CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Herenweg perceel B5040 Noordwijkerhout 01-07-2024_Toelichting

Gemeenteraadsvergadering 26 september 2024, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Bestemmingsplan Herenweg B504012.639 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout gemeente Noordwijk vastgesteld 01-07-2024 NL.IMRO.0575.BPBGHerenwegB5040- VA01 Toelichting

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Inhoudsopgave

Toelichting

4

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

4 4 4 5 6

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

6 6 7

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid

10 10 12 16 20

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Water 4.2 Ecologie 4.3 Bodem 4.4 Geluid 4.5 Archeologie en cultuurhistorie 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Externe veiligheid 4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.9 Verkeer en parkeren 4.10 Milieueffectrapportage 4.11 Duurzaamheid

21 21 22 24 24 25 27 28 30 35 36 36

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 De bestemmingen

36 36 37

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

38 38 38

3

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Voorliggend bestemmingsplan maakt het mogelijk om een woning op te richten op grond van de provinciale Ruimte-voor-Ruimteregeling op een perceel naast de Herenweg 230b. Op grond van deze reeds beëindigde regeling heeft de initiatiefnemer 23.000 m2 aan voornamelijk glasopstanden en een vrijstaande schuur aan de zuidzijde van het plangebied gesaneerd en grotendeels benut als recht voor het bouwen van woningen. Op dit moment resteert hiervan nog een nog steeds geldend onbenut recht van 6.641 m2 ; hetgeen voldoende is voor de bouw van één extra woning. Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2015' van de voormalige gemeente Noordwijkerhout. De realisatie van de woning is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Om het plan uit te kunnen voeren is een herziening van het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied noodzakelijk. Voorliggend plan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt ten noordoosten van Noordwijkerhout in de gemeente Noordwijk. De locatie betreft het perceel kadastraal bekend als gemeente Noordwijkerhout, B5040 en een gedeelte van het perceel B5039. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer.

Figuur 1.1: kaart met globale ligging van het plangebied in het rode kader (bron: Topotijdreis.nl).

4

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Figuur 1.2: kaart met het plangebied in het blauwe kader (bron: luchtfoto 2020).

1.3

Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied gelden op dit moment meerdere bestemmingsplannen. Het gaat dan om: 1. 2. 3.

bestemmingsplan 'Buitengebied 2015', vastgesteld op 30 juni 2016; bestemmingsplan 'Buitengebied, 1e herziening 2017', vastgesteld op 5 juli 2018; bestemmingsplan 'Paraplu Bestemmingsplan Parkeren en Wonen', vastgesteld op 27 september 2018;

De onderstaande tekst bespreekt de bestemmingsplannen puntsgewijs. Omdat het bestemmingsplan 'Buitengebied, 1e herziening 2017' voor dit plangebied geen verdere gevolgen heeft, wordt dit niet verder besproken. Bestemmingsplan Buitengebied 2015 De gronden in het plangebied zijn bestemd als 'Agrarisch - Glastuinbouw - Bollenzone 1', met nadere aanduiding 'bouwvlak' en 'bedrijfswoning uitgesloten'. Ook geldt er een archeologische dubbelbestemming. Onderstaande afbeelding geeft door middel van blauwe lijnen het plangebied op een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2015' weer als vastgesteld op 30 juni 2016. Een woonfunctie is niet toegestaan.

5

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Figuur 1.3: uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2015' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Omdat het planvoornemen voor zowel het gebruik als de bouwmogelijkheden niet past in het geldende bestemmingsplan, wordt afgeweken van dat bestemmingsplan. Dit voorliggende bestemmingsplan voorziet daarin. Paraplu Bestemmingsplan Parkeren en Wonen Dit bestemmingsplan vult het al geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2015' op een tweetal onderwerpen aan. Wat betreft parkeren en wat betreft wonen moeten de regels van dit bestemmingsplan worden gevolgd. De regels van dit bestemmingsplan zijn verwerkt in het voorliggende bestemmingsplan.

1.4

Leeswijzer

In de planbeschrijving, Hoofdstuk 2, wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling. In Hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid beschreven en in Hoofdstuk 4 wordt getoetst aan de relevante omgevingsaspecten. In Hoofdstuk 5 wordt een juridische beschrijving van het plan weergegeven. Tot slot beschrijft Hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Bestaande situatie

De locatie bestaat uit een vervallen bollenschuur van circa 575 m2 en verharding. Op onderstaande afbeelding wordt de situatie in het plangebied weergegeven. Aangezien het agrarisch bouwvlak gedeeltelijk op het betreffende perceel ligt is dit gedeelte meegenomen in dit bestemmingsplan.

6

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Figuur 2.1: Aanzichten plangebied vanaf de Herenweg (bron: Google streetview).

