CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Herenweg 300 NWH Bijlage 2 Rapport Quickscan Wnb (1)

Commissie beeldvormend 28 maart 2024, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Herenweg 300, Noordwijkerhout’7.128 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Herenweg 300, Noordwijkerhout

Rapport

Quickscan Wet natuurbescherming

Locatie Kenmerk Datum

: : :

Herenweg 300, Noordwijkerhout A2331-03/BHU/qs1 21 maart 2022

Auteur Vrijgave Email Telefoon

: : : :

Mevr. B. Maste Dhr. D. van der Meer bmaste@idds.nl 06 82 099 746

Opdrachtgever

:

Dhr. A.F.J. van Bentem

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Samenvatting In opdracht van dhr. A.F.J. van Bentem is op 11-03-2022 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Herenweg 300 te Noordwijkerhout. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar Hoofdstuk 7 Conclusie en advies. Soortbescherming Vleermuizen: binnen de invloedsfeer van werkzaamheden kunnen gebouwbewonende vleermuizen verblijven (Tabel 1). Indien er tijdens de sloopwerkzaamheden met felle bouwverlichting op de omliggende panden geschenen wordt, kan dit voor verstoring van verblijven zorgen. Om verstoring van vleermuizen en overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen, wordt geadviseerd om felle (bouw)verlichting tussen zonsondergang en zonsopkomst te doven en niet te schijnen op de omliggende gevels en bomen. Op deze manier wordt verstoring van eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen in en rondom het plangebied voorkomen en hoeft er geen nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Binnen het plangebied kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd).

Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien er broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Tabel 1: Overzicht van soorten waarmee in het vervolg van het project rekening gehouden moet worden. Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Vogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is

Diverse algemene vogelsoorten

Mitigerende maatregelen

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Mitigerende maatregelen

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Mitigerende maatregelen

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Mitigerende maatregelen

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Mitigerende maatregelen

Vleermuizen

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Aangezien de gebruiksfase van het planvoornemen niet wijzigt ten opzichte van de huidige gebruiksfase, wordt geadviseerd om geen stikstofberekening uit te laten voeren.

Inhoudsopgave

1.1 1.2 1.3

Inleiding ........................................................................................................................ 5 Aanleiding ...................................................................................................................... 5 Doel van het onderzoek ................................................................................................. 5 Leeswijzer ...................................................................................................................... 5

2.1 2.2 2.3

Opzet van het onderzoek ............................................................................................ 6 Bureauonderzoek ........................................................................................................... 6 Veldonderzoek ............................................................................................................... 6 Effectenbeoordeling ....................................................................................................... 6

3.1 3.2 3.3

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen .............................................. 7 Ligging en algemene beschrijving van het plangebied .................................................. 7 Planvoornemen .............................................................................................................. 8 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden .............................. 9 Bureauonderzoek ....................................................................................................... 11

5.1 5.2 5.3

Veldonderzoek ........................................................................................................... 13 Biotoop bebouwing ...................................................................................................... 13 Biotoop aanwezig groen en bodem ............................................................................. 19 Biotoop water ............................................................................................................... 21

6.1 6.2

Effectbeoordeling ...................................................................................................... 22 Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt ............................................ 22 Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt .......................................... 22

7.1 7.2

Conclusie en advies .................................................................................................. 26 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 26 Soortbescherming ........................................................................................................ 26 Literatuur en bronvermelding ................................................................................... 30

Bijlage I Wet natuurbescherming ............................................................................................ 31 Bijlage II Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen ............................................................... 33

Inleiding 1.1

Aanleiding

De opdrachtgever is voornemens om de bedrijfsactiviteiten op de percelen te beëindigen en de bedrijfsbebouwing te verwijderen. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzoek verricht te worden naar de aanwezigheid van beschermde gebieden, flora en fauna, om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. In dat kader is door IDDS een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek. 1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • in het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen • de ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten • de ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN) • het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats) • op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is 1.3

Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en de ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Hoofdstukken 4 en 5 beschrijven de resultaten van het bureau- en veldonderzoek. In Hoofdstuk 6 wordt de effectbeoordeling uiteen gezet. Tenslotte worden hieruit in Hoofdstuk 7 conclusies getrokken en advies gegeven, bijvoorbeeld ten aanzien van nader onderzoek. Een overzicht van de gebruikte literatuur staat in Hoofdstuk 8. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wet natuurbescherming staan in Bijlage I. Bijlage II geeft een aantal aanbevelingen weer van natuur inclusief bouwen.

