BP Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout 01-07-2024_Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout gemeente Noordwijk vastgesteld 01-07-2024 NL.IMRO.0575.BPBGHerenwegB5040- VA01 Bijlagen bij toelichting
bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Landschappelijke inpassing
3
Bijlage 2
Watertoets
18
Bijlage 3
Beknopte natuurtoets
22
Bijlage 4
Stikstofberekening
37
Bijlage 5
Bodemonderzoek
59
Bijlage 6
Akoestisch onderzoek
136
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Landschappelijke inpassing
3
PRINCIPEVERZOEK / QUICKSCAN
NAAST HERENWEG 230B, NOORDWIJKERHOUT
April 2023
Plangebied in de context. Schaal 1:3.000 2
1. INLEIDING Initiatiefnemer is voornemens om naast de Herenweg 230b de huidige bebouwing te verwijderen en hiervoor in de plaats één nieuwe Ruimte voor Ruimte woning te realiseren. Het recht op de Ruimte voor Ruimte woning is verkregen doordat er aan de zuidzijde van het plangebied een vrijstaande schuur en ca. 20.000m² kasbouw is verwijderd. Het plangebied staat kadastraal bekend als sectie B, nummer 5040 en gedeeltelijk sectie B, nummer 5039 en heeft een totale oppervlakte van 1.876 vierkante meter. Het perceel is eigendom van de initiatiefnemer. In deze quickscan wordt ingegaan op de kwaliteitsverbetering die plaatsvindt op dit perceel en wordt onderzocht of een woning gerealiseerd kan worden. In hoofdstuk 2 vindt een analyse plaats van geldend beleid en de omgeving van het plangebied. In hoofdstuk 3 is een inpassing voorstel te vinden, voortkomend uit de analyse. In hoofdstuk 4 worden de onderzoeksaspecten beschreven.
Bestaande kadastrale situatie
3
4
1930
1950
1970
2000
2. ANALYSE Historische analyse Het plangebied ligt in de strandvlakte aan de noordzijde van Noordwijkerhout, in de Hogeveensepolder. Dit is een vlakke, open ruimte waar de bollenteelt de belangrijkste vorm van grondgebruik is. De Herenweg is een oud historisch lint met een afwisseling tussen (bedrijfs) woningen, grote bedrijven en doorzichten over de (bollen)velden. Het plangebied ligt niet direct aan het lint van de Herenweg, maar in de tweede lijn. Aan deze vertakking van de Herenweg werden door de jaren heen 1e generatie tuinderswoningen gebouwd. Deze tuinderswoningen waren (en zijn nog steeds) eenvoudig van opzet. Vaak 1 laags bebouwing met kap. Dit beeld is bijvoorbeeld duidelijk herkenbaar aan de Herenweg 220 en 222b. Het lint van de Herenweg heeft een relatief lage hoeveelheid open zicht richting het landschap. Zichtlijnen en openheid bepalen voor een groot deel wel de landschappelijke kwaliteit van het bollenlandschap en hier dient dus ook rekening mee gehouden te worden bij de landschappelijke inpassing.
Landschapsvisie Hogeveensepolder (2014) Het plangebied is gelegen in de Hogeveensepolder. Om de kwaliteiten van deze polder te behouden en te versterken is in 2014 een landschapsvisie opgesteld, als bijlage bij het bestemmingsplan buitengebied (2015). De visie heeft de ambitie de strandwallen en strandvlaktes zichtbaar te maken en werkt toe naar een herstructurering van de polder vanwege de economische en landschappelijke vitaliseringsopgave. Hierbij worden de volgende uitgangspunten gegeven: • • • • •
versterken van de hoofdstructuur, strandwal, strandvlakte; verbeteren van de totale waterhuishouding en verkaveling; verbeteren van bedrijfsontsluiting in het middengebied en daarmee de overige wegen van agrarisch verkeer ontlasten; verbeteren van de openheid en belangrijke zichtlijnen; tegengaan van verdere verrommeling.
In de afbeeldingen hiernaast is te zien dat het plangebied is gelegen in een open gebied, waardoor het behoud van dit open gebied bij eventuele ontwikkelingen een belangrijk uitgangspunt vormt.
5
Openheid en behoud zichtlijnen volgens de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016
Herstructurering naar vitale Greenport met landschapsverbetering volgens de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016
6
Belangrijke doorzichten en vergezichten uit de Landschapsvisie Hogeveensepolder (plangebied rood omcirkeld)
Zicht Om de openheid van de polder te ervaren is open zicht over de polder van belang. In de afbeelding hiernaast zijn de belangrijkste zichten te zien. Deze dienen behouden te blijven. Te zien is dat de ontwikkeling hier geen invloed op heeft. Bebouwing Voor bebouwing en uitbreiding van bebouwing zijn in de landschapsvisie Hogeveenspolder een aantal uitgangspunten genoemd die aansluiten bij de ontwikkeling in het plangebied: • De bouwstijl van gebouwen dient een landelijk karakter te hebben en aan te sluiten op de omgeving. • Voorkeur voor materialen en kleurgebruik zijn baksteen en sobere, neutrale kleuren zoals donkergroen, bruin, donkergrijs en zwart. Geen glimmende materialen. • De bebouwing en groen inpassen op een landschappelijke wijze, binnen de landschappelijke structuur. • Buitenopslag dient extra zorgvuldig vormgegeven te worden. Bij voorkeur uit het zicht en aan de achterzijde. Te allen tijde is een landschappelijke inpassing noodzakelijk. • Bij grote gebouwen kan erfbeplanting zorgen voor een landschappelijke inpassing. Niet het gehele gebouw aan het zicht onttrekken door het volledig in hoog opgaand groen.
