BP Schippersvaartweg 44 e.o_Toelichting
Tekst van het document
Daarbij speelt ook dat gekeken moet worden naar het soort omgeving. In de VNG-publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende omgevingstypen. De VNG-publicatie gebruikt het omgevingstype gemengd gebied om gebieden te typeren waar sprake is van meerdere functies die zorgen voor een bepaalde levendigheid, maar ook voor een bepaalde milieubelasting. In een dergelijk gemengd gebied wordt de vestiging van milieubelastende activiteiten op een kortere afstand dan in woongebieden, mogelijk geacht. Voor het plangebied en omgeving is sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Noordwijkerhout aan de Schippersvaartweg. In het plangebied is sprake van functiemenging. Het grootste deel van de omliggende gronden zijn in gebruik ten behoeve van bollenteelt, het plangebied en het lint hebben een woonfunctie. Hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving In de omgeving van het plangebied zijn verscheidene bedrijven aanwezig. Aan de zuidzijde is op grond van het geldende bestemmingsplan een 'handels- en exportbedrijf' toegestaan. Een handels- en exportbedrijf valt in beginsel onder milieucategorie 2 (Grth. in bloemen en planten en/ of bloembollendroog- en prepareerbedrijven). De ter plaatse voorkomende activiteiten zijn onderstaand weergegeven.
33
bestemmingsplan Schippersvaartweg 44 e.o.
Figuur 4.4: relevante activiteiten volgende de VNG-uitgave. Ter plaatse wordt het gehele proces – van kwekerij tot export – ter plaatse uitgevoerd. Het betreft een inrichting type B, zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit. Gelet op de aard en omvang van het bedrijf (circa 4,5 ha) is een (hogere) inschaling in milieucategorie 3.1 niet onredelijk, aangezien de activiteiten naar aard en omvang vergelijkbaar kunnen zijn met 'dienstverlening t.b.v. de landbouw' en 'groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders'. Dit uitgaande van een worstcase benadering. Er geldt dan een richtafstand van 50 m voor een rustige woonwijk en 30 m voor gemengd gebied. In dit geval is sprake van een gemengd gebied. De afstand van het bouwvlak tot het bedrijfsperceel bedraagt circa 45 m. Wanneer in een gemengd gebied minimaal 30 m wordt aangehouden tussen woningen en het bedrijfsperceel, kan in redelijkheid worden geconcludeerd dat ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het bedrijf niet onevenredig belemmerd wordt.
34
bestemmingsplan Schippersvaartweg 44 e.o.
Figuur 4.5: afstanden ten opzichte van omliggende functies. Direct grenzend aan het perceel is ook sprake van een bedrijfsperceel gelegen aan de Schippersvaartweg 44. Ter plaatse is een 'handels- en exportbedrijf' toegestaan met een maximum bebouwd oppervlak van 1.311 m2 en een bedrijfsperceel van circa 4.400 m2 . Een handels- en exportbedrijf valt in beginsel onder milieucategorie 2 (Grth. in bloemen en planten). De bedrijfsactiviteiten in de huidige situatie vallen naar aard en omvang ook onder milieucategorie 2. Er geldt een richtafstand van 30 m voor een rustige woonwijk en 10 m voor gemengd gebied. In dit geval is sprake van een gemengd gebied. De afstand van het bouwvlak tot het bedrijfsperceel bedraagt circa 2 m. Er wordt in beginsel niet voldaan aan de richtafstand. Als er echter rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de bestaande bedrijfswoning met erf (tuin) wordt wel voldaan aan een richtafstand van 10 m. Verder geldt dat de verkeersontsluiting gedeeltelijk aan de voorzijde van het erf plaats vindt, direct aan de Schippersvaartweg of via de noordwestelijke entree om het achterste pand te bereiken. Er is geen bedrijfsmatige verkeersontsluiting in de nieuwe situatie aan de zijde van de nieuwe woning.