Opzet van het onderzoek 2.1

Bureauonderzoek

Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Daarnaast worden relevante verspreidingsatlassen en actuele websites (zie Hoofdstuk 8 voor de literatuurlijst) geraadpleegd. Ook wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart gebracht. Daarmee wordt een inschatting gemaakt of de voorgenomen ruimtelijke ingreep negatieve effecten heeft op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en gebieden. 2.2

Veldonderzoek

Naast een bureaustudie wordt een biotooptoets uitgevoerd: een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Het veldonderzoek bestaat uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is in kaart gebracht of het aanwezige biotoop geschikt is voor de beschermde soorten die in de omgeving van het plangebied voorkomen. Het kan zijn dat op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, niet alle soorten zichtbaar zijn. Soorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar aanwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied.

De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden. 2.3

Effectenbeoordeling

Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing wordt alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect. Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Soorten die geen strikte bescherming genieten worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht op grond van artikel 1.11.

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen Hoofdstuk 3 zal bestaan uit een gedetailleerde beschrijving van het plangebied, evenals een omschrijving in wat voor omgeving het plangebied ligt. Daarnaast wordt uiteengezet wat de ligging van het plangebied is ten opzichte van beschermde natuurgebieden in de omgeving. Tevens wordt er een beschrijving van de voorgenomen plannen weergegeven. 3.1

Ligging en algemene beschrijving van het plangebied

In onderstaand figuur is een luchtfoto te zien van de ligging van het plangebied. Hierop is te zien dat het plangebied in een agrarische omgeving ligt en omgeven wordt door weilanden en sloten. Het plangebied ligt dicht bij de N206 en direct langs het plangebied loopt aan de oosten westzijde een autoweg. Verder zijn er in het plangebied enkele bomen aanwezig.

Het plangebied bestaat uit meerdere opstallen. Onder andere een woning met grote tuin (Figuur 2). De woning is twee bouwlagen hoog, opgetrokken uit bakstenen en heeft een schuin dakpannen dak. Verder staat er een grote schuur opgetrokken uit bakstenen met een schuin dakpannen dak, twee houten schuren met beide een schuin aflopend plat dak, een kleine schuur met wanden van metalen panelen en een schuin dakpannen dak, een witte opslag ruimte met een plat dak en enkele glazen kassen (Figuur 3). Verder is er nog een stuk land aanwezig wat grotendeels is verhuurd en agrarisch gebruikt wordt.

3.2

Planvoornemen

De opdrachtgever is voornemens om de bedrijfsactiviteiten op de percelen te beëindigen en de bedrijfsbebouwing te verwijderen. De te verwijderen bedrijfsbebouwing bestaat uit glazen kassen en opslagruimtes. Het plan van de initiatiefnemer is om de vrijkomende grond partieel

om te vormen tot tuinbestemming en gedeeltelijk eerste klas bollengrond. Allereerst wordt het asbest uit de grote schuur verwijderd waarna alles gesaneerd wordt. In de grond ligt een septic tank die verwijderd moet worden. Het planvoornemen is om de woning en één houten schuur te behouden en de functie omzetten naar een burgerbestemming. De vegetatie in de tuin blijft behouden, enkel de vegetatie rondom de te slopen opstallen kan verwijderd worden indien het de sloopwerkzaamheden ernstig hinder oplevert. Figuur 4 geeft een impressie van wat er binnen het plangebied gesloopt wordt en welke opstallen blijven staan.

3.3

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. In onderstaande tabel zijn de afstanden tot de dichtstbijzijnde beschermde gebieden vermeld, dit wordt tevens weergegeven in Figuur 5. Tabel 2: Afstanden tussen plangebied en beschermde gebieden. Beschermd gebied

Afstand tot het plangebied in meters

Natura-2000 gebied

2.040 - Kennemerland-Zuid (zeer gevoelig voor stikstof)

Natuur Netwerk Nederland (NNN)

1.160

Belangrijk weidevogelgebied

3.770

Strategische reservering natuur

1.180

In Figuur 6 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. In de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (1-07-2021) is een bouwvrijstelling opgenomen. De vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase. Aangezien de gebruiksfase niet wijzigt ten opzichte van de huidige situatie, wordt er geadviseerd om geen stikstofberekening uit te voeren.

Bureauonderzoek Tijdens het bureauonderzoek is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd om te kijken of beschermde soorten voorkomen in de omgeving van het plangebied. Om een goed beeld van de situatie ter plaatse te krijgen, zijn waarnemingen tot vijf jaar terug meegenomen in dit onderzoek. In een straal van 3 kilometer rond het plangebied is gekeken welke beschermde soorten in de omgeving voorkomen. Deze beschermde soorten zijn weergegeven in onderstaande tabel. De data van de NDFF is niet volledig sluitend, indien tijdens de biotooptoets geschikt habitat wordt aangetroffen, kan het plangebied alsnog geschikt worden geacht voor specifieke soorten. Tabel 3: Verwachte beschermde flora- en faunasoorten in het projectgebied (Bron: NDFF). Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam) Buizerd (Buteo buteo) Gierzwaluw (Apus apus) Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)

Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)