Kenmerken van het erf • Een functioneel en ruim erf dient met een goede landschappelijke inpassing in het patroon van de verkaveling en landschap te volgen. • Bestaande zichtlijnen en doorzichten naar achtergelegen gronden of het silhouet van de bebouwing van de kernen en herkenningspunten mag niet worden verstoord. • Behoud aanwezigheid sloten, sloot als erfscheiding verdient de voorkeur boven schutting of hoog opgaand groen. • Erf zo compact mogelijk houden, losse schuren en gebouwen zijn een storend element in het landschap. • Beperk erfverharding en parkeerplaatsen. Beplanting • Erfbeplanting dient functioneel, eenvoudig en streekeigen te zijn. • Stimuleren van lage erfbeplanting met hogere soorten; erfbeplanting versterkt het ensemble van woonhuis en bedrijfsgebouwen en zorgt voor een groene uitstraling van het erf. Voorbeelden van lage erfbeplanting zijn zijn bollen gras en hagen.
7
Bestaande infrastructuur Bestaande watergangen Bestaand bebouwingscluster Bestaande bebouwing Bestaande groene randen Zicht op open bollengebied Openheid Aansluiting rooilijn bestaande bebouwing Kans voor groene erfafscheiding
Ruimtelijke analyse. Schaal 1:1.000 8
Ruimtelijke analyse Het plangebied maakt onderdeel uit van een lint dat langzaam verdunt richting het open bollengebied. Het plangebied zelf valt binnen de tweede lijn van bebouwingslint aan de Herenweg en is daardoor geschikt voor inbreiding. Dit zorgt tevens voor een kwaliteitsverbetering in het straatbeeld. Noordzijde Aan de noordzijde van het plangebied bevinden zich bestaande kassen en een aantal vrijstaande woningen. Deze woningen liggen aan een doodlopende weg. Relatie met open bollenvelden is hier niet aanwezig.
Belangrijkste uitgangspunten analyse: • Waardevolle zichtlijnen behouden door geen bebouwing of beplanting in deze zichtlijnen te plaatsten. • Sloten zijn breed, recht en strak. • Het talud van een sloot is steil en open en bevat geen riet. • Sloot als erfscheiding verdient de voorkeur boven schutting of hoog opgaand groen. • Erfbeplanting is functioneel en streekeigen. • Verrommeling tegengaan door buitenopslag te minimaliseren en buiten het zicht te houden. • Voorzijde van het erf heeft een groene uitstraling
Oostzijde De naastgelegen woning aan de oostzijde is de woning op nummer 224. Deze woning wordt gescheiden door een bestaande lagere haag die zich binnen het plangebied bevindt. De ontsluiting van deze woning is aan de zuidzijde. Zuidzijde De zuidzijde van het plangebied is de zon-kant. In de omgeving zien we voornamelijk groene voorerven. Het is wenselijk om deze groene uitstraling ook in het plangebied te realiseren. Ook ligt aan deze zijde een kassencomplex en de woning op nummer 220. Aan deze zijde is er goed zicht op het open bollengebied. Westzijde De westzijde van het kavel sluit aan op een kruising van wegen. Het naastgelegen kavel heeft een groene voortuin en het zicht op de woning wordt ontnomen door een groene hogere haag.
9
Voorstel landschappelijke inpassing 10
3. INPASSING VOORSTEL
In de nieuwe situatie wordt er een nieuwe ruimte voor ruimte woning evenwijdig aan de Herenweg geplaatst. De woning past qua maat en schaal bij de woningen in de omgeving. De woning heeft een inhoud van maximaal 750m³. De woning heeft een goothoogte van 4 meter, en een bouwhoogte van 8 meter. Dit sluit aan bij de omliggende bebouwing in het buitengebied. De maximale breedte van de woning is 12 meter. Vanuit het zij- en achtererf is er een zone van 5 meter waarin niet mag worden gebouwd. Aan de voorzijde van het erf ligt de rooilijn in een redelijke lijn met de bestaande bebouwing in de omgeving, rekening houdend dat de woning net na de bocht ligt. De Kavel heeft een oppervlakte van 1000 vierkante meter er is op de kavel ruimte voor parkeren. Noordzijde Aan de noordzijde van de nieuwe kavel wordt een wintergroene haag aangeplant met inheems plantmateriaal. Zo kan er aan deze zijde bijvoorbeeld een beukenhaag worden toegevoegd. Op deze manier wordt het zicht op de kas belemmert maar zorgt dit niet voor een beperking van lichtinval. Op de achterzijde van het kavel is tevens ruimte voor een bijgebouw. Zuidzijde De voorzijde van het kavel wordt aangeplant met opgaande beplanting (bijvoorbeeld struweel of bomen).
Enerzijds om een groene uitstraling te creëren die in lijn ligt met omliggende bebouwing, anderzijds heeft dit ook een schaduwwerkende functie omdat de voorzijde van het kavel tevens de zuidzijde (zonnige kant) is. Om een rustig straatbeeld te waarborgen is de rooilijn aan deze zijde gelijk. Ook is de entree en de oprit aan deze zijde gesitueerd. Oostzijde Aan de oostzijde bevindt zich Herenweg 224. Dit perceel wordt aan deze zijde ingepast door middel van een (lage) haag. Tussen nummer 224 en het plangebied staat nog een electriciteitskastje inclusief hekwerk. Om het zicht hierop te ontnemen wordt het perceel aan deze zijde met hogere opgaande beplanting aangeplant. Zo wordt het zicht op dit bouwwerk ontnomen.
