staat centraal; de gemeenten zullen de herstructureringsopgave combineren met landschapsverbetering; de gemeenten zullen verdergaande verrommeling van het landschap tegengaan; met het uitvoeren van de woningbouwopgave, zoals in de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer-Bollenstreek overeen is gekomen, de maximale woningbouwbijdrage van de Duinen Bollenstreek bereikt is; de gemeenten het areaal aan 1e klas bollengrond van 2.625 ha duurzaam moeten handhaven, hoewel zij met het herstructureringsproces tijdelijke krimp onder nader te bepalen voorwaarden (waaronder harde tijdgebonden compensatiegaranties) toestaan; primaire greenportfuncties, zoals bollencluster, vaste planten, bloemencluster en toerisme (inclusief greenportgerelateerde handel en dienstverlening), krijgen bij conflicterende ruimteclaims prioriteit boven niet primaire greenportfuncties, zoals overige landbouw en veeteelt.
De basis om tot verbetering van de landschapskwaliteiten in de Duin- en Bollenstreek te komen is het Landschapsperspectief. In de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin en Bollenstreek wordt het landschap verdeeld in verschillende 'kamers' en worden de beleidsregels op hoofdlijnen weergegeven. Onderstaande kaart geeft het landschapsperspectief weer.
18
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
19
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Het plangebied is gelegen in de zone waar een 'nee, tenzij' beleid geldt, gericht op sanering en waar in beginsel alleen uitbreiding bebouwing wordt toestaan onder strenge voorwaarden: openheid actief vergroten; behoud en versterken doorkijk en vensters. Toetsing De ontwikkeling van het plangebied betreft de sloop van bestaande bedrijfsbebouwing en hiervoor in de plaats de bouw van een woning. Het bebouwd oppervlak neemt af in combinatie met een zorgvuldige (landschappelijke) inpassing van de nieuwe woning in het lint. Dit draagt bij - in combinatie met het vervallen van het agrarisch bouwvlak - aan het verbeteren van het zicht op de bollenvelden. Zie ook paragraaf 2.2. Daardoor is er geen sprake van aantasting van de openheid en/ of zichtlijnen. Voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de ambities van de ISG zoals onder andere opgenomen op de Kaart Landschapsperspectief.
20
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
3.3.2
Regionale woonagenda
De gemeenten die deel uitmaken van het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland hebben op 20 februari 2018 de regionale woonagenda vastgesteld. Hierin staat wat de woonbehoefte is in de gemeenten binnen Holland Rijnland en hoe het woningaanbod per subregio op de vraag kan worden afgestemd. De regionale woonagenda is nodig omdat er veranderingen zijn op de woningmarkt. Deze is bijvoorbeeld veranderd van een aanbod- naar vragersmarkt. Ook de vraag naar de woningen zelf blijkt veranderd; de woonomgeving en de nabijheid van voorzieningen wordt steeds belangrijker. Uit de regionale woonagenda blijkt dat er in Noordwijk in de periode 2017-2022 een vraag is naar 610 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt deze behoefte 170 extra woningen. Van deze totale behoefte van 780 woningen, zijn er volgens de agenda 400 indicatief voorzien in een woongebied ‘rustig stedelijk’. Zie onderstaande tabellen uit de Woonagenda.
Uitsnede met woningbouwbehoefte tot 2030 – Woonagenda Holland Rijnland
Uitsnede met indicatieve behoefte woonmilieus tot 2030 – Woonagenda Holland Rijnland
Toetsing Het voornemen betreft de realisatie van één nieuwe woning. Met deze ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de doelen uit de regionale woonagenda.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Woonvisie
Voor wonen is de gemeentelijke woonvisie van toepassing (inwerkingtreding 26 januari 2021). Op basis van de woonvisie en ook bij de vorige woonvisie van de voormalige gemeente Noordwijk is de Verordening Bestemmingsreserve ter bevordering van sociale huurwoningen van toepassing. Gomwoningen/Greenport woningen vallen op basis van artikel 1 h en artikel 2, lid 3 van de Verordening Bestemmingsreserve ter bevordering van sociale huurwoningen buiten de werkingssfeer van de verplichte segmentering van de geldende woonvisie. Bij de woonvisie is een vastgestelde woningbouwplanlijst opgenomen. Hier is in de categorie 4a, de locatie (nog) niet specifiek vermeld, wel zijn er reserveringen in Noordwijkerhout voor Greenportwoningen, locaties onbekend opgenomen. Deze woning valt onder die categorie.