Havik (Accipiter gentilis) Huismus (Passer domesticus) Ooievaar (Ciconia ciconia) Ransuil (Asio otus) Slechtvalk (Falco peregrinus) Sperwer (Accipiter nisus) Bosvleermuis (Nyctalus leisleri) Franjestaart (Myotis nattereri) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

Vleermuizen

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Meervleermuis (Myotis dasycneme) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Watervleermuis (Myotis daubentonii) Boommarter (Martes martes) Bruinvis (Phocoena phocoena)

Overige zoogdieren

Damhert (Dama dama) Eekhoorn (Sciurus vulgaris) Gewone zeehond (Phoca vitulina) Grijze zeehond (Halichoerus grypus)

Amfibieën Reptielen Weekdieren Planten

Rugstreeppad (Epidalea calamita) Hazelworm (Anguis fragilis) Zandhagedis (Lacerta agilis) Platte schijfhoren (Anisus vorticulus) Bokkenorchis (Himantoglossum hircinum) Dreps (Bromus secalinus)

Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam) Glad biggenkruid (Hypochaeris glabra) Aardbeivlinder (Pyrgus malvae)

Vlinders

Bruine eikenpage (Satyrium ilicis) Duinparelmoervlinder (Argynnis niobe) Grote vos (Nymphalis polychloros)

Libellen

Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis)

Vissen

Geen beschermde soorten verwacht

In de omgeving van het plangebied zijn tevens enkele soorten waargenomen waarvoor binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Het gaat hier om de volgende zoogdieren en amfibieën; aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Voor deze soorten geldt ten alle tijden de zorgplicht.

Veldonderzoek Het veldonderzoek is op 11 maart 2022 uitgevoerd door deskundig ecoloog B. Maste. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 4: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek (bron: Buienradar). Datum

Temperatuur (℃)

Overheersende windrichting (Bft)

Bewolking

Neerslag (mm)

11-03-2022

15

ZO 4

Helder

Geen

De in Hoofdstuk 4 genoemde soorten kunnen op basis van verspreidingsgegevens voorkomen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek is vervolgens nagegaan of het plangebied potentieel geschikt is voor (onder andere) deze soorten. In dit hoofdstuk worden de aantroffen biotopen binnen het plangebied beschreven. 5.1

Biotoop bebouwing

In het plangebied staan meerdere opstallen onder andere het woonhuis. De woning is opgetrokken uit bakstenen en heeft een schuin met dakpannen bedekt dak en een dakkapel (Figuur 7). In de muren zitten geen openstootvoegen, er zijn geen andere spleten of kieren gevonden waar gebouwbewonende vleermuizen in kunnen verblijven. De nokpannen lijken vrij afgesloten maar kunnen een verblijfplaats bieden aan gebouwbewonende vleermuizen. In de dakgoot ligt vogelschroot waardoor huismussen niet onder de dakpannen kunnen komen. Voor gierzwaluwen zijn er geen geschikte openingen in de woning om te broeden, daarnaast verblijven gierzwaluwen vaak in een meer stedelijke omgeving. Enkel vleermuizen kunnen bij deze woning niet worden uitgesloten. Deze woning blijft behouden maar staat binnen de invloedsfeer van werkzaamheden, hiervoor gelden mitigerende maatregelen voor vleermuizen die in Hoofdstuk 7 conclusie en advies worden toegelicht.

Naast het woonhuis blijft ook één van de houten schuren behouden (Figuur 8). In deze schuur zitten geen openingen die gebouwbewonende soorten kunnen benutten om in de schuur een verblijfplaats te hebben. Deze schuur heeft geen potentie voor beschermde soorten.

Aan de zuidoostzijde, direct naast de woning, bevindt zich een grote schuur deze is opgetrokken uit baksteen met een schuin dak bekleed met aluminium dakplaten (Figuur 9 en 10). De muren hebben geen open stootvoegen of andere kieren waar vleermuizen kunnen verblijven. In de grote schuur bevindt zich asbest.

Aan de noordoostzijde van dit opstal zit een oud ventilatie gat in de muur, deze is aan de binnenzijde dichtgemaakt (Figuur 11). De daklijsten gaan strak langs de bakstenen muur naar beneden, ook hier is geen ruimte aanwezig om door vleermuizen en gierzwaluwen als nest-

en/of verblijfplaats gebruikt te worden (Figuur 12). In de dakgoot ligt vogelschroot, huismussen kunnen hierdoor niet onder de dakpannen komen om te broeden. Tegen de westzijde van de schuur is een houten schuur tegen de muur aan gebouwd (Figuur 9). Het dak van de houten schuur bestaat uit golfplaten, de holle ruimtes zijn bij deze houten schuur dichtgemaakt met purschuim. Daarnaast is er in de houten schuur geen dakbeschot aanwezig waardoor het ook ongeschikt is voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen (Figuur 13). In deze opstallen worden geen beschermde soorten verwacht.

