CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen toelichting_Bijlage 8 Archeologisch bureauonderzoek Achterweg

Gemeenteraadsvergadering 5 juni 2024, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Bestemmingsplan Achterweg tussen 7 en 9 en Herenweg naast 1518.072 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

Argo 364

ARCHEOLOGENBUREAU

ARGO

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

Opdrachtgever: Bevoegde overheid: Deskundige namens bevoegde overheid: Gemeente: Plaats: Toponiem: Onderzoeksmeldingsnr.: Coördinaten: Titel: Rapportnr.: Auteur(s): Illustraties: Fotografie: Opmaak: Dataverwerking: Datum uitgave: Versienummer: Beheer en plaats projectdocumentatie: Autorisatie: ISSN: Goedgekeurd door de bevoegde overheid:

Van Riezen & Partners Gemeente Noordwijk Erfgoed Leiden Noordwijk Noordwijk Achterweg tussen 7 en 9 5316332100 90.855 / 471.012 (centrum) Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk Argo 364 L. Kleij L. Kleij (tenzij anders vermeld) L. Kleij (tenzij anders vermeld) L. Kleij L. Kleij Mei 2023 03 Archeologenbureau Argo te Zaandam A. Médard (Archeologenbureau Argo) 1879-7091

Eventuele vragen over dit rapport kunnen aan de auteur worden gesteld via onderstaand mailadres: info@archeologenbureauargo.nl

Disclaimer: Archeologenbureau Argo en de samensteller(s) van dit rapport kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade (direct of indirect dan wel gevolgschade) voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. Archeologenbureau Argo betracht de grootste zorgvuldigheid bij het uitvoeren van al haar onderzoeken. De aard van archeologisch onderzoek en in het bijzonder de steekproefsgewijze benadering die inherent is aan archeologisch vooronderzoek maakt het echter onmogelijk garanties te geven ten aanzien van de resultaten van dergelijk onderzoek. © Archeologenbureau Argo

Archeologenbureau Argo Symon Spiersweg 7-B14 1506 RZ Zaandam

075-6314418 info@archeologenbureauargo.nl www.archeologenbureauargo.nl

2

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

3

Inhoudsopgave 1. Inleiding........................................................................................................................................................4 2. Bureauonderzoek..........................................................................................................................................6 2.1 Doelstelling en methode.......................................................................................................................6 2.2 Beleid....................................................................................................................................................6 2.2.1 Landelijk beleid............................................................................................................................6 2.2.2 Provinciaal beleid.........................................................................................................................6 2.2.3 Gemeentelijk beleid.....................................................................................................................6 2.2.4 Status plangebied........................................................................................................................7 2.3 Geo(morfo)logie....................................................................................................................................7 2.4

Bewoningsgeschiedenis........................................................................................................................8 2.5 Historische kaarten...............................................................................................................................9 2.6 Bekende archeologische waarden......................................................................................................11 2.6.1 AMK-monumenten......................................................................................................................11 2.6.2 Onderzoeken en vondsten.........................................................................................................11 2.7 Verwachtingsmodel.............................................................................................................................13 3. Samenvatting en advies.............................................................................................................................14 4.

Literatuur en bronnen.................................................................................................................................15 4.1 Literatuur............................................................................................................................................15 4.2 Internetbronnen..................................................................................................................................15 4.3 Afbeeldingenlijst.................................................................................................................................15 Bijlage 1. Traject archeologische monumentenzorg: stappenplan.................................................................17 Bijlage 2. Tabel archeologische en geologische perioden..............................................................................19 Bijlage 3. Afkortingenlijst................................................................................................................................20 Bijlage 4. Archeologische monumenten, vondstlocaties en onderzoeken op Archis.....................................21 Bijlage 5. Kavelpaspoorten.............................................................................................................................22

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

4

1. Inleiding In dit rapport worden de resultaten weergegeven van een in opdracht van Van Riezen en Partners door Archeologenbureau Argo uitgevoerd bureauonderzoek. De aanleiding tot het onderzoek is de geplande nieuwbouw van een woning. Het onderzochte plangebied is gelegen aan de Achterweg tussen de huisnummers 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk (afbeelding 1). Op een recente luchtfoto is te zien dat het plangebied onbebouwd is en dat er een heg dwars door het plangebied heen loopt (afbeelding 2). Binnen het plangebied bestaat het voornemen een nieuwbouwwoning met kelder te realiseren. De locatie van de geplande woning, het bouwvlak, staat aangegeven op afbeelding 3. De oppervlakte van de geplande woning beslaat ca. 400 m 2. Een impressie van de te bouwen woning is te vinden in bijlage 5. Omdat tijdens de voorgenomen bodemingrepen eventueel aanwezige archeologische overblijfselen kunnen worden verstoord, wordt door de gemeente Noordwijk onderzoek naar de archeologische waarde van het plangebied vereist, in eerste instantie in de vorm van een bureauonderzoek. Het doel van dit bureauonderzoek is het verwerven van informatie aan de hand van bestaande bronnen over bekende of te verwachten archeologische waarden binnen het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de op dit moment vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.1) protocol 4002 "Bureauonderzoek".

Afbeelding 1. De locatie van het plangebied (rood omkaderd) op een uitsnede van een topografische kaart van Nederland (bron: openbasiskaart.nl via QGIS).

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

Afbeelding 2. Het plangebied (in roze) op een uitsnede van een recente luchtfoto (bron: www.beeldmateriaal.nl).

5

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

6

Afbeelding 3. Het plangebied (in geel) met daarbinnen de locatie van de geplande nieuwbouwwoning (het bouwvlak, zwart omkaderd) (bron: opdrachtgever).

2. Bureauonderzoek 2.1 Doelstelling en methode De eerste fase van archeologisch vooronderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (bijlage 1). Een bureauonderzoek kan worden omschreven als een inventarisatie van bekende of te verwachten archeologische waarden op het schaalniveau van het individuele plangebied. Het doel van een bureauonderzoek is het verwerven van informatie aan de hand van bestaande bronnen over bekende of te verwachten archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een gespecificeerde archeologische verwachting op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van (eventueel) vervolgonderzoek. Het rapport bevat, waar mogelijk, gegevens over aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden, ondergrondse bouwhistorische waarden en aardwetenschappelijke eigenschappen. Afhankelijk van de omvang van de toekomstige (planologische) ingreep en werkzaamheden (de aanleiding tot het bureauonderzoek) zullen aanvullende gegevens moeten worden verzameld. Archeologenbureau Argo maakt voor haar bureauonderzoeken gebruik van bodemkundige, geomorfologische, geologische, topografische en historische kaarten.

Conform de verplichtingen in de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.1) worden tevens de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) en ARCHIS (archeologische databank van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed) geraadpleegd. Indien beschikbaar en relevant bij een bureauonderzoek, worden ook bouw- en constructietekeningen van te slopen of te wijzigen (historische) bouwwerken, gegevens van milieukundig bodemonderzoek, lucht- en satellietfoto’s en het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) geraadpleegd. Ook archiefonderzoek kan deel uitmaken van een bureauonderzoek. Hierbij moet men niet alleen denken aan onderzoek in historische archieven, ook bouwhistorische gegevens (KICH, sinds begin 2013 overgegaan in Atlasleefomgeving) en de collectie van archeologische depots kunnen relevant zijn bij bureauonderzoek. Zo mogelijk en indien relevant wordt contact opgenomen met lokale historici, archeologisch regiospecialisten en (amateur)archeologen. De tijdens onderhavig onderzoek geraadpleegde bronnen worden, indien deze relevante informatie hebben opgeleverd, in de komende (sub)hoofdstukken behandeld. De tijdens onderhavig onderzoek geraadpleegde bronnen worden, indien deze relevante informatie hebben opgeleverd, in de komende (sub)hoofdstukken behandeld.