2.2

Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens een Ruimte-voor-Ruimte-woning te realiseren op het hiervoor genoemde perceel. Ruimte-voor-Ruimte-regeling De initiatiefnemer heeft in 2012 een Ruimte-voor-Ruimte verzoek bij het toenmalige college van Noordwijkerhout ingediend met als resultaat dat het college dit verzoek destijds heeft gehonoreerd. In totaal heeft initiatiefnemer ruim 23.000 m2 glas gesaneerd en een groot deel van de daaruit voortvloeiende bouwrechten voor het realiseren van compensatiewoningen verzilverd. Uit de berekening blijkt dat er nog een restant is van 6.641 m2 aan (zwevende)glasrechten die nog niet zijn gebruikt op de onderhavige locatie. Per 5000 m2 glasrechten mocht er conform de voormalig Ruimte - voor Ruimte-regeling één compensatiewoning worden gerealiseerd, primair op de locatie waar ook sanering van alle glasopstanden en overtollige agrarische bebouwing heeft plaatsgevonden. Deze rechten, ontstaan in 2012, zijn, ondanks dat op de Ruimte-voor Ruimte-regeling na 30 juni 2016 geen beroep meer kan worden gedaan, nog niet gebruikt, maar zijn nog wel geldend. In 2012 heeft Landschapsbeheer Zuid-Holland positief geadviseerd over dit saneringsproject, inclusief de beoogde compensatiewoning op de locatie tussen Herenweg 230 a/b en 224 te Noordwijkerhout.

De nadere analyse van het landschap, locatieafweging, landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit zijn opgenomen in bijlage 1 Landschappelijke inpassing. De belangrijkste bevindingen zijn in onderstaande alinea's weergegeven.

7

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Landschappelijke inpassing Het plangebied ligt in de strandvlakte aan de noordzijde van Noordwijkerhout, in de Hogeveensepolder. Dit is een vlakke, open ruimte waar de bollenteelt de belangrijkste vorm van grondgebruik is. De Herenweg is een oud historisch lint met een afwisseling tussen (bedrijfs)woningen, grote bedrijven en doorzichten over de (bollen)velden. Het plangebied ligt niet direct aan het lint van de Herenweg, maar in de tweede lijn. Aan deze vertakking van de Herenweg werden door de jaren heen 1e generatie tuinderswoningen gebouwd. Deze tuinderswoningen waren (en zijn nog steeds) eenvoudig van opzet. Vaak 1-laags bebouwing met kap. Dit beeld is bijvoorbeeld duidelijk herkenbaar aan de Herenweg 220 en 222b. Het lint van de Herenweg heeft een relatief geringe hoeveelheid open zicht richting het landschap. Zichtlijnen en openheid bepalen echter wel voor een groot deel wel de landschappelijke kwaliteit van het bollenlandschap en hier dient dus ook rekening mee gehouden te worden bij de landschappelijke inpassing. Ook omdat deze locatie in de structuurvisie Noordwijk 2030 onderdeel uitmaakt van de 'strandvlakte'. Aan deze openheid is reeds een grote bijdrage geleverd via de sanering van de 23.000 m2 aan voornamelijk glasopstanden. Daarnaast vindt sanering plaats van de vervallen bollenschuur van circa 575 m2 en aanwezige verharding.

Figuur 2.2: Plangebied en gesloopt glas. In de nieuwe situatie wordt er een nieuwe Ruimte-voor-Ruimte-woning evenwijdig aan de Herenweg geplaatst. De woning past qua maat en schaal bij de woningen in de omgeving. De woning heeft een inhoud van maximaal 750 m³. De woning heeft een maximale goothoogte van 4 m en een maximale bouwhoogte van 8 m. Dit sluit aan bij de omliggende bebouwing in het buitengebied. Vanuit het zij- en achtererf is er een zone van 5 m waarin niet mag worden gebouwd. Aan de voorzijde van het erf ligt de rooilijn in een redelijke lijn met de bestaande bebouwing in de omgeving. De woonkavel heeft een oppervlakte van 1.000 m2 .

8

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Het bouwvlak is aan de voorzijde teruggelegd ten opzichte van het geldende bouwvlak. Door het bouwvlak op deze wijze te concentreren, is er meer zicht langs en rondom de woning mogelijk en vindt aansluiting plaats op de bestaande stedenbouwkundige structuren en bebouwing. Van belang is om de woning landschappelijk goed in te passen, zodat de woning zich op een natuurlijke wijze voegt in het landschap en er een kwalitatieve overgang kan worden gerealiseerd. Omdat de locatie zoals gezegd volgens de structuurvisie Noordwijk 2030 onderdeel uit maakt van de 'strandvlakte', is openheid een belangrijk uitgangspunt. Opgaande beplanting dient daarom maar summier te worden toegevoegd. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het perceel weergegeven en de beoogde landschappelijke inpassing.

Figuur 2.3: inpassing woning.

9

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Hoofdstuk 3

Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor het plangebied relevante geldende beleidskader. In paragraaf 3.1 wordt ingegaan op het Rijksbeleid. In paragraaf 3.2 is het provinciaal beleid opgenomen en het regionaal beleid is opgenomen in paragraaf 3.3. In paragraaf 3.4 is het gemeentelijk beleid beschreven. Het in dit hoofdstuk samengevatte ruimtelijk beleidskader is niet uitputtend.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Toetsingskader Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving (artikel 3.2 Omgevingswet). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone.