Westzijde De westzijde van het kavel sluit aan op een kruising van wegen. Aan deze zijde komt een wintergroene haag als erfafscheiding. Het is van belang om vanaf de Herenweg de woning niet volledig aan het zicht te ontnemen door hoge en dichte beplanting. Wel is het toepasselijk om het zicht op de woning te breken door middel van onderbroken beplantingselementen. Denk hierbij aan solitaire bomen, of lagere (onderbroken) beplanting. Beplanting en biodiversiteit Omdat het plangebied geen belangrijke zichtlocatie is binnen het open bollengebied, kan extra meerwaarde worden gevonden in versterking van de biodiversiteit. Dit kan i.s.m het tegengaan van verrommeling. Inheemse soorten sluiten aan op de voorkomende soorten in de omgeving en/of zijn gericht op het aanbrengen van drachtplanten voor bijen en/of hommels. Ook kunnen vruchtdragende soorten voor onder andere vogels een interessante toevoeging zijn. Houdt hierbij rekening met een soort met doornen. Dit kan dienen als bescherming. Welke beplanting passend is bij de Hogeveensepolder wordt ook genoemd in de landschapsvisie (Regionale laanbeplanting 2004-2019, Duin en Bollenstreek): Voorkeurssoorten: zomereik, hollandse iep en linde. Voorkeur bij weinig profielruimte: eenstijlige meidoorn, geknotte schietwilg, beukhaag.Overig mogelijke soorten ter behoud van variatie: zwarte els, gewone es.
Andere soorten die hier ook een toegevoegde waarde zouden kunnen hebben zijn: • sleedoorn; • hazelaar; • veldesdoorn; • liguster; • gewone vlier; • duinroos. 11
4. ONDERZOEKSASPECTEN In onderstaand schema is een samenvatting opgenomen van de quickscan naar de uitvoerbaarheidsaspecten van de voorgenomen ontwikkeling.
12
Onderzoeksaspect
Beoordeling
Archeologie en cultuurhistorie
Het perceel waar de nieuwe woningen zijn beoogd, is voorzien van de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in dit deel indien sprake is van een bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm wordt geplaatst, waarbij graafwerkzaamheden of heiwerkzaamheden noodzakelijk zijn. Afhankelijk van het exacte bouwplan (bodemroeringen) kan archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
Bodem
Vastgesteld moet worden of de bodemkwaliteit belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen. Ten behoeve van een ruimtelijk besluit zal bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Op voorhand zijn er vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen onoverkomelijke belemmeringen te verwachten.
Natuur
Gelet op de huidige situatie op het deels bebouwde perceel en de aard van de voorziene ontwikkeling dient onderzoek naar de effecten op de natuurwaarden in het kader van natuurwet en –regelgeving plaats te vinden. Op voorhand zijn er vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen onoverkomelijke belemmeringen te verwachten.
Geluid
In de nabijheid van de planlocatie ligt de Herenweg. Akoestisch onderzoek ten aanzien van wegverkeerslawaai is in beginsel noodzakelijk voor de woningen.
Verkeer en luchtkwaliteit
Gelet op de bestaande verkeersontsluiting en beperkte verkeersgeneratie kan met een beperkte verantwoording op basis van kengetallen (CROW-normen) worden volstaan. Gelet op de beperkte voorgenomen ontwikkeling van een woning en de daarmee samenhangende verkeersgeneratie, kan onderzoek naar Luchtkwaliteit achterwege blijven (NIBM-project).
Onderzoeksaspect Bedrijven en milieuzonering
Beoordeling Ter plaatse van de voorziene woonfuncties dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat. Ten aanzien van de gewenste woonfunctie is de relatie met het tegenoverliggende bedrijf van belang. Met name ten aanzien van het aspect geluid en lichthinder kan een mogelijke belemmering ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat ontstaan. Mogelijk dient hiertoe nader akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Gelet op de woonbestemmingen in de omgeving en eventuele mogelijkheden om maatregelen te treffen, is een woonbestemming wel voorstelbaar te achten. Ook is van belang dat de omliggende gronden zijn bestemd voor agrarische bollenteelt en er rekening dient te worden gehouden met gewasbeschermingsmiddelen. De VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering geeft hiervoor geen specifieke richtafstanden. Voor intensieve teelten waarbij sprake is van een intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt op basis van jurisprudentie een richtafstand geadviseerd van 50 meter. Voor bollensteelt is echter sprake van een duidelijk afwijkend gebruik van de spuitactiviteiten en kan van deze afstand worden afgeweken, al dan niet door te voorzien in een wintergroene haag ter afscherming.
Externe veiligheid
Op basis van www.risicokaart.nl kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Water
In het kader van de te volgen planologische procedure zal te zijner tijd de watertoets worden uitgevoerd.
13
April 2023 BügelHajema Adviseurs Utrechtseweg 7 3811 NA Amersfoort T 033 465 65 45 E info@bugelhajema.nl I www.bugelhajema.nl
bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout
Bijlage 2 Watertoets
18
Digitale Watertoets
Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.
Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Korte procedure
Op basis van onderstaande locatie
30-03-2023 14:43
1
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
Vragen en antwoorden uit de check Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt, zonder fysieke aanpassing ten opzichte van de bestaande situatie?
nee
Wordt als onderdeel van het plan riolering aangelegd/ vernieuwd?
nee
Is er sprake van een toename van lozing [huishoudelijk nee of bedrijfsmatig afvalwater] in het landelijk gebied groter dan 5 huishoudens of in het stedelijk gebied groter dan 15 huishoudens? Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 500m2?
nee
Is er in of rondom het plangebied sprake van wateroverlast of grondwateroverlast?
nee
Wordt het waterpeil in het plangebied gewijzigd?
nee
Maakt het plan deel uit van een groter plan dat in ontwikkeling is?
nee
Wordt er water gegraven en/of gedempt?
nee
Worden er op bedrijfsmatige wijze activiteiten verricht nee waardoor het verharde oppervlak verontreinigd raakt? primaire_keringen_beschermingszone
nee
regionale_keringen_beschermingszone
nee
primaire_keringen_kernzone
nee
regionale_keringen_kernzone
nee
afvalwatertransportleidingen
nee
NH_grondwaterbeschermingsgebieden
nee
30-03-2023 14:43
2
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
Details 1. Korte procedure Wat moet ik doen? U kunt een advies aanvragen bij het Waterschap door deze aan te vragen met de blauwe aanvraag knop.