21
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Toetsing Voorliggend plan voorziet in de bouw van een vrijstaande woning in het buitengebied van de kern Noordwijkerhout. Deze ontwikkeling past binnen de ambitie van de woonvisie. 3.4.2
Welstandsnota
In de welstandsnota is een analyse gemaakt van Noordwijkerhout. Op basis van deze analyse zijn verschillende gebieden onderscheiden. Deze gebieden worden beschreven en gewaardeerd en aan de hand van de bevindingen zijn criteria geformuleerd waaraan bouwplannen in de betreffende gebieden (welstandshalve) zouden moeten voldoen. De beoordeling van de woongebouwen is gericht op afwisseling en individualiteit, zorgvuldige detaillering en traditioneel materiaal- en kleurgebruik. Voor bouwplannen in het buitengebied worden hier de beschrijving en de welstandscriteria gegeven. Toetsing Bij aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen zal de Welstandscommissie beoordelen of de nieuwbouw past binnen de welstandseisen zoals deze gelden voor het buitengebied.
22
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk worden de voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten beschreven. Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van de (technische) onderzoeken met conclusies.
4.1
Water
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Voor de voorliggende ontwikkeling is daarom een digitale watertoets (www.dewatertoets.nl) uitgevoerd. Het toetsresultaat van de digitale watertoets hield in dat contact moest worden opgenomen met het waterschap. Het initiatief is vervolgens op 4 september 2020 voorgelegd aan het waterschap. Op 9 september 2020 heeft het waterschap aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de ontwikkeling. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding. Waterschapsbeleid Op 9 maart 2016 heeft het algemeen bestuur van hoogheemraadschap van Rijnland het Waterbeheerplan 5 (WBP) vastgesteld. In dit plan geeft het hoogheemraadschap aan wat haar ambities voor de planperiode 2016-2021 zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De hoofddoelen zijn: waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de zee en de rivieren; voldoende water: er is voldoende water. Niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik. schoon en gezond water: Rijnlands water is schoon, zodat de mens, de natuur en de economie er optimaal gebruik van kunnen maken.
waterketen: het afvalwater wordt optimaal gezuiverd en de grondstoffen hergebruikt. Waterbeheer De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat de ruimtelijke ontwikkeling in strijd is met het duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Op 10 juni 2016 is de Keur Rijnland 2015 in werking getreden. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van de Waterwet en daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebods- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten en beken); andere waterstaatswerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terechtkomt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Plangebied Het plangebied ligt in het buitengebied van de kern Noordwijkerhout. In het plangebied zijn geen knel- en aandachtspunten inzake de waterkwaliteit en de waterkwantiteit bekend. Het hemelwater dat in het plangebied neerkomt op het onverharde oppervlak wordt opgenomen in de bodem door middel van
23
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
infiltratie. In het plangebied wordt één woning gebouwd. De oppervlakte van de woning, bijgebouwen en de erfverharding, is kleiner dan 500 m2 . Ten opzichte van de bestaande situatie is er sprake van een afname van het verhard oppervlak. Het is daarom op basis van de Keur niet noodzakelijk om een watervergunning aan te vragen. Er is ook geen compensatie nodig in de vorm van oppervlaktewater. Voor de bouw van de woning worden duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast (dus geen zink, lood, koper, en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Toetsing Op voorhand zijn er geen onoverkomelijke belemmeringen te verwachten. Het plan heeft een afname van het verhard oppervlak tot gevolg.