Er kan derhalve in redelijkheid worden geconcludeerd dat ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het bedrijf niet onevenredig belemmerd wordt. De nieuwe woning ligt ook binnen de invloedssfeer van afvalbedrijf Meeuwenoord B.V. aan de Schippersvaartweg 85. Het betreft een bedrijf waar afvalstoffen worden op- en overgeslagen. Dit bedrijf ligt op een afstand van ongeveer 125 meter van het plangebied. Het betreft een
35
bestemmingsplan Schippersvaartweg 44 e.o.
vergunningplichtige inrichting. Voor de bedrijfsactiviteiten heeft de provincie een omgevingsvergunning milieu afgegeven. De bedrijfslocatie heeft een specifieke bestemming. In het bestemmingsplan wordt aan het bedrijf milieucategorie 3.2 toegekend. Op basis van het bij de vergunning uitgevoerd akoestisch onderzoek (DGMR raadgevende ingenieurs bv, akoestisch onderzoek Meeuwenoord vervoer b.v. te Noordwijkerhout, rapport W.02.1411.A, 23 maart 2003) blijkt dat het bedrijf qua geluid voldoet aan de vigerende vergunning en dat bij omliggende woningen waaronder Schippersvaartweg 81 - sprake is van acceptabele geluidsniveau (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, maximale niveau en indirecte hinder. De woning Schippersvaartweg 81 ligt op een afstand van circa 20 meter van het betreffende bedrijf. Aangezien deze woning tussen de nieuwe woning en het bedrijf is gelegen kan in redelijkheid gesteld worden dat ter plaatse van de nieuwe woning (op een veel ruimere afstand) sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het bedrijf niet onevenredig belemmerd wordt. De woning op Schippersvaartweg 81 is daarvoor reeds maatgevend. Gewasbeschermingsmiddelen Omliggende gronden van het plangebied zijn bestemd voor bollenteelt. De VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering geeft hiervoor geen specifieke richtafstanden.
Voor intensieve teelten waarbij sprake is van een intensief gebruik aan gewasbeschermingsmiddelen wordt op basis van jurisprudentie een richtafstand geadviseerd van 50 meter. De nieuwe woning ligt binnen een afstand van circa 4 m ten opzichte van omliggende agrarische gronden aan de oostzijde en 18 m ten opzichte van agrarische gronden aan de noordzijde (overzijde Schippersvaartweg), zie voorgaande afbeelding. In dit geval is in planologisch-juridisch opzicht bollenteelt toegestaan, dit is mogelijk op grond van de geldende bestemming ‘Agrarisch - Bollenteelt – bollenzone 1’. Bij bloembollen wordt intensief, maar neerwaarts gespoten. Deze spuittechniek (naar beneden spuiten) zorgt voor beduidend minder drift in de lucht dan opwaartse of zijwaartse machinale bespuitingen. Omdat in planologisch-juridisch opzicht maximaal bollenteelt is toegestaan wordt in deze onderbouwing uitgegaan van deze teelt en de daarbij meest gebruikte gewasbeschermingsmiddelen. In de bollenteelt worden zowel schimmelbestrijdingsmiddelen (fungiciden), onkruidbestrijdingsmiddelen (herbiciden) als insectenbestrijdingsmiddelen (insecticiden) gebruikt. Hoewel er geen specifieke middelen voor de bollenteelt zijn ontwikkeld – de markt is daarvoor te klein en de ontwikkelingskosten te hoog - zijn veel gebruikte middelen in gewasbeschermingsmiddelen asulam, chloorprofam, prochloraz, tebuconazool en carbendazim.
Een teler maakt een keus op basis van wat op een zeker moment het meest effectief is. Dat is afhankelijk van de periode van het jaar, de ziektedruk en de voorkeur van de teler. Het toegelaten gebruik staat per gewasbeschermingsmiddel aangegeven in de wettelijke gebruiksvoorschriften die te vinden zijn in de toelatingendatabank van het Ctgb. Uit onderzoeken van de Wageningen UR blijkt dat de gezondheidsrisico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden met name liggen bij opname van stoffen door de huid (dermaal risico). Door drift (verwaaiing van spuitvloeistof) kan de mens ongewenst in contact komen met gewasbeschermingsmiddelen. In het algemeen neemt de drift af naarmate de afstand toeneemt. In de onderzoeken van de WUR is het maximaal dermale blootstellingseindpunt (AEL) vastgesteld op 100%. Overschrijding van dit eindpunt betekent dat de huidblootstelling van mensen aan bepaalde gewasbeschermingsmiddelen tot schadelijke effecten kan leiden voor de gezondheid. In de winter groenblijvende windhagen aan de rand van een perceel kunnen de hoeveelheid drift aanzienlijk beperken. In 2019 is een omvangrijk onderzoek uitgebracht van een consortium van wetenschappers waarin voor het eerst zo uitgebreid de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in Nederland in kaart is gebracht, specifiek bij omwonenden van bollenvelden.