30-03-2023 14:43
3
https://dewatertoets.nl
bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout
Bijlage 3 Beknopte natuurtoets
22
INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE .................................................................................................................................. 2 1. INLEIDING ............................................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding .................................................................................................. 3 1.2 Doel van het onderzoek ................................................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer....................................................................................................................................... 3 2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK ............................................................................ 4 2.1 Bureaustudie .................................................................................................................................. 4 2.2 Veldonderzoek ............................................................................................................................... 4 2.3 Effectenbeoordeling ....................................................................................................................... 4 3.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED .......................................................................................... 5 3.1 Ligging plangebied ......................................................................................................................... 5 3.2 Algemene beschrijving van het plangebied .................................................................................... 6 4. WETTELIJK KADER ............................................................................................................................. 7 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten .................................................................................. 7 4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland ...................................................... 8 5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING ................................................................................. 9 5.1 Vleermuizen.................................................................................................................................... 9 5.2 Grondgebonden zoogdieren........................................................................................................... 9 5.3 Vaatplanten ..................................................................................................................................
10 5.4 Vogels ........................................................................................................................................... 10 5.5 Amfibieën en reptielen .................................................................................................................. 11 5.6 Overige beschermde soorten ....................................................................................................... 11 6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL .............................................................. 12 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 .......................................................................... 12 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 ......................................................................... 12 6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied ............... 13 6.4 Checklist groen bouwen ............................................................................................................... 13 LITERATUUR EN BRONVERMELDING ................................................................................................ 14
Quickscan Wet natuurbescherming Herenweg 230b, Noordwijkerhout 2023-164
Pagina 2 van 14
2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 26 mei 2023 in de m kt weer en circa 19ºc. 2.1 Bureaustudie Het bronnen- en literatuuronderzoek omvat een bureaustudie, waarbij kaarten zijn geraadpleegd (kenmerken van het landschap waarin het plangebied zich bevindt) en de reeds bekende verspreidingsgegevens van voorkomende beschermde soorten in de regio zijn geraadpleegd. In het bronnen- en literatuuronderzoek zijn het plangebied en het omliggende gebied in een straal van ongeveer 1,5 kilometer onderzocht. Er zijn diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding en mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied. Aan de hand van deze informatie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Een overzicht van de gebruikte literatuur is opgenomen in de literatuurlijst, die is opgenomen in de bijlage van deze briefrapportage. 2.2 Veldonderzoek Naast een bureaustudie is een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied.
De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied. 2.3 Effectenbeoordeling Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, is beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing is alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect.
Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht ex artikel 1.11.
Quickscan Wet natuurbescherming Herenweg 230b, Noordwijkerhout 2023-164
Pagina 4 van 14
4. WETTELIJK KADER 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van i i e soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier-, amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.
Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING 5.1 Vleermuizen Resultaten bureauonderzoek In het plangebied staan twee schuren waarin vleermuizen kunnen verblijven indien geschikte invliegopeningen aanwezig zijn. De meest voorkomende gebouwbewonende vleermuissoort is de gewone dwergvleermuis. Andere gebouwbewonende soorten die voorkomen in Noordwijkerhout zijn de ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis. Resultaten veldbezoek Schuur 1 is in het geheel niet geïsoleerd. Door de wanden van enkel hout en het ontbreken van een dak zijn er geen mogelijkheden voor vleermuizen om te verblijven in schuur 1. Schuur 2 is eveneens niet geïsoleerd. Een spouw is niet aanwezig. De kozijnen sluiten aan op de muren. Op de schuur is vrijwel geen dak meer aanwezig. Daar waar het nog wel ligt, is het zachtboard dakbeschot verrot. Er zijn geen kieren in de steens muren aanwezig. Voor foto’s zie §3.2 en afbeelding 8. Het ontbreekt in het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden aan bomen die groot genoeg zijn voor vleermuizen om in te kunnen verblijven. In het plangebied is zeer beperkt groen aanwezig. Verschillende landschappelijke elementen ontbreken eveneens. Een lijnvormig element is niet aanwezig.
Conclusie vleermuizen In het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden zijn geen voor vleermuizen geschikte openingen aanwezig. Vernietiging van vleermuisverblijven en verstoring van vleermuizen in hun verblijf is daarom niet aan de orde. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie, omdat zeer beperkt groen aanwezig is, voldoende groen in omgeving aanwezig is en de plannen voorzien in nieuw groen. Een vliegroute van vleermuizen is niet aanwezig. Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste verblijfplaatsen, vaste vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is niet noodzakelijk. 5.2 Grondgebonden zoogdieren Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens kunnen boommarter en steenmarter voorkomen in het plangebied. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. Voor boommarter is een groot areaal aan bos noodzakelijk en voor steenmarter moeten verblijfplaatsen in gebouwen aanwezig zijn. Deze soorten komen ook wel voor in een groene bebouwde omgeving waar voldoende foerageergebied aanwezig is. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) beschermde zoogdieren waargenomen.
Er zijn geen genoeg bomen aanwezig om een essentieel leefgebied voor boommarter te zijn. Van steenmarter zijn eveneens geen verblijven aanwezig. Conclusie grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten zoogdieren aangetroffen. Deze worden gezien het biotoop ook niet verwacht in de toekomst. Voor eventueel aanwezige algemene zoogdieren geldt de zorgplicht (zie §6.1).
5.3 Vaatplanten Resultaten bureauonderzoek Noordwijkerhout is uitstekend onderzocht op planten (zie uitgaves Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk in de literatuurbijlage). Van de beschermde soorten in de Wet Natuurbescherming ij l t ijf ooit in de gemeente Noordwijk aangetroffen. Stofzaad, voor het jaar 2000 op enkele plaatsen in de Noordduinen. Glad biggenkruid, eenmaal gevonden bij De Zilk en eenmaal in het Langeveld. Ruw parelzaad, rond 1990 bij de Nieuweweg (Hillegom) en Kluwenklokje enkele keren in een wegberm, verwilderd vanuit een tuin. Bokkenorchis is recentelijk gemeld in de duinen. Op basis van de meest recente verspreidingsgegevens kan de aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek Beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Conclusie vaatplanten Geconstateerd is dat het biotoop in het plangebied niet geschikt is voor glad biggenkruid en bokkenorchis. Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan. 5.4 Vogels Resultaten bureauonderzoek Verschillende soorten gebouwbewonende soorten, waaronder huismus en gierzwaluw, kunnen in het plangebied broeden indien geschikte openingen hiervoor aanwezig zijn. Kerkuil kan aanwezig zijn indien de schuren invliegopeningen hebben.