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

7

2.2 Beleid 2.2.1 Landelijk beleid Verdrag van Malta Het is in Nederland verplicht om bij ruimtelijke besluitvorming de archeologische belangen mee te wegen. In 1992 is in Valletta het Verdrag van Malta ondertekend door Nederland. De belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta zijn het streven naar behoud in de bodem (behoud in situ), het vroegtijdig betrekken van archeologie in ruimtelijke ordeningsprocessen en tenslotte, wanneer behoud in situ niet mogelijk is, het "de verstoorder betaalt" principe. Na het ondertekenen van dit verdrag werd, in afwachting van de implementatie in de Nederlandse wetgeving, steeds vaker al "in de geest van Malta" gehandeld. De Erfgoedwet (1 juli 2016) en Omgevingswet (verwacht 1 januari 2024) In deze wetten is de implementatie van het Verdrag van Malta inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed in de Nederlandse wetgeving opgenomen (deze wetten gelden als opvolgers van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro)). Dit geldt voor iedereen die bodemingrepen gaat (laten) uitvoeren: zowel particulieren als bedrijven, projectontwikkelaars en (lokale) overheden. 2.2.2 Provinciaal beleid De provincie Zuid-Holland heeft een lange bewoningsgeschiedenis. Dat levert naast zichtbare ook veel ondergrondse en dus onzichtbare sporen op.

Deze zijn niet alleen het bewaren waard, maar vormen ook een inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkeling. De provincie heeft in de Provinciale Onderzoeksagenda vijf thema's uitgekozen die speciale aandacht vragen: strijd tegen en met het water, overgangsfasen in de bewoningsgeschiedenis, leven en wonen rond de Limes, Holland, ontstaan en vorming van het graafschap, stad en platteland in de vroeg-moderne tijd (bron: https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/natuurlandschap/erfgoed-cultuur/archeologie/). Ook beschikt de provincie Zuid-Holland over de digitale CultuurHistorische Atlas. Deze kaart geeft in verschillende kaartlagen informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten, archeologische verwachtingen en structuurdragers. De digitale atlas, opvolger van de Cultuur-historische Hoofd Structurenkaart, is te raadplegen op http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas. 2.2.3 Gemeentelijk beleid Sinds de invoering en implementatie van de hernieuwde Monumentenwet, de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) en de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO) in 2007 is het archeologisch beleid bij de gemeenten komen te liggen, waarbij zij archeologische waarden volwaardig dienen te laten meewegen in de ruimtelijke planvorming.

De gemeente Noordwijk heeft het bevoegd gezag over het plangebied en kan in een vroeg stadium ruimtelijke ontwikkelingen sturen als ergens archeologische waarden bestaan of vermoed worden. Dit is in overeenstemming met het beleid van het Rijk. Volgens www.ruimtelijkeplannen.nl ligt het plangebied binnen bestemmingsplan ‘Landelijke gebied’ (vastgesteld op 13-04-2017). Het plangebied ligt in een zone waar de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie- 3’ geldt. Dit houdt in dat archeologisch onderzoek verplicht is bij grondroerende werkzaamheden die dieper reiken dan 0,5 m -mv en een oppervlakte beslaan van meer dan 500 m2. Op basis van de gemeentelijke verwachtingskaart ligt het plangebied in een zone van oeverwallen/crevasses uit het Oude Rijnsysteem op kwelders en/of veen op strandvlaktes, waardoor een lage verwachting geldt vanaf het Neolithicum en een hoge vanaf de IJzertijd. Op de beleidskaart is dit vertaald naar een 'hoge verwachting'. Hier geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is voor grondroerende werkzaamheden die dieper reiken dan 0,3 m -mv en een oppervlakte beslaan van meer dan 250 m2 (https://www.leidseregioinkaart.nl/kaarten/Archeologie_Noordwijk/index.html). 2.2.4 Status plangebied Het plangebied is momenteel volledig onbebouwd (afbeelding 2). Op het Actueel Hoogtebestand Nederland is te zien dat het maaiveld zich binnen het plangebied op een hoogte van ca.

0,4 m +NAP bevindt (https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/). Op de IKAW valt het plangebied binnen een zone met een middelhoge trefkans op archeologische waarden (https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx? map=Archeologie%2Din%2DNederland#).

2.3 Geo(morfo)logie Bij het opstellen van een archeologische verwachting wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de relatie die bestaat tussen de situering van de archeologische vindplaatsen en het landschap, of zelfs specifieke landschapselementen. Deze relatie (locatiekeuzefactoren) verschilt per archeologische periode en per complextype. Na het einde van de laatste ijstijd, het Weichselien, werd het klimaat steeds warmer. Hierdoor begonnen vanaf 9000 v.Chr. de ijskappen te smelten, met een snelle stijging van de zeespiegel als gevolg en een sterke kusterosie. De kustlijn schoof steeds verder naar het oosten, waardoor de oudere (westelijker gelegen) strandwallen steeds door de zee werden afgebroken en nieuwe strandwallen steeds verder oostwaarts ontstonden. De oudste overgebleven strandwallen zijn dan ook de meest oostelijke, op ca. acht kilometer ten oosten van de huidige kust. Vanaf ca. 3.800 v.Chr. begon de snelheid van de zeespiegelstijging af te nemen en slibden de meeste zeegaten dicht. De kustlijn kon zich stabiliseren en

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

8

begon zich juist weer langzaam westwaarts uit te bouwen. Tot aan het begin van de jaartelling ontstonden door de grote zandaanvoer nieuwe, steeds westelijker gelegen en bovendien steeds hogere strandwallen. Op de strandwallen ontstonden, door invloed van de wind, lage zandduinen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Zandvoort, ook wel Oude Duinen genoemd): "indien de strandwal hoog genoeg wordt, en vaak genoeg droogvalt, kan een deel van het zand worden opgewaaid tot duinen" (Berendsen, 1996). Vanaf ca. 2500 v.Chr. ontstond door een combinatie van het uitbreiden van het strand en de vorming van strandwallen opnieuw land binnen de gemeentegrenzen van Noordwijk. Er ontstond rond 2500 v.Chr. een zeer breed strand met een strandwal net buiten de gemeentegrenzen ter hoogte van Voorhout. Dit strand werd tussen 2500 en 2250 v.Chr. zo breed dat er opnieuw een strandwal ontstond ter hoogte van de huidige Bronsgeesterweg en Achterweg (Van der Valk, 1996). De uiterste zuidwestpunt van deze strandwal bevindt zich op ca. 220 m ten noordoosten van het onderhavige plangebied (afbeelding 4). Rond ca. 300 n.Chr. werd de Oude Rijn een steeds minder belangrijke tak van de Rijn. Er werd steeds minder water en zand vervoerd door de rivier waardoor de invloed van de zee in en rondom Noordwijk weer toenam.