In het algemeen blijkt uit het onderzoek dat naast opname van de huid en inademing mensen stofdeeltjes met bestrijdingsmiddelen op hun kleding en schoenen mee kunnen dragen en dat mensen via het eten van groente en fruit uit eigen tuin bestrijdingsmiddelen binnen kunnen krijgen. De belangrijkste routes voor de blootstelling van omwonenden zijn verdamping van bestrijdingsmiddelen vanuit het bollenveld na de bespuiting en inname van bestrijdingsmiddelen via
36
bestemmingsplan Schippersvaartweg 44 e.o.
huisstof. Omdat de wind tijdens de bespuitingen niet gericht was op de huizen van omwonenden, werd in het veldonderzoek geen bijdrage via drift tijdens de bespuitingen waargenomen. Dit laatste is ook goed gebruik bij telers. Er wordt vrijwel altijd gelet op de windrichting bij bespuitingen. Het is namelijk ook in het belang van de teler dat de gespoten middelen op de gewassen terechtkomen, in het gebied van het gewas blijven en niet van het gebied afwaaien (behalve gezondheidsredenen ook vanwege de hoge kosten van arbeid (loonwerk) en kosten van gewasbeschermingsmiddelen). Uit het onderzoek blijkt verder dat de blootstelling aan de onderzochte middelen bij de toelatingsprocedure niet te laag wordt ingeschat door het Ctgb: “In de procedure voor de toelating van bestrijdingsmiddelen wordt beoordeeld of langdurige blootstelling aan een bepaalde concentratie van een bestrijdingsmiddel in de lucht leidt tot overschrijding van een risicogrens voor de gezondheid. Als dit het geval is, wordt het middel niet toegelaten. Voor deze beoordeling wordt, afhankelijk van het bestrijdingsmiddel, uitgegaan van een vaste concentratie van 1 of 15 microgram per kubieke meter lucht.
De maximale luchtconcentraties voor alle bestrijdingsmiddelen op de OBO-meetlocaties waren minstens tien keer lager dan de bij de toelating gehanteerde vaste concentratie.” In het onderzoek zijn vier blootstellingsroutes voor omwonenden onderzocht: drift, verdamping, neergeslagen residuen bij huis en herbetreding van behandeld gewas. Deze routes worden ook meegenomen in het model dat het Ctgb gebruikt bij de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen bij de toelatingsprocedure. Uit het onderzoek blijkt het volgende: Drift: In het model dat ook door het Ctgb wordt gehanteerd, wordt rekening gehouden met een blootstelling van een persoon aan een vaste hoeveelheid drift op 2 meter afstand van het gewas. Hierbij wordt opname van de huid meegenomen als ook inademing. Verder blijkt (citaat RIVM 2019, p. 33): “De OBO-meetresultaten werden op dit punt sterk bepaald door de weersomstandigheden tijdens het moment van spuiten. Telers kiezen bij voorkeur een spuitmoment waarbij de wind van de woningen af staat en dat is tijdens dit onderzoek ook zo gedaan. Dit betekende voor het OBO dat drift tijdens het spuiten niet direct bij de omwonenden terechtkwam.” Verdamping: In het model dat ook door het Ctgb wordt gehanteerd wordt rekening gehouden met verdamping van middelen (citaat, p.
33): “het EFSA-model gaat uit van een vaste concentratie bestrijdingsmiddel in de lucht (1 of 15 microgram per kubieke meter), die de hele dag aanwezig is. Tijdens de OBO-metingen waren de hoogste luchtconcentraties minstens tien keer lager dan de vaste waarde die bij de toelating wordt gebruikt als daggemiddelde concentratie, voor een toets op langdurige blootstelling.” Ten aanzien van de aspecten ‘neergeslagen residuen bij huis’ en ‘herbetreding van gewas’ is door het RIVM geen onderzoek gedaan. Men adviseert daar vervolgonderzoek naar te doen. Zoals eerder vermeld worden deze aspecten bij de toelatingsprocedure door het Cgtb wel meegenomen. Conclusie RIVM en Ctgb Hoewel nooit alle risico’s kunnen worden uitgesloten – 100% zekerheid bestaat niet - wordt in het onderzoek geconcludeerd dat er geen gezondheidsproblemen naar voren gekomen die samenhingen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt. Ook het Ctgb heeft gereageerd op voornoemd onderzoek. Hun conclusie luidt: “onderzoeken naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen van omwonenden van landbouwgebieden laten zien dat onder realistische gebruiksomstandigheden de veilige grenswaarden niet worden overschreden. Dit betekent dat omwonenden geen gezondheidsrisico’s lopen. Er is daarom geen reden om in te grijpen in de toegelaten middelen.