Zuidoost in het plangebied staan drie kassen, een loods en een witte opslag ruimte (Figuur 14). De kassen bestaan voornamelijk uit glas met een glazen of golfplaten dak. Er is hier geen dakbeschot aanwezig waar huismussen of gierzwaluwen gebruik van kunnen maken. Ook vleermuizen worden hier niet verwacht, de ventilatie roosters zijn aan de binnenzijde afgewerkt zodat dat er geen dieren doorheen kunnen (Figuur 15). Verder is er geen ruimte aanwezig waar beschermde soorten een nest- en/of verblijfplaats kunnen hebben.

De loods heeft metalen wandpanelen en een golfplaten dak (Figuur 16). Ook bij dit opstal is de ruimte onder de golfplaten dicht gemaakt. Er zijn verder geen kieren of scheuren aanwezig waar beschermde soorten kunnen verblijven. Huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen worden hier dan ook niet verwacht.

Als laatste staat de witte opslagruimte in het plangebied (Figuur 17). Dit opstal heeft metalen wandplaten en een plat dak. Ook hier zijn geen kieren of scheuren in aanwezig waar vleermuizen in zouden kunnen verblijven. Het dak is ongeschikt voor huismussen en gierzwaluwen. Beschermde soorten worden hier niet verwacht.

5.2

Biotoop aanwezig groen en bodem

Rondom het plangebied staat divers groen, van grotere bomen tot struiken en hagen. Het meeste bevindt zich in de tuin rond het woonhuis, dit blijft allemaal behouden (Figuur 18). Algemene broedvogels kunnen in deze vegetatie tot broeden komen. Verder staan er naast de te slopen opstallen nog enkele struiken en bomen indien mogelijk blijft dit ook zoveel mogelijk behouden (Figuur 19). In de aanwezige vegetatie zijn geen holten of nesten aangetroffen.

Verder is er nog een stuk agrarische grond, dit wordt groten deels verhuurd en blijft verder ook behouden (Figuur 20). Langs de sloten is nog een groene strook, hier groeit voornamelijk gras, hier en daar klein hoefblad en ooievaarsbek (Figuur 21). Het betreft een matig tot voedselrijke bodem, beschermde platen soorten worden hier niet verwacht. Er zijn verder geen holten in de grond aangetroffen.

Er zijn binnen het plangebied geen uitgesproken lijnvormige landschapselementen aanwezig welke als vliegroute voor vleermuizen kunnen fungeren. De vegetatie in het plangebied kan een functie als foerageergebied voor vleermuizen vervullen. Aangezien de vegetatie behouden blijft maar wel binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden staat kan het foerageergebied wellicht tijdelijk verstoord worden. Echter is de omvang van de vegetatie gering en wordt dit niet als essentieel foerageergebied beschouwd. 5.3

Biotoop water

Aan de oost- en westzijde van het plangebied loopt een sloot (Figuur 22). Deze heeft natuurlijke oevers waar verder geen vegetatie groeit. Enkel gras en klein hoefblad. Het water zelf is troebel en vrij van vegetatie.

Effectbeoordeling In dit hoofdstuk wordt bepaald of de voorgenomen plannen een al dan niet nadelig effect hebben op de beschermde soorten die volgens de bureaustudie in de omgeving van het plangebied voor kunnen komen. Allereerst zullen de soorten aan bod komen waar wel een negatief effect te verwachten is. Deze soorten en/of beschermde functies kunnen naar aanleiding van het bureauonderzoek en de biotooptoets niet worden uitgesloten binnen het plangebied. Vervolgens komen de soorten aanbod waar geen effect op verwacht wordt. 6.1

Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt

Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer of er naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden een effect te verwachten is. Tevens wordt weergegeven welk artikel en lid uit de Wet natuurbescherming potentieel overtreden wordt. Tabel 5: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten een negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden en welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Soort(groep) Reden van verwachting negatief effect Artikel en lid Wnb Vogels

Algemene broedvogels

Er kunnen vogels broeden in de bomen en struiken binnen het plangebied. Wanneer de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden en er broedende vogels aanwezig zijn, kan een negatief effect op een broedende vogels niet uitgesloten worden.

§3.1, lid 2 en lid 4

Binnen de invloedsfeer van werkzaamheden kunnen vleermuizen verblijven onder de nokpannen van de woning. Hierdoor zijn met de sloop van de opstallen naast het woonhuis negatieve effecten op potentieel aanwezige vleermuisverblijven niet uit te sluiten.

§3.5, lid 2 en lid 4

Vleermuis

Laatvlieger, gewone- , kleine- en ruige dwergvleermuis.