De stromingen in zee begonnen de delta af te breken en het vrijgekomen zand werd op het strand geworpen. Daar werd het door de wind landinwaarts gevoerd (Pruissers & De Gans, 1988). De Jonge Duinen ontstaan vanaf ongeveer 800 tot 900 n.Chr. op deze manier. Deze duinen zijn tientallen meters hoog en bedekken langs de kust van Noordwijk een groot deel van de oudere afzettingen. De vorming van deze jonge duinen en de migratie van de duinen door de wind, ging in ieder geval door tot in de Late Middeleeuwen (Parlevliet, 2001). De afname van de afvoer van water en zand door de Oude Rijn had nog een tweede effect naast het verdwijnen van de delta. De loop van de Oude Rijn, die tot in de Romeinse tijd altijd ten zuiden van de gemeente Noordwijk had gelegen werd door de stromingen in de Noordzee langzaam maar zeker verplaatst naar het noorden. In 1122 wordt de Oude Rijn aan de stroomopwaartse zijde bij Wijk bij Duurstede afgedamd. Vanaf dat moment stroomt er nauwelijks nog water in de Oude Rijn. Rond 1135 treed er een grote stormvloed op langs de Nederlandse kust. Na deze stormvloed verdwijnt de monding van de Oude Rijn en vanaf dat moment is het een geheel dode rivier. De jonge duinen tussen Katwijk en Noordwijk herstellen zich hierna maar deze duinenstrook blijft altijd veel smaller dan ten zuiden van Katwijk en ten Noorden van Noordwijk aan Zee.

Geologisch gezien heeft het landschap dan zijn huidige vorm bereikt. Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw ontdekte men dat de strandwallen gunstige locaties waren voor de bloembollenteelt. Om de gronden geschikt te maken werden strandwallen afgegraven en werd het kalkrijke zand uit de ondergrond omhoog gehaald. Naast de strandwallen werden op verschillende plaatsen ook de strandvlaktes tussen de strandwallen verbeterd ten behoeve van de bollenteelt. Deze gronden, waar het kalkrijke zand onder een laag veen of klei voorkwam, zijn vaak ernstig vergraven. Hierdoor zijn in veel gebieden aan de Hollandse kust humushoudende bovengronden ontstaan van ten minste 0,5 m dikte (Koekkelkoren, 2015). Volgens de geomorfologische kaart (afbeelding 4) ligt het plangebied in een ingesloten strandvlakte (M76). Op de bodemkaart staat het plangebied gekarteerd als kalkhoudende enkeerdgronden, matig fijn zand (EZ50A).

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

9

Afbeelding 4. Het plangebied (roze omkaderd) op een uitsnede van de geomorfologische kaart (bron: Wageningen Environmental Research).

2.4 Bewoningsgeschiedenis De strandwallen en -vlaktes vormden voor de mens een aantrekkelijk vestigingsgebied. Op basis van losse vondsten is de eerste menselijke activiteit bij Noordwijk in het Laat Neolithicum (2850–2000 v.Chr.) te plaatsen. De eerste bewoningssporen in Noordwijk dateren uit de Vroege Bronstijd. Bij een opgraving op het terrein Bronsgeest, op ca. 2 km ten noordoosten van het onderhavige plangebied, zijn twee huisplattegronden uit de Vroege Bronstijd en een bijbehorend akkercomplex uit ca. 1850 v.Chr. opgegraven. Bewoningssporen uit de Midden Bronstijd komen niet veel voor in de omgeving van Noordwijk, wel zijn er verschillende losse vondsten bekend. Bij een opgraving aan de Achterweg (het hieronder beschreven onderzoek 2188186100, op 280 m ten zuiden van het onderhavige plangebied), zijn eergetouwkrassen opgegraven, gedateerd in het Laat Neolithicum – Bronstijd. Verder is er een mogelijk van elders aangevoerde vuurslag en één fragment aardewerk aangetroffen dat in de Midden Bronstijd gedateerd kan worden. Vanaf de Late Bronstijd en de IJzertijd neemt de bewoning toe in Noordwijk. Op ca. 250 m ten zuiden van het onderhavige plangebied zijn aan de Achterweg, bij de afvalwateringszuivering, bewoningssporen uit de IJzertijd aangetroffen.

Er zijn hier verschillende erfafscheidingen en mogelijk twee boerderijen uit de Midden- tot Late IJzertijd aangetroffen (Van der Feest, Wilbers, Vaars & Moerman, 2014). In de Romeinse tijd ligt Noordwijk aan de noordkant van de Romeinse grens. In de omgeving zijn vele losse vondsten gedaan waaronder inheems aardewerk en Romeinse munten. Deze vondsten wijzen op contact met nabijgelegen plaatsen ten zuiden van de grens. Ten zuiden van Noordwijk zijn namelijk de plaatsen Katwijk en Valkenburg gelegen die een belangrijke rol aan de limes vervulden. Vanaf ca. 250 n.Chr. tot in de 4e eeuw zijn weinig vondsten in Noordwijk en omgeving bekend. Uit de 4 e tot en met de 6e eeuw zijn uit de kuststrook vrijwel geen vondsten bekend. In de Vroege Middeleeuwen vestigden zich nieuwe bewoners op de Oude Duinen en strandwallen. Het gebied rond Noordwijk bleef vermoedelijk van de Friezen, die over de kuststrook heersten, maar in de 8 e eeuw maakten de Friezen plaats voor de Franken. Uit deze periode zijn in Noordwijk enkele sporen van bewoning aangetroffen. In 1231 werd het ambacht Noordwijk opgesplitst in Noordwijk en Noordwijkerhout. De dorpskern van Noordwijk-Binnen ontwikkelde zich tot een bedevaartsplaats voor Sint Jeroen en om de kerk van Sint Jeroen ontstond een dorp. In 1450 was er een grote dorpsbrand waarbij een groot deel van het dorp, inclusief de kerk van Sint Jeroen, verloren ging.

Er vond daarna herbouw van verschillende gebouwen plaats. Er zijn in de gemeente verschillende archeologische vondsten en opgravingen gedaan die de historische informatie bevestigen. Binnen het grondgebied van Noordwijk waren enkele kleinere heerlijkheden gelegen, namelijk Langhevelt en Offem. Het onderhavige plangebied is gelegen op ca. 550 m ten zuiden van het landgoed Offem, dat ooit toebehoorde aan de ‘Heere van Noortwijk’ maar sinds 1812 in het bezit is van de familie Van Limburg Stirum. In de Nieuwe Tijd zijn de kruidenteelt en later vooral de bollenteelt belangrijk voor het landelijke gebied van Noordwijk (Kooi, 2021).