De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. In zijn totaliteit kent de NOVI in totaal 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Toetsing en conclusie Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. Om die reden kan verdere toetsing aan de NOVI achterwege blijven. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Toetsingskader Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het

10

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR). Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's. Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer de ecologische hoofdstructuur, radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen. Op 16 mei 2014 is de derde tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche voegt aan het Barro een titel toe over buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Met de toevoeging van deze titel aan het Barro wordt beoogd te waarborgen dat het leggen van buisleidingen die van nationaal belang zijn ook in de toekomst ruimtelijk mogelijk blijft.

Naast deze toevoeging bevat het Barro nog enkele wijzigingen waarmee een aantal verbeteringen in het Barro en het Besluit ruimtelijke ordening worden aangebracht, deze verbeteringen worden artikelsgewijze toegelicht. Toetsing en conclusie In het Barro zijn geen regels opgenomen die relevant zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. 3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening

Toetsingskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor de inhoud van ruimtelijke plannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 7 december 2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het plangebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang, met uitzondering van zorgvuldig ruimtegebruik. Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Bro en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.

De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Infrastructuur en Milieu voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. De Ladder is onder andere van toepassing op ontwikkelingen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast, zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4.

Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?

11

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

5.

Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

Toetsing 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. In dit geval betreft het 'wonen'. Als een plan met overige functies wordt aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de Ladder worden toegepast. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling bepaalt men door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Op basis van jurisprudentie blijkt dat bij woningbouw in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan elf woningen gerealiseerd worden (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724). Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van één vrijstaande woning in het buitengebied van Noordwijkerhout. Vanwege de kleinschalige omvang van het project kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Ladder is niet van toepassing op dit initiatief. Wel moet in zulke gevallen in het kader van een goede ruimtelijke ordening de behoefte aan de betreffende woning worden aangetoond. Subparagraaf 3.3.3 (Regionale woonagenda) gaat hier verder op in. Conclusie Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de Ladder geen belemmering vormt voor de gewenste bouw van één vrijstaande woning en het planvoornemen op dit onderdeel dus als uitvoerbaar is te achten.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland geeft aan waar de provincie voor staat. De visie beschrijft hoe de provincie de toekomst van Zuid-Holland voor zich ziet. De Omgevingsvisie bevat verschillende onderdelen. In de ambities wordt omschreven waar de provincie naartoe wil. De beleidsdoelen geven hier richting aan en de beleidskeuzes bepalen hoe de ambities bereikt dienen te worden. Daarnaast zijn in het omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken deel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie.

12

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Figuur 3.1: ruimtelijke hoofdstructuur provincie Zuid-Holland (bron: provincie Zuid-Holland). Uit deze bovenstaande kaart volgt dat het plangebied van dit bestemmingsplan in de visie van de provincie Zuid-Holland deel uitmaakt van het kustlandschap en de bollenstreek. Het kustlandschap is opgebouwd uit een opeenvolging van zee, strand, jonge duinen, strandvlakten en strandwallen parallel aan de kust. Deze langgerekte structuur is op twee plaatsen onderbroken: bij de monding van de Oude Rijn en bij de voormalige monding van de Maas. Veel strandwallen zijn in de loop van de tijd vergraven voor het zand of de bollenteelt, waardoor het kenmerkende reliëf is verdwenen. De duinen en het strand kennen een grote natuurlijke dynamiek en uitersten in omstandigheden: van droog en heet naar nat en koud of van zout naar zoet. Dit maakt het strand en de duinen ecologisch erg waardevol. Richtpunten in het kustlandschap betreffen: Ontwikkelingen versterken en gebruiken waar mogelijk de natuurlijke dynamiek en omstandigheden van de kust (duinen, strand en voordelta/vooroever). Ontwikkelingen houden het verschil herkenbaar tussen "hoog en droog" en "laag en nat" en bouwen voort op de parallelle kuststructuur. Veiligheidsmaatregelen zijn mede gericht op het versterken van het natuurlijk kustkarakter.

Het bollenlandschap is ontstaan door het vergraven van oude duinen en strandwallen en de aanleg van een fijnmazig vaartenstelsel ten behoeve van de bollenteelt. Kenmerkend is de afwisseling van kleurrijke bollenvelden (seizoensgebonden), verspreide bebouwing en begroeiing, vaarten en sloten. Bijzonder zijn de (restanten van) landgoederen en oude duinen. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door een afwisseling van parallel aan de kustlijn gelegen open en verdichte zones. De kwaliteit en herkenbaarheid van dit landschap komen steeds verder onder druk door toenemende bedrijfsbebouwing en verstedelijking die niet geënt is op een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur. Mede door intensivering van de bollenteelt raakt het gebied daarmee steeds verder versnipperd. Het zicht op de bollenvelden wordt door bebouwing steeds meer beperkt.