4.2
Ecologie
Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. De ecologische inventarisatie is opgenomen in bijlage 7. Onderstaand zijn de conclusies beschreven voor het plangebied. Soortenbescherming Uit het raadplegen van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF, 23 september 2020 15:34:37) blijkt dat binnen een straal van een kilometer rond het plangebied diverse beschermde diersoorten bekend zijn uit de afgelopen 5 jaar. Het betreffen voornamelijk amfibieën, vogels met jaarrond beschermde nesten en zoogdieren en verder een reptielen- en dagvlindersoort. Alle in de NDFF vermelde soorten worden hieronder behandeld. Er is gekozen voor een straal van een kilometer om het plangebied, omdat binnen dit gebied vergelijkbare biotopen aanwezig zijn als in het plangebied. Bij een grotere straal wordt de soortinformatie sterk bepaald door de waarnemingen van beschermde soorten uit de duingebieden.
De gegevens uit het gebied binnen een straal van 1 kilometer geven daarom een beter beeld over de soorten die eventueel in het plangebied te verwachten zijn, te meer omdat er uit dit gebied veel waarnemingen en soorten bekend zijn, wat aangeeft dat de omgeving redelijk tot goed is onderzocht. Vegetatie is in het plangebied slechts zeer beperkt aanwezig. Op de braakliggende grond zijn tijdens het veldbezoek soorten als heermoes, klein kruiskruid, straatgras en kleine brandnetel aangetroffen. Langs de slootoever aan de rand van het plangebied groeiden soorten als grote brandnetel, riet en liesgras. In de watergang grenzend aan het plangebied was met uitzondering van wat kroos geen vegetatie aanwezig. Langs de randen van het plangebied is wat opgaande beplanting aanwezig, zoals klimop en haagliguster. De aangetroffen plantensoorten duiden op voedselrijke omstandigheden. Beschermde plantensoorten zijn niet bekend uit de omgeving van het plangebied (NDFF) en zijn ook niet aangetroffen tijdens het veldbezoek. Deze zijn ook niet te verwachten vanwege de voedselrijkdom en inrichting van het plangebied. Het stenen gedeelte van de loods is potentieel geschikt als vleermuisverblijfplaats. In dit deel van de loods zijn geschikte invliegopeningen aanwezig, zoals bij de overhangende gevelpannen en bij het daklood op het dak.
In de sterk vervallen open kapschuur zijn geen besloten ruimtes aanwezig die potentieel geschikt zijn als vleermuisverblijfplaats. Het plangebied is door het grotendeels ontbreken van vegetatie weinig geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Te verwachten zijn enkele algemene soorten, zoals gewone dwergvleermuis (NDFF) en laatvlieger die in open gebieden kunnen foerageren. Voor sterker aan besloten gebieden en/of water gebonden soorten als franjestaart, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis (NDFF) vormt het plangebied geen geschikt leefgebied. In het plangebied zijn geen rijen opgaande beplanting of doorlopende watergangen aanwezig die onderdeel kunnen vormen van een belangrijke vliegroute van vleermuizen.
24
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Het pannendak van de te slopen loods is potentieel geschikt als broedplaats voor huismus en gierzwaluw (NDFF), doordat voor deze soorten geschikte invliegopeningen aanwezig om onder het pannendak te komen. Voor gierzwaluw gaat het hierbij alleen om de nokken van de kopgevels waar onder de overhangende gevelpannen voldoende ruimte is om uit te vliegen. De nesten van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Hoewel de loods niet aan de binnenzijde kon worden geïnspecteerd, kan een nest van andere vogels met jaarrond beschermde nesten als de uit de omgeving bekende kerkuil (NDFF) uitgesloten worden door het ontbreken van geschikte invliegopeningen. In de sterk vervallen open kapschuur zijn geen nesten van vogels aangetroffen. Ook zijn in het plangebied geen bomen aanwezig waarin vogels met jaarrond beschermde nesten kunnen broeden, zoals de uit de omgeving bekende soorten boomvalk, buizerd, havik, roek, sperwer en wespendief (NDFF). Van grote gele kwikstaart, ooievaar en slechtvalk zijn geen nest- of verblijfplaatsen aangetroffen en zijn ook geen potentieel geschikte nestlocaties aanwezig. Het plangebied vormt door het grotendeels ontbreken van vegetatie hooguit marginaal geschikt foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten als huismus.