6.2

Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt

Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer of er naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden een effect te verwachten is. Tabel 6: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten geen negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden. Soort(groep) Reden van uitsluiten negatieve effecten Amfibieën Rugstreeppad

Binnen het plangebied is geen geschikte combinatie aanwezig van zomer-, winter- en paarverblijfplaatsen. Daarnaast zijn er tussen het plangebied en de waarneming meerdere onoverbrugbare barrières aanwezig zoals wegen en waterlichamen.

Vogels Buizerd, sperwer, havik

Er zijn geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen in het plangebied

Gierzwaluw

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals ruimten onder dakgoten, losliggend dakpannen, gaten bij regenpijpen, gaten in muren en neststenen.

Grote gele kwikstaart

Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk oevers van snel tot zwak stromende beken en rivieren omzoomd door loofbos. Deze soort kan ook broeden in dorpen waar een rivier doorheen loopt.

Huismus

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals een toegankelijke dakrand, los liggende dakpannen en overige gaten en kieren in daken en schuren. Binnen het plangebied is wel functionele leefomgeving aanwezig in de vorm

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten van groenblijvende struiken en drink plaatsen. Deze staan echter te ver van potentiële huismusnesten vandaan om als essentieel beschouwd te worden. Daarnaast blijft dit zoveel mogelijk behouden.

Ooievaar

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig in de vorm van hoge plekken, zoals telefoonpalen, bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform.

Ransuil

Binnen het plangebied zijn geschikte bomen die als winterroestplaats kunnen dienen. Echter zijn er geen sporen (braakballen) aangetroffen van uilen. Ook zijn er geen oude kraai- of eksternesten aangetroffen in het plangebied.

Slechtvalk

Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk hoogspanningsmasten, hoge gebouwen of torens. Ook zijn er geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen.

Vleermuizen Bosvleermuis

Negatieve effecten op de bosvleermuis worden uitgesloten vanwege het ontbreken van een bosrijke omgeving in het plangebied. Verder zijn kolonies van de bosvleermuis in Nederland enkel bekend in bomen en in het oosten van het land.

Baardvleermuis, Brandts vleermuis

Negatieve effecten op baardvleermuis kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van bosrijkgebied binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholtes, nest- of vleermuiskasten, zolders, de ruimte achtergevelbetimmering en vensterluiken van gebouwen. Winterverblijfplaats: voornamelijk ondergrondse ruimten als mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. Foerageergebied: bossen, bosranden en in kleinschalig gesloten landschappen.

Franjestaart

Negatieve effecten op de franjestaart kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van bosrijkgebied binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en gebouwen (spleetvormige ruimte, zolders van kerken en boerderijen. Winterverblijfplaats: ondergrondse ruimten als forten, groeven, ijskelders en bunkers. Foerageergebied: bosrijkgebied met waterpartijen of waterrijke gedeelten.

Gewone grootoorvleermuis

Negatieve effecten op gewone grootoorvleermuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van bosachtige omgeving. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: beschutte plekken in bos en kleinschalig parkachtig landschap. Negatieve effecten op grijze grootoorvleermuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van bosachtige omgeving en geschikte verblijfplaatsen.

Grijze grootoorvleermuis

Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: beschutte plekken in bos, kleinschalig parkachtig landschap Negatieve effecten op de meervleermuis worden niet verwacht, aangezien er in de directe omgeving van het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn.

Meervleermuis

Zomerverblijfplaats: vleermuiskasten en woonhuizen. Winterverblijfplaats: mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken en kelders. Foerageergebied: groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten.

Rosse vleermuis

Negatieve effecten op de rosse vleermuis worden niet verwacht, aangezien er geen holtebomen aanwezig zijn of worden gekapt binnen het plangebied. Zomer- en winterverblijfplaats: boomholten. Foerageergebied: open terrein, boven water en moerassige gebieden.

Tweekleurige vleermuis

Negatieve effecten op de tweekleurige vleermuis worden niet verwacht wegen het ontbreken van hoge gebouwen binnen het plangebied. Winterverblijfplaats: grotten, kelders en spleten in hoge gebouwen.

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten

Vale vleermuis

Negatieve effecten op de vale vleermuis worden niet verwacht, aangezien er geen holtebomen worden gekapt binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: Kraamverblijven in warme (kerk)zolders, groeven en grotten. Solitair ook in kasten en boomholten. Winterverblijfplaats: grotten, groeven en kelders. In de winter vaak in grote groepen. Foerageergebied: open landschap met bomen, zoals parken, boven velden en weilanden, ook bij bebouwing. Prooi bestaat ook vooral uit bodemdieren.

Watervleermuis

Negatieve effecten op de watervleermuis worden niet verwacht, aangezien er geen holtebomen aanwezig zijn of worden gekapt binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en spleten, maar ook kerkzolders, vleermuiskasten, bunkers en oude forten. Winterverblijfplaats: grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken en kelders. Foerageergebied: beschutte waterpartijen, of aan de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken, kastelen en visvijvers, smalle vaarten, langzaam stromende rivieren en beken.