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

10

2.5 Historische kaarten Er zijn verschillende historische kaarten aan de hand waarvan de latere ontwikkeling van het gebied kan worden geïllustreerd. Historische kaarten zijn echter niet altijd even betrouwbaar. Deze zijn vaak een sterk vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid. Lang niet alle huizen en gehuchten werden weergegeven; vaak volstond men met een schetsmatige weergave van de belangrijkste steden en dorpen waarbij enkel de belangrijkste gebouwen werden geschetst (kerken, kastelen, etc.) en wat bebouwing. Soms staat enkel de naam van een gehucht vermeld, zonder dat er bebouwing wordt weergegeven. Bovendien laat de schaal naar de huidige maatstaven vaak te wensen over. Een nieuwe kaart betekent overigens lang niet altijd dat de kaartenmaker werkelijk de situatie in zijn tijd heeft weergegeven. Niet zelden werden nieuwe kaarten op basis van (veel) oudere exemplaren van andere kaartenmakers vervaardigd. De oudste kaart die het plangebied enigszins gedetailleerd weergeeft is de ‘Kaart van het hoogheemraadschap van Rijnland’ uit 1647 (afbeelding 5). Op deze kaart is als herkenningspunt de Achterweg te zien. Verder is de zien dat het plangebied en het omliggende gebied onbebouwd zijn. Op de kadastrale minuutkaarten uit 1811-1832 wordt de bebouwing nauwkeuriger weergegeven. Deze kaarten zijn, hoewel zeker niet altijd feilloos, in de regel vrij betrouwbaar.

Aanwezige bebouwing wordt in principe altijd weergegeven, al is de exacte locatie binnen een perceel niet altijd even nauwkeurig. Op de uitsnede van de minuutkaart (afbeelding 6) is als herkenningspunt de Achterweg te zien. Het plangebied is op deze kaart volledig onbebouwd en ligt in zijn geheel binnen perceelnummer 36. In de bijbehorende tafel der grondeigenaren kan aanvullende informatie over de eigenaren en het grondgebruik worden opgezocht. Hier wordt perceelnummer 36 beschreven als ‘Bouwland’. Het perceel was in het bezit van Dirk Wassenaar. Dirk had als beroep ‘Bouwman’, en was woonachtig te Noordwijk. Op de hierop volgende topografische atlassen (afbeelding 7) is te zien dat het plangebied vanaf het einde van de 19e eeuw tot in de recente tijd onbebouwd is gebleven.

Afbeelding 5. Het plangebied (binnen de blauwe cirkel) op een uitsnede van de ‘Kaart van het hoogheemraadschap van Rijnland’ uit 1647 (bron: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/kaartencollectie/NL-HaNA_4.VTH_G_000700013001487/a8a5c3c5-57dc-46df-8ba1-2ae1c85f52bb?searchKey=32e74b9a44a0ea7dfaf1359de45d0d55).

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

Afbeelding 6. Uitsnede van de kadastrale minuutkaarten uit 1811-1832: minuutplan Noordwijk, Zuid Holland, sectie I, blad 01 (MIN08138I01). De ligging van het plangebied is blauw omkaderd (bron: https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/rce-mediabank/detail/a76f1f94-94d7-11e5-b291-8f194b65cf4d).

Afbeelding 7. Het plangebied (blauw omkaderd) op uitsneden van topografische kaarten uit de 19 e, 20e en 21e eeuw (bron: www.topotijdreis.nl).

11

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

12

2.6 Bekende archeologische waarden Archis is nagelopen op bekende archeologische waarden en eerder uitgevoerde onderzoeken. Alle relevante informatie over monumenten, onderzoeken en waarnemingen binnen een straal van ca. 500 m om het plangebied is geraadpleegd (bijlage 4). 2.6.1 AMK-monumenten Binnen een straal van ca. 500 m om het plangebied bevinden zich geen AMK-monumenten. 2.6.2 Onderzoeken en vondsten Binnen een straal van ca. 500 m om het plangebied bevindt zich een aantal onderzoeksgebieden en vondstlocaties. Relevante onderzoeksgebieden en vondstlocaties waarbij informatie beschikbaar is zullen hieronder besproken worden. Onderzoeksmeldingsnummer 2100194100, op ca. 60 m ten oosten van het onderhavige plangebied, betreft een bureau- en booronderzoek uit 2005. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het terrein zich bevindt op de overgang van een ingesloten strandvlakte naar een vlakte van getij- en riviermondafzettingen die deel uitmaakt van het estuarium van de Oude Rijn. Volgens bekende archeologische gegevens was de ten noorden gelegen uitloper van de strandwal van Noordwijkerhout reeds in het Neolithicum bewoond. Het mondingsgebied van de Oude Rijn werd waarschijnlijk pas vanaf de IJzer- of Romeinse Tijd door de mens in gebruik genomen. In de directe omgeving van dit onderzoek zijn tot op heden geen sporen of vondsten in deze geologische zone aangetroffen.

Uit het booronderzoek is gebleken dat het terrein gelegen is aan de rand van het estuarium. In het oostelijke deel van het terrein zijn op een diepte van 1,78 m –NAP wadafzettingen aangeboord. Het oostelijke deel vormde vanwege zijn dynamische milieu geen geschikte locatie voor bewoning of landbouw. In het westelijke deel ontbreken de wadafzettingen. In het centrale deel zijn op een diepte van 0,25 m en 1,77 m –NAP afzettingen van een strandwal of Oude Duinen aangeboord, waarschijnlijk zijn ze onderdeel van de uiterste zuidpunt van de strandwal van Noordwijkerhout. Deze punt was vermoedelijk te laag gelegen om interessant te zijn voor bewoning. Zowel op de Oude Duinen/strandwalafzettingen als op de wadafzettingen is een 0,2 tot 0,35 m dik pakket Hollandveen aangetroffen. Dit wordt afgedekt door een 0,5 tot 1,55 m dik pakket zandige rivierafzettingen van de Oude Rijn. Hierboven bevindt zich een 0,6 tot 0,95 m dikke bouwvoor. Hoewel hierin 17 e of 18e eeuws (bouw)keramiek is aangetroffen, gaat het om een verstoord pakket en heeft het vondstmateriaal geen archeologische betekenis. Uiteindelijk is geadviseerd om geen nader archeologisch onderzoek uit te voeren (Van der Zee & Stiller, 2005). Onderzoeksmeldingsnummer 4629648100, op ca. 180 m ten noordoosten van het onderhavige plangebied, betreft een opgraving uit 2018.

Binnen het terrein zijn verschillende vooronderzoeken uitgevoerd, uiteindelijk zijn op basis van een proefsleuvenonderzoek twee vindplaatsen geselecteerd voor vervolgonderzoek. Locatie A bevindt zich op 430 m ten noordoosten van het onderhavige plangebied, locatie B op 440 m ten oosten van het onderhavige plangebied. Vindplaats A is gelegen op duinafzettingen en bestaat uit resten van nederzettingen en akkers uit de Midden IJzertijd (mogelijk Vroege IJzertijd) tot de Midden Romeinse Tijd. Vindplaats B ligt op duin- en strandafzettingen. Hier zijn resten van akkers uit de IJzertijd en/of Romeinse Tijd aangetroffen. Verder zijn er hier geen nederzettingssporen aangetroffen. Tijdens de opgraving is gebleken dat het opgegraven terrein van Offem-Zuid gelegen is in een zeer reliëfrijk landschap met op korte afstand veel hoogteverschillen. De hogere duinen waar gedurende verschillende perioden in de geschiedenis bewoning heeft plaats gevonden, worden afgewisseld met laagtes (duinflanken) waar in verschillende perioden geakkerd is. Binnen het terrein zijn sporen uit de Bronstijd, IJzertijd en Romeinse Tijd aangetroffen. Verder zijn er verschillende sporen van landinrichting uit de Nieuwe Tijd aanwezig (Kooi, et al., 2021). Onderzoeksmeldingsnummer 2188186100, op ca. 280 m ten zuiden van het onderhavige plangebied, betreft een opgraving uit 2008.