Andere vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is worden niet verwacht. Resultaten veldbezoek Huismussen zijn niet waargenomen in het plangebied. Het ontbreekt in het plangebied aan nestgelegenheid voor huismus en gierzwaluw. De gebouwen hebben wel invliegopeningen voor kerkuil, maar het ontbreekt aan nestgelegenheid, omdat een zolder ontbreekt en omdat het pand verrot en aan tocht onderhevig is. Sporen van kerkuil (braakballen / krijtsporen) zijn niet aanwezig. Er zijn geen (overblijfselen van) jaarrond beschermde nesten aangetroffen, ook niet binnen de verstorende invloedsfeer. In het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden kunnen soorten gaan broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Conclusie vogels Het plangebied heeft geen functie voor broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. In het gebied zijn geen (overblijfselen van) jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Huismussen zijn in het gebied niet gesignaleerd en het plangebied is niet van essentieel belang voor huismus. Het is mogelijk dat in het plangebied en/of binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden soorten gaan broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
De nestbescherming geldt voor alle in gebruik zijnde nesten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, globaal wordt uitgegaan van half maart tot half juli. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden.
6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Nader onderzoek hiern ervoor zijn niet noodzakelijk. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. Vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke) moet gefaseerd worden verwijderd, waardoor aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten. Bij kap van de vegetatie in de winter dient men rekening te houden met zoogdieren in winterslaap, zoals de egel. Inachtneming van de zorgplicht betekent dat men het struikgewas handmatig en gefaseerd kapt, in plaats van met bulldozer of graafmachine. 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Invulling zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 Geadviseerd wordt de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden. Voor het broedseizoen geldt geen standaard periode. Globaal duurt het van half maart tot half juli. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Wel kan worden gestart met de werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen en worden doorgewerkt in het broedseizoen. Vanwege de aanwezige verstoring zullen dan geen vogels in het plangebied en de omgeving van het plangebied gaan broeden.
Quickscan Wet natuurbescherming Herenweg 230b, Noordwijkerhout 2023-164
Pagina 12 van 14
Literatuur en bronvermelding Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Limpens e.a. KNNV 1997 Bats of Britain a
A. Kiefer, Bloomsbury 2016
www.vleermuis.net, voor up-to-date kennis van vleermuizen Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017, BIJ12 Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON)(Redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland Kennisdocument Rugstreeppad, Bufo calamita, Versie 1.0, juli 2017, BIJ12 Kennisdocument Zandhagedis, Lacera agilis, juli 2017, BIJ12 Stichting RAVON: www.ravon.nl Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Weeda e.a. 1985-1994 Tussen tulpen en de zee, Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk, 2011 Een nieuwe wet voor de natuur: Wet Natuurbescherming, artikel uit De Strandloper 48e jaargang nummer 3, juni 2016, J. van Dijk Van Aardaker tot Zwanenbloem, Flora van de Duin- en Bollenstreek, J. Van Dijk et al, 2018 Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk Twintig jaar Gierzwaluwen inventariseren in Noordwijk, H. Verkade, LIMOSA 88 (2015): 164-172 Sovon Vogelonderzoek Nederland: www.sovon.nl Vereniging Vogelbescherming: www. vogelbescherming.nl Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep, Ministerie van LNV, 2009 Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, Zoogdiervereniging 2016, S. Broekhuizen et al.
Stichting Anemoon: http://www.anemoon.org/projecten/natura2000/soortprofielen/nauwe-korfslak Nationale Databank Flora en Fauna, Verspreidingsatlas. 13 mei 2014, http://www.verspreidingsatlas.nl/ Vlinderstichting: www.vlinderstichting.nl Aerius calculator: www.aerius.nl
Quickscan Wet natuurbescherming Herenweg 230b, Noordwijkerhout 2023-164
Pagina 14 van 14
bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout
Bijlage 4 Stikstofberekening
37
Ber e ken in g s t i ks t of d ep os i ti e H ere n w eg 2 3 0B N o ord w ij k erh o u t
D EF IN I TI EF
Inhoud
Rapport en bijlagen
14 april 2023 Projectnummer P001982
Inhoudsopgave 1
Inleiding
3
2
Wettelijk kader
5
3
Ligging plangebied
6
4
Invoergegevens AERIUS
7
4.1
Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)
7
4.2
Werkverkeer (bron 2)
8
4.3
Verkeersgeneratie woning (bron 3)
9
4.4
Totale emissie
9
5
Model
10
6
Rekenresultaten en conclusie
11
7
Bijlage
12
14 april 2023
1
Inleiding In het kader van het bestemmingsplan is de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het gebruik van een nieuwe woning in de gemeente Noordwijk berekend. Het plan maakt de bouw van één woning mogelijk op een locatie in het matig stedelijk woonmilieu. De omvang van het plan is op de onderstaande afbeelding weergegeven. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (14 april 2023). Dit rapport vormt een toelichting op de bijgevoegde berekening.
Afbeelding 1 – Omvang plangebied (bron: calculator.aerius.nl, d.d. 14-04-2023)
Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming bij vergunningaanvragen of bestemmingsplanprocedures. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden aan bod. Hoofd-
14 april 2023
3
stuk 4 is gewijd aan de invoergegevens van het programmapakket AERIUS en hoofdstuk 5 geeft het model weer. In het laatste hoofdstuk worden de rekenresultaten en conclusies besproken.