13

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Dit betekent dat een ontwikkeling bijdraagt aan een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur, op een logische plek in deze structuur ligt en toekomstbestendig is. Opgave hierbij is om de intensivering in de landbouw en de verstedelijking te koppelen aan een versterking van de landschappelijke structuur. Richtpunten in het bollenlandschap betreffen: Ontwikkelingen dragen bij aan het contrast tussen de open en nog gave strandvlakten en de voor de bollenteelt in cultuur genomen (afgezande) oude duinen en strandwallen. Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud en versterking van het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap. Dit planvoornemen voorziet in het toevoegen van een woning in het buitengebied van Noordwijkerhout dat deel uitmaakt van het kust- en bollengebied van de provincie Zuid-Holland. Kenmerkend zijn onder andere de teelt van bollen alsmede de afwisseling van bebouwing en begroeiing, vaarten en sloten. Dit planvoornemen voorziet in het realiseren van een woning in het bollengebied. Doordat de planlocatie is voorzien op een 'logische' plek, tast het planvoornemen het bollengebied niet verder aan. Onder een logische plek wordt verstaan: de planlocatie sluit aan op de lintbebouwing aan de Herenweg.

Aan de Herenweg en omgeving zijn in de afgelopen jaren meerdere woningen gerealiseerd of omgezet naar burgerwoning waardoor een bebouwingsbeeld in de vorm van een lint is ontstaan. Het planvoornemen voorziet dus in een verdichting op een plek waar reeds sprake is van verdichting. Dit past in de visie van de provincie Zuid-Holland. 3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

In samenhang met de Omgevingsvisie, is ook de Omgevingsverordening Zuid-Holland (2020) opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. De volgende bepalingen zijn relevant voor het plan: Artikel 6.9 - Ruimtelijke kwaliteit Met behulp van artikel 6.9 poogt de provincie Zuid-Holland te sturen op de ruimtelijke kwaliteit in de provincie. Gebiedsgericht sturen op ruimtelijke kwaliteit betekent voor de provincie richting en ruimte geven aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Het kwaliteitsbeleid gaat uit van ‘ja, mits’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheid maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.

Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1.

Inpassing: Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of de stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een

14

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

2.

3.

lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit. Aanpassing: Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat. Transformatie: Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden.

Indien sprake is van inpassing stelt artikel 6.9, eerste lid, sub a, dat: "Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen)." Bij dit voorliggende bestemmingsplan is hiervan sprake. Wel moet een gebiedseigen ontwikkeling of functie naadloos aansluiten op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van een gebied. Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving. Het ondersteunt bestaande landschappelijke structuren of heeft een belangrijke functie bij het in stand houden van de bestaande gebiedskenmerken en kwaliteiten. Dit planvoornemen betreft een gebiedseigen ontwikkeling. Het toevoegen van één woning op het perceel aan de Herenweg betreft het inpassen in de lintbebouwing aan de Herenweg die zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld. Tot slot wordt opgemerkt dat artikel 6.9, vierde lid, bepaalt dat een beeldkwaliteitsparagraaf moet zijn opgenomen in het bestemmingsplan.

Paragraaf 2.2 ('Toekomstige situatie') voorziet hierin. Artikel 6.10 - Stedelijke ontwikkelingen Dit artikel van de Omgevingsverordening bepaalt dat een ruimtelijk plan in zijn toelichting moet ingaan op de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking indien het voorziet in een stedelijke ontwikkeling. Zoals reeds geconstateerd in subparagraaf 3.1.3 (Besluit ruimtelijke ordening) voorziet dit bestemmingsplan niet in een stedelijke ontwikkeling. Wel moet in zulke gevallen in het kader van een goede ruimtelijke ordening de behoefte aan de betreffende woning worden aangetoond. Subparagraaf 3.3.3 (Regionale woonagenda) gaat hier verder op in. Artikel 6.17 Bollenteeltgebied Een bestemmingsplan voor gronden binnen het bollenteeltgebied laat primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen. Een bestemmingsplan kan echter ook voorzien in greenportwoningen en 'Ruimte-voor-Ruimte'-woningen als bedoeld in subparagraaf 3.3.1 (Intergemeentelijke structuurvisie Greenport (ISG)). Voornoemd artikel uit de Omgevingsverordening verzet zich dus niet tegen dit plan met inachtneming van het regionale beleid.

15

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

3.2.3

Conclusie

Voorliggend plan betreft de bouw van één woning in het kust- en bollenlandschap van Noordwijkerhout. Het plan is niet in strijd met de Visie Ruimte en Mobiliteit. Vanwege de kleinschalige omvang van het project kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor Duurzame Verstedelijking is niet van toepassing op dit initiatief. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling vanwege de kleinschalige omvang van het voornemen. Het voorliggende plan sluit aan bij het provinciale beleid.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Intergemeentelijke structuurvisie Greenport (ISG)