Uit het vooronderzoek is gebleken dat er archeologische resten uit de Bronstijd en IJzertijd binnen het terrein aanwezig waren en dat er menselijke activiteiten hebben plaatsgevonden vanaf het Laat Neolithicum. De aangetroffen resten uit het Neolithicum bestaan uit een akkercomplex dat aangetroffen is onder een veenpakket. Er is bovendien één vuurslag aangetroffen uit deze periode maar hiervan wordt gedacht dat deze van elders afkomstig is. Er is één aardewerkfragment aangetroffen die in de Midden Bronstijd gedateerd is. Op basis van pollenonderzoek wordt vermoed dat het om een vrij open gebied ging dat soms voor langere perioden zeer nat was. Ten tijde van de IJzertijd was waarschijnlijk alleen nog een deel van de aanwezige duinen te zien, het voorheen gebruikte akkerareaal was toen volledig onder het veen verdwenen. Uit de IJzertijd zijn meerdere erfafscheidingen aangetroffen. De nieuwere erfafscheiding werd telkens binnen de grenzen van de oudere afscheidingen geplaatst. Dit is het gevolg van het uitbreidende veenpakket dat resulteerde in een steeds kleiner wordende duin. Verder zijn er uit deze periode twee boerderijen aangetroffen. Op basis van de huisplattegronden wordt vermoed dat het gaat om bewoning uit de Midden IJzertijd. Het aangetroffen aardewerk is echter grotendeels in de Late IJzertijd te plaatsen.

Aangezien er ook enkele Midden IJzertijd fragmenten zijn aangetroffen wordt gedacht dat deze nederzetting dateert uit de overgang van de Midden IJzertijd naar de Late IJzertijd. Vanwege de natte omgeving wordt aangenomen dat er vooral aan veeteelt gedaan werd en in mindere mate aan akkerbouw. Mogelijk ging het om seizoensgebonden bewoning. Binnen het erf en op een hoger gelegen duintopje ten noorden van het terrein zijn twee kringgreppels aangetroffen. Omdat hier een menselijk schedelfragment is aangetroffen wordt hiervan vermoed dat het om grafstructuren gaat waarvan het hoger gelegen deel is

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

13

verstoord door latere agrarische activiteiten. Het is niet bekend wanneer het terrein verlaten is, pas in de Late Middeleeuwen wordt het terrein weer in gebruik genomen als landbouwgebied. Vanaf deze periode zijn verkavelingssloten aangelegd dwars door de restanten van het IJzertijd erf (Van der Feest, Wilbers, Vaars & Moerman, 2014). Onderzoeksmeldingsnummer 3979583100, op ca. 130 m ten zuidwesten van het onderhavige plangebied, betreft een booronderzoek uit 2015. Uit het vooronderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen in een ingesloten strandvlakte die vermoedelijk bestaat uit de afzettingen van het estuarium van de Oude Rijn en bedekt is met overstromingslagen van klei en ingestoven duinzandpakketten. De ingesloten strandvlakte, ontstaan in het Laat Neolithicum, heeft volgens de gemeentelijke verwachtingenkaart een middelhoge verwachting. De estuariene afzettingen waaruit de strandvlakte is opgebouwd en de ligging tussen twee hogere strandwallen (of duinenrijen) geven het terrein echter eerder een lage archeologische verwachting voor resten van nederzettingen. Archeologische waarden van landbouw en jacht hebben een hogere verwachting. De lage tot middelhoge archeologische verwachting van de strandvlakte geldt voor de periode Laat Neolithicum tot de Vroege IJzertijd. Vermoed wordt dat er gedurende de Late Middeleeuwen een verblazen duinzandpakket wordt afgezet.

Het is dit zandpakket dat in de Late Middeleeuwen samen met de nabijgelegen duinen wordt ontgonnen en in gebruik wordt genomen voor de landbouw. Voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt daarom een middelhoge archeologische verwachting op het aantreffen van resten die in verband kunnen worden gebracht met landbouw. De dikte van het verblazen duinzandpakket is niet bekend, er wordt dan ook geen indicatie gegeven van de diepte van mogelijke archeologische niveaus. Het gebied is in de Nieuwe Tijd in gebruik geweest voor de teelt van bloembollen. Dit heeft de bodemopbouw mogelijk grotendeels verstoord. Om de grond geschikt te maken voor bollenteelt wordt het kalkrijke strandzand (of estuariumzand) omhoog gehaald en worden klei- en veenlagen verbroken en naar onder verplaatst. Het booronderzoek heeft aangetoond dat er in het plangebied geen sprake is van grootschallige verstoringen door de bollenteelt. De ondergrond bestaat uit een estuariene strandvlakte bedekt met overstromingsafzettingen en ingeblazen duinzandlagen. De verwachtingen uit het verwachtingsmodel blijven daarmee behouden. In het plangebied komen nog verschillende landschappelijke niveaus voor waarop mogelijk archeologische resten voorkomen.

Het betreft een niveau in de top van een duinzandpakket op ongeveer 0,7 m –mv (+0,2 m NAP), een niveau in de top van een kleipakket op een diepte van 1,1 tot 1,5 m –mv (-0,5 tot -1,0 m NAP) en een niveau in de top van de estuariene strandvlakte op 1,8 m –mv (-1,1 m NAP). De archeologische verwachting voor deze niveaus is laag voor waarden zoals bewoning en begraving, maar middelhoog voor sporen van jacht en landbouwactiviteiten. Er is geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren indien deze niveaus (of één daarvan) worden verstoord (Koekkelkoren, 2015). Onderzoeksmeldingsnummer 4597434100, op ca. 230 m ten zuidwesten van het onderhavige plangebied, betreft een booronderzoek uit 2018. Uit het vooronderzoek blijkt dat het plangebied waarschijnlijk is gelegen op estuariene afzettingen van zand en klei uit het estuarium van de Oude Rijn. Deze estuariene afzettingen zijn in het Laat Neolithicum of de Vroege Bronstijd drooggevallen na het ontstaan van een strandwal op ongeveer 100 m ten noordwesten van het terrein. Uit archeologische onderzoeken uit de directe omgeving blijkt dat op de estuariene afzettingen verschillende duinen zijn ontstaan en dat daartussen een beekje stroomde, bij hoogwater overstroomde de omgeving en werden kleilagen afgezet. In de lage delen tussen de duinen (en in periodes van geen overstromingen) vormde zich veen.