In het plangebied kunnen ook een aantal andere vogels tot broeden komen waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn, zoals spreeuw en winterkoning. Het plangebied vormt matig geschikt leefgebied voor een aantal algemene grondgebonden zoogdiersoorten, zoals huisspitsmuis en veldmuis (NDFF). Voor deze algemene soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de omgeving van het plangebied is ook de niet-vrijgestelde soort damhert bekend. Voor deze en andere niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten is in het plangebied geen geschikt leefgebied aanwezig. De watergang naast het plangebied vormt potentieel geschikt leefgebied voor enkele algemene amfibieënsoorten, zoals de uit de omgeving bekende gewone pad en kleine watersalamander (NDFF). Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. In het plangebied is geschikt landbiotoop voor deze soorten aanwezig. Het braakliggende plangebied is door de aanwezigheid van vergraafbare zandgrond en opgeslagen materialen en wat waterplassen potentieel geschikt als leefgebied voor rugstreeppad.
Deze soort is echter niet bekend uit de omgeving van het plangebied (NDFF) en het is de vraag of de plassen water lang genoeg aanwezig blijven om geschikt te zijn als voortplantingswater. Het veldbezoek vond plaats na een natte periode. Beschermde vissen, reptielen en ongewervelden kunnen worden uitgesloten door het ontbreken van geschikt leefgebied en/of door het ontbreken van waarnemingen uit de omgeving van het plangebied (NDFF). Zo komt de uit de omgeving bekende (NDFF) zandhagedis voor in de duingebieden van Zuid-Holland en is de grote vos (NDFF) aangewezen op warme bosranden en boomgaarden. Toetsing Het is niet uitgesloten dat in de te slopen loods een verblijfplaats van vleermuizen aanwezig is, zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Daarom is nader onderzoek nodig om te bepalen of een verblijfplaats van vleermuizen aanwezig is. Op basis hiervan kan worden bepaald of een ontheffing van de Wnb nodig is. Het plangebied vormt hooguit marginaal geschikt foerageergebied van enkele vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger, vanwege het grotendeels ontbreken van vegetatie. In de omgeving van het plangebied is in ruime mate alternatief en bovendien deels ook hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied zijn niet aan de orde.
Het is niet uitgesloten dat huismus en gierzwaluw broeden in de te slopen loods. Daarom is nader onderzoek nodig om te bepalen of nesten van deze vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Op basis daarvan kan worden bepaald of een ontheffing van de Wnb moet worden aangevraagd. Het plangebied vormt hooguit marginaal geschikt foerageergebied van huismus en andere vogels met jaarrond beschermde nesten. In de omgeving van het plangebied is in ruime mate alternatief en bovendien
25
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
ook hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied zijn niet aan de orde. Voor de overige vogelsoorten geldt dat het verboden is om nesten van vogels (indien nog in functie) te vernietigen of te verstoren. Om vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen te voorkomen, dient bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden daarom voldoende rekening te worden gehouden met het broedseizoen of dient voorafgaand aan de werkzaamheden te worden vastgesteld dat geen broedgevallen aanwezig zijn. De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het is van belang of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. Het is nog onduidelijk of het plangebied geschikt is als leefgebied voor rugstreeppad, doordat niet duidelijk is of de aangetroffen plassen lang genoeg blijven liggen om door rugstreeppad te kunnen worden gebruikt als voortplantingswater. Daarom wordt geadviseerd om tijdens het huismusonderzoek in april te bepalen of potentieel voortplantingswater aanwezig is. In dat geval moet nader onderzoek naar rugstreeppad plaatsvinden, op basis waarvan kan worden bepaald of een ontheffing van de Wnb nodig is voor deze soort.