14 april 2023
4
2
Wettelijk kader De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bossen en specifieke dier- en plantsoorten. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is verankerd in het onderdeel gebiedsbescherming. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Dit betekent dat een verdere toename van stikstofdepositie tot een negatief effect kan leiden. Derhalve dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Dit geldt voor een activiteit waar een omgevingsvergunning voor noodzakelijk is, maar ook voor een bestemmingsplan dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Voor een bestemmingsplan is het namelijk noodzakelijk om de uitvoerbaarheid van het plan op voorhand aan te tonen. Hiernaast geldt op grond van artikel 2.7 Wnb in samenhang met artikel 2.8 Wnb een onderzoeksplicht voor bestemmingsplannen.
Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor de kans bestaat dat het bestemmingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden vastgesteld. Kwetsbaarheid van stikstof gevoelige natuurgebieden Niet alle Natura 2000-gebieden met voor stikstof gevoelige habitats of leefgebieden voor soorten zijn even kwetsbaar voor een toename van de stikstofdepositie. Wanneer het gebieden betreft waar zich habitats of leefgebieden van soorten bevinden waarvan de kritische depositiewaarde lager is dan de achtergrondwaarde voor stikstof, dan is sprake van een overgevoelig gebied. In die gebieden moet de toename van zelfs een minimale stikstofdepositie al als significant negatief worden beschouwd. In die gebieden kan een toename van de stikstofdepositie met meer dan 0,00 mol N/ha/jaar dan ook niet worden toegestaan. In gebieden waar de kritische depositiewaarde hoger is dan de achtergrondwaarde, is weliswaar sprake van een negatief effect bij een toename van de stikstofdepositie, maar deze wordt pas significant negatief wanneer de toename zo groot is dat de kritische depositiewaarde wordt overschreden. In dergelijke gebieden is dus meer ruimte voor een toename van de stikstofdepositie.
14 april 2023
5
3
Ligging plangebied Het plangebied is gelegen naast de Herenweg 230B in Noordwijkerhout. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden weergegeven.
Afbeelding 2 – Ligging plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (bron: calculator.aerius.nl, d.d. 14-04-2023)
De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn: -
Kennemerland-Zuid, gelegen op een afstand van circa 2,0 km;
-
Coepelduynen, gelegen op een afstand van circa 6,3 km.
14 april 2023
6
4
Invoergegevens AERIUS Met behulp van AERIUS kan de depositie als gevolg van de emissies van NO x en NH3 op Natura 2000gebied worden berekend. Om de berekening te kunnen maken, moeten stikstofbronnen worden ingevoerd die bij het project of plan zullen worden gebruikt. In AERIUS zijn voor diverse bronnen standaard emissiekengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NOx en NH3 kunnen worden bepaald. Het gaat dan om bronnen die worden gebruikt tijdens de sloop-, aanleg- en/of bouwfase en bronnen die later tijdens het gebruik van het project of plan worden ingezet. Het gaat om bijvoorbeeld (mobiele) werktuigen, maar ook om het verkeer op, van en naar het terrein. Hoe bronnen moeten worden bepaald, is uitgewerkt in het handboek “Werken met AERIUS Calculator”. Conform dit handboek dient bijvoorbeeld de verkeersgeneratie te worden beschouwd. Niet alleen het handboek speelt daarbij een rol. Ook gerechtelijke uitspraken zijn van belang. Zo blijkt uit jurisprudentie dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan de ruimtelijke ontwikkeling worden toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt.
De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden. Door de opdrachtgever is aangegeven dat het gebouw gasloos wordt uitgevoerd. Dit betekent dat geen rekening behoeft te worden gehouden met een emissie van NOx ten behoeve van de verwarming. Dit zal geborgd moeten worden in de ruimtelijke procedure. Ten behoeve van de werkzaamheden en de verkeersgeneratie van de woning zijn de volgende invoergegevens in AERIUS gebruikt (afbeelding 3).
4.1
Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)
In de navolgende tabel zijn de invoergegevens van de mobiele werktuigen op de bouwlocatie weergegeven. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand van 1
BügelHajema Adviseurs . Hierbij is rekening gehouden met de sloop van de bestaande bebouwing 2
(circa 580 m ) en de bouw van één woning. Met betrekking tot het verbruik van het aantal liters brandstof en het percentage AdBlue is aangesloten bij het onderzoek van TNO (AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen, TNO 2021 R12305). Op basis van dit onderzoek is voor stage IV mobiele werktuigen uitgegaan van 6% AdBlue ten opzichte van het aantal liters verbruikte brandstof.
1
Voor de invoergegevens van mobiele werktuigen op de locatie is gebruik gemaakt van aannames afkomstig uit een door
BügelHajema Adviseurs bijgehouden bronbestand. Dit bronbestand bevat gemiddelde cijfers over de inzet van mobiele werktuigen op de locatie en zijn verkregen door jarenlange ervaring met stikstofberekeningen.
14 april 2023
7
Tabel 1. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Functie
Aantal
Sloop bebouwing
580
Werktuig
m
2
graafmachine kraan bulldozer Bouw 1 won. graafmachine woning kraan heistelling betonstorter verreiker Totale emissie in kg NOx /jaar
kW
Stage
200 200 200 200 200 200 200 60
Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV
Eenheid
4 u/ 4 u/ 4 u/ 8 u/ 8 u/ 4 u/ 4 u/ 4 u/
2
100 m 100 m2 2 100 m won. won. won. won. won.
Draaiuren
Verbruik liters /uur
Totaal Verbruik liters
Emissie NOx
24 uur 24 uur 24 uur 8 uur 8 uur 4 uur 4 uur 4 uur
19,81 19,81 19,81 19,81 19,81 19,81 19,81 6,32
460 460 460 159 159 80 80 26
2,4 2,4 2,4 0,7 0,7 0,4 0,4 0,4 9,8
kg kg kg kg kg kg kg kg kg
De totale emissie van mobiele werktuigen bedraagt 9,8 kg NOx/jr en 0,5 kg NH3/jr.