Uiteindelijk is het hele gebied rond 1165 na Chr. overstroomd waarbij afzettingen van zandige klei achterbleven, over dit kleilandschap is in de Late Middeleeuwen een laag duinzand heengeblazen. Het kleilandschap met duinzandlaag is in de Late Middeleeuwen ontgonnen. Gedurende de 17 e – 20e eeuw werden hierop bloembollen geteeld. De bollenteelt heeft de bovengrond waarschijnlijk diep omgezet waarbij de oudere veen-, klei- en zandniveaus zijn aangetast. Bij de verschillende overstromingen van het plangebied (zeker bij de laatste in 1165) zijn er delen van het landschap geërodeerd. Daardoor kunnen archeologische sporen verdwijnen of juist worden afgedekt. Het veldonderzoek heeft de landschappelijke opbouw zoals die in het vooronderzoek werd verwacht bevestigd. Het estuariene zand met de duinen erop is aangetroffen vanaf een diepte van -1,1 m NAP (1,5 m -mv) tot -1,5 m NAP (1,9 m -mv). Binnen het terrein is geen beekje aangetroffen, de laagste delen van het landschap tussen de duinen is bedekt met een veenlaag. Op basis van het veldonderzoek heeft alleen de top van het zandpakket nog een middelhoge archeologische verwachting voor waarden uit de Bronstijd tot en met de Romeinse tijd.

Er is uiteindelijk geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren indien graafwerkzaamheden dieper reiken dan 1,3 m -mv (-0,8 m NAP), dit is de diepte van het estuariene zandpakket met duinen erop plus een marge van 0,2 m (De Boer, Sterk & Moerman, 2018). Onderzoeksmeldingsnummer 2410927100, op ca. 300 m ten zuidwesten van het onderhavige plangebied, betreft een bureau- en booronderzoek uit 2013. Uit het booronderzoek is gebleken dat het noordelijke deel van het terrein verstoord is tot een diepte van ca. 3,0 m –mv. In dit gebied zullen daarom geen archeologische resten meer voorkomen. In de rest van het plangebied is de bodemopbouw aangetroffen die verwacht werd op basis van het bureauonderzoek. Op een niveau van -0,6 tot -0,4 m NAP in het noordwesten tot -1,1 tot -1,3 m in het zuidoosten (respectievelijk 0,9 tot 1,2 m –mv en 1,4 tot 1,6 m –mv) komt een begraven bodem voor op de top van een duinlandschap. Dit niveau heeft met name voor de IJzertijd een hoge archeologische verwachting, ook kunnen er archeologische resten voorkomen uit de periode Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Op het gedeelte van het plangebied dat bestaat uit een begraven duinlandschap kunnen in de bodem nederzettingsresten voorkomen. In de laagte ten zuidoosten van de duinen zullen voornamelijk de resten

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

14

van landbouwwerkzaamheden voorkomen. Er is geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren bij graafwerkzaamheden dieper dan 0,9 m –mv (Wilbers, 2013). Onderzoeksmeldingsnummer 4886864100, op ca. 360 m ten westen van het onderhavige plangebied, betreft een bureau- en booronderzoek uit 2020. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied op een strandwal is gelegen die ontstaan is in het Laat Neolithicum of de Vroege Bronstijd (tussen 2525 en 1825 v.Chr.). Indien de bodem intact is wordt op basis van nabijgelegen onderzoeken verwacht dat er zich op 0,4 tot 0,6 m –NAP een begraven duinlandschap bevindt met een hoge verwachting op resten uit met name de IJzertijd. Na de IJzertijd is het landschap bedekt geraakt met verstoven duinafzettingen. Op basis van historisch kaartmateriaal (vanaf 1615) geldt een lage verwachting op archeologische resten uit de Nieuwe Tijd. Aan het einde van de 19 e eeuw is het plangebied waarschijnlijk in gebruik genomen voor de bloembollenteelt. Verwacht wordt dat dit de bodem tot op grote diepte heeft verstoord. Uit het booronderzoek is gebleken dat de bodem inderdaad volledig verstoord is tot een diepte van minstens 2,5 m –mv of 1,7 m –NAP. De eventuele archeologische niveaus zijn hierdoor verloren gegaan en er is dan ook geadviseerd om het terrein vrij te geven voor ontwikkeling (Wilbers & Moerman, 2020).

2.7 Verwachtingsmodel Op grond van de geo(morfo)logische gesteldheid van de bodem, de bekende archeologische waarden en de bewoningsgeschiedenis kan een verwachtingsmodel worden opgesteld voor het plangebied. De ingesloten strandvlakte waarbinnen het plangebied is gelegen is ontstaan in het Laat Neolithicum. De estuariene afzettingen waaruit de strandvlakte is opgebouwd en de ligging tussen twee hogere strandwallen maken de vlakte te nat en onaantrekkelijk voor bewoning. In de omgeving zijn enkele neolithische vondsten aangetroffen, ook zijn er eergetouwkrassen aangetroffen uit deze periode. De kans op het aantreffen van archeologische waarden uit het Neolithicum die in verband kunnen worden gebracht met agrarische activiteiten is dan ook middelhoog. De kans op het aantreffen van bewoningsresten uit het Neolithicum is echter laag vanwege het natte karakter van het plangebied. Hoewel een ingesloten strandvlakte in principe een onaantrekkelijke vestigingsplaats is zijn er tijdens een onderzoek op ca. 280 m ten zuiden van het plangebied (2188186100, gelegen binnen dezelfde ingesloten strandvlakte) twee boerderijen en twee spiekers of graven uit de IJzertijd aangetroffen. Ook is daar aardewerk uit de Bronstijd en IJzertijd gevonden. Op basis hiervan geldt een middelhoge verwachting op bewoningsresten uit de Bronstijd en een middelhoge tot hoge verwachting voor de IJzertijd.

Het zal dan vermoedelijk om seizoensgebonden bewoning gaan in de drogere periode van het jaar. Uit de Romeinse Tijd en Vroege Middeleeuwen zijn minder vondsten bekend uit de omgeving. De kans op het aantreffen van bewoningsresten uit deze perioden is laag, de kans op het aantreffen van sporen die in verband gebracht kunnen worden met agrarische activiteiten is laag tot middelhoog. In de Late Middeleeuwen is er in het plangebied waarschijnlijk een verblazen duinzandpakket afgezet. Dit zandpakket is samen met de nabijgelegen duinen ontgonnen en in gebruik genomen voor de landbouw. Voor deze periode geldt dan ook een lage kans op het aantreffen van bewoningsresten maar een middelhoge kans op het aantreffen van sporen van agrarische activiteit. Voor de Nieuwe Tijd geldt eenzelfde soort verwachting. De lage kans op het aantreffen van bewoningsresten uit de Nieuwe Tijd is mede bepaald door het ontbreken van bebouwing binnen het plangebied en de wijdere omgeving op historisch kaartmateriaal. De archeologische niveaus worden verwacht op een diepte tussen 1,0 m en 2,0 m -mv. Het plangebied is gelegen in een regio waar de bollenteelt de bodem plaatselijk tot wel 3,0 m -mv verstoord heeft. Delen van het landschap zijn echter nog wel intact, de bovengenoemde trefkansen op archeologische waarden gelden alleen bij een intacte bodem.