Overige zoogdieren Boommarter

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk bos. Ook zijn er geen holtebomen aanwezig binnen het plangebied.

Bruinvis

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk; kustwateren van oceanen en zeeën.

Damhert

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk; lichte loofbossen en gemengde bossen met een dichte ondergroei waar voldoende gras aanwezig is.

Eekhoorn

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig namelijk; loofbos, naaldbos en gemengd bos of tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Ook zijn er geen bomen holtebomen en eekhoornnesten aangetroffen binnen het plangebied.

Gewone zeehond

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk; getijdengebieden langs zandige kusten en rotskusten, wier bedekte riffen, kiezelstranden, zandplaten en stenen.

Grijze zeehond

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk; zeewater met rotskusten, zandbanken, ijsplaten, riviermondingen, zand- en kiezelstranden

Reptielen

Hazelworm

De hazelworm leeft in open bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen in voornamelijk bos en heidegebied. Deze biotoop is aanwezig binnen het plangebied. Echter zijn tussen locaties met bekende waarnemingen en het plangebied barrières aanwezig, waardoor het plangebied niet te bereiken is voor de hazelworm. Negatief effect wordt daarom niet verwacht.

Zandhagedis

De zandhagedis leeft in open struikheideterreinen, open struweelduin en heidegebieden. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het projectgebied.

Weekdieren

Platte schijfhoren

Er vinden geen werkzaamheden plaats in het water dus negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. De platte schijfhoren komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing. Vaak in draadalg-vegetaties. Ook in andere vegetaties, zoals in wateren met krabbenscheer. Daarnaast soms op de wortels van o.a. lisdodde en vergelijkbare oevergebonden planten. De soort leeft niet in verontreinigd of brak water.

Planten Bokkenorchis

Bokkenorchis groeit in zeeduinen (laag duinstruweel en duin grasland), grasland (kalkgrasland en hooiland), bosranden, dijken en bermen. Deze biotopen is binnen het plangebied niet aanwezig.

Dreps

Dreps groeit op zonnige, open plaatsen op matig droge, vrij kalkarme, matig voedselrijke, lichte grond (löss, leem en zavel), akkers (wintergraanakkers en speltakkers), langs spoorwegen (spoorwegterreinen), braakliggende grond, wegranden (open plekken in bermen van grote verkeerswegen), ruigten, ruderale plaatsen en

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten stortterreinen. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

Glad biggenkruid

Glad biggenkruid groeit op zonnige, warme, open plaatsen op droge, voedselarme, met name stikstofarme, zwak zure, kalkarme grond in akkers (graanakkers en akkerranden), zeeduinen (laag blijvend duingrasland), bermen (open plekken en pas ingezaaide bermen) en grasland (gazons). Deze biotopen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.

Vlinders

Aardbeivlinder

De aardbeivlinder heeft als waardplant tormentil en dauwbraam. Deze planten zijn niet aanwezig binnen het plangebied. De vlinder komt voor in droge als vochtige terreinen met een afwisseling van lage en hoge vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

Bruine eikenpage

De bruine eikenpage heeft als waardplant eik, vooral zomereik. De vlinder komt voor in bosranden, open bospaden, eikenhakhout, kapvlakten in eikenbossen en jonge eikenaanplant. Deze biotoop is niet aanwezig binnen het plangebied.

Duinparelmoervlinder

De duinparelmoervlinder heeft als waardplant duinviooltje en hondsviootlje. De vlinder komt voor in open duingraslanden, vochtige duinvalleien en open, droge, schrale graslanden en droge kruidenrijke heide. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

Grote vos

De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De grote vos heeft als waardplant; iep, zoete kers en wilgensoorten. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

Grote parelmoervlinder

De waardplant van de grote parelmoervlinder zijn diverse soorten viooltjes (duinviooltje, hondsviooltje, moerasviooltje en ruig viooltje). De vlinder komt voornamelijk voor in duingraslanden, droge heischrale graslanden op lemige bodems, blauwgraslanden en kalkgraslanden. Het habitat van de vlinder moet verschillende soorten kruiden bevatten en een structuur hebben waarin open grond, lage en hoge vegetaties elkaar afwisselen. Deze biotoop eisen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

Libellen

Gevlekte witsnuitlibel

Deze libel leeft in laagveenmoerassen, vegetatierijke vennen en duinplassen met een beschutte ligging waarin het water helder, ondiep (één meter of minder) en matig voedselrijk is. Zowel vegetatieloze als dichtgegroeide wateren worden gemeden. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