Als gevolg van de werkzaamheden kunnen tot slot mogelijk enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen onder de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Zuid-Holland. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Voor alle in het wild levende planten- en dierensoorten in Nederland geldt de zorgplicht van de Wnb. Dit houdt onder andere in dat handelingen met negatieve gevolgen voor in het wild levende dieren en planten worden nagelaten of de negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen. Bij uitvoering van de plannen moet dan ook rekening worden gehouden met alle in het plangebied levende soorten en moeten negatieve effecten, voor zover redelijkerwijs mogelijk, worden voorkomen. Een zorgplichtmaatregel voor de voorliggende situatie is om de aanwezige vegetatie in het plangebied een week voor de start van de werkzaamheden te maaien en bomen en struiken te snoeien. Hierdoor wordt het plangebied onaantrekkelijk voor algemene zoogdieren en amfibieën waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Op deze manier hebben deze soorten de tijd om zich te verplaatsen naar een nieuwe locatie buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden, zodat wordt voldaan aan de zorgplicht die wel geldt voor deze vrijgestelde soorten. Gebiedsbescherming Een nadere analyse van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet nodig. De ontwikkeling is op het punt van provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet in strijd met de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Stikstof Uit de stikstofberekening, zie bijlage 9, blijkt dat het mogelijk is om een vrijstaande woning te bouwen, zonder dat er stikstofdepositie boven 0,00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden optreedt. Het bouwplan is zonder Wnb vergunning te realiseren. Conclusie en nader ecologisch onderzoek Voor een toetsing aan de soortenbescherming van de Wnb is op basis van het uitgevoerde veldbezoek (d.d. 29 september 2020) en het raadplegen van bronnen, gelet op de aard van het plan, een nog onvoldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Uit de inventarisatie komt naar voren dat nader onderzoek nodig is naar de aanwezigheid van huismus, gierzwaluw en vleermuizen (inclusief laatvlieger) in de te slopen loods. Ook dient tijdens het huismusonderzoek te worden bepaald of er op het terrein geschikt voortplantingswater voor rugstreeppad aanwezig is. In dat geval is een nader onderzoek naar deze soort nodig.
Op basis van het nader onderzoek kan worden bepaald of een ontheffing van de Wnb nodig is.
26
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Nader ecologisch onderzoek In het najaar van 2021 en het voorjaar van 2022 is nader ecologisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 8 Nader ecologisch onderzoek. Tijdens de veldbezoeken zijn vijf verschillende soorten vleermuizen waargenomen: de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en rosse vleermuis. Allen zijn met name langsvliegend waargenomen of foeragerend rondom het met klimop begroeide pand. De watervleermuis is foeragerend boven de ten zuiden gelegen sloot waargenomen. Er zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld binnen het plangebied. Rondom het plangebied zijn huismussen waargenomen in de klimop die tegen het naastgelegen pand groeit. Deze huismussen hadden geen binding met het plangebied. Er zijn geen nestplaatsen en essentieel leefgebied van de huismus vastgesteld binnen het plangebied. Gierzwaluwen zijn weliswaar boven het plangebied waargenomen, maar hadden geen binding met het plangebied. De kolonie broedt hoogstwaarschijnlijk in de ten noorden gelegen woonwijk. Er zijn geen nestplaatsen van gierzwaluw vastgesteld binnen het plangebied. Tijdens het onderzoek naar de huismus is tevens gekeken, in navolging op de quickscan, of binnen het plangebied geschikt voortplantingswater aanwezig was voor de rugstreeppad. Dit bleek niet het geval.
Daarbij zijn de bekende waarnemingen dusdanig ver weg en zijn er onoverbrugbare barrières waardoor kolonisatie van het plangebied door de rugstreeppad wordt uitgesloten. Tevens zijn tijdens alle onderzoeksrondes geen rugstreeppadden waargenomen, op gehoor en zicht. Beschermde functies van de rugstreeppad kunnen daardoor binnen het plangebied worden uitgesloten. Er zijn geen beschermde nest- of verblijfplaatsen vastgesteld binnen het plangebied. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Het plan is niet in strijd met de gebiedenbescherming van de Wnb en het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid (Omgevingsverordening Zuid-Holland). Een vergunning Wnb gebiedenbeleid is niet nodig.