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

15

3. Samenvatting en advies In mei 2023 is in opdracht van Van Riezen en Partners een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk. Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de richtlijnen van de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.1). De aanleiding tot het bureauonderzoek werd gevormd door geplande bodemverstorende werkzaamheden (de realisatie van een nieuwbouwwoning) die een bedreiging vormen voor eventueel aanwezige archeologische overblijfselen. De oppervlakte van de geplande woning beslaat ca. 400 m2, de woning zal worden onderkelderd. Het doel van het onderhavige onderzoek was het verwerven van informatie aan de hand van bestaande bronnen over bekende of te verwachten archeologische waarden binnen het plangebied. Uit het onderzoek is gebleken dat in het plangebied een lage kans is op het aantreffen van bewoningsresten uit het Neolithicum en de Romeinse Tijd tot en met de Nieuwe Tijd. Voor de Bronstijd geldt een middelhoge verwachting en voor de IJzertijd een middelhoge tot hoge verwachting op resten van bewoning. De over het algemeen lage trefkans is toe te schrijven aan het natte karakter van het plangebied en de nabijheid van hoger gelegen strandwallen.

De middelhoge tot hoge verwachting op bewoningsresten uit de IJzertijd is gebaseerd op het feit dat er twee boerderijen uit dezelfde periode zijn aangetroffen iets ten zuiden van het plangebied, op dezelfde ingesloten strandvlakte. De kans op het aantreffen van sporen die in verband gebracht kunnen worden met agrarische activiteiten is voor alle perioden middelhoog. De archeologische niveaus worden verwacht op een diepte tussen 1,0 m en 2,0 m -mv. Het plangebied is gelegen in een regio waar de bollenteelt de bodem plaatselijk tot wel 3,0 m -mv verstoord heeft. Delen van het landschap zijn echter nog wel intact, de bovengenoemde trefkansen op archeologische waarden gelden alleen bij een intacte bodem. Geadviseerd wordt om een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek. Zo kunnen eventuele recente verstoringen door de bollenteelt in kaart worden gebracht en kan worden vastgesteld of een archeologische relevante laag, of lagen, aanwezig zijn. De beslissing om bovenstaand advies al dan niet over te nemen (een selectiebesluit) dient door de bevoegde overheid, de gemeente Noordwijk (Zuid-Holland), te worden genomen. Tot slot dient te worden vermeld dat, ongeacht dit advies en het selectiebesluit, er een wettelijke meldingsplicht bestaat (Erfgoedwet 2016) mochten er onverhoopt toch archeologische overblijfselen worden aangetroffen.

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

16

4. Literatuur en bronnen 4.1 Literatuur Berendsen, H.J.A., 1996. De vorming van het land, Assen. Boer, R. de, G. Sterk & S. Moerman, 2018. Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, Achterweg (tussen 12 en 14), Noordwijk, Gemeente Noordwijk. IDDS Archeologie rapport 2095. Noordwijk. Feest, N.J.W. van der, A.W.E. Wilbers, J. Vaars & F. Vrede, 2014. Definitief archeologisch onderzoek Achterweg 11, Noordwijk, Gemeente Noordwijk. B&G rapport 1053. Noordwijk. Koekelkoren, A.M.H.C., 2015. Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Achterweg 10, Noordwijk Gemeente Noordwijk. IDDS Archeologie rapport 1838. Noordwijk. Kooi, M. et al., 2021. Bewoning en beakkering op een duinrug gedurende de bronstijd, ijzertijd en Romeinse tijd. Een opgraving in het plangebied Offem-Zuid te Noordwijk (gemeente Noordwijk). IDDS/BAAC rapport: 54910418/A-18.0232. Médard, A., 2018. Kwaliteitshandboek Archeologenbureau Argo versie 2.1. Argo 1. Zaandam. Parlevliet, D., 2001. De Rijnmond verstopt, in: Holland, historisch tijdschrift, 33e jaargang, nr. 1, 1-16. Pruissers, A.P. & W. de Gans, 1988. De bodem van Leidschendam, in: Daams, F.H.C.M. & J.D. de Kort. Over, door en om de Leytsche Dam, Leidschendam. Valk, L. van der, 1996. Coastal barrier deposits in the central Dutch coastal plain. Mededelingen van de Rijks Geologische Dienst 57.

Haarlem. Wilbers, A.W.E., 2013. Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Achterweg (ong.), Noordwijk, Gemeente Noordwijk. IDDS Archeologie rapport 1564. Noordwijk. Wilbers, A.W.E. & S. Moerman, 2022. Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Herenweg 151, Noordwijk, Gemeente Noordwijk. IDDS Archeologie rapport 2467. Noordwijk. Zee, R.M., van der & D.R. Stiller, 2005. Locatie ‘Achterweg 7’ te Noordwijk-Binnen, gemeente Noordwijk. Een inventariserend veldonderzoek. STAR rapport 76. Amsterdam. Z.N., 2019. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1.

4.2 Internetbronnen ARCHIS3 via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl/#/zaak/search Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/ beeldbank.cultureelerfgoed.nl/ https://www.opentopo.nl/ https://www.google.nl/maps www.ruimtelijkeplannen.nl https://www.nationaalarchief.nl www.beeldmateriaal.nl www.topotijdreis.nl

4.3 Afbeeldingenlijst Afbeelding 1. De locatie van het plangebied (in roze) op een uitsnede van een topografische kaart van Nederland. Bron: openbasiskaart.nl via QGIS. Afbeelding 2. Het plangebied (in roze) op een uitsnede van een recente luchtfoto. Bron: www.beelmateriaal.nl.

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

17

Afbeelding 3. Het plangebied (in geel) met daarbinnen de locatie van de geplande nieuwbouwwoning (het bouwvlak, zwart omkaderd). Bron: opdrachtgever. Afbeelding 4. Het plangebied (roze omkaderd) op een uitsnede van de geomorfologische kaart, voor de roze strook ten oosten van het plangebied is geen informatie beschikbaar. Bron: Wageningen Environmental Research. Afbeelding 5. Het plangebied (binnen de blauwe cirkel) op een uitsnede van de ‘Kaart van het hoogheemraadschap van Rijnland’ uit 1647. Bron: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/kaartencollectie/NL-HaNA_4.VTH_G_000700013001487/a8a5c3c5-57dc-46df-8ba1-2ae1c85f52bb? searchKey=32e74b9a44a0ea7dfaf1359de45d0d55 Afbeelding 6. Uitsnede van de kadastrale minuutkaarten uit 1811-1832: minuutplan Noordwijk, Zuid Holland, sectie I, blad 01 (MIN08138I01). De ligging van het plangebied is blauw omkaderd. Bron: https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/rce-mediabank/detail/a76f1f94-94d7-11e5-b291-8f194b65cf4d Afbeelding 7. Het plangebied (blauw omkaderd) op uitsneden van topografische kaarten uit de 19 e, 20e en 21e eeuw. Bron: www.topotijdreis.nl

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

18

Bijlage 1. Traject archeologische monumentenzorg: stappenplan In het “stappenplan archeologie” wordt aangegeven welk traject bij planvorming bewandeld moet worden als het gaat om het inpassen van archeologische waarden en verwachtingen. Het is van groot belang om in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen en wel voordat men aanvangt met de globale invulling van een plangebied. Het stappenplan gaat uit van een brede inventarisatie van wat er bekend is over de archeologische waarden. Op basis daarvan wordt ingezoomd op voor het plan(gebied) relevante archeologische informatie. Na iedere stap wordt beredeneerd gekozen voor meer diepgaand onderzoek op specifieke plekken, zodat uiteindelijk voldoende bekend is over aanwezige vindplaatsen om gemotiveerde afweging in het ruimtelijkeordeningsproces te kunnen maken. I. Bureauonderzoek Het doel van bureauonderzoek is het verwerven van informatie - aan de hand van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen of relevant voor het plangebied. Daarnaast moet het bureauonderzoek inzicht bieden in eventueel benodigd inventariserend onderzoek (stap II, zie onder). Een bureauonderzoek bestaat uit een archief- en literatuuronderzoek van archeologische en bodemkundige gegevens die bij RACM, provincie, gemeente en/of andere instanties (b.v.