Toetsingskader De raden van de zes Greenportgemeenten (Hillegom, Katwijk, Lisse, Noordwijk, (voormalige gemeente) Noordwijkerhout en Teylingen) beschikken sinds 2009 over een integrale ruimtelijke visie in de vorm van de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin en Bollenstreek (ISG). Op 16 juni 2016 is de herziening door de (voormalige) gemeente Noordwijkerhout vastgesteld. De structuurvisie vervangt het 'Pact van Teylingen' en het 'Offensief van Teylingen'. De ISG is voor de Greenportgemeenten van de Duin- en Bollenstreek een wettelijk zelfbindend kader voor gewenste ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied tot 2030 en geldt als toetsingskader voor toekomstige plannen. De Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) B.V. zal samen met de aandeelhoudende Greenportgemeenten verder vormgeven aan de inhoud en uitvoering van het meerjarenprogramma, dat voortvloeit uit de ISG. De ISG is gericht op het creëren van een vitale Greenport met een vitaal landschap. Hiervoor zijn de volgende ambities en uitgangspunten opgesteld: 1. 2. 3. 4.

5.

6.

de economische herstructurering van de Greenport staat centraal; de gemeenten zullen de herstructureringsopgave combineren met landschapsverbetering; de gemeenten zullen verdergaande verrommeling van het landschap tegengaan; met het uitvoeren van de woningbouwopgave, zoals in de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer-Bollenstreek overeen is gekomen, de maximale woningbouwbijdrage van de Duinen Bollenstreek bereikt is; de gemeenten het areaal aan eerste klas bollengrond van 2.625 hectare duurzaam moeten handhaven, hoewel zij met het herstructureringsproces tijdelijke krimp onder nader te bepalen voorwaarden (waaronder harde tijdgebonden compensatiegaranties) toestaan; primaire greenportfuncties, zoals bollencluster, vaste planten, bloemencluster en toerisme (inclusief greenportgerelateerde handel en dienstverlening), krijgen bij conflicterende ruimteclaims prioriteit boven niet primaire greenportfuncties, zoals overige landbouw en veeteelt.

De basis om tot verbetering van de landschapskwaliteiten in de Duin- en Bollenstreek te komen is het Landschapsperspectief. In de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin en Bollenstreek wordt het landschap verdeeld in verschillende 'kamers' en worden de beleidsregels op hoofdlijnen weergegeven. Onderstaande kaart geeft het landschapsperspectief weer.

16

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

17

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Figuur 3.2: kaart Landschapsperspectief, plangebied rood omlijnd (bron: Intergemeentelijke structuurvisie Greenport). Toetsing en conclusie Het plangebied is gelegen in een zone waar specifiek beleid ten aanzien van het landschapsperspectief geldt. Hier geldt een 'nee, tenzij'-beleid gericht op sanering en in beginsel alleen uitbreidingen van bebouwing is toestaan onder strenge voorwaarden dat openheid actief wordt vergroot en gestreefd wordt naar behoud en versterken van doorkijk en vensters. Het bebouwingslint heeft een grote hoeveelheid open zicht richting het landschap tussen kleinere clusters van bebouwing. In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als bedrijfsperceel. Door de woning verdwijnt er geen zicht vanaf de Herenweg gezien over de bollenvelden. Achter de gewenste kavel staat al bebouwing, waardoor het vergezicht over de bollenvelden niet versmalt door het realiseren van een woning. Zie ook paragraaf 2.2 ('Toekomstige situatie'). 3.3.2

Landschapsvisie Hogeveensepolder

Het plangebied is gelegen in de Hogeveensepolder. Om de kwaliteiten van deze polder te behouden en te versterken is in 2014 door de voormalige gemeente Noordwijkerhout en de GOM een Landschapsvisie Hogeveensepolder opgesteld, als bijlage bij het bestemmingsplan buitengebied (2015). Deze visie heeft de ambitie de strandwallen en strandvlaktes zichtbaar te maken en werkt toe naar een herstructurering van de polder vanwege de economische en landschappelijke vitaliseringsopgave. Hierbij worden de volgende uitgangspunten gegeven: Versterken van de hoofdstructuur, strandwal, strandvlakte;

18

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Verbeteren van de totale waterhuishouding en verkaveling; Verbeteren van bedrijfsontsluiting in het middengebied en daarmee de overige wegen van agrarisch verkeer ontlasten; Verbeteren van de openheid en belangrijke zichtlijnen; Tegengaan van verdere verrommeling. Deze visie is samengevat in de afbeelding hieronder. De visie onderschrijft ook het economisch belang van de Hogeveensepolder, ruimte om te groeien wordt genoemd als ontwerpprincipe.

Figuur 3.3: uitsnede kaart Landschapsvisie Hogeveensepolder. Het plangebied aan de Herenweg is in bovenstaande afbeelding met een rode cirkel weergegeven. Van een belangrijk vergezicht is geen sprake.