De onderzoeken bevestigen dat de door het Ctgb gebruikte beoordelingsmethodieken en de daarin gehanteerde Europese modellen voor verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen naar de omgeving (omwonenden, grond, moestuingewassen) robuust zijn: de feitelijke blootstelling is lager dan de berekende blootstelling bij toelating van de middelen.” Sinds 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit milieubeheer gewijzigd ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij open teelten. Met deze maatregelen wordt onder meer de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar de omgeving (zoals omwonenden) beperkt in plaats van alleen naar het water. Hoewel de meeste telers in de bollenteelt al veelvuldig (verdergaande) driftreducerende
37
bestemmingsplan Schippersvaartweg 44 e.o.
spuittechnieken toepassen, zoals spuiten met driftreducerende doppen die een driftreductie teweegbrengen van tenminste 95%, dient er vanaf voornoemde datum verplicht een driftreductie van ten minste 75% te worden bereikt voor het gehele perceel. Voor alle open teelten worden de eisen aan driftreducerende maatregelen verscherpt en op het gehele perceel van toepassing verklaard in plaats van binnen een afstand van 14 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam zoals dat voorheen gold. Dit geldt ook voor de bollenteelt. Op grond van het voornoemde dient elke bollenteler dus maatregelen te nemen die een driftreductie van tenminste 75% voor het gehele perceel teweegbrengen. De meest overheersende windrichting in Nederland is de zuidwestelijke richting. Gezien de ligging ten opzichte van het perceel waarop bollenteelt in planologisch opzicht mogelijk is (en aanwezig is), is de kans op verwaaiing van drift richting de beoogde woonlocatie aanwezig. Hoewel die kans klein is, kan eventuele drift van die percelen wel richting tuin en woning waaien of anderszins terechtkomen, gezien de ligging van het woonperceel ten opzichte van het betreffende agrarische perceel. Zoals eerder is vermeld dient bij de besluitvorming inzake een bestemmingsplan te worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Dit houdt bij het aspect spuitzonering in dat de bedrijfsvoering van de teler niet mag worden belemmerd door de woonlocatie (woning met tuin) en dat ter plaatse van de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig dient te zijn. Zoals beschreven blijkt uit onderzoek van het RIVM dat er geen gezondheidsproblemen naar voren gekomen die samenhangen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt. Dit is door het Ctgb bevestigd. Dit komt mede omdat telers in de regel niet spuiten bij harde wind of een windrichting richting woningen. Om eventuele drift of andere kansen op aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen in (de tuin van) de woning zoveel als mogelijk uit te sluiten wordt een in de winter groenblijvende haag (1,5 m hoog) aangeplant aan de zuidoostzijde van de tuin (vanaf de voorgevel) en de achterzijde. Dit is met een voorwaardelijke verplichting in de planregels geborgd. Conclusie Op basis van de bovenstaande analyse kan het plan wat betreft het aspect milieuzonering uitvoerbaar worden geacht.
4.9
Verkeer en parkeren
Toetsingskader In deze paragraaf wordt getoetst of het plan de verkeer- en parkeersituatie niet nadelig beïnvloedt. Toetsing Verkeer Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw één woning op het perceel aan de zuidoostzijde van de Schippersvaartweg 44 en kan worden ontsloten via een gezamenlijk inrit op de Schippersvaartweg. Op basis van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren 381' kan de verkeersgeneratie per woning worden berekend. Uitgaande van een vrijstaande koopwoning in 'het buitengebied' in matig stedelijk gebied bedraagt de verkeersgeneratie per woning tussen de 7,8 en 8,6 motorvoertuigen per etmaal. De ontwikkeling is dusdanig kleinschalig van aard dat deze weinig tot geen invloed heeft op de verkeersveiligheid, doorstroming van het verkeer en de bereikbaarheid van naastgelegen percelen. Parkeren Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. De parkeerbehoefte wordt bepaald op basis van de beleidsregel Nota parkeernormen Noordwijk 2020 (of opvolger daarvan). De locatie is gelegen in het buitengebied, zone C, de parkeernorm voor een woning > 150 m2 bvo is 2,4 parkeerplaatsen. Voor het planvoornemen betekent dat een parkeerbehoefte van 2,4 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte beschikbaar om in die parkeerbehoefte te voorzien.