Conclusie en advies In dit hoofdstuk worden alle soorten behandeld waarvoor mitigerende maatregelen nodig zijn. Soorten die zijn uitgesloten, worden hier niet behandeld, de reden van uitsluiting is terug te vinden in Hoofdstuk 6 Effectbeoordeling. Tevens wordt besproken of er een vervolgtraject benodigd is aangaande gebiedsbescherming. 7.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Het plangebied ligt op circa 2040 m afstand tot Natura 2000-gebied. Mogelijke stikstof effecten zijn daarom niet op voorhand uitgesloten. Er geldt een vrijstelling voor bouw-, aanlegen sloopactiviteiten. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase. Aangezien de gebruiksfase niet wijzigt ten opzichte van de huidige situatie, wordt er geadviseerd om geen stikstofberekening uit te voeren. 7.2

Soortbescherming

Nader onderzoek Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan is gebleken dat het woonhuis binnen het plangebied potentieel leefgebied vormt voor beschermde soorten (Figuur 23). Aangezien de woning behouden blijft is nader onderzoek niet nodig, echter staat dit wel binnen de invloedsfeer van werkzaamheden. Men dient zich te houden aan de onderstaande mitigerende maatregelen. Wanneer het niet mogelijk is om deze mitigerende maatregelen in acht te nemen, zal nader onderzoek uitgevoerd moeten worden om overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming te voorkomen.

Mitigerende maatregelen Vleermuizen: binnen het plangebied en de invloedsfeer van werkzaamheden kunnen gebouwbewonende vleermuizen verblijven. Indien er tijdens de sloopwerkzaamheden met felle bouwverlichting op de omliggende panden geschenen wordt, kan dit voor verstoring van verblijven zorgen. Om verstoring van vleermuizen en overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen, wordt geadviseerd om felle (bouw)verlichting tussen zonsondergang en zonsopkomst te doven en niet te schijnen op de omliggende gevels en bomen. Op deze manier wordt verstoring van eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen in en rondom het plangebied voorkomen en hoeft er geen nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Vogels zonder jaarrond beschermd nest: binnen het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied.

Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien er tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is.

Zorgplicht: De Wet natuurbescherming kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de bosmuis. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Voer de werkzaamheden uit tussen zonsopgang en zonsondergang zodat vleermuizen en andere nachtactieve dieren niet verstoord worden. • Indien werkzaamheden na zonsondergang onvermijdelijk zijn, beperk dan zoveel mogelijk het gebruik van licht op het terrein en maak gebruik van gerichte lichtbronnen waarbij de boven- en achterzijde afgeschermd zijn. • Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten. • Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van beschermde soorten. Ecologisch vervolgtraject Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen, een aantal soorten die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. Voor een aantal soorten geldt dat er mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 7: Overzicht van de onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten. Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Vogels zonder jaarrond beschermd nest

Diverse algemene soorten

Mitigerende maatregelen

Buizerd (Buteo buteo)

Nee

Gierzwaluw (Apus apus)

Nee

Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)

Nee

Havik (Accipiter gentilis)

Nee

Huismus (Passer domesticus)

Nee

Ooievaar (Ciconia ciconia)

Nee

Ransuil (Asio otus)

Nee

Slechtvalk (Falco peregrinus)

Nee

Sperwer (Accipiter nisus)

Nee

Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)

Nee

Franjestaart (Myotis nattereri)

Nee

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Mitigerende maatregelen

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

Nee

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Mitigerende maatregelen

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Mitigerende maatregelen

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Nee

Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)

Nee

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Mitigerende maatregelen

Watervleermuis (Myotis daubentonii)

Nee

Boommarter (Martes martes)

Nee

Bruinvis (Phocoena phocoena)

Nee

Damhert (Dama dama)

Nee

Eekhoorn (Sciurus vulgaris)

Nee

Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)

Vleermuizen

Overige zoogdieren

Soortgroep

Amfibieën Reptielen Weekdieren

Planten

Vlinders

Libellen

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Gewone zeehond (Phoca vitulina)

Nee

Grijze zeehond (Halichoerus grypus)

Nee

Rugstreeppad (Epidalea calamita)

Nee

Hazelworm (Anguis fragilis)

Nee

Zandhagedis (Lacerta agilis)

Nee

Platte schijfhoren (Anisus vorticulus)

Nee

Bokkenorchis (Himantoglossum hircinum)

Nee

Dreps (Bromus secalinus)

Nee

Glad biggenkruid (Hypochaeris glabra)

Nee

Aardbeivlinder (Pyrgus malvae)

Nee

Bruine eikenpage (Satyrium ilicis)

Nee

Duinparelmoervlinder (Argynnis niobe)

Nee

Grote vos (Nymphalis polychloros)

Nee

Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis)

Nee

Literatuur en bronvermelding Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Bijlsma, R.G., 2015. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S. e.a., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Diets, C., Kiefer, A, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist. Sovon Vogelonderzoek Nederland, december 2012. Notitie deskundigen bericht verstoring vogels

Internetbronnen www.ndff-ecogrid.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen www.ravon.nl www.sovon.nl www.floron.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.waarneming.nl

Bijlage I

Wet natuurbescherming

Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (Bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.

Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, Bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of Bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen,

af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Verordening vrijstelling soorten provincie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland acht het wenselijk vrijstellingen te verlenen van verboden ter bescherming van soorten dieren op grond van de Wet natuurbescherming voor de volgende diersoorten: Aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden.

Voor bovengenoemde soorten blijft de zorgplicht echter van kracht. Verder zijn beschermde soorten die niet via een natuurlijke verspreiding in Zuid-Holland terecht zijn gekomen niet beschermd in deze provincie.

Bijlage II

Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen

Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. Vleermuizen Nieuwbouw Spouwmuren zijn uitermate geschikt voor vleermuizen. Geschikte permanente verblijfplaatsen kunnen worden gecreëerd door bij de nieuwbouw een spouwmuur te realiseren van ten minste 2 centimeter diep. Invliegopeningen in de vorm van open stootvoegen van 1,5 tot 2 cm breed geven dwergvleermuizen toegang tot de spouwmuur. Laatvliegers hebben wat meer ruimte nodig om in te vliegen, namelijk tussen de 1,8 en 2 centimeter. Bij het gebruik van isolatie aan de binnengevel is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat er kunststof gaas wordt aangebracht met een maaswijdte van 3 tot 10 millimeter om vleermuizen de mogelijkheid te bieden te zich vast te klampen. De stootvoegen moeten zich op ten minste 3 meter hoogte bevinden en niet boven ramen of deuren geplaatst. Als het niet gewenst is dat vleermuizen zich vrij door de spouwmuur bewegen, is het inmetselen van vleermuisstenen een goed alternatief. De ruimte in een inmetselsteen is beperkt. Het is dan ook raadzaam inmetselstenen te koppelen zodat een grotere verblijfplaats ontstaat.

Renovatie Als een bestaande spouwmuur wordt geïsoleerd blijft er vaak te weinig ruimte over om nog te kunnen functioneren als potentiële verblijfplaats voor vleermuizen. Het is dan nog wel mogelijk inmetselstenen aan te brengen tussen het binnen- en buitenblad van de spouwmuur.

Boeiboorden of gevelbetimmering kan ook een verblijfplaats bieden aan vleermuizen. Door een opening van 2,5 centimeter vrij te houden tussen de gevel en de betimmering wordt een potentiële verblijfplaats gerealiseerd. Het is belangrijk dat de vleermuizen grip hebben, dus de wand moet ruw zijn.

Gierzwaluw Voor gierzwaluwen kan onder andere gebruik gemaakt worden van inmetselkasten in de gevel en nestpannen op het dak. De neststenen kunnen zowel zichtbaar als onzichtbaar in de gevel worden verwerkt.

Bij het aanbrengen van neststenen in de gevel is het van belang rekening te houden met de mate van opwarming van de neststenen. De neststenen moeten bij voorkeur in noordelijk of oostelijk gerichte gevels worden aangebracht of onder de schaduw van een overstek. Ook in nestpannen op het dak kan de temperatuur snel oplopen. Deze moeten onder geen beding op zuidelijk of westelijk gerichte daken worden gelegd. De kans is groot dat de jongen dit niet overleven. Zeker als de daken zijn geïsoleerd, kan warmte niet meer ontsnappen en is oververhitting een reëel gevaar. Gaten in overstekken en dakgootomlijstingen bieden goede mogelijkheden voor gierzwaluwen om te nestelen. De temperatuur is dit soort betimmeringen is beter gereguleerd en het is goed aan te vliegen door de soort.

Huismus Voor huismussen kan heel gemakkelijk nestruimte worden gerealiseerd door het (ver)plaatsen van vogelschroot tot onder de derde rij dakpannen. Op deze manier wordt voldaan aan het Bouwbesluit, maar blijft het dak beschikbaar voor de huismus. Bij huismussen moet rekening worden gehouden met de eisen die de soort stelt aan zijn omgeving. Om te kunnen functioneren als broedlocatie moet op zeer korte afstand voldoende dekking en voedsel aanwezig in de vorm van inheemse bomen en planten. Soorten als liguster, lijsterbes, sleedoorn, meidoorn en vlier zijn hier heel geschikt voor.

Insectenhotels Door insectenhotels te plaatsen in een voedselrijke omgeving met veel inheemse bloemen kunnen insecten worden gelokt. Het is van belang om goed te letten op de grootte en diepte van het insectenhotel en deze te plaatsen op een zonnige plek om deze succesvol te laten zijn. Een insectenhotel kan de diversiteit lokaal vergroten en de insecten vormen een goede voedselbron voor vogels en vleermuizen. Checklist groen bouwen Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken. Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen. Kijk voor meer informatie op: www.checklistgroenbouwen.nl www.bouwnatuurinclusief.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=cddcf2e4-d6d7-4ebb-bbb9-d2068a919036