19

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Toetsing Op de kaart van de Landschapsvisie blijkt dat het plangebied zich buiten de zone van het belangrijke vergezicht bevindt, te midden van een kort bebouwingslint. Daarnaast wordt de bestaande bebouwing gesloopt waarvoor een nieuwbouwwoning in de plaats komt. Netto is er sprake van vermindering van bebouwing. Het plan vormt geen belemmering voor de landschapskwaliteiten, waaronder vergezichten, zoals genoemd in de landschapsvisie. 3.3.3

Regionale woonagenda

Toetsingskader De gemeenten die deel uitmaken van het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland hebben op 20 februari 2018 de regionale woonagenda vastgesteld. Hierin staat wat de woonbehoefte is in de gemeenten binnen Holland Rijnland en hoe het woningaanbod per subregio op de vraag kan worden afgestemd. De regionale woonagenda is nodig omdat er veranderingen zijn op de woningmarkt. Deze is bijvoorbeeld veranderd van een aanbod- naar vragersmarkt. Ook de vraag naar de woningen zelf blijkt veranderd; de woonomgeving en de nabijheid van voorzieningen wordt steeds belangrijker. Volgens de prognoses is er tussen 2017 en 2030 een toename van de woningbehoefte van 22.100 tot ruim 28.000 woningen. Dat komt neer op 1.700 à 2.200 woningen per jaar. Om te voorzien in de regionale behoefte, is het hierbij nodig om in alle subregio's extra uitvoerbare plannen toe te voegen: tot 2030 in totaal minimaal 1.600 woningen. Hiertoe wordt een planlijst opgesteld. Toetsing en conclusie Het voornemen betreft de realisatie van één nieuwe woning. Met deze ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de doelen uit de regionale woonagenda.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Woonvisie

Toetsingskader Voor wonen is de gemeentelijke woonvisie van toepassing (inwerkingtreding 26 januari 2021). Op basis van de woonvisie en ook bij de vorige woonvisie van de voormalige gemeente Noordwijk is de Verordening Bestemmingsreserve ter bevordering van sociale huurwoningen van toepassing. Gomwoningen/Greenport woningen vallen op basis van artikel 1 h en artikel 2, lid 3 van de Verordening Bestemmingsreserve ter bevordering van sociale huurwoningen buiten de werkingssfeer van de verplichte segmentering van de geldende woonvisie. Bij de woonvisie is een vastgestelde woningbouwplanlijst opgenomen. Hier is in de categorie 4a, de locatie (nog) niet specifiek vermeld. Wel zijn er reserveringen in Noordwijkerhout voor greenportwoningen, locaties onbekend opgenomen. Deze woning valt onder die categorie. Toetsing en conclusie Voorliggend plan voorziet in de bouw van één vrijstaande woning in het buitengebied van Noordwijkerhout. Deze ontwikkeling past binnen de ambitie/ afspraken uit de woonvisie. 3.4.2

Welstandsnota

Toetsingskader In de welstandsnota is een analyse gemaakt van de (voormalige) gemeente Noordwijkerhout. Op basis van deze analyse zijn verschillende gebieden onderscheiden. Deze gebieden worden beschreven en gewaardeerd en aan de hand van de bevindingen zijn criteria geformuleerd waaraan bouwplannen in de betreffende gebieden (welstandshalve) zouden moeten voldoen.

20

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

De beoordeling van de woongebouwen is gericht op afwisseling en individualiteit, zorgvuldige detaillering en traditioneel materiaal- en kleurgebruik. Voor bouwplannen in het buitengebied worden hier de beschrijving en de welstandscriteria gegeven. Toetsing en conclusie Bij aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen zal de Welstandscommissie beoordelen of de nieuwbouw past binnen de welstandseisen zoals deze gelden voor het buitengebied.

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk worden de voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten beschreven. Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van de (technische) onderzoeken met conclusies.

4.1

Water

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Voor de voorliggende ontwikkeling is daarom een digitale watertoets (www.dewatertoets.nl) uitgevoerd. Het toets resultaat van de digitale watertoets is opgenomen in Bijlage 2 (Watertoets) bij deze toelichting. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding. Waterschapsbeleid Op 9 maart 2016 heeft het algemeen bestuur van hoogheemraadschap van Rijnland het Waterbeheerplan 5 (WBP) vastgesteld. In dit plan geeft het Hoogheemraadschap aan wat haar ambities voor de planperiode 2016-2021 zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De hoofddoelen zijn: waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de zee en de rivieren; voldoende water: er is voldoende water. Niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik. schoon en gezond water: Rijnlands water is schoon, zodat de mens, de natuur en de economie er optimaal gebruik van kunnen maken. waterketen: het afvalwater wordt optimaal gezuiverd en de grondstoffen hergebruikt. Waterbeheer De initiatiefnemer moet in een vroeg stadium overleg voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen.