universiteiten, musea) bekend zijn over het betreffende gebied. Het Bureauonderzoek dient de volgende aspecten te behandelen: · aangeven wat de aanleiding is voor het bureauonderzoek en om welk gebied het gaat. Dit in verband met het bepalen van het onderzoekskader; · beschrijven van het huidige gebruik van de locatie op basis van beschikbare relevante gegevens; · beschrijven van het historische grondgebruik of de historische ontwikkeling van het gebied op basis van geofysische, fysische en historisch-geografische gegevens ; · een korte impressie over de ontstaansgeschiedenis van het landschap ; · een impressie van de bewoningsgeschiedenis; · beschrijven bekende archeologische waarden ; · archeologisch waardevolle terreinen zoals deze zijn opgenomen in het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de RACM. Dezelfde terreinen zijn tevens opgenomen op de Archeologische Monumentenkaarten (AMK) van de provincies. Archeologisch waardevolle terreinen genieten wettelijke bescherming (ex artikel 3 en 6 van de Monumentenwet) of dienen een planologische bescherming te krijgen binnen het bestemmingsplan; · archeologische vindplaatsen zoals deze in het Centraal Archeologisch Archief (CAA) van de RCE aanwezig zijn.

Clustering van vindplaatsen kan wijzen op de aanwezigheid van bewoningssporen uit het verleden; · beschrijven van de archeologische verwachtingen en opstellen van een gespecificeerd en onderbouwd verwachtingsmodel van de verwachte archeologische waarden: · aan de hand van de door de RACM ontwikkelde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. Gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde of trefkans komen in ieder geval voor een nader archeologisch onderzoek in aanmerking; · aan de hand van een meer gedetailleerde provinciale c.q. gemeentelijke verwachtingskaart; · rapportage met daarin advisering ten behoeve van het vervolgtraject gerelateerd aan de verschillende stadia van het planvormingsproces. II. Inventariserend veldonderzoek (IVO) Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de uitkomsten van het bureauonderzoek. Stapsgewijs wordt bekeken óf er archeologische waarden aanwezig zijn en zo ja, wat dan de aard, karakter, omvang, datering, gaafheid, conservering en relatieve kwaliteit is. Ten behoeve van een IVO dient een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden. In principe wordt het IVO uitgevoerd op basis van een Plan van Aanpak (PvA).

Het onderzoek kan bestaan uit de volgende methoden: · non-destructieve methoden: geofysische methoden (elektrische, magnetische en elektromagnetische methoden eventueel in combinatie met remote sensing technieken); · weinig destructieve methoden: oppervlaktekartering, booronderzoek, sondering (putjes van maximaal een vierkante meter); · destructieve methoden: proefsleuven. Welke methoden (kunnen) worden ingezet hangt af van de locatie en vraagstelling. De onderbouwing voor de in te zetten methoden is in het bureauonderzoek gegeven. Een inventariserend veldonderzoek moet leiden tot een waardering en een archeologisch inhoudelijk selectieadvies. Bij weinig destructieve methoden gaat het om oppervlaktekartering en booronderzoek. Dit houdt in dat het plangebied wordt gekarteerd door middel van het “belopen” van akkers en weilanden, waarbij gezocht wordt naar aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast wordt door middel van boringen onderzocht hoe het staat met de bodemopbouw, en of er archeologische lagen of indicatoren te onderscheiden zijn. De aangetroffen vindplaatsen kunnen vervolgens nader bekeken worden met een meer diepgaand booronderzoek. Dit levert nadere informatie over de omvang en waardering op. Soms is het nodig om in dit stadium proefputjes te graven.

Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd indien uit de minder destructieve onderzoeksmethoden is gebleken dat er in een plangebied waardevolle archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Door middel van het graven van een aantal proefsleuven kunnen de exacte begrenzing, de datering en de graad van conservering van een vindplaats worden onderzocht. Uit het proefsleuvenonderzoek moet blijken of een vindplaats behoudenswaardig of zelfs beschermenswaardig is. Is dit het geval, dan zal bekeken moeten worden of de vindplaats ingepast kan worden in het plan. Het rijks- en ook het provinciaal archeologiebeleid gaat in eerste instantie uit van behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke in de

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

19

bodem). Eventueel: III. Opgraven ofwel archeologisch vervolgonderzoek Indien het niet mogelijk is een ‘behoudenswaardige of beschermenswaardige’ vindplaats in situ te bewaren, zal het hier aanwezige bodemarchief voor het nageslacht bewaard dienen te worden door middel van een vlakdekkend onderzoek. Alleen dan is deze stap (stap III) noodzakelijk. Bron: Rijksdienst voor het Cultuureel Erfgoed, Amersfoort.

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

Bijlage 2. Tabel archeologische en geologische perioden

20

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

21

Bijlage 3. Afkortingenlijst AMK Archeologische Monumenten Kaart Archis ARCheologisch InformatieSysteem: Geografisch InformatieSysteem met archeologische databank van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). Bevat veelheid aan gegevens omtrent eerder verricht onderzoek en vondstmeldingen in het onderzoeksgebied. ASB Archeologische Standaard Boorbeschrijving. C14 Koolstof (radioactieve isotoop), gebruikt voor datering. CAA Centraal Archeologisch Archief. CHS Cultuurhistorische Hoofdstructuur. CIS Centraal Informatie Systeem. CMA Centraal Monumenten Archief. GIS Geografische InformatieSystemen. GPS Global Positioning System. IKAW Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. IVO Inventariserend Veld Onderzoek. KICH Kennis Infrastructuur CultuurHistorie. Geografisch InformatieSysteem met cultuurhistorische databank met gegevens van drie kennisinstituten op het gebied van cultuurhistorie. Dit zijn de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de Directie Kennis van het ministerie van LNV en Alterra (Wageningen Universiteit en Research centrum). KLIC Kabel- en Leidingen Informatie Centrum. KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Op basis van het Verdrag van Malta (Valletta) moet ook in Nederland archeologisch onderzoek aan kwaliteitscriteria voldoen.

Net als bij het milieuhygiënische bodembeheer werkt de archeologische sector met een erkenningensysteem (vergunningverlening) en met een op private leest geschoeide kwaliteitsborging, de KNA maakt daar onderdeel van uit. NAP Normaal Amsterdams Peil (=officieel peilmerk). NOAA Nationale Onderzoeks Agenda Archeologie. PvA Plan van Aanpak. PvE Programma van Eisen. RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. WAMZ Wet op de Archeologische MonumentenZorg.

Archeologisch bureauonderzoek Achterweg tussen 7 en 9 te Noordwijk, gemeente Noordwijk

Bijlage 4. Archeologische monumenten, vondstlocaties en onderzoeken op Archis

22

Kavelpaspoorten Achterweg tussen 7 en 9 en Herenweg naast 151 te Noordwijk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=32757fa6-1fc6-42a4-954e-940889f3ea95