4.3
Bodem
Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Op basis van de Woningwet en het Bouwbesluit mag niet worden gebouwd op verontreinigde grond. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet vaak een bodemonderzoek worden geleverd. Dit is een verplichting uit de Woningwet om de gezondheid en veiligheid te garanderen van mensen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor vergunning wordt aangevraagd. Een bodemonderzoek is noodzakelijk wanneer: nog geen gegevens betreffende de bodemgesteldheid bekend zijn (dit betekent dus ook dat als er een bodemkwaliteitskaart is, er geen bodemonderzoek meer hoeft te komen); er meer dan twee uur per dag mensen in verblijven; het bouwwerk de grond raakt en; er na sloop wordt herbouwd. Toetsing In 2020 is een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies vastgesteld: In de grond zijn er, behoudens de olie-waterreactie, geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met voornamelijk bestrijdingsmiddelen gerelateerde stoffen. Globaal gezien is de ondergrond licht verontreinigd.
Ter plaatse van boring 2 is de ondergrond matig verontreinigd met minerale olie. De verontreiniging kan hoogstwaarschijnlijk worden gerelateerd aan de voormalig aanwezige ondergrondse dieseltank. Het grondwater is niet verontreinigd voor de onderzochte parameters. Ter plaatse van boring 2 is de grond matig verontreinigd met minerale olie. Niet geheel duidelijk is of hiermee de potentiële kern van de olieverontreiniging is geanalyseerd. Er zijn geen sterke verhogingen aangetoond. De omvang de verontreiniging is onbekend. Mogelijk houdt de verontreiniging verband met
27
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
een lekkage of een morsing ten gevolge van het historisch gebruik van de voormalige tank. Ondanks dat verkregen onderzoeksresultaten er geen schijn van hebben is het niet uit te sluiten of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging op basis van de wet bodembescherming. Rekening gehouden dient te worden met een aanvullend onderzoek om de saneringsnoodzaak te bepalen. Aanvullend bodemonderzoek is vervolgens uitgevoerd, zie bijlage 3. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het navolgende geconcludeerd: De onderzochte grond is niet sterk verontreinigd met minerale olie. De aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging wordt niet vermoed. Met betrekking tot de aangetoonde matige verontreiniging met minerale olie in de grond (voorgaand onderzoek) wordt er vanuit de Wet bodembescherming geen directe saneringsnoodzaak voorzien. Opgemerkt wordt dat vanuit andere wetgeving mogelijk wel sprake kan zijn van een saneringsnoodzaak. In aanvulling op het voorgaande is de aanwezige verontreiniging met minerale olie in de ondergrond ter plaatse van boring 2 mogelijk ook aanwezig onder de bebouwing. Aanvullend bodemonderzoek is nodig om de ernst en omvang van de verontreiniging vast te stellen. Dit onderzoek dient te worden aangeleverd bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van de woning.
In de planontwikkeling is rekening gehouden met een mogelijk geval van ernstige bodemverontreiniging en de daarmee samenhangende financiële belemmering voor de geplande ontwikkeling. Omdat niet de gehele locatie onderzocht is in 2020, is nader bodemonderzoek naar een gedeelte van het plangebied verricht, zie bijlage 4. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het navolgende geconcludeerd: De bodem bestaat overwegend uit zand. Zeer plaatselijk is sprake van veen. In de grond is sprake van zwakke bijmengingen met baksteen en plastic. Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen; Ter plaatse van boringen 01 en 02 zijn matige bijmengingen met slib aangetroffen. Hetgeen duidt op de voormalige watergang. In bovenliggende laag is zintuiglijk geen afwijkende bodemopbouw aangetroffen ten opzichte van de overige boringen. Aannemelijk is dat de watergang met gebiedseigen grond is gedempt. De boven- en ondergrond zijn licht verontreinigd met enkele parameters; Het grondwater is licht verontreinigd met enkele parameters. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en de aangetoonde verhogingen in het grondwater dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen.
Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Conclusie Beperkingen ten aanzien van het voorgenomen gebruik, zijnde wonen met tuin, worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.