4.2
Werkverkeer (bron 2)
Wat betreft het werkverkeer is rekening gehouden met de volgende ritten per jaar. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand. Tabel 2. Ritproductie werkverkeer Functie
Aantal
Verkeer
Eenheid
Aantal
Sloop bebouwing
580 m2
Licht verkeer
20 ritten/100 m2
116
580 m2
Middelzwaar verkeer
0 ritten/100 m2
0
580 m2
Zwaar verkeer
20 ritten/100 m2
116
1 won.
Licht verkeer
100 ritten/won.
100
1 won.
Middelzwaar verkeer
20 ritten/won.
20
1 won.
Zwaar verkeer
4 ritten/won.
Bouw woning
Licht verkeer Totaal
4 216 ritten
Middelzwaar verkeer
20 ritten
Zwaar verkeer
120 ritten
Bij de indeling van verkeer in licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer is uitgegaan van de voertuigcategorieën van InfoMil (tabel 3). Tabel 3. Bepaling voertuigcategorieën (InfoMil) Categorie Alledaagse omschrijving Lichte motorvoertuigen
- alle personenauto’s - de meeste bestelauto’s - vrachtwagens met 4 wielen
Middelzware motorvoertuigen
- alle autobussen - vrachtwagens met 2 assen en 4 achterwielen
Zware motorvoertuigen
- vrachtwagens met 3 of meer assen - vrachtwagens met aanhanger - trekkers met oplegger
De totale emissie van het werkverkeer bedraagt 0,2 kg NOx/jr.
14 april 2023
8
4.3
Verkeersgeneratie woning (bron 3)
In het model is het verkeer van en naar het gebouw opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van CROW-publicatie 381, december 2018. Daarbij is gebruikgemaakt van de kencijfers voor vrijstaande koopwoning in het buitengebied (8,6 ritten per etmaal). Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met naar boven afgerond 9 ritten licht verkeer per etmaal. De totale emissie van de verkeersgeneratie van de woning in de gebruiksfase bedraagt in dat geval ongeveer 0,3 kg NOx/jr.
4.4
Totale emissie
De totale emissie van het plan in de aanleg- en gebruiksfase bedraagt 10,3 kg NOx/jr en 0,5 kg NH3/jr.
14 april 2023
9
5
Model De emissie en depositie van het plan zijn bepaald met behulp van het AERIUS pakket (14 april 2023). In de berekening is uitgegaan van het rekenjaar 2023. Indien het plan later zal worden uitgevoerd, kan deze berekening als worstcase worden beschouwd. In latere rekenjaren zal de emissiefactor van onder andere verkeersbewegingen namelijk afnemen. Navolgend is van het model een afbeelding opgenomen.
Afbeelding 3 - AERIUS-model
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2022.1_20230405_989cfb3815 Database versie 2022.1_989cfb3815
14 april 2023
10
6
Rekenresultaten en conclusie De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat en een pdf-bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Dit pdf-bestand is als bijlage toegevoegd.
Afbeelding 4 - Rekenresultaat
Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat nadere besluitvorming niet in de weg.
14 april 2023
11
7
Bijlage
14 april 2023
12
Colofon Rapport BügelHajema Adviseurs
BügelHajema Adviseurs bv Bureau voor Ruimtelijke Ordening en Milieu BNSP Utrechtseweg 7 3811 NA Amersfoort T 033 465 65 45 F 0592 314 035 E info@bugelhajema.nl W www.bugelhajema.nl Vestigingen te Assen, Leeuwarden en Amersfoort
bestemmingsplan Herenweg perceel B5040, Noordwijkerhout
Bijlage 5 Bodemonderzoek
59
Inhoudsopgave 1.
Inleiding ...............................................................................................................................................3
1.1 Aanleiding en doelstelling .....................................................................................................................3 2.
Vooronderzoek en hypothese............................................................................................................4
2.1 Vooronderzoek .....................................................................................................................................4 2.2 Terreinverkenning en hypothese ..........................................................................................................8 3.
Veldwerkzaamheden ..........................................................................................................................9
3.1 Onderzoeksstrategie.............................................................................................................................9 3.2 Uitgevoerd veldwerk .............................................................................................................................9 4.
Resultaten en toetsing hypothese ..................................................................................................10
4.1 Onderzoeksstrategie........................................................................................................................... 10 4.2 Toetsingsresultaten ............................................................................................................................ 10 4.3 Toetsing hypothese ............................................................................................................................ 11 5.
Conclusies en aanbevelingen.......................................................................................................... 12
5.1 Conclusies .......................................................................................................................................... 12 5.2 Aanbevelingen ....................................................................................................................................12 6.
Betrouwbaarheid .............................................................................................................................. 13
BIJLAGEN 1. Situatietekeningen 2. Boorstaten 3. BIS Omgevingsdienst West-Holland 4. Fotoreportage 5. Analysecertificaten grond 6. Analysecertificaten grondwater 7. Toetsingsresultaten grond 8. Toetsingsresultaten grondwater
Verkennend bodemonderzoek Herenweg 230b, Noordwijkerhout 2023-164
Pagina 2 van 13
5. Conclusies en aanbevelingen 5.1 Conclusies De verkregen onderzoeksresultaten worden onderstaand in samenvattende vorm opgesomd: • •
De grond is licht verontreinigd. Het grondwater is niet verontreinigd.
De aangetoonde lichte verontreiniging geeft conform de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt worden geen belemmeringen voorzien met betrekking tot de voorgenomen overdracht van het perceel en de beoogde nieuwbouw. 5.2 Aanbevelingen Geadviseerd wordt om onderhavige rapportage ter formalisering voor te leggen aan het bevoegd gezag zijnde gemeente Noordwijkerhout (in-casu Omgevingsdienst West-Holland) met het verzoek in te stemmen met de behaalde onderzoeksresultaten en het vastleggen ervan. Indien op locatie grond wordt afgevoerd dient voorafgaande hieraan een partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit (SIKB protocol 1001) uitgevoerd te worden.