Hiermee wordt voorkomen dat de ruimtelijke ontwikkeling in strijd is met het duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Op 10 juni 2016 is de Keur Rijnland 2015 in werking getreden. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van de Waterwet en daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebods- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten en beken); andere waterstaatswerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). Afvalwaterketen en riolering Conform de 'Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid' is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terechtkomt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater

21

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Toetsing Het plangebied ligt in het buitengebied van Noordwijkerhout. In het plangebied zijn geen knel- en aandachtspunten inzake de waterkwaliteit en de waterkwantiteit bekend. Het hemelwater dat in het plangebied neerkomt op het onverharde oppervlak wordt opgenomen in de bodem door middel van infiltratie. In het plangebied wordt één woning gebouwd op een perceel van circa 1.000 m2 . De oppervlakte van de woning, bijgebouwen en de erfverharding, is echter kleiner dan 500 m2 . Een nadere beoordeling door het waterschap kan achterwege blijven. Tot slot wordt opgemerkt dat voor de bouw van de woningen duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen worden toegepast (dus geen zink, lood, koper, en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Conclusie Het initiatief wordt voorgelegd aan het waterschap. Op voorhand zijn er geen onoverkomelijke belemmeringen te verwachten.

4.2

Ecologie

Toetsingskader Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. De beperkte natuurtoets is opgenomen in Bijlage 3 (Beknopte natuurtoets). Onderstaand zijn de conclusies beschreven voor het plangebied. Toetsing Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Nader onderzoek hiernaar en een ontheffing hiervoor zijn niet noodzakelijk. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 1. 2.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, a. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied.

22

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke) moet gefaseerd worden verwijderd, waardoor aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten. Bij kap van de vegetatie in de winter dient men rekening te houden met zoogdieren in winterslaap, zoals de egel. Inachtneming van de zorgplicht betekent dat men het struikgewas handmatig en gefaseerd kapt, in plaats van met bulldozer of graafmachine. De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Invulling zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 Geadviseerd wordt de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden. Voor het broedseizoen geldt geen standaard periode. Globaal duurt het van half maart tot half juli. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Wel kan worden gestart met de werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen en worden doorgewerkt in het broedseizoen. Vanwege de aanwezige verstoring zullen dan geen vogels in het plangebied en de omgeving van het plangebied gaan broeden. Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied

Zorgplicht Bij realisatie van het plan moet rekening worden gehouden met de zorgplicht: Aangetroffen dieren krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Potentiële schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren. Broedende vogels mogen niet worden verstoord en in gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Activiteiten welke verstorend zijn voor broedende vogels, zoals bomenkap, dienen buiten de broedperiode te worden gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Stikstof In het kader van het bestemmingsplan 'Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout' is de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het gebruik van één woning in de gemeente Noordwijk berekend. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOX en

23

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS. Het rapport en rekenresultaten zijn bijgevoegd als Bijlage 4 (Stikstofberekening) bij deze toelichting. Conclusie Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de aspect 'ecologie' geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling en het planvoornemen op deze onderdelen dus uitvoerbaar is.

4.3

Bodem

Toetsingskader Op basis van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 mag niet worden gebouwd op verontreinigde grond. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet vaak een bodemonderzoek worden geleverd. Dit is een verplichting uit de Woningwet om de gezondheid en veiligheid te garanderen van mensen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor vergunning wordt aangevraagd. Een bodemonderzoek is noodzakelijk wanneer: nog geen gegevens betreffende de bodemgesteldheid bekend zijn (dit betekent dus ook dat als er een bodemkwaliteitskaart is, er geen bodemonderzoek meer hoeft te komen); er meer dan twee uur per dag mensen in verblijven; het bouwwerk de grond raakt en; er na sloop wordt herbouwd. Toetsing Door middel van een verkennend milieukundig bodemonderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgelegd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 5 (Bodemonderzoek). Uit het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat: De grond is licht verontreinigd. Het grondwater is niet verontreinigd. De aangetoonde lichte verontreiniging geeft conform de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt worden geen belemmeringen voorzien met betrekking tot de voorgenomen overdracht van het perceel en de beoogde nieuwbouw.

Conclusie Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het milieuaspect 'bodem' geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling en het planvoornemen op dit onderdeel dus als uitvoerbaar is te achten.

4.4

Geluid

Toetsingskader Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid tot het bouwen van één woning aan de Herenweg. De Wet geluidhinder beschouwt dergelijke gebouwen als zogenaamd geluidsgevoelige gebouwen. Derhalve moet onderzocht worden of toetsing aan de Wet geluidhinder moet plaatsvinden. In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones. Uitzondering zijn de wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van dertig kilometer per uur geldt. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrookswegen die aan weerszijden van de weg, gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 250 meter. In geval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone moet een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 6 (Akoestisch onderzoek) bij deze toelichting.

24

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Toetsing In de omgeving van het plan liggen wegen die ervoor zorgen dat het plan wordt belast met geluid. Het betreft de volgende wegen: Herenweg Provincialeweg N206 Het geluid is getoetst aan de grenswaarden volgens de Wet geluidhinder en het gemeentelijke geluidbeleid. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting van beide wegen lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Geluid vanwege wegverkeer vormt hiermee geen belemmering voor de realisatie van de woning. Conclusie Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Het planvoornemen kan als uitvoerbaar worden geacht.