4.4
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs alle wegen zones. In geval van het realiseren van geluidgevoelige bebouwing binnen deze zones dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Dit plan voorziet in de realisatie van een nieuwe burgerwoning. De nieuw te bouwen woning is een geluidsgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder en gelegen binnen de wettelijke geluidzones. In verband hiermee is akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 6). Toetsing
28
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
Uit het onderzoek blijkt dat de te realiseren woning niet voldoet aan de wettelijke eisen wat betreft het wegverkeerslawaai. De overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting bedraagt maximaal 4 dB vanwege de Schulpweg. Om de realisatie van deze woning mogelijk te maken dient het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk een hogere waarde te verlenen. Conform het beleid van de gemeente kan er pas een hogere waarde worden verleend als voldaan wordt aan de hoofdcriteria uit het Besluit geluidhinder. De in dit besluit gestelde voorwaarden hebben betrekking op het onvoldoende doeltreffend zijn van de mogelijke bron- en overdrachtsmaatregelen, dan wel op het ontmoeten van overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Gemotiveerd is waarom maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied niet mogelijk zijn. Mogelijk zijn voor het verlenen van een hogere waarde wel aanvullende geluidsisolerende maatregelen aan de betreffende gevels van de geluidgevoelige bebouwing nodig, teneinde te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. Dit onderzoek dient bij de indiening van het bouwplan mede aangeleverd te worden.
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
4.5.1
Wet- en regelgeving
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. 4.5.2
Archeologie
Het archeologiebeleid van de voormalige gemeente Noordwijkerhout is verankerd in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2015'. De gronden van het plangebied kennen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Een archeologische onderzoeksplicht geldt in principe indien het bouwplan een oppervlakte kent die groter is dan 500 m2 . Voor het plangebied is geen sprake van archeologische onderzoeksplicht. Voor het plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij het ARCHIS-meldpunt van de Rijksdienst de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed of bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog. 4.5.3
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt in het door de provincie op de Kwaliteitskaart aangewezen bollenlandschap. Het bollenlandschap is ontstaan door het vergraven van oude duinen en strandwallen en de aanleg van een fijnmazig vaartenstelsel ten behoeve van de bollenteelt. Kenmerkend is de afwisseling van kleurrijke bollenvelden (seizoensgebonden), verspreide bebouwing en begroeiing, vaarten en sloten. Bijzonder zijn de (restanten van) landgoederen en oude duinen. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door een afwisseling van parallel aan de kustlijn gelegen open en verdichte zones. De kwaliteit en herkenbaarheid van dit landschap komen steeds verder onder druk door toenemende bedrijfsbebouwing en verstedelijking die niet geënt is op een samenhangende en herkenbare ruimtelijke
29
bestemmingsplan Schulpweg 15, Noordwijkerhout
structuur. Mede door intensivering van de bollenteelt raakt het gebied daarmee steeds verder versnipperd. Het zicht op de bollenvelden wordt door bebouwing steeds meer beperkt. Dit betekent dat een ontwikkeling bijdraagt aan een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur, op een logische plek in deze structuur ligt en toekomstbestendig is. Opgave hierbij is om de intensivering in de landbouw en de verstedelijking te koppelen aan een versterking van de landschappelijke structuur. In het plangebied ligt geen bebouwing dat als rijks- of gemeentelijke monumenten is aangewezen. 4.5.4
Toetsing plan aan archeologie en cultuurhistorie
Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' geen belemmering vormen voor onderhavige ontwikkeling.
4.6
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Rg/m3 , NO2 of PM10 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit, heeft het voormalig ministerie van VROM, in samenwerking met InfoMil, de 'nibm-tool 2017' ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Hierbij is uitgegaan van 1 extra woning met in totaal 8 extra voertuigbewegingen. Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 ug/m3) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven. Toetsing De bouw van een vrijstaande woning kan gezien worden als een 'nibm' project. Daarom hoeft er niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig. Voorts wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening geconcludeerd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er worden geen personen blootgesteld aan onacceptabele concentraties luchtvervuiling.