Verkennend bodemonderzoek Herenweg 230b, Noordwijkerhout 2023-164
Pagina 12 van 13
6. Betrouwbaarheid Er wordt bij ieder onderzoek gestreefd naar een situatie waarbij de representativiteit optimaal is. Aandacht wordt gevraagd voor het feit dat het onderzoek gebaseerd is op een beperkt aantal boringen en monsters. Hierdoor blijft de mogelijkheid aanwezig dat de samenstelling plaatselijk af zou kunnen wijken ten opzichte van het onderzoek. Wijnands Milieu Consultancy (WMC) B.V. is niet aansprakelijk voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard ook. Het uitgevoerde onderzoek betreft een momentopname. Beïnvloeding van grondkwaliteit kan plaatsvinden na uitvoering van dit onderzoek. Naarmate er een langere tijd is verlopen na uitvoering van het onderzoek dient meer voorzichtigheid/voorbehoud te worden betracht bij het gebruik van de onderzoeksresultaten. Het veldwerk en de classificatie van de grondsoorten is uitgevoerd conform de proceseisen uit de BRL SIKB 2000, protocol 2001/2002. De advisering is overeenkomstig de voorwaarden van de DNR 2011. Conform deze norm wijzen wij u er op dat Wijnands Milieu Consultancy (WMC) B.V. als onafhankelijk adviseur optreedt en bovendien geen relatie heeft met de eigenaar van de grond.
Verkennend bodemonderzoek Herenweg 230b, Noordwijkerhout 2023-164
Pagina 13 van 13
BIJLAGEN
1. Situatietekeningen
2. Boorstaten
3. BIS Omgevingsdienst West-Holland
Omgevingsrapport 2023-164 Noordwijkerhout Omgevingsrapportage
Pagina 1 van 17
-
30-06-2023
Inhoudsopgave Voorblad Inhoudsopgave Inleiding HBB: HOGERVORST P.C. EN ZN. FA.; Herenweg 222 HBB: vanuit HBB afkomstig Herenweg 224a te Noordwijkerhout Herenweg 230A Kaarten Disclaimer Toelichting
Pagina 2 van 17
-
30-06-2023
Voor U ligt een rapportage van de Omgevingsdienst West-Holland met de beschikbare informatie over de milieu-hygiënische kwaliteit van grond van het door U opgevraagde perceel.
Dit rapport is een samenvatting van gegevens afkomstig uit het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst West-Holland. Het bodeminformatiesysteem bevat gegevens met betrekking tot uitgevoerde bodemonderzoeken, aanwezige, gesaneerde en buiten gebruik gestelde ondergrondse brandstoftanks, historische bodembedreigende activiteiten en actuele bodembedreigende activiteiten.
Met nadruk wordt gesteld dat dit rapport een geautomatiseerde samenvatting is van het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst West-Holland aanwezige gegevens. Voor nadere informatie over de in deze rapportage genoemde rapporten dienen de betreffende dossiers te worden geraadpleegd. Rapporten kunt u aanvragen bij ODWH via bip@odwh.nl. Er kan niet worden uitgesloten dat elders relevante informatie aanwezig is, die niet in de informatiesystemen van de Omgevingsdienst West-Holland en dus in deze samenvatting is opgenomen.
Dit rapport bestaat uit vier delen: 1. Deze pagina bevat een tekening van het geselecteerde gebied. 2. Informatie over het geselecteerde gebied, per locatie gegroepeerd (de in het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst West-Holland aangetroffen informatie over locaties die zich binnen het geselecteerde gebied bevinden. 3. Disclaimer 4. Toelichting op de rapportage. Hier vindt u de uitleg van de gegevens die in dit rapport zijn vermeld.
Als u vragen heeft over de in dit rapport vermelde gegevens dan kunt u contact opnemen met de Omgevingsdienst West-Holland via email bip@odwh.nl
Pagina 3 van 17
-
30-06-2023
Pagina 5 van 17
-
30-06-2023
Pagina 7 van 17
-
30-06-2023
Pagina 13 van 17
-
30-06-2023
Deze rapportage betreft een geautomatiseerde samenvatting van de op het moment van de aanvragen aanwezige gegevens in de informatiesystemen van de Omgevingsdienst West-Holland. De basisgegevens uit de informatiesystemen zijn in de regel door derden aangeleverd.
Er kan niet worden uitgesloten dat elders relevante informatie aanwezig is, die niet in de informatiesystemen van de Omgevingsdienst West-Holland en dus in deze samenvatting is opgenomen. Ook is het vanzelfsprekend mogelijk dat na het moment van aanvragen aanvullende gegevens door de Omgevingsdienst West-Holland worden verkregen, of dat recent verkregen informatie nog niet in het informatiesysteem is ingevoerd. Deze rapportage dient derhalve te worden gezien als een momentopname.
Vanwege het mobiele karakter van sommige bodemverontreinigingen kan ook niet worden uitgesloten dat de verontreinigingssituatie sinds het uitvoeren van een bodemonderzoek is gewijzigd. Aangezien het invoeren van gegevens mensenwerk is, kan evenmin worden uitgesloten dat bij het invoeren invoer- en/of interpretatiefouten zijn gemaakt.
De Omgevingsdienst West-Holland is niet aansprakelijk voor enige directe schade dan wel enige andere indirecte incidentele of gevolgschade als blijkt dat in de praktijk de verontreinigingssituatie anders is dan in dit rapport is vermeld. In dit geval van koop/verkoop adviseert de Omgevingsdienst om bij twijfel representativiteit van de in dit rapport vermelde gegevens alsnog bodemonderzoek op de betreffende locatie te laten uitvoeren.
Deze rapportage kan in de regel niet worden gebruikt bij meldingen of vergunningsaanvragen waarvoor een bodemonderzoek is vereist. Kopieën van de in deze rapporten kunnen hier mogelijk wel voor worden gebruikt. Dit is afhankelijk van de onderzoekeisen vanuit de melding/vergunning en de aard, ouderdom en kwaliteit van het betreffende onderzoek.