38
bestemmingsplan Schippersvaartweg 44 e.o.
Conclusie De aspecten 'verkeer' en 'parkeren' vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.10 Milieueffectrapportage Toetsingskader In bijlagen C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van een bestemmingsplan planm.e.r.-plichtig, projectm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Toetsing In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). In het planvoornemen is planologisch sprake van de realisatie van één woning. In die zin is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals genoemd in de bijlage van het Besluit m.e.r. en is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen.
In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Uit die afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd hoeft te worden. Op grond van voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten en is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling hier niet zinvol. Conclusie Er is geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Het Besluit m.e.r. is niet van toepassing.
4.11 Duurzaamheid Overeenkomstig het landelijk beleid en het gemeentelijk beleid dient duurzaam te worden gebouwd. Als duurzaamheid aan het begin van het project wordt meegenomen, is het veel eenvoudiger dan dat het later moet worden ingepast. Duurzame maatregelen maken de woningen comfortabeler en resulteren in een betere toekomstwaarde. Naast de wettelijke eisen ten aanzien van energie en materialen wordt tevens geadviseerd een GPR-gebouwberekening uit te voeren.
39
bestemmingsplan Schippersvaartweg 44 e.o.
40
bestemmingsplan Schippersvaartweg 44 e.o.
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan ‘Schippersvaartweg 44 e.o.’ bestaat uit drie delen: een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting bevat een motivatie en verantwoording van de keuzes die in het bestemmingsplan zijn gemaakt. Daarnaast zijn in de toelichting onder andere het vigerende beleid en diverse milieuaspecten beschreven. Voorliggend bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bouw van één nieuwe woning. Daarbij zijn de (bouw)mogelijkheden uit het vigerende bestemmingsplan zoveel mogelijk gerespecteerd. Het plan sluit aan bij de vormvereisten van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). 5.1.1
Verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen. Het digitale plan Schippersvaartweg 44 e.o. is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand (GML-bestand NL.IMRO.0575.BPBGSchippersv44-VA01) met bijbehorende regels. Dit bestemmingsplan is via elektronische weg uitwisselbaar en raadpleegbaar. Het geeft de bestemming en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden aan. 5.1.2
Regels
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 (Begrippen) zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 (Wijze van meten) betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 5.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn onder andere de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 5.1.3
Toelichting
De toelichting van een bestemmingsplan heeft geen bindende werking en maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan. De toelichting heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
5.2
De bestemmingen
Het bestemmingsplan voorziet in een aantal regels. Hieronder volgt een korte toelichting op deze regels. Bestemming 'Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1' De gronden die zijn bestemd als 'Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1' mogen worden gebruikt voor de uitoefening van bollenteelt. Bollenteelt door middel van kweektunnels is uitsluitend in de periode van oktober tot en met maart toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend kweektunnels, erf- of terreinafscheidingen en windschermen worden gebouwd.
41
bestemmingsplan Schippersvaartweg 44 e.o.
Bestemming 'Tuin' Binnen de bestemming 'Tuin' is het toegestaan om naast een tuin een onoverdekte paardenbak en zwembad, één tennisbaan en bijbehorende voorzieningen te realiseren. Ten behoeve van deze bestemming mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Bestemming 'Wonen' De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor wonen en een aan huis gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Ook is een onoverdekte paardenbak, zwembad, één tennisbaan en zijn bijbehorende voorzieningen toegestaan.
42
bestemmingsplan Schippersvaartweg 44 e.o.
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Het plan is een particulier initiatief dat wordt uitgevoerd en beheerd voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn aan het plan geen financiële consequenties verbonden. Het plan is uitvoerbaar. Ten behoeve van het bestemmingsplan zal initiatiefnemer met de gemeente een anterieure overeenkomst sluiten. Daarin zal worden geregeld dat de kosten die verband houden met het bestemmingsplan voor rekening zijn van initiatiefnemer.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het plan heeft gedurende de wettelijke termijn van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze zes weken heeft een ieder de gelegenheid gehad om een zienswijze op het plan naar voren te brengen. Er zijn geen zienswijzen op het plan ingediend.
43