4.5

Archeologie en cultuurhistorie

4.5.1

Wet- en regelgeving

Toetsingskader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. 4.5.2

Archeologie

Toetsing Het archeologiebeleid van de gemeente Noordwijk is opgenomen in de Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Noordwijk (2020). Voor de gronden van het te bebouwen plangebied is categorie 5 van toepassing en geldt er een onderzoeksplicht indien gegraven wordt over een oppervlakte van 250 m2 met een diepte van 30 cm of meer. Gelet op de beoogde (grond)werkzaamheden kan hiervan sprake zijn. Geadviseerd wordt - indien er een onderzoeksplicht geldt, afhankelijk van de exacte werkzaamheden - om voor de sloop en nieuwbouw archeologisch onderzoek uit te laten voeren. In beginsel is dat een bureau- en booronderzoek voor het hele gebied. Mocht daaruit blijken dat de bodem niet (diep) verstoord is, dan kan aanvullend onderzoek nodig zijn. Ter waarborging van het eventueel voorkomen van archeologische waarden is een archeologische dubbelbestemming opgenomen.

25

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Afbeelding 4.1: kaartbijlage 5b. Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Noordwijk (2020). 4.5.3

Cultuurhistorie

Toetsing Het plangebied ligt in het door de provincie op de Kwaliteitskaart aangewezen bollenlandschap. Het bollenlandschap is ontstaan door het vergraven van oude duinen en strandwallen en de aanleg van een fijnmazig vaartenstelsel ten behoeve van de bollenteelt. Kenmerkend is de afwisseling van kleurrijke bollenvelden (seizoensgebonden), verspreide bebouwing en begroeiing, vaarten en sloten. Bijzonder zijn de (restanten van) landgoederen en oude duinen. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door een afwisseling van parallel aan de kustlijn gelegen open en verdichte zones. De kwaliteit en herkenbaarheid van dit landschap komen steeds verder onder druk door toenemende bedrijfsbebouwing en verstedelijking die niet geënt is op een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur. Mede door intensivering van de bollenteelt raakt het gebied daarmee steeds verder versnipperd. Het zicht op de bollenvelden wordt door bebouwing steeds meer beperkt. Dit betekent dat een ontwikkeling bijdraagt aan een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur, op een logische plek in deze structuur ligt en toekomstbestendig is. Opgave hierbij is om de intensivering in de landbouw en de verstedelijking te koppelen aan een versterking van de landschappelijke structuur. De woningen voegen zich in de landschappelijk structuur van de bebouwing aan de Herenweg, zie ook

26

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

paragraaf 2.2 (Toekomstige situatie). In het plangebied ligt geen bebouwing dat als rijks- of gemeentelijke monumenten is aangewezen. 4.5.4

Conclusie

Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' geen belemmering vormen voor onderhavige ontwikkeling en het planvoornemen op deze onderdelen dus als uitvoerbaar is te achten.

4.6

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.

In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van drie procent verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 , NO2 of PM10 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Toetsing Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit, heeft VROM, in samenwerking met InfoMil, de 'nibm-tool 2017' ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool (zie onderstaande afbeelding) is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Hierbij is uitgegaan van één extra woning met in totaal acht extra voertuigbewegingen. Dit aantal voertuigbewegingen is op basis van paragraaf 4.9 (Verkeer en parkeren). Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van drie procent (een toename van 1,2 µg/m3) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

27

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Figuur 4.2: rekentool luchtkwaliteit. Conclusie De bouw van een vrijstaande woning kan gezien worden als een 'nibm' project. Daarom hoeft er niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig. Voorts wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening geconcludeerd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er worden geen personen blootgesteld aan onacceptabele concentraties luchtvervuiling. Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het milieuaspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling en het planvoornemen op dit onderdeel dus als uitvoerbaar is te achten.

4.7

Externe veiligheid

Toetsingskader Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het in oktober 2004 in werking getreden Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de onderliggende regelgeving. Het beleid voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het op 1 januari 2011 in werking getreden Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich als maat voor het risico vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen vooral op de basisveiligheid voor personen in de omgeving van die activiteiten. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt "vertaald" als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijv. woningen) mogen liggen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de z.g.

oriënterende waarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd, kan afwijken. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden.

28

bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout

Toetsing Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de digitale Risicokaart voor het plangebied weer.

Figuur 4.3: uitsnede risicokaart, plangebied rode kader (bron: www.risicokaart.nl). Uit de risicokaart (riscokaart.nl) blijkt, waarvan hierboven een uitsnede, dat in of nabij het projectgebied geen risicovolle inrichtingen en transportassen (spoor, weg, water) aanwezig zijn. Het plangebied ligt wel op circa 180 meter van de N206. Over de N206 vindt in beperkte mate vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Gelet op de zeer beperkte toename van het aantal personen, de beperkte dichtheid van reeds aanwezige personen en de afstand tot de weg is aannemelijk dat voor dit trajectdeel het groepsrisico zich onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde bevindt. Verantwoording groepsrisico en hulpverlening In de toelichting bij een bestemmingsplan wordt, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten, in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren en om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Voor de betreffende locatie geldt dat deze goed bereikbaar is voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van werkzaamheden of calamiteiten het plangebied goed bereikbaar is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=a8c31db3-b196-4de7-ba75-4d47ad5afb5e